Home Soera Soera 54 – Al-Qamar – De Maan – القمر

Soera 54 – Al-Qamar – De Maan – القمر

1846
0
NODIG ANDEREN OOK UIT OM DE KORAN TE LEZEN EN VERDIEN HASANAAT:
bismillah-ir-rahman-ir-rahim

اقْتَرَبَتِ السَّاعَةُ وَانشَقَّ الْقَمَرُ1

Het uur is nabijgekomen en de maan is gespleten.

وَإِن يَرَوْا آيَةً يُعْرِضُوا وَيَقُولُوا سِحْرٌ مُّسْتَمِرٌّ2

Maar als zij een teken zien wenden zij zich af en zeggen: “Voortdurende toverij.”

وَكَذَّبُوا وَاتَّبَعُوا أَهْوَاءَهُمْ ۚ وَكُلُّ أَمْرٍ مُّسْتَقِرٌّ3

En zij loochenen het en zij volgen hun grillen. En alles heeft zijn vaste tijd.

وَلَقَدْ جَاءَهُم مِّنَ الْأَنبَاءِ مَا فِيهِ مُزْدَجَرٌ4

Tot hen zijn er berichten gekomen die afschrikwekkend zijn;

حِكْمَةٌ بَالِغَةٌ ۖ فَمَا تُغْنِ النُّذُرُ5

een doeltreffende wijsheid. Maar de waarschuwingen baten niet.

فَتَوَلَّ عَنْهُمْ ۘ يَوْمَ يَدْعُ الدَّاعِ إِلَىٰ شَيْءٍ نُّكُرٍ6

Keer je dus van hen af. Op de dag dat de oproeper tot iets vreselijks oproept

خُشَّعًا أَبْصَارُهُمْ يَخْرُجُونَ مِنَ الْأَجْدَاثِ كَأَنَّهُمْ جَرَادٌ مُّنتَشِرٌ7

en zij met hun deemoedige blikken uit de graven tevoorschijn komen alsof zij uiteengejaagde sprinkhanen zijn,

مُّهْطِعِينَ إِلَى الدَّاعِ ۖ يَقُولُ الْكَافِرُونَ هَٰذَا يَوْمٌ عَسِرٌ8

terwijl zij zich voortspoeden naar de oproeper, dan zeggen de ongelovigen: “Dit is een moeilijke dag!”

كَذَّبَتْ قَبْلَهُمْ قَوْمُ نُوحٍ فَكَذَّبُوا عَبْدَنَا وَقَالُوا مَجْنُونٌ وَازْدُجِرَ9

Voor hun tijd had het volk van Noeh al gezegd dat het leugens waren; zij betichtten Onze dienaar namelijk van leugen. Zij zeiden: “Een bezetene.” Hij werd door hen afgeschrikt.

فَدَعَا رَبَّهُ أَنِّي مَغْلُوبٌ فَانتَصِرْ10

En hij bad tot zijn Heer: “Ik ben verslagen, kom dus te hulp.”

فَفَتَحْنَا أَبْوَابَ السَّمَاءِ بِمَاءٍ مُّنْهَمِرٍ11

Toen openden Wij de poorten van de hemel met neergutsend water.

وَفَجَّرْنَا الْأَرْضَ عُيُونًا فَالْتَقَى الْمَاءُ عَلَىٰ أَمْرٍ قَدْ قُدِرَ12

En Wij lieten de aarde in bronnen uitbarsten, zodat het water bij elkaar kwam volgens een vastgelegde beschikking.

وَحَمَلْنَاهُ عَلَىٰ ذَاتِ أَلْوَاحٍ وَدُسُرٍ13

Maar hem droegen Wij op het uit planken en pennen gemaakte [schip],

تَجْرِي بِأَعْيُنِنَا جَزَاءً لِّمَن كَانَ كُفِرَ14

dat voor Onze ogen bleef varen, als beloning voor hem die ondankbaar behandeld was.

وَلَقَد تَّرَكْنَاهَا آيَةً فَهَلْ مِن مُّدَّكِرٍ15

En Wij lieten het achter als een teken. Maar is er dan iemand die zich laat vermanen?

فَكَيْفَ كَانَ عَذَابِي وَنُذُرِ16

En hoe waren Mijn bestraffing en Mijn waarschuwingen dan?

وَلَقَدْ يَسَّرْنَا الْقُرْآنَ لِلذِّكْرِ فَهَلْ مِن مُّدَّكِرٍ17

Wij hebben de Koran toch gemakkelijk gemaakt om erdoor vermaand te worden; maar is er dan iemand die zich laat vermanen?

