Soera 5 – Al-Ma-idah – De Tafel – المآئدة

bismillah ir rahman ir rahim

يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا أَوْفُوا بِالْعُقُودِ ۚ أُحِلَّتْ لَكُم بَهِيمَةُ الْأَنْعَامِ إِلَّا مَا يُتْلَىٰ عَلَيْكُمْ غَيْرَ مُحِلِّي الصَّيْدِ وَأَنتُمْ حُرُمٌ ۗ إِنَّ اللَّهَ يَحْكُمُ مَا يُرِيدُ 1

O jullie die geloven, kom de verbonden na. Toegestaan voor jullie zijn de veedieren, behalve dat wat aan jullie voorgedragen zal worden. Niet toegestaan is het (jagen op) wild, terwijl jullie je in de gewijde staat bevinden. Waarlijk, Allah oordeelt hoe Hij wil.

يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا لَا تُحِلُّوا شَعَائِرَ اللَّهِ وَلَا الشَّهْرَ الْحَرَامَ وَلَا الْهَدْيَ وَلَا الْقَلَائِدَ وَلَا آمِّينَ الْبَيْتَ الْحَرَامَ يَبْتَغُونَ فَضْلًا مِّن رَّبِّهِمْ وَرِضْوَانًا ۚ وَإِذَا حَلَلْتُمْ فَاصْطَادُوا ۚ وَلَا يَجْرِمَنَّكُمْ شَنَآنُ قَوْمٍ أَن صَدُّوكُمْ عَنِ الْمَسْجِدِ الْحَرَامِ أَن تَعْتَدُوا ۘ وَتَعَاوَنُوا عَلَى الْبِرِّ وَالتَّقْوَىٰ ۖ وَلَا تَعَاوَنُوا عَلَى الْإِثْمِ وَالْعُدْوَانِ ۚ وَاتَّقُوا اللَّهَ ۖ إِنَّ اللَّهَ شَدِيدُ الْعِقَابِ 2

O jullie die geloven, ontwijd de heilige Tekenen van Allah niet, noch van de heilige maand, noch van de offerdieren, noch van degenen waarvan het lichaam omhangen is (met versieringen die bedoeld zijn als markering), noch van de mensen die naar het gewijde Huis komen, strevend naar de Gunst van hun Heer en Zijn Welbehagen. Maar wanneer jullie je niet meer in de gewijde staat bevinden, mogen jullie jagen. En laat de haat van een volk dat jullie heeft afgehouden van al-Masdjid ul-Haraam (de gewijde moskee in Mekka) niet leiden tot overtreding, maar help elkaar in het goede en in godsvrucht. En help elkaar niet in zonde en overtreding. En vrees Allah. Waarlijk, Allah is Hard in de bestraffing.

حُرِّمَتْ عَلَيْكُمُ الْمَيْتَةُ وَالدَّمُ وَلَحْمُ الْخِنزِيرِ وَمَا أُهِلَّ لِغَيْرِ اللَّهِ بِهِ وَالْمُنْخَنِقَةُ وَالْمَوْقُوذَةُ وَالْمُتَرَدِّيَةُ وَالنَّطِيحَةُ وَمَا أَكَلَ السَّبُعُ إِلَّا مَا ذَكَّيْتُمْ وَمَا ذُبِحَ عَلَى النُّصُبِ وَأَن تَسْتَقْسِمُوا بِالْأَزْلَامِ ۚ ذَٰلِكُمْ فِسْقٌ ۗ الْيَوْمَ يَئِسَ الَّذِينَ كَفَرُوا مِن دِينِكُمْ فَلَا تَخْشَوْهُمْ وَاخْشَوْنِ ۚ الْيَوْمَ أَكْمَلْتُ لَكُمْ دِينَكُمْ وَأَتْمَمْتُ عَلَيْكُمْ نِعْمَتِي وَرَضِيتُ لَكُمُ الْإِسْلَامَ دِينًا ۚ فَمَنِ اضْطُرَّ فِي مَخْمَصَةٍ غَيْرَ مُتَجَانِفٍ لِّإِثْمٍ ۙ فَإِنَّ اللَّهَ غَفُورٌ رَّحِيمٌ 3

Verboden voor jullie zijn: de dode dieren, het bloed, het varkensvlees, datgene waarover (de naam van) een ander dan Allah (tijdens het slachten) is genoemd, het gewurgde, het geslagene, het gevallene, datgene dat door kopstoten om het leven komt, dat wat door een wild dier is aangevreten - behalve als jullie in staat zijn om het (vóór zijn dood) te slachten - en dat wat op an-Noesoeb is geslacht. Ook (is het voor jullie verboden om te proberen) jullie voorbeschikking te achterhalen met (gebruikmaking van) pijlen. Dit (alles) is verdorvenheid. Op deze dag hebben degenen die niet geloven alle hoop voor jullie godsdienst opgegeven, dus vrees hen niet, maar vrees Mij. Op deze dag heb Ik jullie godsdienst voor jullie vervolmaakt, en Mijn Gunst aan jullie voltooid en de Islam voor jullie uitgekozen als godsdienst. Maar wie door hevige honger gedwongen wordt, zonder naar een zonde te neigen, waarlijk Allah is dan Meest Vergevingsgezind, Meest Genadevol.

يَسْأَلُونَكَ مَاذَا أُحِلَّ لَهُمْ ۖ قُلْ أُحِلَّ لَكُمُ الطَّيِّبَاتُ ۙ وَمَا عَلَّمْتُم مِّنَ الْجَوَارِحِ مُكَلِّبِينَ تُعَلِّمُونَهُنَّ مِمَّا عَلَّمَكُمُ اللَّهُ ۖ فَكُلُوا مِمَّا أَمْسَكْنَ عَلَيْكُمْ وَاذْكُرُوا اسْمَ اللَّهِ عَلَيْهِ ۖ وَاتَّقُوا اللَّهَ ۚ إِنَّ اللَّهَ سَرِيعُ الْحِسَابِ 4

Zij vragen jou (o Mohammed) wat voor hen is toegestaan. Zeg: “Toegestaan voor jullie is het goede. En dat wat jullie vangen door middel van roofdieren die door jullie zijn afgericht (voor de jacht), op de wijze zoals Allah het jullie heeft geleerd. Eet dus van dat wat zij voor jullie vangen, en spreek er de Naam van Allah over uit, en vrees Allah. Waarlijk, Allah is Snel in de Afrekening.”

