Home Soera Soera 60 – Al-Mumtahinah – De Vrouw die ondervraagd werd – الممتحنة

Soera 60 – Al-Mumtahinah – De Vrouw die ondervraagd werd – الممتحنة

2165
0
NODIG ANDEREN OOK UIT OM DE KORAN TE LEZEN EN VERDIEN HASANAAT:
bismillah-ir-rahman-ir-rahim

يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا لَا تَتَّخِذُوا عَدُوِّي وَعَدُوَّكُمْ أَوْلِيَاءَ تُلْقُونَ إِلَيْهِم بِالْمَوَدَّةِ وَقَدْ كَفَرُوا بِمَا جَاءَكُم مِّنَ الْحَقِّ يُخْرِجُونَ الرَّسُولَ وَإِيَّاكُمْ ۙ أَن تُؤْمِنُوا بِاللَّهِ رَبِّكُمْ إِن كُنتُمْ خَرَجْتُمْ جِهَادًا فِي سَبِيلِي وَابْتِغَاءَ مَرْضَاتِي ۚ تُسِرُّونَ إِلَيْهِم بِالْمَوَدَّةِ وَأَنَا أَعْلَمُ بِمَا أَخْفَيْتُمْ وَمَا أَعْلَنتُمْ ۚ وَمَن يَفْعَلْهُ مِنكُمْ فَقَدْ ضَلَّ سَوَاءَ السَّبِيلِ1

Jullie die geloven! Neemt mijn en jullie vijanden niet als medestanders waarbij jullie hun blijken van genegenheid geven. Zij hechten geen geloof aan de waarheid die tot jullie gekomen is en zij verdrijven de gezant en jullie omdat jullie in God, jullie Heer geloven. Als jullie uittrekken om jullie op Mijn weg in te zetten en om naar Mijn welbehagen te streven, terwijl jullie hun in het geheim genegenheid tonen, dan weet Ik het best wat jullie in het verborgen en wat jullie openlijk doen. En wie van jullie het doet is van de correcte weg afgedwaald.

إِن يَثْقَفُوكُمْ يَكُونُوا لَكُمْ أَعْدَاءً وَيَبْسُطُوا إِلَيْكُمْ أَيْدِيَهُمْ وَأَلْسِنَتَهُم بِالسُّوءِ وَوَدُّوا لَوْ تَكْفُرُونَ2

Als zij jullie aantreffen zijn zij vijanden voor jullie; zij strekken hun handen en hun tongen met slechte bedoelingen naar jullie uit en zouden graag willen dat jullie ongelovig werden.

لَن تَنفَعَكُمْ أَرْحَامُكُمْ وَلَا أَوْلَادُكُمْ ۚ يَوْمَ الْقِيَامَةِ يَفْصِلُ بَيْنَكُمْ ۚ وَاللَّهُ بِمَا تَعْمَلُونَ بَصِيرٌ3

Jullie verwantschapsbanden noch jullie kinderen zullen jullie van nut zijn; op de opstandingsdag zal Hij tussen jullie scheiding aanbrengen. En God doorziet wel wat jullie doen.

قَدْ كَانَتْ لَكُمْ أُسْوَةٌ حَسَنَةٌ فِي إِبْرَاهِيمَ وَالَّذِينَ مَعَهُ إِذْ قَالُوا لِقَوْمِهِمْ إِنَّا بُرَآءُ مِنكُمْ وَمِمَّا تَعْبُدُونَ مِن دُونِ اللَّهِ كَفَرْنَا بِكُمْ وَبَدَا بَيْنَنَا وَبَيْنَكُمُ الْعَدَاوَةُ وَالْبَغْضَاءُ أَبَدًا حَتَّىٰ تُؤْمِنُوا بِاللَّهِ وَحْدَهُ إِلَّا قَوْلَ إِبْرَاهِيمَ لِأَبِيهِ لَأَسْتَغْفِرَنَّ لَكَ وَمَا أَمْلِكُ لَكَ مِنَ اللَّهِ مِن شَيْءٍ ۖ رَّبَّنَا عَلَيْكَ تَوَكَّلْنَا وَإِلَيْكَ أَنَبْنَا وَإِلَيْكَ الْمَصِيرُ4