كَذَّبَتْ عَادٌ فَكَيْفَ كَانَ عَذَابِي وَنُذُرِ18

De \’Aad hadden gezegd dat het leugens waren. En hoe waren Mijn bestraffing en Mijn waarschuwingen dan?

إِنَّا أَرْسَلْنَا عَلَيْهِمْ رِيحًا صَرْصَرًا فِي يَوْمِ نَحْسٍ مُّسْتَمِرٍّ19

Wij zonden tegen hen een gierende wind op een langdurige, onheilspellende dag

تَنزِعُ النَّاسَ كَأَنَّهُمْ أَعْجَازُ نَخْلٍ مُّنقَعِرٍ20

die de mensen wegrukte als ontwortelde palmstronken.

فَكَيْفَ كَانَ عَذَابِي وَنُذُرِ21

En hoe waren Mijn bestraffing en Mijn waarschuwingen dan?

وَلَقَدْ يَسَّرْنَا الْقُرْآنَ لِلذِّكْرِ فَهَلْ مِن مُّدَّكِرٍ22

Wij hebben de Koran toch gemakkelijk gemaakt om erdoor vermaand te worden; maar is er dan iemand die zich laat vermanen?

كَذَّبَتْ ثَمُودُ بِالنُّذُرِ23

De Thamoed hadden gezegd dat de waarschuwingen leugens waren.

فَقَالُوا أَبَشَرًا مِّنَّا وَاحِدًا نَّتَّبِعُهُ إِنَّا إِذًا لَّفِي ضَلَالٍ وَسُعُرٍ24

En zij zeiden: “Eén mens uit ons midden, zullen wij die volgen? Dan zouden wij toch wel in dwaling verkeren en waanzinnig zijn.

أَأُلْقِيَ الذِّكْرُ عَلَيْهِ مِن بَيْنِنَا بَلْ هُوَ كَذَّابٌ أَشِرٌ25

Zou uit ons midden de vermaning aan hem zijn opgelegd? Welnee, hij is een arrogante leugenaar.”

سَيَعْلَمُونَ غَدًا مَّنِ الْكَذَّابُ الْأَشِرُ26

Morgen zullen zij weten wie de arrogante leugenaar is.

إِنَّا مُرْسِلُو النَّاقَةِ فِتْنَةً لَّهُمْ فَارْتَقِبْهُمْ وَاصْطَبِرْ27

Wij zullen de kameelmerrie als een beproeving voor hen zenden. Let dus op hen, wacht maar af en wees geduldig.

وَنَبِّئْهُمْ أَنَّ الْمَاءَ قِسْمَةٌ بَيْنَهُمْ ۖ كُلُّ شِرْبٍ مُّحْتَضَرٌ28

En deel hun mee dat het water tussen hen verdeeld moet worden. Elke portie om te drinken op zijn beurt.

فَنَادَوْا صَاحِبَهُمْ فَتَعَاطَىٰ فَعَقَرَ29

Toen riepen zij hun medeburger. Hij sloeg toe en sneed de hielpezen door.

فَكَيْفَ كَانَ عَذَابِي وَنُذُرِ30

En hoe waren Mijn bestraffing en Mijn waarschuwingen dan?

إِنَّا أَرْسَلْنَا عَلَيْهِمْ صَيْحَةً وَاحِدَةً فَكَانُوا كَهَشِيمِ الْمُحْتَظِرِ31

Wij zonden slechts één schreeuw tegen hen en zij waren als de droge takken van iemand die een omheining maakt.

وَلَقَدْ يَسَّرْنَا الْقُرْآنَ لِلذِّكْرِ فَهَلْ مِن مُّدَّكِرٍ32

Wij hebben de Koran toch gemakkelijk gemaakt om erdoor vermaand te worden; maar is er dan iemand die zich laat vermanen?

كَذَّبَتْ قَوْمُ لُوطٍ بِالنُّذُرِ33

Het volk van Loet had gezegd dat de waarschuwingen leugens waren.

إِنَّا أَرْسَلْنَا عَلَيْهِمْ حَاصِبًا إِلَّا آلَ لُوطٍ ۖ نَّجَّيْنَاهُم بِسَحَرٍ34

Wij zonden over hen een regen van stenen, behalve op de familie van Loet die Wij in de morgenschemering redden,

نِّعْمَةً مِّنْ عِندِنَا ۚ كَذَٰلِكَ نَجْزِي مَن شَكَرَ35

als een daad van genade van Onze kant; zo belonen Wij wie dank betuigt.

