Home Soera Soera 71 – Nuh – (de profeet) Nuh (Noach) – نوح

Soera 71 – Nuh – (de profeet) Nuh (Noach) – نوح

2126
0
NODIG ANDEREN OOK UIT OM DE KORAN TE LEZEN EN VERDIEN HASANAAT:
bismillah-ir-rahman-ir-rahim

إِنَّا أَرْسَلْنَا نُوحًا إِلَىٰ قَوْمِهِ أَنْ أَنذِرْ قَوْمَكَ مِن قَبْلِ أَن يَأْتِيَهُمْ عَذَابٌ أَلِيمٌ1

Wij hebben Noeh naar zijn volk gezonden: “Waarschuw jouw volk voordat een pijnlijke bestraffing tot hen komt.”

قَالَ يَا قَوْمِ إِنِّي لَكُمْ نَذِيرٌ مُّبِينٌ2

Hij zei: “Mijn volk! Ik ben voor jullie een duidelijke waarschuwer

أَنِ اعْبُدُوا اللَّهَ وَاتَّقُوهُ وَأَطِيعُونِ3

dat jullie God moeten dienen, Hem moeten vrezen en mij moeten gehoorzamen.

يَغْفِرْ لَكُم مِّن ذُنُوبِكُمْ وَيُؤَخِّرْكُمْ إِلَىٰ أَجَلٍ مُّسَمًّى ۚ إِنَّ أَجَلَ اللَّهِ إِذَا جَاءَ لَا يُؤَخَّرُ ۖ لَوْ كُنتُمْ تَعْلَمُونَ4

Dan zal Hij voor zonden van jullie vergeving schenken en jullie uitstel verlenen tot een vastgestelde termijn. Maar Gods termijn wordt niet uitgesteld wanneer hij komt, als jullie dat maar wisten.”

قَالَ رَبِّ إِنِّي دَعَوْتُ قَوْمِي لَيْلًا وَنَهَارًا5

Hij zei: “Mijn Heer, ik heb mijn volk nacht en dag opgeroepen,

فَلَمْ يَزِدْهُمْ دُعَائِي إِلَّا فِرَارًا6

maar mijn oproep heeft hen alleen maar meer laten vluchten.

وَإِنِّي كُلَّمَا دَعَوْتُهُمْ لِتَغْفِرَ لَهُمْ جَعَلُوا أَصَابِعَهُمْ فِي آذَانِهِمْ وَاسْتَغْشَوْا ثِيَابَهُمْ وَأَصَرُّوا وَاسْتَكْبَرُوا اسْتِكْبَارًا7

En telkens als ik hen opriep, opdat U hun zou vergeven, stopten zij hun vingers in hun oren, bedekten zich met hun kleren en bleven stijfkoppig en hoogmoedig.

ثُمَّ إِنِّي دَعَوْتُهُمْ جِهَارًا8

Toen riep ik hen in het openbaar op.

ثُمَّ إِنِّي أَعْلَنتُ لَهُمْ وَأَسْرَرْتُ لَهُمْ إِسْرَارًا9

Toen sprak ik openlijk en in het diepste geheim met hen.

فَقُلْتُ اسْتَغْفِرُوا رَبَّكُمْ إِنَّهُ كَانَ غَفَّارًا10

En ik zei: \’Vraagt jullie Heer om vergeving; Hij is vergevend.

يُرْسِلِ السَّمَاءَ عَلَيْكُم مِّدْرَارًا11

Hij zal dan de hemel in overvloed over jullie laten regenen,

وَيُمْدِدْكُم بِأَمْوَالٍ وَبَنِينَ وَيَجْعَل لَّكُمْ جَنَّاتٍ وَيَجْعَل لَّكُمْ أَنْهَارًا12

jullie met bezittingen en zonen versterken, tuinen voor jullie maken en rivieren voor jullie maken.

مَّا لَكُمْ لَا تَرْجُونَ لِلَّهِ وَقَارًا13

Wat is er met jullie dat jullie van God geen waardigheid verwachten?

وَقَدْ خَلَقَكُمْ أَطْوَارًا14

Hij heeft jullie toch in fasen geschapen.

