Home Soera Soera 56 – Al-Waqi-ah – Het Onvermijdelijke – الواقعة

Soera 56 – Al-Waqi-ah – Het Onvermijdelijke – الواقعة

2682
1
NODIG ANDEREN OOK UIT OM DE KORAN TE LEZEN EN VERDIEN HASANAAT:
bismillah-ir-rahman-ir-rahim

إِذَا وَقَعَتِ الْوَاقِعَةُ1

Wanneer het aanstaande komt,

لَيْسَ لِوَقْعَتِهَا كَاذِبَةٌ2

waarvan niemand de komst kan loochenen,

خَافِضَةٌ رَّافِعَةٌ3

vernedert en verhoogt het.

إِذَا رُجَّتِ الْأَرْضُ رَجًّا4

Wanneer de aarde hevig door elkaar wordt geschud

وَبُسَّتِ الْجِبَالُ بَسًّا5

en de bergen geheel worden verbrijzeld

فَكَانَتْ هَبَاءً مُّنبَثًّا6

en dan verspreid stof worden,

وَكُنتُمْ أَزْوَاجًا ثَلَاثَةً7

dan zullen jullie er in drie groepen zijn:

فَأَصْحَابُ الْمَيْمَنَةِ مَا أَصْحَابُ الْمَيْمَنَةِ8

Zij dan die aan de rechterkant staan — wie zijn zij die aan de rechterkant staan?

وَأَصْحَابُ الْمَشْأَمَةِ مَا أَصْحَابُ الْمَشْأَمَةِ9

En zij die aan de sinistere kant staan — wie zijn zij die aan de sinistere kant staan?

وَالسَّابِقُونَ السَّابِقُونَ10

Maar de eerstgekomenen zijn het eerst gekomen;

أُولَٰئِكَ الْمُقَرَّبُونَ11

zij zijn het die in de nabijheid [van God] zijn gebracht,

فِي جَنَّاتِ النَّعِيمِ12

in de tuinen van de gelukzaligheid:

ثُلَّةٌ مِّنَ الْأَوَّلِينَ13

een groep van hen die er eertijds waren

وَقَلِيلٌ مِّنَ الْآخِرِينَ14

en weinig van hen die er later waren,

عَلَىٰ سُرُرٍ مَّوْضُونَةٍ15

op rustbanken met inlegwerk,

مُّتَّكِئِينَ عَلَيْهَا مُتَقَابِلِينَ16

waarop zij tegenover elkaar zittend achteroverleunen.

يَطُوفُ عَلَيْهِمْ وِلْدَانٌ مُّخَلَّدُونَ17

Bij hen gaan altijd jong blijvende jongelingen rond

بِأَكْوَابٍ وَأَبَارِيقَ وَكَأْسٍ مِّن مَّعِينٍ18

met bekers en kruiken en een drinkbeker [waarin een drank is] uit een bron,

لَّا يُصَدَّعُونَ عَنْهَا وَلَا يُنزِفُونَ19

waarvan zij geen hoofdpijn krijgen en waarvan zij niet beneveld raken,

وَفَاكِهَةٍ مِّمَّا يَتَخَيَّرُونَ20

en vruchten die zij voor zich uitkiezen

وَلَحْمِ طَيْرٍ مِّمَّا يَشْتَهُونَ21

en vlees van gevogelte, wat zij maar begeren.

وَحُورٌ عِينٌ22

En er zijn gezellinnen met sprekende grote ogen,

كَأَمْثَالِ اللُّؤْلُؤِ الْمَكْنُونِ23

die als welbewaarde parels zijn.

جَزَاءً بِمَا كَانُوا يَعْمَلُونَ24

Als beloning voor wat zij gedaan hebben.

لَا يَسْمَعُونَ فِيهَا لَغْوًا وَلَا تَأْثِيمًا25

Zij horen er geen onzinnig geklets noch verleiding tot zonde,

إِلَّا قِيلًا سَلَامًا سَلَامًا26

alleen maar het gezegde: Vrede, vrede!

وَأَصْحَابُ الْيَمِينِ مَا أَصْحَابُ الْيَمِينِ27

En zij die rechts staan — wie zijn zij die rechts staan?

فِي سِدْرٍ مَّخْضُودٍ28

Te midden van lotusbomen zonder doornen zijn zij,

وَطَلْحٍ مَّنضُودٍ29

en opeengepakte bananen,

وَظِلٍّ مَّمْدُودٍ30

uitgestrekte schaduw,

وَمَاءٍ مَّسْكُوبٍ31

vrij stromend water

وَفَاكِهَةٍ كَثِيرَةٍ32

en veel vruchten,

لَّا مَقْطُوعَةٍ وَلَا مَمْنُوعَةٍ33

zonder ophouden en niet onbereikbaar,

وَفُرُشٍ مَّرْفُوعَةٍ34

op verhoogde rustbedden.

إِنَّا أَنشَأْنَاهُنَّ إِنشَاءً35

Wij hebben haar laten ontstaan.