الْيَوْمَ أُحِلَّ لَكُمُ الطَّيِّبَاتُ ۖ وَطَعَامُ الَّذِينَ أُوتُوا الْكِتَابَ حِلٌّ لَّكُمْ وَطَعَامُكُمْ حِلٌّ لَّهُمْ ۖ وَالْمُحْصَنَاتُ مِنَ الْمُؤْمِنَاتِ وَالْمُحْصَنَاتُ مِنَ الَّذِينَ أُوتُوا الْكِتَابَ مِن قَبْلِكُمْ إِذَا آتَيْتُمُوهُنَّ أُجُورَهُنَّ مُحْصِنِينَ غَيْرَ مُسَافِحِينَ وَلَا مُتَّخِذِي أَخْدَانٍ ۗ وَمَن يَكْفُرْ بِالْإِيمَانِ فَقَدْ حَبِطَ عَمَلُهُ وَهُوَ فِي الْآخِرَةِ مِنَ الْخَاسِرِينَ 5

Op deze dag is (al) het goede voor jullie toegestaan. En het voedsel van degenen aan wie het Boek is gegeven, is toegestaan voor jullie en jullie voedsel is toegestaan voor hen. En (toegestaan voor jullie om mee te trouwen zijn) de kuise vrouwen onder de gelovigen en de kuise vrouwen onder degenen aan wie het Boek vóór jullie gegeven was, indien jullie hun hun bruidsschatten (waar zij recht op hebben) geven, strevend naar kuisheid en om openlijke ontucht en het in het geheim nemen van minnaressen te vermijden. En wie ongelovig is jegens het geloof, voorzeker, zijn werk is (zeker) verloren gegaan. En in het Hiernamaals zal hij tot de verliezers behoren.

يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا إِذَا قُمْتُمْ إِلَى الصَّلَاةِ فَاغْسِلُوا وُجُوهَكُمْ وَأَيْدِيَكُمْ إِلَى الْمَرَافِقِ وَامْسَحُوا بِرُءُوسِكُمْ وَأَرْجُلَكُمْ إِلَى الْكَعْبَيْنِ ۚ وَإِن كُنتُمْ جُنُبًا فَاطَّهَّرُوا ۚ وَإِن كُنتُم مَّرْضَىٰ أَوْ عَلَىٰ سَفَرٍ أَوْ جَاءَ أَحَدٌ مِّنكُم مِّنَ الْغَائِطِ أَوْ لَامَسْتُمُ النِّسَاءَ فَلَمْ تَجِدُوا مَاءً فَتَيَمَّمُوا صَعِيدًا طَيِّبًا فَامْسَحُوا بِوُجُوهِكُمْ وَأَيْدِيكُم مِّنْهُ ۚ مَا يُرِيدُ اللَّهُ لِيَجْعَلَ عَلَيْكُم مِّنْ حَرَجٍ وَلَٰكِن يُرِيدُ لِيُطَهِّرَكُمْ وَلِيُتِمَّ نِعْمَتَهُ عَلَيْكُمْ لَعَلَّكُمْ تَشْكُرُونَ 6

O jullie die geloven, wanneer jullie het gebed willen verrichten, was dan jullie gezichten en jullie handen tot aan de ellebogen, en wrijf over jullie hoofden, en (was) jullie voeten tot aan de enkels. En als jullie in staat van Djanaabah zijn, reinig dan julliezelf. En als jullie ziek zijn, of op reis zijn, of iemand van jullie komt van het toilet, of als (jullie) gemeenschap hebben gehad met de vrouwen, en jullie geen water kunnen vinden, verricht dan de Tayammoem met schone aarde en veeg hiermee over jullie gezichten en handen. Allah wil het jullie niet moeilijk maken, maar Hij wil jullie reinigen en (Hij wil) Zijn Gunst aan jullie vervolmaken, opdat jullie dankbaar zullen zijn.

وَاذْكُرُوا نِعْمَةَ اللَّهِ عَلَيْكُمْ وَمِيثَاقَهُ الَّذِي وَاثَقَكُم بِهِ إِذْ قُلْتُمْ سَمِعْنَا وَأَطَعْنَا ۖ وَاتَّقُوا اللَّهَ ۚ إِنَّ اللَّهَ عَلِيمٌ بِذَاتِ الصُّدُورِ 7

En gedenk de Gunst van Allah aan jullie en (gedenk) Zijn Verbond dat Hij met jullie aanging toen jullie zeiden: “Wij luisteren en wij gehoorzamen.” En vrees Allah. Voorwaar, Allah is op de hoogte van wat er zich in de borsten (d.w.z. in julliezelf) voordoet.

يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا كُونُوا قَوَّامِينَ لِلَّهِ شُهَدَاءَ بِالْقِسْطِ ۖ وَلَا يَجْرِمَنَّكُمْ شَنَآنُ قَوْمٍ عَلَىٰ أَلَّا تَعْدِلُوا ۚ اعْدِلُوا هُوَ أَقْرَبُ لِلتَّقْوَىٰ ۖ وَاتَّقُوا اللَّهَ ۚ إِنَّ اللَّهَ خَبِيرٌ بِمَا تَعْمَلُونَ 8

O jullie die geloven, wees standvastig voor Allah als rechtvaardige getuigen. En laat de haat van een volk jullie er niet toe leiden om niet rechtvaardig te zijn. Wees rechtvaardig, dat is dichter bij godsvrucht. En vrees Allah. Waarlijk, Allah is op de hoogte van dat wat jullie (in het verborgene) doen.

وَعَدَ اللَّهُ الَّذِينَ آمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ ۙ لَهُم مَّغْفِرَةٌ وَأَجْرٌ عَظِيمٌ 9

Allah heeft degenen die geloven en goede daden verrichten beloofd dat er voor hen Vergiffenis en een grandioze Beloning is.