Jullie hebben toch een goed voorbeeld in Ibrahiem en hen die met hem waren, toen zij tot hun volk zeiden: “Wij hebben niets te maken met jullie en wat jullie in plaats van God dienen. Wij hechten geen geloof aan jullie. Tussen jullie en ons is de vijandschap en de haat voor altijd openlijk zichtbaar geworden, totdat jullie in God alleen geloven”, behalve dan in wat Ibrahiem tot zijn vader zei: “Ik zal voor jou om vergeving vragen, maar ik kan ten gunste van jou niets tegen God uitrichten. Onze Heer, op U stellen wij ons vertrouwen en tot U wenden wij ons schuldbewust en bij U is de bestemming.

رَبَّنَا لَا تَجْعَلْنَا فِتْنَةً لِّلَّذِينَ كَفَرُوا وَاغْفِرْ لَنَا رَبَّنَا ۖ إِنَّكَ أَنتَ الْعَزِيزُ الْحَكِيمُ5

Onze Heer maak ons niet tot een verzoeking voor hen die ongelovig zijn en vergeef ons, onze Heer, want U bent de machtige, de wijze.”

لَقَدْ كَانَ لَكُمْ فِيهِمْ أُسْوَةٌ حَسَنَةٌ لِّمَن كَانَ يَرْجُو اللَّهَ وَالْيَوْمَ الْآخِرَ ۚ وَمَن يَتَوَلَّ فَإِنَّ اللَّهَ هُوَ الْغَنِيُّ الْحَمِيدُ6

Inderdaad hebben jullie in hen een goed voorbeeld, voor wie op God en de laatste dag hopen, maar als iemand zich afkeert? God is de behoefteloze, de lofwaardige.

عَسَى اللَّهُ أَن يَجْعَلَ بَيْنَكُمْ وَبَيْنَ الَّذِينَ عَادَيْتُم مِّنْهُم مَّوَدَّةً ۚ وَاللَّهُ قَدِيرٌ ۚ وَاللَّهُ غَفُورٌ رَّحِيمٌ7

Misschien dat God tussen jullie en hen die jullie als vijand beschouwen genegenheid zal brengen; God is vrijmachtig en God is vergevend en barmhartig.

لَّا يَنْهَاكُمُ اللَّهُ عَنِ الَّذِينَ لَمْ يُقَاتِلُوكُمْ فِي الدِّينِ وَلَمْ يُخْرِجُوكُم مِّن دِيَارِكُمْ أَن تَبَرُّوهُمْ وَتُقْسِطُوا إِلَيْهِمْ ۚ إِنَّ اللَّهَ يُحِبُّ الْمُقْسِطِينَ8

God verbiedt niet dat jullie hen die niet wegens de godsdienst tegen jullie gestreden hebben en die jullie niet uit jullie woningen verdreven hebben, met respect en rechtvaardig behandelen. God bemint hen die rechtvaardig handelen.

إِنَّمَا يَنْهَاكُمُ اللَّهُ عَنِ الَّذِينَ قَاتَلُوكُمْ فِي الدِّينِ وَأَخْرَجُوكُم مِّن دِيَارِكُمْ وَظَاهَرُوا عَلَىٰ إِخْرَاجِكُمْ أَن تَوَلَّوْهُمْ ۚ وَمَن يَتَوَلَّهُمْ فَأُولَٰئِكَ هُمُ الظَّالِمُونَ9

Maar God verbiedt dat jullie hun die wegens de godsdienst tegen jullie gestreden hebben, die jullie uit jullie huizen verdreven en die bij jullie verdrijving geholpen hebben, bijstand verlenen. En zij die hun bijstand verlenen, zij zijn de onrechtplegers.

يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا إِذَا جَاءَكُمُ الْمُؤْمِنَاتُ مُهَاجِرَاتٍ فَامْتَحِنُوهُنَّ ۖ اللَّهُ أَعْلَمُ بِإِيمَانِهِنَّ ۖ فَإِنْ عَلِمْتُمُوهُنَّ مُؤْمِنَاتٍ فَلَا تَرْجِعُوهُنَّ إِلَى الْكُفَّارِ ۖ لَا هُنَّ حِلٌّ لَّهُمْ وَلَا هُمْ يَحِلُّونَ لَهُنَّ ۖ وَآتُوهُم مَّا أَنفَقُوا ۚ وَلَا جُنَاحَ عَلَيْكُمْ أَن تَنكِحُوهُنَّ إِذَا آتَيْتُمُوهُنَّ أُجُورَهُنَّ ۚ وَلَا تُمْسِكُوا بِعِصَمِ الْكَوَافِرِ وَاسْأَلُوا مَا أَنفَقْتُمْ وَلْيَسْأَلُوا مَا أَنفَقُوا ۚ ذَٰلِكُمْ حُكْمُ اللَّهِ ۖ يَحْكُمُ بَيْنَكُمْ ۚ وَاللَّهُ عَلِيمٌ حَكِيمٌ10

Jullie die geloven! Wanneer gelovige vrouwen als uitgewekenen tot jullie komen, stelt haar dan op de proef. God kent haar geloof het best. En wanneer jullie weten dat zij gelovig zijn zendt haar dan niet terug naar de ongelovigen. Zij zijn aan hen niet toegestaan [om mee getrouwd te zijn] en zij zijn voor haar niet toegestaan. En geeft aan haar wat jullie als bijdragen geeft. En het is geen overtreding voor jullie als jullie met haar trouwen, wanneer jullie haar haar loon geven. En houdt niet vast aan de huwelijksbanden met de ongelovige vrouwen. En vraagt om de bijdrage die jullie gegeven hebben; zij vragen ook om de bijdrage die zij gegeven hebben. Dat is Gods oordeel; Hij oordeelt tussen jullie. God is wetend en wijs.

وَإِن فَاتَكُمْ شَيْءٌ مِّنْ أَزْوَاجِكُمْ إِلَى الْكُفَّارِ فَعَاقَبْتُمْ فَآتُوا الَّذِينَ ذَهَبَتْ أَزْوَاجُهُم مِّثْلَ مَا أَنفَقُوا ۚ وَاتَّقُوا اللَّهَ الَّذِي أَنتُم بِهِ مُؤْمِنُونَ11

En als echtgenotes van jullie er naar de ongelovigen vandoor gaan en als jullie dan een strafexpeditie houden geeft dan aan hen bij wie hun echtgenotes zijn weggegaan zoveel als wat zij als bijdrage hebben gegeven. En vreest God in wie jullie geloven.

يَا أَيُّهَا النَّبِيُّ إِذَا جَاءَكَ الْمُؤْمِنَاتُ يُبَايِعْنَكَ عَلَىٰ أَن لَّا يُشْرِكْنَ بِاللَّهِ شَيْئًا وَلَا يَسْرِقْنَ وَلَا يَزْنِينَ وَلَا يَقْتُلْنَ أَوْلَادَهُنَّ وَلَا يَأْتِينَ بِبُهْتَانٍ يَفْتَرِينَهُ بَيْنَ أَيْدِيهِنَّ وَأَرْجُلِهِنَّ وَلَا يَعْصِينَكَ فِي مَعْرُوفٍ ۙ فَبَايِعْهُنَّ وَاسْتَغْفِرْ لَهُنَّ اللَّهَ ۖ إِنَّ اللَّهَ غَفُورٌ رَّحِيمٌ12

O profeet, wanneer de gelovige vrouwen tot jou komen om jou trouw te zweren met de verplichting niets als metgezel aan God toe te voegen, niet te stelen, geen overspel te plegen, hun kinderen niet te doden, niet met lasterlijke slechtheid aan te komen die zij eigenhandig bij de geboorte verzinnen en jou in het redelijke niet ongehoorzaam te zijn, neem haar eed van trouw dan aan en vraag God voor haar om vergeving; God is vergevend en barmhartig.

يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا لَا تَتَوَلَّوْا قَوْمًا غَضِبَ اللَّهُ عَلَيْهِمْ قَدْ يَئِسُوا مِنَ الْآخِرَةِ كَمَا يَئِسَ الْكُفَّارُ مِنْ أَصْحَابِ الْقُبُورِ13

Jullie die geloven! Neemt geen medestanders op wie God vertoornd is. Zij hebben geen hoop voor het hiernamaals zoals de ongelovigen geen hoop hebben voor hen die in de graven zijn.

bismillah-ir-rahman-ir-rahim

سَبَّحَ لِلَّهِ مَا فِي السَّمَاوَاتِ وَمَا فِي الْأَرْضِ ۖ وَهُوَ الْعَزِيزُ الْحَكِيمُ1

Wat er in de hemelen is en wat er op de aarde is prijst God en Hij is de machtige, de wijze.

يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا لِمَ تَقُولُونَ مَا لَا تَفْعَلُونَ2

Jullie die geloven! Waarom zeggen jullie wat jullie niet doen.

كَبُرَ مَقْتًا عِندَ اللَّهِ أَن تَقُولُوا مَا لَا تَفْعَلُونَ3

Het wekt bij God grote afschuw op als jullie zeggen wat jullie niet doen.

إِنَّ اللَّهَ يُحِبُّ الَّذِينَ يُقَاتِلُونَ فِي سَبِيلِهِ صَفًّا كَأَنَّهُم بُنْيَانٌ مَّرْصُوصٌ4

God bemint hen die in gesloten gelid op Zijn weg strijden alsof zij een hecht samengevoegd gebouw zijn.

وَإِذْ قَالَ مُوسَىٰ لِقَوْمِهِ يَا قَوْمِ لِمَ تُؤْذُونَنِي وَقَد تَّعْلَمُونَ أَنِّي رَسُولُ اللَّهِ إِلَيْكُمْ ۖ فَلَمَّا زَاغُوا أَزَاغَ اللَّهُ قُلُوبَهُمْ ۚ وَاللَّهُ لَا يَهْدِي الْقَوْمَ الْفَاسِقِينَ5

Toen Moesa tot zijn volk zei: “Mijn volk! Waarom vallen jullie mij lastig. Jullie weten toch dat ik de gezant van God bij jullie ben.” Maar toen zij naar het verkeerde neigden, liet God hun harten naar het verkeerde neigen. God wijst de verdorven mensen de goede richting niet.

وَإِذْ قَالَ عِيسَى ابْنُ مَرْيَمَ يَا بَنِي إِسْرَائِيلَ إِنِّي رَسُولُ اللَّهِ إِلَيْكُم مُّصَدِّقًا لِّمَا بَيْنَ يَدَيَّ مِنَ التَّوْرَاةِ وَمُبَشِّرًا بِرَسُولٍ يَأْتِي مِن بَعْدِي اسْمُهُ أَحْمَدُ ۖ فَلَمَّا جَاءَهُم بِالْبَيِّنَاتِ قَالُوا هَٰذَا سِحْرٌ مُّبِينٌ6

Toen \’Isa, de zoon van Marjam zei: “O Israëlieten, ik ben de gezant van God bij jullie om te bevestigen wat er van de Taura voor mijn tijd al was en om het goede nieuws te verkondigen van een gezant die na mij zal komen en van wie de naam Ahmad zal zijn.” Maar toen hij met de duidelijke bewijzen tot hen kwam zeiden zij: “Dit is duidelijk toverij.”

وَمَنْ أَظْلَمُ مِمَّنِ افْتَرَىٰ عَلَى اللَّهِ الْكَذِبَ وَهُوَ يُدْعَىٰ إِلَى الْإِسْلَامِ ۚ وَاللَّهُ لَا يَهْدِي الْقَوْمَ الظَّالِمِينَ7

En wie is er zondiger dan wie over God bedrog verzint, terwijl hij tot de overgave [aan God] is opgeroepen. God wijst de mensen die onrecht plegen de goede richting niet.