فَجَعَلْنَاهُنَّ أَبْكَارًا36

En Wij hebben haar tot maagden gemaakt,

عُرُبًا أَتْرَابًا37

als vurig beminnende even oude gezellinnen

لِّأَصْحَابِ الْيَمِينِ38

voor hen die rechts staan:

ثُلَّةٌ مِّنَ الْأَوَّلِينَ39

Een groep van hen die er eertijds waren

وَثُلَّةٌ مِّنَ الْآخِرِينَ40

en weinig van hen die er later waren.

وَأَصْحَابُ الشِّمَالِ مَا أَصْحَابُ الشِّمَالِ41

En zij die links staan — wie zijn zij die links staan?

فِي سَمُومٍ وَحَمِيمٍ42

In een verzengende gloed en in gloeiend water staan zij

وَظِلٍّ مِّن يَحْمُومٍ43

en in de schaduw van zwarte rook,

لَّا بَارِدٍ وَلَا كَرِيمٍ44

die niet koud is noch weldadig.

إِنَّهُمْ كَانُوا قَبْلَ ذَٰلِكَ مُتْرَفِينَ45

Voordien leefden zij in luxe

وَكَانُوا يُصِرُّونَ عَلَى الْحِنثِ الْعَظِيمِ46

en volhardden in de geweldige zonde.

وَكَانُوا يَقُولُونَ أَئِذَا مِتْنَا وَكُنَّا تُرَابًا وَعِظَامًا أَإِنَّا لَمَبْعُوثُونَ47

Zij zeiden: “Wanneer wij gestorven zijn en stof en botten geworden, zullen wij dan opgewekt worden?

أَوَآبَاؤُنَا الْأَوَّلُونَ48

En onze vaderen dan, die er eertijds waren?”

قُلْ إِنَّ الْأَوَّلِينَ وَالْآخِرِينَ49

Zeg: “Zij die er eertijds waren en zij die er later waren

لَمَجْمُوعُونَ إِلَىٰ مِيقَاتِ يَوْمٍ مَّعْلُومٍ50

zullen bijeengebracht worden op de afgesproken tijd van een vastgestelde dag.

ثُمَّ إِنَّكُمْ أَيُّهَا الضَّالُّونَ الْمُكَذِّبُونَ51

Dan zullen jullie, o dwalers, die zeiden dat het leugens waren

لَآكِلُونَ مِن شَجَرٍ مِّن زَقُّومٍ52

eten van zakkoembomen

فَمَالِئُونَ مِنْهَا الْبُطُونَ53

en daarvan de buiken vullen.

فَشَارِبُونَ عَلَيْهِ مِنَ الْحَمِيمِ54

En dan zullen jullie daarbij gloeiend water drinken

فَشَارِبُونَ شُرْبَ الْهِيمِ55

en dan zullen jullie drinken als een verdorste kameel.”

هَٰذَا نُزُلُهُمْ يَوْمَ الدِّينِ56

Dit is hun gastverblijf op de oordeelsdag.

نَحْنُ خَلَقْنَاكُمْ فَلَوْلَا تُصَدِّقُونَ57

Wij zijn het die jullie geschapen hebben. Waarom willen jullie het niet geloven?

أَفَرَأَيْتُم مَّا تُمْنُونَ58

Hoe zien jullie [het zaad] dat jullie uitstorten dan?

أَأَنتُمْ تَخْلُقُونَهُ أَمْ نَحْنُ الْخَالِقُونَ59

Zijn jullie het die het scheppen of zijn Wij de schepper?

نَحْنُ قَدَّرْنَا بَيْنَكُمُ الْمَوْتَ وَمَا نَحْنُ بِمَسْبُوقِينَ60

Wij hebben voor jullie de dood verordend en niemand kan Ons voor zijn,

عَلَىٰ أَن نُّبَدِّلَ أَمْثَالَكُمْ وَنُنشِئَكُمْ فِي مَا لَا تَعْلَمُونَ61

wanneer Wij [jullie] door gelijksoortigen willen vervangen en jullie opnieuw laten ontstaan in een vorm die jullie niet kennen.

وَلَقَدْ عَلِمْتُمُ النَّشْأَةَ الْأُولَىٰ فَلَوْلَا تَذَكَّرُونَ62

Jullie kennen toch de eerste totstandkoming; waarom laten jullie je dan niet vermanen?

أَفَرَأَيْتُم مَّا تَحْرُثُونَ63

Hoe zien jullie het dan als jullie het land bewerken?

أَأَنتُمْ تَزْرَعُونَهُ أَمْ نَحْنُ الزَّارِعُونَ64

Zaaien jullie het in of zijn Wij het die zaaien?

لَوْ نَشَاءُ لَجَعَلْنَاهُ حُطَامًا فَظَلْتُمْ تَفَكَّهُونَ65

Als Wij wilden maakten Wij het tot gruis. Dan zouden jullie verbijsterd staan te kijken:

إِنَّا لَمُغْرَمُونَ66

“Wij zijn met schulden beladen.