وَالَّذِينَ كَفَرُوا وَكَذَّبُوا بِآيَاتِنَا أُولَٰئِكَ أَصْحَابُ الْجَحِيمِ 10

En degenen die niet geloven en Onze Tekenen verloochenen, zij zijn de bewoners van het Hellevuur.

يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا اذْكُرُوا نِعْمَتَ اللَّهِ عَلَيْكُمْ إِذْ هَمَّ قَوْمٌ أَن يَبْسُطُوا إِلَيْكُمْ أَيْدِيَهُمْ فَكَفَّ أَيْدِيَهُمْ عَنكُمْ ۖ وَاتَّقُوا اللَّهَ ۚ وَعَلَى اللَّهِ فَلْيَتَوَكَّلِ الْمُؤْمِنُونَ 11

O jullie die geloven, gedenk de Gunst van Allah aan jullie toen een volk wenste om hun handen naar jullie uit te strekken, maar Hij (Allah) hun handen van jullie afhield. En vrees Allah. En laat de gelovigen hun vertrouwen in Allah stellen.

وَلَقَدْ أَخَذَ اللَّهُ مِيثَاقَ بَنِي إِسْرَائِيلَ وَبَعَثْنَا مِنْهُمُ اثْنَيْ عَشَرَ نَقِيبًا ۖ وَقَالَ اللَّهُ إِنِّي مَعَكُمْ ۖ لَئِنْ أَقَمْتُمُ الصَّلَاةَ وَآتَيْتُمُ الزَّكَاةَ وَآمَنتُم بِرُسُلِي وَعَزَّرْتُمُوهُمْ وَأَقْرَضْتُمُ اللَّهَ قَرْضًا حَسَنًا لَّأُكَفِّرَنَّ عَنكُمْ سَيِّئَاتِكُمْ وَلَأُدْخِلَنَّكُمْ جَنَّاتٍ تَجْرِي مِن تَحْتِهَا الْأَنْهَارُ ۚ فَمَن كَفَرَ بَعْدَ ذَٰلِكَ مِنكُمْ فَقَدْ ضَلَّ سَوَاءَ السَّبِيلِ 12

En voorzeker, Allah aanvaardde het verbond van de kinderen van Israël en Wij benoemden onder hen twaalf leiders. En Allah zei: “Waarlijk, Ik ben met jullie, indien jullie het gebed onderhouden, de Zakaat afdragen, in Mijn Boodschappers geloven, hen eren en Allah een goede lening geven. Dan zal Ik zeker jullie slechte daden voor jullie kwijtschelden en jullie in Tuinen doen binnentreden waaronder rivieren stromen. Maar wie van jullie daarna ongelovig is, voorzeker, diegene is van de rechte Weg afgedwaald.”

فَبِمَا نَقْضِهِم مِّيثَاقَهُمْ لَعَنَّاهُمْ وَجَعَلْنَا قُلُوبَهُمْ قَاسِيَةً ۖ يُحَرِّفُونَ الْكَلِمَ عَن مَّوَاضِعِهِ ۙ وَنَسُوا حَظًّا مِّمَّا ذُكِّرُوا بِهِ ۚ وَلَا تَزَالُ تَطَّلِعُ عَلَىٰ خَائِنَةٍ مِّنْهُمْ إِلَّا قَلِيلًا مِّنْهُمْ ۖ فَاعْفُ عَنْهُمْ وَاصْفَحْ ۚ إِنَّ اللَّهَ يُحِبُّ الْمُحْسِنِينَ 13

Vanwege het verbreken van hun verbond hebben Wij hen vervloekt en hun harten hard gemaakt. Zij veranderen de woorden van hun (juiste) plek en zij vergaten een gedeelte waarmee zij werden vermaand. En jij zult nog steeds bedrog bij hen ontdekken, behalve bij enkelen van hen. Maar vergeef hen en sla geen acht op hen. Waarlijk, Allah houdt van de weldoeners.

وَمِنَ الَّذِينَ قَالُوا إِنَّا نَصَارَىٰ أَخَذْنَا مِيثَاقَهُمْ فَنَسُوا حَظًّا مِّمَّا ذُكِّرُوا بِهِ فَأَغْرَيْنَا بَيْنَهُمُ الْعَدَاوَةَ وَالْبَغْضَاءَ إِلَىٰ يَوْمِ الْقِيَامَةِ ۚ وَسَوْفَ يُنَبِّئُهُمُ اللَّهُ بِمَا كَانُوا يَصْنَعُونَ 14

En van degenen die zeggen: “Waarlijk, wij zijn christenen”, aanvaardden Wij hun verbond. Maar zij vergaten een gedeelte waarmee zij werden vermaand. Daarom hebben Wij tussen hen vijandschap en haat geplaatst tot op de Dag der Opstanding. En Allah zal hun berichten over dat wat zij deden.

يَا أَهْلَ الْكِتَابِ قَدْ جَاءَكُمْ رَسُولُنَا يُبَيِّنُ لَكُمْ كَثِيرًا مِّمَّا كُنتُمْ تُخْفُونَ مِنَ الْكِتَابِ وَيَعْفُو عَن كَثِيرٍ ۚ قَدْ جَاءَكُم مِّنَ اللَّهِ نُورٌ وَكِتَابٌ مُّبِينٌ 15

O lieden van het Boek, voorzeker, Onze Boodschapper is tot jullie gekomen, om jullie duidelijk te maken wat jullie veelal probeerden te verbergen van het Boek, en hij vergeeft veel. Voorzeker, er is tot jullie een Licht van Allah gekomen en een duidelijk Boek.

يَهْدِي بِهِ اللَّهُ مَنِ اتَّبَعَ رِضْوَانَهُ سُبُلَ السَّلَامِ وَيُخْرِجُهُم مِّنَ الظُّلُمَاتِ إِلَى النُّورِ بِإِذْنِهِ وَيَهْدِيهِمْ إِلَىٰ صِرَاطٍ مُّسْتَقِيمٍ 16

Allah leidt daarmee degene die Zijn Welbehagen zoekt naar de wegen van vrede. En Hij voert hen met Zijn Toestemming van de duisternis naar het Licht en Hij leidt hen naar het rechte Pad.