يُرِيدُونَ لِيُطْفِئُوا نُورَ اللَّهِ بِأَفْوَاهِهِمْ وَاللَّهُ مُتِمُّ نُورِهِ وَلَوْ كَرِهَ الْكَافِرُونَ8

Zij wensen Gods licht met hun monden uit te doven, maar God vervolmaakt Zijn licht, ook al staat het de ongelovigen tegen.

هُوَ الَّذِي أَرْسَلَ رَسُولَهُ بِالْهُدَىٰ وَدِينِ الْحَقِّ لِيُظْهِرَهُ عَلَى الدِّينِ كُلِّهِ وَلَوْ كَرِهَ الْمُشْرِكُونَ9

Hij is het die Zijn gezant met de leidraad en de ware godsdienst gezonden heeft om hem te laten zegevieren over de gehele godsdienst, ook al staat het de veelgodendienaars tegen.

يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا هَلْ أَدُلُّكُمْ عَلَىٰ تِجَارَةٍ تُنجِيكُم مِّنْ عَذَابٍ أَلِيمٍ10

Jullie die geloven! Zal ik jullie op een handel wijzen die jullie van een pijnlijke bestraffing redt?

تُؤْمِنُونَ بِاللَّهِ وَرَسُولِهِ وَتُجَاهِدُونَ فِي سَبِيلِ اللَّهِ بِأَمْوَالِكُمْ وَأَنفُسِكُمْ ۚ ذَٰلِكُمْ خَيْرٌ لَّكُمْ إِن كُنتُمْ تَعْلَمُونَ11

Jullie moeten in God en Zijn gezant geloven en jullie op Gods weg met jullie bezittingen en jullie eigen persoon inzetten. Dat is beter voor jullie, als jullie dat maar wisten!

يَغْفِرْ لَكُمْ ذُنُوبَكُمْ وَيُدْخِلْكُمْ جَنَّاتٍ تَجْرِي مِن تَحْتِهَا الْأَنْهَارُ وَمَسَاكِنَ طَيِّبَةً فِي جَنَّاتِ عَدْنٍ ۚ ذَٰلِكَ الْفَوْزُ الْعَظِيمُ12

Hij zal jullie je zonden vergeven en jullie in tuinen laten binnengaan waar de rivieren onderdoor stromen en in goede woningen in de tuinen van \’Adn. Dat is de geweldige triomf!

وَأُخْرَىٰ تُحِبُّونَهَا ۖ نَصْرٌ مِّنَ اللَّهِ وَفَتْحٌ قَرِيبٌ ۗ وَبَشِّرِ الْمُؤْمِنِينَ13

En nog iets anders wat jullie graag willen: hulp van God en een spoedig succes. Verkondig het goede nieuws aan de gelovigen.

يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا كُونُوا أَنصَارَ اللَّهِ كَمَا قَالَ عِيسَى ابْنُ مَرْيَمَ لِلْحَوَارِيِّينَ مَنْ أَنصَارِي إِلَى اللَّهِ ۖ قَالَ الْحَوَارِيُّونَ نَحْنُ أَنصَارُ اللَّهِ ۖ فَآمَنَت طَّائِفَةٌ مِّن بَنِي إِسْرَائِيلَ وَكَفَرَت طَّائِفَةٌ ۖ فَأَيَّدْنَا الَّذِينَ آمَنُوا عَلَىٰ عَدُوِّهِمْ فَأَصْبَحُوا ظَاهِرِينَ14

Jullie die geloven! Weest Gods helpers. Zoals \’Isa, de zoon van Marjam, tot zijn discipelen zei: “Wie zijn mijn helpers [op de weg] tot God?” De discipelen zeiden: “Wij zijn Gods helpers.” Een groep van de Israëlieten geloofde dus, maar een andere groep bleef ongelovig. En Wij ondersteunden hen die geloofden tegen hun vijanden en zij kregen dus de heerschappij.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here