Soera 63 – Al-Munafiqun – De Hypocrieten – المنافقون

bismillah ir rahman ir rahim

إِذَا جَاءَكَ الْمُنَافِقُونَ قَالُوا نَشْهَدُ إِنَّكَ لَرَسُولُ اللَّهِ ۗ وَاللَّهُ يَعْلَمُ إِنَّكَ لَرَسُولُهُ وَاللَّهُ يَشْهَدُ إِنَّ الْمُنَافِقِينَ لَكَاذِبُونَ 1

Wanneer de hypocrieten naar jou (o Mohammed) toe komen, (dan) zeggen zij: “Voorwaar, wij getuigen dat jij zeker de Boodschapper van Allah bent.” En waarlijk, Allah weet dat jij zeker Zijn Boodschapper bent. En waarlijk, Allah getuigt dat de hypocrieten zeker leugenaars zijn.

اتَّخَذُوا أَيْمَانَهُمْ جُنَّةً فَصَدُّوا عَن سَبِيلِ اللَّهِ ۚ إِنَّهُمْ سَاءَ مَا كَانُوا يَعْمَلُونَ 2

Zij (d.w.z. de hypocrieten) hebben hun eden als bescherming genomen (om niet gedood te worden). Vervolgens hielden zij (de mensen) af van de Weg van Allah. Voorwaar, slecht is dat wat zij deden.

ذَٰلِكَ بِأَنَّهُمْ آمَنُوا ثُمَّ كَفَرُوا فَطُبِعَ عَلَىٰ قُلُوبِهِمْ فَهُمْ لَا يَفْقَهُونَ 3

Dat is omdat zij geloofden en vervolgens ongelovig werden, waarna hun harten verzegeld werden. Zij begrijpen dan (ook) niet (het verschil tussen de Waarheid en de valsheid).

وَإِذَا رَأَيْتَهُمْ تُعْجِبُكَ أَجْسَامُهُمْ ۖ وَإِن يَقُولُوا تَسْمَعْ لِقَوْلِهِمْ ۖ كَأَنَّهُمْ خُشُبٌ مُّسَنَّدَةٌ ۖ يَحْسَبُونَ كُلَّ صَيْحَةٍ عَلَيْهِمْ ۚ هُمُ الْعَدُوُّ فَاحْذَرْهُمْ ۚ قَاتَلَهُمُ اللَّهُ ۖ أَنَّىٰ يُؤْفَكُونَ 4

En als jij hen ziet, (dan) raak je onder de indruk van hun lichamen. En als zij spreken, dan luister jij naar hun woorden. Zij zijn net als opgezette stukken hout (d.w.z. dat zij geen enkel nut met zich meebrengen). Zij denken dat elke schreeuw voor hen (bedoeld) is. Zij zijn de vijand, wees daarom op je hoede voor hen. De Vloek van Allah rust op hen. Hoe kunnen zij zo afgedwaald zijn (van Zijn aanbidding)?

وَإِذَا قِيلَ لَهُمْ تَعَالَوْا يَسْتَغْفِرْ لَكُمْ رَسُولُ اللَّهِ لَوَّوْا رُءُوسَهُمْ وَرَأَيْتَهُمْ يَصُدُّونَ وَهُم مُّسْتَكْبِرُونَ 5

En wanneer er tegen hen wordt gezegd: “Kom, de Boodschapper van Allah zal om vergeving voor jullie vragen”, (dan) draaien zij (spottend) hun hoofden (weg) en jij ziet hen zich afwenden, terwijl zij zich hoogmoedig opstellen.

سَوَاءٌ عَلَيْهِمْ أَسْتَغْفَرْتَ لَهُمْ أَمْ لَمْ تَسْتَغْفِرْ لَهُمْ لَن يَغْفِرَ اللَّهُ لَهُمْ ۚ إِنَّ اللَّهَ لَا يَهْدِي الْقَوْمَ الْفَاسِقِينَ 6

Het is voor hen hetzelfde of jij (o Mohammed) om vergeving voor hen vraagt, of (dat jij) niet om vergeving voor hen vraagt. Allah zal hen nooit vergeven. Voorwaar, Allah leidt het verdorven volk niet.

هُمُ الَّذِينَ يَقُولُونَ لَا تُنفِقُوا عَلَىٰ مَنْ عِندَ رَسُولِ اللَّهِ حَتَّىٰ يَنفَضُّوا ۗ وَلِلَّهِ خَزَائِنُ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ وَلَٰكِنَّ الْمُنَافِقِينَ لَا يَفْقَهُونَ 7

Zij zijn degenen die zeggen: “Geef niet uit aan degenen die zich bij de Boodschapper van Allah bevinden, totdat zij hem verlaten.” En aan Allah behoren de schatten van de hemelen en de aarde toe, maar de hypocrieten begrijpen (het) niet.

يَقُولُونَ لَئِن رَّجَعْنَا إِلَى الْمَدِينَةِ لَيُخْرِجَنَّ الْأَعَزُّ مِنْهَا الْأَذَلَّ ۚ وَلِلَّهِ الْعِزَّةُ وَلِرَسُولِهِ وَلِلْمُؤْمِنِينَ وَلَٰكِنَّ الْمُنَافِقِينَ لَا يَعْلَمُونَ 8

Zij (de hypocrieten) zeggen: “Als wij terugkeren naar Medina, dan zal de meest eerbare zeker de mindere daaruit verdrijven.” En aan Allah behoort alle cIzzah toe en aan Zijn Boodschapper en aan de gelovigen, maar de hypocrieten weten (het) niet.

يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا لَا تُلْهِكُمْ أَمْوَالُكُمْ وَلَا أَوْلَادُكُمْ عَن ذِكْرِ اللَّهِ ۚ وَمَن يَفْعَلْ ذَٰلِكَ فَأُولَٰئِكَ هُمُ الْخَاسِرُونَ 9

O jullie die geloven, laat jullie bezittingen en jullie kinderen jullie niet afleiden van het gedenken van Allah. En wie dat wel doet, zij behoren dan tot de verliezers.

وَأَنفِقُوا مِن مَّا رَزَقْنَاكُم مِّن قَبْلِ أَن يَأْتِيَ أَحَدَكُمُ الْمَوْتُ فَيَقُولَ رَبِّ لَوْلَا أَخَّرْتَنِي إِلَىٰ أَجَلٍ قَرِيبٍ فَأَصَّدَّقَ وَأَكُن مِّنَ الصَّالِحِينَ 10

En geef uit van datgene waarmee Wij jullie hebben voorzien, voordat de dood tot één van jullie komt en hij dan zegt: “Mijn Heer, had U mij maar tot een nabij tijdstip uitstel verleend, dan zou ik liefdadigheid geven en tot de rechtschapenen behoren.”

وَلَن يُؤَخِّرَ اللَّهُ نَفْسًا إِذَا جَاءَ أَجَلُهَا ۚ وَاللَّهُ خَبِيرٌ بِمَا تَعْمَلُونَ 11

En Allah verleent geen ziel uitstel wanneer haar tijdstip is aangebroken. En Allah is op de hoogte van dat wat jullie (in het verborgene) doen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Close