لَّقَدْ كَفَرَ الَّذِينَ قَالُوا إِنَّ اللَّهَ هُوَ الْمَسِيحُ ابْنُ مَرْيَمَ ۚ قُلْ فَمَن يَمْلِكُ مِنَ اللَّهِ شَيْئًا إِنْ أَرَادَ أَن يُهْلِكَ الْمَسِيحَ ابْنَ مَرْيَمَ وَأُمَّهُ وَمَن فِي الْأَرْضِ جَمِيعًا ۗ وَلِلَّهِ مُلْكُ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ وَمَا بَيْنَهُمَا ۚ يَخْلُقُ مَا يَشَاءُ ۚ وَاللَّهُ عَلَىٰ كُلِّ شَيْءٍ قَدِيرٌ 17

Voorzeker, ongelovig zijn degenen die zeggen: “Voorwaar, Allah, Hij is de Messias (cIesa), de zoon van Maryam.” Zeg (o Mohammed): “Wie heeft er dan enige kracht tegen Allah, als Hij de Messias (cIesa), de zoon van Maryam, zijn moeder en degenen die allemaal op aarde zijn zou willen vernietigen?” En aan Allah behoort het Koningschap van de hemelen en de aarde toe en datgene wat zich daartussen bevindt. Hij schept wat Hij wil. En Allah is tot alles in staat.

وَقَالَتِ الْيَهُودُ وَالنَّصَارَىٰ نَحْنُ أَبْنَاءُ اللَّهِ وَأَحِبَّاؤُهُ ۚ قُلْ فَلِمَ يُعَذِّبُكُم بِذُنُوبِكُم ۖ بَلْ أَنتُم بَشَرٌ مِّمَّنْ خَلَقَ ۚ يَغْفِرُ لِمَن يَشَاءُ وَيُعَذِّبُ مَن يَشَاءُ ۚ وَلِلَّهِ مُلْكُ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ وَمَا بَيْنَهُمَا ۖ وَإِلَيْهِ الْمَصِيرُ 18

En de joden en de christenen zeggen: “Wij zijn de zonen van Allah en Zijn geliefden.” Zeg: “Waarom straft Hij jullie dan voor jullie zonden?” Nee! Jullie zijn (slechts) mensen die Hij geschapen heeft. Hij vergeeft wie Hij wil en Hij straft wie Hij wil. En aan Allah behoort het Koningschap van de hemelen en de aarde toe en datgene wat zich daartussen bevindt. En tot Hem is de Terugkeer.

يَا أَهْلَ الْكِتَابِ قَدْ جَاءَكُمْ رَسُولُنَا يُبَيِّنُ لَكُمْ عَلَىٰ فَتْرَةٍ مِّنَ الرُّسُلِ أَن تَقُولُوا مَا جَاءَنَا مِن بَشِيرٍ وَلَا نَذِيرٍ ۖ فَقَدْ جَاءَكُم بَشِيرٌ وَنَذِيرٌ ۗ وَاللَّهُ عَلَىٰ كُلِّ شَيْءٍ قَدِيرٌ 19

O lieden van het Boek, voorzeker, Onze Boodschapper is zeker tot jullie gekomen om jullie (de Waarheid en de Leiding) duidelijk te maken, (dit) na een onderbreking in (een reeks van) Boodschappers, opdat jullie niet zullen zeggen: “Er is geen verkondiger van verheugende Tijdingen en geen waarschuwer tot ons gekomen.” Maar voorzeker, er is een verkondiger van verheugende Tijdingen en een waarschuwer tot jullie gekomen. En Allah is tot alles in staat.

وَإِذْ قَالَ مُوسَىٰ لِقَوْمِهِ يَا قَوْمِ اذْكُرُوا نِعْمَةَ اللَّهِ عَلَيْكُمْ إِذْ جَعَلَ فِيكُمْ أَنبِيَاءَ وَجَعَلَكُم مُّلُوكًا وَآتَاكُم مَّا لَمْ يُؤْتِ أَحَدًا مِّنَ الْعَالَمِينَ 20

En (gedenk) toen Moesa tegen zijn volk zei: “O mijn volk, gedenk de Gunst van Allah aan jullie toen Hij onder jullie Profeten voortbracht en Hij jullie tot koningen maakte en Hij jullie datgene gaf wat Hij aan niemand anders van de werelden heeft gegeven.

يَا قَوْمِ ادْخُلُوا الْأَرْضَ الْمُقَدَّسَةَ الَّتِي كَتَبَ اللَّهُ لَكُمْ وَلَا تَرْتَدُّوا عَلَىٰ أَدْبَارِكُمْ فَتَنقَلِبُوا خَاسِرِينَ 21

O mijn volk, treed het heilige land binnen dat door Allah aan jullie is toegewezen en keer (de strijd) de rug niet toe, want dan zullen jullie terugkeren als verliezers.”

قَالُوا يَا مُوسَىٰ إِنَّ فِيهَا قَوْمًا جَبَّارِينَ وَإِنَّا لَن نَّدْخُلَهَا حَتَّىٰ يَخْرُجُوا مِنْهَا فَإِن يَخْرُجُوا مِنْهَا فَإِنَّا دَاخِلُونَ 22

Zij zeiden: “O Moesa, waarlijk, daarin (d.w.z. in dit heilige land) is een sterk volk, en waarlijk, wij zullen het (d.w.z. dit heilige land) nooit binnentreden, totdat zij het verlaten. Wanneer zij het verlaten, dan zullen wij (het land) waarlijk binnentreden.”

قَالَ رَجُلَانِ مِنَ الَّذِينَ يَخَافُونَ أَنْعَمَ اللَّهُ عَلَيْهِمَا ادْخُلُوا عَلَيْهِمُ الْبَابَ فَإِذَا دَخَلْتُمُوهُ فَإِنَّكُمْ غَالِبُونَ ۚ وَعَلَى اللَّهِ فَتَوَكَّلُوا إِن كُنتُم مُّؤْمِنِينَ 23

Twee mannen onder degenen die (Allah) vreesden (en) die Allah heeft begunstigd, zeiden: “Treed hen tegemoet via de poort en als jullie dan binnen zijn, waarlijk, dan zullen jullie de winnaars zijn. En stel jullie vertrouwen in Allah als jullie gelovigen zijn.”