بَلْ نَحْنُ مَحْرُومُونَ67

Nee, ons is alles ontroofd.”

أَفَرَأَيْتُمُ الْمَاءَ الَّذِي تَشْرَبُونَ68

Hoe zien jullie het water dan dat jullie drinken?

أَأَنتُمْ أَنزَلْتُمُوهُ مِنَ الْمُزْنِ أَمْ نَحْنُ الْمُنزِلُونَ69

Hebben jullie het uit de wolken neer laten komen of hebben Wij het neer laten dalen?

لَوْ نَشَاءُ جَعَلْنَاهُ أُجَاجًا فَلَوْلَا تَشْكُرُونَ70

Als Wij wilden hadden Wij het pekelig gemaakt; waarom betuigen jullie dan geen dank?

أَفَرَأَيْتُمُ النَّارَ الَّتِي تُورُونَ71

Hoe zien jullie het vuur dan dat jullie ontsteken?

أَأَنتُمْ أَنشَأْتُمْ شَجَرَتَهَا أَمْ نَحْنُ الْمُنشِئُونَ72

Hebben jullie de bomen ervoor laten ontstaan of hebben Wij ze laten ontstaan?

نَحْنُ جَعَلْنَاهَا تَذْكِرَةً وَمَتَاعًا لِّلْمُقْوِينَ73

Wij hebben het als een vermaning gemaakt en voor de woestijnbewoners als iets om te gebruiken.

فَسَبِّحْ بِاسْمِ رَبِّكَ الْعَظِيمِ74

Prijs dan de geweldige naam van jouw Heer.

فَلَا أُقْسِمُ بِمَوَاقِعِ النُّجُومِ75

Niet dan, Ik zweer bij het neervallen van de sterren —

وَإِنَّهُ لَقَسَمٌ لَّوْ تَعْلَمُونَ عَظِيمٌ76

en dat is een geweldige eed, als jullie dat maar wisten —

إِنَّهُ لَقُرْآنٌ كَرِيمٌ77

dat het werkelijk een voortreffelijke Koran is

فِي كِتَابٍ مَّكْنُونٍ78

in een goedbewaard boek

لَّا يَمَسُّهُ إِلَّا الْمُطَهَّرُونَ79

dat slechts zij die rein gemaakt zijn zullen aanraken:

تَنزِيلٌ مِّن رَّبِّ الْعَالَمِينَ80

Een neerzending door de Heer van de wereldbewoners.

أَفَبِهَٰذَا الْحَدِيثِ أَنتُم مُّدْهِنُونَ81

Is het dan over dit bericht dat jullie toegeeflijk zijn?

وَتَجْعَلُونَ رِزْقَكُمْ أَنَّكُمْ تُكَذِّبُونَ82

Maar jullie maken het tot jullie dagelijkse kost het te loochenen.

فَلَوْلَا إِذَا بَلَغَتِ الْحُلْقُومَ83

Waarom [brengen jullie de levensadem] wanneer hij de keel bereikt niet [terug],

وَأَنتُمْ حِينَئِذٍ تَنظُرُونَ84

terwijl jullie op die tijd toekijken?

وَنَحْنُ أَقْرَبُ إِلَيْهِ مِنكُمْ وَلَٰكِن لَّا تُبْصِرُونَ85

Maar Wij zijn dichter bij hem dan jullie. Jullie zien het echter niet.

فَلَوْلَا إِن كُنتُمْ غَيْرَ مَدِينِينَ86

Waarom, als jullie niet geoordeeld zullen worden,

تَرْجِعُونَهَا إِن كُنتُمْ صَادِقِينَ87

brengen jullie hem dan niet terug, als jullie gelijk hebben?

فَأَمَّا إِن كَانَ مِنَ الْمُقَرَّبِينَ88

En als hij behoort tot hen die in de nabijheid van God zijn gebracht,

فَرَوْحٌ وَرَيْحَانٌ وَجَنَّتُ نَعِيمٍ89

dan zijn er een koele bries, welriekende planten en een tuin van gelukzaligheid.

وَأَمَّا إِن كَانَ مِنْ أَصْحَابِ الْيَمِينِ90

En als hij behoort tot hen die rechts staan,

فَسَلَامٌ لَّكَ مِنْ أَصْحَابِ الْيَمِينِ91

dan is er “vrede zij met jou” van hen die rechts staan.

وَأَمَّا إِن كَانَ مِنَ الْمُكَذِّبِينَ الضَّالِّينَ92

En als hij behoort tot de dwalende loochenaars,

فَنُزُلٌ مِّنْ حَمِيمٍ93

dan is er een gastverblijf in gloeiend water

وَتَصْلِيَةُ جَحِيمٍ94

en gebraden worden in het hellevuur.

إِنَّ هَٰذَا لَهُوَ حَقُّ الْيَقِينِ95

Dit is de vaststaande waarheid.

فَسَبِّحْ بِاسْمِ رَبِّكَ الْعَظِيمِ96

Prijs dan de geweldige naam van jouw Heer.

1 REACTIE

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here