وَلَقَدْ أَنذَرَهُم بَطْشَتَنَا فَتَمَارَوْا بِالنُّذُرِ36

Hij had hen voor Ons geweld gewaarschuwd, maar zij twijfelden aan de waarschuwingen.

وَلَقَدْ رَاوَدُوهُ عَن ضَيْفِهِ فَطَمَسْنَا أَعْيُنَهُمْ فَذُوقُوا عَذَابِي وَنُذُرِ37

Zij probeerden hem zijn gasten af te troggelen. Toen ontnamen Wij hun ogen het gezichtsvermogen: “Proeft dan Mijn bestraffing en Mijn waarschuwingen!”

وَلَقَدْ صَبَّحَهُم بُكْرَةً عَذَابٌ مُّسْتَقِرٌّ38

En een blijvende bestraffing kwam \’s ochtends over hen:

فَذُوقُوا عَذَابِي وَنُذُرِ39

“Proeft dan Mijn bestraffing en Mijn waarschuwingen!”

وَلَقَدْ يَسَّرْنَا الْقُرْآنَ لِلذِّكْرِ فَهَلْ مِن مُّدَّكِرٍ40

Wij hebben de Koran toch gemakkelijk gemaakt om erdoor vermaand te worden; maar is er dan iemand die zich laat vermanen?

وَلَقَدْ جَاءَ آلَ فِرْعَوْنَ النُّذُرُ41

Ook tot de mensen van Fir\’aun kwamen de waarschuwingen.

كَذَّبُوا بِآيَاتِنَا كُلِّهَا فَأَخَذْنَاهُمْ أَخْذَ عَزِيزٍ مُّقْتَدِرٍ42

Zij loochenden al Onze tekenen en dus grepen Wij hen zoals een krachtige machthebber dat doet.

أَكُفَّارُكُمْ خَيْرٌ مِّنْ أُولَٰئِكُمْ أَمْ لَكُم بَرَاءَةٌ فِي الزُّبُرِ43

Zijn de ongelovigen van jullie beter dan die? Of is er voor jullie een vrijbrief in de Zoeboer?

أَمْ يَقُولُونَ نَحْنُ جَمِيعٌ مُّنتَصِرٌ44

Of zeggen zij: “Wij zullen tezamen overwinnen.”?

سَيُهْزَمُ الْجَمْعُ وَيُوَلُّونَ الدُّبُرَ45

Gezamenlijk worden zij verslagen en zij zullen de rug toekeren.

بَلِ السَّاعَةُ مَوْعِدُهُمْ وَالسَّاعَةُ أَدْهَىٰ وَأَمَرُّ46

Ja zeker, het uur is het voor hen aangewezen tijdstip en het uur is nog vreselijker en bitterder.

إِنَّ الْمُجْرِمِينَ فِي ضَلَالٍ وَسُعُرٍ47

De boosdoeners verkeren in dwaling en zijn waanzinnig.

يَوْمَ يُسْحَبُونَ فِي النَّارِ عَلَىٰ وُجُوهِهِمْ ذُوقُوا مَسَّ سَقَرَ48

Op de dag dat zij op hun gezichten [ter aarde geworpen] in het vuur gesleurd worden: “Proeft dan de aanraking met de hellegloed.”

إِنَّا كُلَّ شَيْءٍ خَلَقْنَاهُ بِقَدَرٍ49

Wij hebben alles op maat geschapen.

وَمَا أَمْرُنَا إِلَّا وَاحِدَةٌ كَلَمْحٍ بِالْبَصَرِ50

En Onze beschikking is slechts één [woord], als een oogwenk.

وَلَقَدْ أَهْلَكْنَا أَشْيَاعَكُمْ فَهَلْ مِن مُّدَّكِرٍ51

Wij hebben jullie soortgenoten vernietigd, maar is er dan iemand die zich laat vermanen?

وَكُلُّ شَيْءٍ فَعَلُوهُ فِي الزُّبُرِ52

En alles wat zij gedaan hebben staat in de Zoeboer.

وَكُلُّ صَغِيرٍ وَكَبِيرٍ مُّسْتَطَرٌ53

En alles, klein en groot staat opgetekend.

إِنَّ الْمُتَّقِينَ فِي جَنَّاتٍ وَنَهَرٍ54

De godvrezenden zullen in tuinen en bij rivieren zijn,

فِي مَقْعَدِ صِدْقٍ عِندَ مَلِيكٍ مُّقْتَدِرٍ55

op een waarachtige zetel bij een machtige koning.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here