قَالُوا يَا مُوسَىٰ إِنَّا لَن نَّدْخُلَهَا أَبَدًا مَّا دَامُوا فِيهَا ۖ فَاذْهَبْ أَنتَ وَرَبُّكَ فَقَاتِلَا إِنَّا هَاهُنَا قَاعِدُونَ 24

Zij zeiden: “O Moesa, waarlijk, wij zullen het (d.w.z. het heilige land) nooit binnentreden zolang zij daar nog zijn. Dus ga, jij en jouw Heer, en strijden jullie (maar), waarlijk, wij blijven hier zitten.”

قَالَ رَبِّ إِنِّي لَا أَمْلِكُ إِلَّا نَفْسِي وَأَخِي ۖ فَافْرُقْ بَيْنَنَا وَبَيْنَ الْقَوْمِ الْفَاسِقِينَ 25

Hij (Moesa) zei: “Mijn Heer, waarlijk, ik heb slechts macht over mijzelf en mijn broer, dus oordeel tussen ons en het verdorven volk.”

قَالَ فَإِنَّهَا مُحَرَّمَةٌ عَلَيْهِمْ ۛ أَرْبَعِينَ سَنَةً ۛ يَتِيهُونَ فِي الْأَرْضِ ۚ فَلَا تَأْسَ عَلَى الْقَوْمِ الْفَاسِقِينَ 26

Hij (Allah) zei: “Voorwaar, het (heilige land) is daarom voor veertig jaar verboden voor hen. Verward zullen zij door het land dwalen. Treur dus niet over het verdorven volk.”

وَاتْلُ عَلَيْهِمْ نَبَأَ ابْنَيْ آدَمَ بِالْحَقِّ إِذْ قَرَّبَا قُرْبَانًا فَتُقُبِّلَ مِنْ أَحَدِهِمَا وَلَمْ يُتَقَبَّلْ مِنَ الْآخَرِ قَالَ لَأَقْتُلَنَّكَ ۖ قَالَ إِنَّمَا يَتَقَبَّلُ اللَّهُ مِنَ الْمُتَّقِينَ 27

En draag aan hen het verhaal van de zonen van Adam naar waarheid voor. Toen zij een offer brachten, werd het van één van hen aanvaard en van de ander werd het niet aanvaard. Hij (de laatstgenoemde) zei: “Ik zal jou zeker doden.” Hij (de eerstgenoemde) zei: “Allah aanvaardt slechts (de daden) van de godsvruchtigen.

لَئِن بَسَطتَ إِلَيَّ يَدَكَ لِتَقْتُلَنِي مَا أَنَا بِبَاسِطٍ يَدِيَ إِلَيْكَ لِأَقْتُلَكَ ۖ إِنِّي أَخَافُ اللَّهَ رَبَّ الْعَالَمِينَ 28

Wanneer jij jouw hand naar mij uitstrekt om mij te doden, zal ik mijn hand niet naar jou uitstrekken om jou te doden. Voorwaar, ik vrees Allah, de Heer van de werelden.

إِنِّي أُرِيدُ أَن تَبُوءَ بِإِثْمِي وَإِثْمِكَ فَتَكُونَ مِنْ أَصْحَابِ النَّارِ ۚ وَذَٰلِكَ جَزَاءُ الظَّالِمِينَ 29

Voorwaar, ik wil dat jij mijn zonden en jouw zonden draagt, zodat jij tot de bewoners van het Vuur zult behoren. En dit is de Vergelding voor de onrechtplegers.”

فَطَوَّعَتْ لَهُ نَفْسُهُ قَتْلَ أَخِيهِ فَقَتَلَهُ فَأَصْبَحَ مِنَ الْخَاسِرِينَ 30

Toen moedigde zijn ziel hem aan om zijn broer te doden, en hij doodde hem en werd zo één van de verliezers.

فَبَعَثَ اللَّهُ غُرَابًا يَبْحَثُ فِي الْأَرْضِ لِيُرِيَهُ كَيْفَ يُوَارِي سَوْءَةَ أَخِيهِ ۚ قَالَ يَا وَيْلَتَا أَعَجَزْتُ أَنْ أَكُونَ مِثْلَ هَٰذَا الْغُرَابِ فَأُوَارِيَ سَوْءَةَ أَخِي ۖ فَأَصْبَحَ مِنَ النَّادِمِينَ 31

Toen zond Allah een kraai die in de grond groef om hem te laten zien hoe hij het (dode) lichaam van zijn broer kon verbergen. Hij (de moordenaar) zei: “Wee mij, ben ik zelfs niet in staat om net zoals deze kraai te zijn, en om het dode lichaam van mijn broer te verbergen?” En zo werd hij één van degenen die spijt hadden.

مِنْ أَجْلِ ذَٰلِكَ كَتَبْنَا عَلَىٰ بَنِي إِسْرَائِيلَ أَنَّهُ مَن قَتَلَ نَفْسًا بِغَيْرِ نَفْسٍ أَوْ فَسَادٍ فِي الْأَرْضِ فَكَأَنَّمَا قَتَلَ النَّاسَ جَمِيعًا وَمَنْ أَحْيَاهَا فَكَأَنَّمَا أَحْيَا النَّاسَ جَمِيعًا ۚ وَلَقَدْ جَاءَتْهُمْ رُسُلُنَا بِالْبَيِّنَاتِ ثُمَّ إِنَّ كَثِيرًا مِّنْهُم بَعْدَ ذَٰلِكَ فِي الْأَرْضِ لَمُسْرِفُونَ 32

Daarom hebben Wij de kinderen van Israël voorgeschreven dat wanneer iemand een ziel doodt (en dit) niet als vergelding voor moord (is bedoeld), of (het bedoeld is) om verderf op aarde te zaaien, het dan is alsof hij alle mensen heeft gedood. En wie haar laat leven, het is dan alsof hij alle mensen heeft laten leven. En voorzeker, Onze Boodschappers zijn met duidelijke Bewijzen naar hen gekomen. Voorwaar, vervolgens waren velen van hen daarna overtreders op aarde.