أَلَمْ تَرَوْا كَيْفَ خَلَقَ اللَّهُ سَبْعَ سَمَاوَاتٍ طِبَاقًا15

Zien jullie dan niet hoe God zeven hemelen in lagen geschapen heeft?

وَجَعَلَ الْقَمَرَ فِيهِنَّ نُورًا وَجَعَلَ الشَّمْسَ سِرَاجًا16

En dat Hij daarin de maan tot een licht heeft gemaakt en dat Hij de zon tot een heldere lamp heeft gemaakt?

وَاللَّهُ أَنبَتَكُم مِّنَ الْأَرْضِ نَبَاتًا17

God heeft jullie toch uit de aarde laten ontstaan.

ثُمَّ يُعِيدُكُمْ فِيهَا وَيُخْرِجُكُمْ إِخْرَاجًا18

Daarna zal Hij jullie in haar terug laten keren en jullie dan opnieuw tevoorschijn brengen.

وَاللَّهُ جَعَلَ لَكُمُ الْأَرْضَ بِسَاطًا19

En God heeft de aarde voor jullie tot een uitgelegd tapijt gemaakt,

لِّتَسْلُكُوا مِنْهَا سُبُلًا فِجَاجًا20

opdat jullie er wegen en passen begaan kunnen.?”

قَالَ نُوحٌ رَّبِّ إِنَّهُمْ عَصَوْنِي وَاتَّبَعُوا مَن لَّمْ يَزِدْهُ مَالُهُ وَوَلَدُهُ إِلَّا خَسَارًا21

Noeh zei: “Mijn Heer, zij gehoorzamen mij niet, maar zij volgen iemand wiens bezit en kinderen hem alleen maar meer verlies laten lijden.

وَمَكَرُوا مَكْرًا كُبَّارًا22

En zij hebben grote listen beraamd

وَقَالُوا لَا تَذَرُنَّ آلِهَتَكُمْ وَلَا تَذَرُنَّ وَدًّا وَلَا سُوَاعًا وَلَا يَغُوثَ وَيَعُوقَ وَنَسْرًا23

en zij zeiden: \’Verlaat jullie goden niet. Verlaat Wadd niet, noch Soewaa\’, noch Jaghoeth, Ja\’oek en Nasr.:

وَقَدْ أَضَلُّوا كَثِيرًا ۖ وَلَا تَزِدِ الظَّالِمِينَ إِلَّا ضَلَالًا24

En zij hebben velen tot dwaling gebracht. Laat dan de onrechtplegers alleen maar meer dwalen.”

مِّمَّا خَطِيئَاتِهِمْ أُغْرِقُوا فَأُدْخِلُوا نَارًا فَلَمْ يَجِدُوا لَهُم مِّن دُونِ اللَّهِ أَنصَارًا25

Vanwege hun zonden werden zij verdronken en toen een vuur binnengebracht en zij vonden buiten God om voor zich geen helpers.

وَقَالَ نُوحٌ رَّبِّ لَا تَذَرْ عَلَى الْأَرْضِ مِنَ الْكَافِرِينَ دَيَّارًا26

En Noeh zei: “Mijn Heer, laat niet een van de ongelovigen op de aarde blijven wonen.

إِنَّكَ إِن تَذَرْهُمْ يُضِلُّوا عِبَادَكَ وَلَا يَلِدُوا إِلَّا فَاجِرًا كَفَّارًا27

Immers, als U hen laat zullen zij Uw dienaren tot dwaling brengen en alleen maar overtreders en ondankbaren voortbrengen.

رَّبِّ اغْفِرْ لِي وَلِوَالِدَيَّ وَلِمَن دَخَلَ بَيْتِيَ مُؤْمِنًا وَلِلْمُؤْمِنِينَ وَالْمُؤْمِنَاتِ وَلَا تَزِدِ الظَّالِمِينَ إِلَّا تَبَارًا28

Mijn Heer, vergeef mij en mijn ouders en wie mijn huis als gelovige binnenkomen, en de gelovige mannen en vrouwen. En laat de ongelovigen alleen maar meer vernietigd worden.”

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here