إِنَّمَا جَزَاءُ الَّذِينَ يُحَارِبُونَ اللَّهَ وَرَسُولَهُ وَيَسْعَوْنَ فِي الْأَرْضِ فَسَادًا أَن يُقَتَّلُوا أَوْ يُصَلَّبُوا أَوْ تُقَطَّعَ أَيْدِيهِمْ وَأَرْجُلُهُم مِّنْ خِلَافٍ أَوْ يُنفَوْا مِنَ الْأَرْضِ ۚ ذَٰلِكَ لَهُمْ خِزْيٌ فِي الدُّنْيَا ۖ وَلَهُمْ فِي الْآخِرَةِ عَذَابٌ عَظِيمٌ 33

De vergelding voor degenen die oorlog tegen Allah en Zijn Boodschapper voeren en streven naar het zaaien van verderf op aarde, is slechts dat zij worden gedood of gekruisigd, of dat hun handen en hun voeten aan weerszijden worden afgehakt, of dat zij uit het land worden verbannen. Dat is voor hen een vernedering in deze wereld en voor hen is er in het Hiernamaals een geweldige Bestraffing.

إِلَّا الَّذِينَ تَابُوا مِن قَبْلِ أَن تَقْدِرُوا عَلَيْهِمْ ۖ فَاعْلَمُوا أَنَّ اللَّهَ غَفُورٌ رَّحِيمٌ 34

Behalve (voor) degenen die berouw tonen, voordat jullie de macht over hen krijgen. En weet dat Allah Meest Vergevingsgezind, Meest Genadevol is.

يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا اتَّقُوا اللَّهَ وَابْتَغُوا إِلَيْهِ الْوَسِيلَةَ وَجَاهِدُوا فِي سَبِيلِهِ لَعَلَّكُمْ تُفْلِحُونَ 35

O jullie die geloven, vrees Allah en zoek de middelen om nader tot Hem te komen en strijd op Zijn Weg, opdat jullie succesvol zullen zijn.

إِنَّ الَّذِينَ كَفَرُوا لَوْ أَنَّ لَهُم مَّا فِي الْأَرْضِ جَمِيعًا وَمِثْلَهُ مَعَهُ لِيَفْتَدُوا بِهِ مِنْ عَذَابِ يَوْمِ الْقِيَامَةِ مَا تُقُبِّلَ مِنْهُمْ ۖ وَلَهُمْ عَذَابٌ أَلِيمٌ 36

Waarlijk, als degenen die niet geloven alles wat zich op de aarde bevindt en het gelijke daaraan zouden bezitten (en het zouden gebruiken) om zichzelf daarmee vrij te kopen van de Bestraffing op de Dag der Opstanding, dan zou dat nooit van hen aanvaard worden. En voor hen is er een pijnlijke Bestraffing.

يُرِيدُونَ أَن يَخْرُجُوا مِنَ النَّارِ وَمَا هُم بِخَارِجِينَ مِنْهَا ۖ وَلَهُمْ عَذَابٌ مُّقِيمٌ 37

Zij zullen uit het Vuur willen komen, maar zij zullen er nooit uitkomen. En voor hen is er een blijvende Bestraffing.

وَالسَّارِقُ وَالسَّارِقَةُ فَاقْطَعُوا أَيْدِيَهُمَا جَزَاءً بِمَا كَسَبَا نَكَالًا مِّنَ اللَّهِ ۗ وَاللَّهُ عَزِيزٌ حَكِيمٌ 38

En de dief en de dievegge, hak hun handen af als een vergelding voor dat wat zij hebben verworven, als een Bestraffing van Allah. En Allah is Almachtig, Alwijs.

فَمَن تَابَ مِن بَعْدِ ظُلْمِهِ وَأَصْلَحَ فَإِنَّ اللَّهَ يَتُوبُ عَلَيْهِ ۗ إِنَّ اللَّهَ غَفُورٌ رَّحِيمٌ 39

Maar wie berouw toont na zijn onrecht en zich betert, waarlijk, Allah zal dan zijn berouw aanvaarden. Waarlijk, Allah is Meest Vergevingsgezind, Meest Genadevol.

أَلَمْ تَعْلَمْ أَنَّ اللَّهَ لَهُ مُلْكُ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ يُعَذِّبُ مَن يَشَاءُ وَيَغْفِرُ لِمَن يَشَاءُ ۗ وَاللَّهُ عَلَىٰ كُلِّ شَيْءٍ قَدِيرٌ 40

Weet jij niet dat het Koningschap van de hemelen en de aarde toebehoort aan Allah? Hij bestraft wie Hij wil en Hij vergeeft wie Hij wil. En Allah is tot alles in staat.

يَا أَيُّهَا الرَّسُولُ لَا يَحْزُنكَ الَّذِينَ يُسَارِعُونَ فِي الْكُفْرِ مِنَ الَّذِينَ قَالُوا آمَنَّا بِأَفْوَاهِهِمْ وَلَمْ تُؤْمِن قُلُوبُهُمْ ۛ وَمِنَ الَّذِينَ هَادُوا ۛ سَمَّاعُونَ لِلْكَذِبِ سَمَّاعُونَ لِقَوْمٍ آخَرِينَ لَمْ يَأْتُوكَ ۖ يُحَرِّفُونَ الْكَلِمَ مِن بَعْدِ مَوَاضِعِهِ ۖ يَقُولُونَ إِنْ أُوتِيتُمْ هَٰذَا فَخُذُوهُ وَإِن لَّمْ تُؤْتَوْهُ فَاحْذَرُوا ۚ وَمَن يُرِدِ اللَّهُ فِتْنَتَهُ فَلَن تَمْلِكَ لَهُ مِنَ اللَّهِ شَيْئًا ۚ أُولَٰئِكَ الَّذِينَ لَمْ يُرِدِ اللَّهُ أَن يُطَهِّرَ قُلُوبَهُمْ ۚ لَهُمْ فِي الدُّنْيَا خِزْيٌ ۖ وَلَهُمْ فِي الْآخِرَةِ عَذَابٌ عَظِيمٌ 41

O Boodschapper, treur niet om degenen die zich naar het ongeloof haasten, (of) om degenen die met hun monden zeggen: “Wij geloven”, terwijl hun harten niet geloven. En sommige joden luisteren naar leugens en luisteren naar een ander volk dat niet naar jou is toe gekomen. Zij veranderen de woorden van hun (juiste) plek. Zij zeggen: “Als jullie dit is gegeven, neem het dan, en als jullie dit niet is gegeven, wees dan op jullie hoede.” En voor degene die Allah wil doen afdwalen, kun jij niets betekenen tegen Allah. Zij zijn degenen van wie Allah de harten niet wil reinigen. Voor hen is er een vernedering in deze wereld en een geweldige Bestraffing in het Hiernamaals.

سَمَّاعُونَ لِلْكَذِبِ أَكَّالُونَ لِلسُّحْتِ ۚ فَإِن جَاءُوكَ فَاحْكُم بَيْنَهُمْ أَوْ أَعْرِضْ عَنْهُمْ ۖ وَإِن تُعْرِضْ عَنْهُمْ فَلَن يَضُرُّوكَ شَيْئًا ۖ وَإِنْ حَكَمْتَ فَاحْكُم بَيْنَهُم بِالْقِسْطِ ۚ إِنَّ اللَّهَ يُحِبُّ الْمُقْسِطِينَ 42

Zij (houden ervan om te) luisteren naar leugens en zij eten van het verbodene. En als zij naar jou toe komen (o Mohammed), oordeel dan tussen hen of wend je van hen af. Als jij je van hen afwendt, dan kunnen zij jou geen enkele schade berokkenen. En als jij oordeelt, oordeel dan met rechtvaardigheid tussen hen. Waarlijk, Allah houdt van de rechtvaardigen.

وَكَيْفَ يُحَكِّمُونَكَ وَعِندَهُمُ التَّوْرَاةُ فِيهَا حُكْمُ اللَّهِ ثُمَّ يَتَوَلَّوْنَ مِن بَعْدِ ذَٰلِكَ ۚ وَمَا أُولَٰئِكَ بِالْمُؤْمِنِينَ 43

En hoe kunnen zij naar jou toe komen voor een oordeel, terwijl zij de Thora bij zich hebben waarin het Oordeel van Allah staat? Vervolgens wenden zij zich daarna af. En zij zijn geen gelovigen.

إِنَّا أَنزَلْنَا التَّوْرَاةَ فِيهَا هُدًى وَنُورٌ ۚ يَحْكُمُ بِهَا النَّبِيُّونَ الَّذِينَ أَسْلَمُوا لِلَّذِينَ هَادُوا وَالرَّبَّانِيُّونَ وَالْأَحْبَارُ بِمَا اسْتُحْفِظُوا مِن كِتَابِ اللَّهِ وَكَانُوا عَلَيْهِ شُهَدَاءَ ۚ فَلَا تَخْشَوُا النَّاسَ وَاخْشَوْنِ وَلَا تَشْتَرُوا بِآيَاتِي ثَمَنًا قَلِيلًا ۚ وَمَن لَّمْ يَحْكُم بِمَا أَنزَلَ اللَّهُ فَأُولَٰئِكَ هُمُ الْكَافِرُونَ 44

Voorwaar, Wij hebben de Thora neergezonden met daarin Leiding en Licht. De Profeten, die zich (aan Allah) hebben onderworpen, oordelen hiermee over de joden. En de rabbijnen en de priesters (oordeelden) met datgene wat aan hen was toevertrouwd van het Boek van Allah, en zij waren hier getuigen van. Vrees daarom niet de mensen, maar vrees Mij en ruil Mijn Verzen niet in tegen een geringe prijs. En wie niet oordeelt met dat wat Allah heeft neergezonden, zij zijn de ongelovigen.

وَكَتَبْنَا عَلَيْهِمْ فِيهَا أَنَّ النَّفْسَ بِالنَّفْسِ وَالْعَيْنَ بِالْعَيْنِ وَالْأَنفَ بِالْأَنفِ وَالْأُذُنَ بِالْأُذُنِ وَالسِّنَّ بِالسِّنِّ وَالْجُرُوحَ قِصَاصٌ ۚ فَمَن تَصَدَّقَ بِهِ فَهُوَ كَفَّارَةٌ لَّهُ ۚ وَمَن لَّمْ يَحْكُم بِمَا أَنزَلَ اللَّهُ فَأُولَٰئِكَ هُمُ الظَّالِمُونَ 45

En Wij hebben daarin voor hen voorgeschreven: een leven voor een leven, een oog voor een oog, een neus voor een neus, een oor voor een oor, een tand voor een tand, en de wonden (worden vergolden) met het gelijke daaraan. Maar wie het (d.w.z. de vergelding) kwijtscheldt, het zal voor hem een boetedoening zijn. En wie niet oordeelt met dat wat Allah heeft neergezonden, zij zijn de onrechtplegers.

وَقَفَّيْنَا عَلَىٰ آثَارِهِم بِعِيسَى ابْنِ مَرْيَمَ مُصَدِّقًا لِّمَا بَيْنَ يَدَيْهِ مِنَ التَّوْرَاةِ ۖ وَآتَيْنَاهُ الْإِنجِيلَ فِيهِ هُدًى وَنُورٌ وَمُصَدِّقًا لِّمَا بَيْنَ يَدَيْهِ مِنَ التَّوْرَاةِ وَهُدًى وَمَوْعِظَةً لِّلْمُتَّقِينَ 46

En Wij lieten cIesa, de zoon van Maryam, in hun voetsporen volgen, ter bevestiging van de Thora die daarvóór was (geopenbaard). En Wij gaven hem het Evangelie waarin Leiding en Licht was en ter bevestiging van de Thora die daarvóór was (geopenbaard) en (als) Leiding en een Vermaning voor de godsvruchtigen.

وَلْيَحْكُمْ أَهْلُ الْإِنجِيلِ بِمَا أَنزَلَ اللَّهُ فِيهِ ۚ وَمَن لَّمْ يَحْكُم بِمَا أَنزَلَ اللَّهُ فَأُولَٰئِكَ هُمُ الْفَاسِقُونَ 47

En laat de lieden van het Evangelie oordelen met dat wat Allah daarin heeft neergezonden. En wie niet oordeelt met dat wat Allah heeft neergezonden, zij zijn de verdorvenen.

وَأَنزَلْنَا إِلَيْكَ الْكِتَابَ بِالْحَقِّ مُصَدِّقًا لِّمَا بَيْنَ يَدَيْهِ مِنَ الْكِتَابِ وَمُهَيْمِنًا عَلَيْهِ ۖ فَاحْكُم بَيْنَهُم بِمَا أَنزَلَ اللَّهُ ۖ وَلَا تَتَّبِعْ أَهْوَاءَهُمْ عَمَّا جَاءَكَ مِنَ الْحَقِّ ۚ لِكُلٍّ جَعَلْنَا مِنكُمْ شِرْعَةً وَمِنْهَاجًا ۚ وَلَوْ شَاءَ اللَّهُ لَجَعَلَكُمْ أُمَّةً وَاحِدَةً وَلَٰكِن لِّيَبْلُوَكُمْ فِي مَا آتَاكُمْ ۖ فَاسْتَبِقُوا الْخَيْرَاتِ ۚ إِلَى اللَّهِ مَرْجِعُكُمْ جَمِيعًا فَيُنَبِّئُكُم بِمَا كُنتُمْ فِيهِ تَخْتَلِفُونَ 48

En Wij hebben het Boek (d.w.z. deze Koran) met de Waarheid aan jou neergezonden, ter bevestiging van het Boek dat daarvóór was (geopenbaard) en om daarover (d.w.z. over de oude Boeken) te waken. Dus oordeel tussen hen met dat wat Allah heeft neergezonden, en volg niet hun begeerten in plaats van de Waarheid die tot jou is gekomen. Voor eenieder onder jullie hebben Wij een wetgeving en een werkwijze voorgeschreven. En als Allah het had gewild, dan had Hij jullie tot één gemeenschap gemaakt, maar Hij wil jullie beproeven met dat wat Hij jullie heeft gegeven. Wedijver dus in (het verrichten van) het goede. Tot Allah is de terugkeer van jullie allen, dan zal Hij jullie berichten over datgene waarover jullie (van mening) verschilden.

وَأَنِ احْكُم بَيْنَهُم بِمَا أَنزَلَ اللَّهُ وَلَا تَتَّبِعْ أَهْوَاءَهُمْ وَاحْذَرْهُمْ أَن يَفْتِنُوكَ عَن بَعْضِ مَا أَنزَلَ اللَّهُ إِلَيْكَ ۖ فَإِن تَوَلَّوْا فَاعْلَمْ أَنَّمَا يُرِيدُ اللَّهُ أَن يُصِيبَهُم بِبَعْضِ ذُنُوبِهِمْ ۗ وَإِنَّ كَثِيرًا مِّنَ النَّاسِ لَفَاسِقُونَ 49

En oordeel (o Mohammed) tussen hen met dat wat Allah heeft neergezonden en volg hun begeerten niet, en wees op je hoede voor hen zodat zij jou niet afhouden van een deel dat Allah aan jou heeft neergezonden. En als zij zich dan afwenden, weet dan dat Allah hen vanwege een aantal zonden van hen (met een straf) wil treffen. En waarlijk, veel van de mensen zijn zeker verdorvenen.

أَفَحُكْمَ الْجَاهِلِيَّةِ يَبْغُونَ ۚ وَمَنْ أَحْسَنُ مِنَ اللَّهِ حُكْمًا لِّقَوْمٍ يُوقِنُونَ 50

Wensen zij dan het oordeel van (de dagen van) onwetendheid. En wie is er beter in het oordelen dan Allah voor een volk dat overtuigd is (van de Eenheid van Allah)?

يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا لَا تَتَّخِذُوا الْيَهُودَ وَالنَّصَارَىٰ أَوْلِيَاءَ ۘ بَعْضُهُمْ أَوْلِيَاءُ بَعْضٍ ۚ وَمَن يَتَوَلَّهُم مِّنكُمْ فَإِنَّهُ مِنْهُمْ ۗ إِنَّ اللَّهَ لَا يَهْدِي الْقَوْمَ الظَّالِمِينَ 51

O jullie die geloven, neem de joden en de christenen niet als Awliyaa’. Zij zijn (slechts) elkaars Awliyaa’. En wie van jullie hen als Awliyaa’ neemt, waarlijk hij behoort dan tot hen. Voorwaar, Allah leidt het onrechtvaardige volk niet.

فَتَرَى الَّذِينَ فِي قُلُوبِهِم مَّرَضٌ يُسَارِعُونَ فِيهِمْ يَقُولُونَ نَخْشَىٰ أَن تُصِيبَنَا دَائِرَةٌ ۚ فَعَسَى اللَّهُ أَن يَأْتِيَ بِالْفَتْحِ أَوْ أَمْرٍ مِّنْ عِندِهِ فَيُصْبِحُوا عَلَىٰ مَا أَسَرُّوا فِي أَنفُسِهِمْ نَادِمِينَ 52

En jij ziet degenen die een ziekte in hun harten hebben, zich haasten naar hen (d.w.z. naar de joden en de christenen). Zij zeggen: “(Wij doen dit omdat) wij vrezen dat de tijd zich tegen ons zal keren.” Wellicht zal Allah met de overwinning komen (d.w.z. de inname van Mekka), of met een Oordeel van Hem. En dan zullen zij spijt krijgen van dat wat zij in zichzelf geheim hebben gehouden.

وَيَقُولُ الَّذِينَ آمَنُوا أَهَٰؤُلَاءِ الَّذِينَ أَقْسَمُوا بِاللَّهِ جَهْدَ أَيْمَانِهِمْ ۙ إِنَّهُمْ لَمَعَكُمْ ۚ حَبِطَتْ أَعْمَالُهُمْ فَأَصْبَحُوا خَاسِرِينَ 53

En degenen die geloven zullen zeggen: “Zijn dit degenen die met hun krachtigste eden bij Allah zwoeren dat zij waarlijk met jullie (moslims) waren?” Hun daden zullen verloren gaan (vanwege hun hypocrisie) en zij zijn de verliezers geworden.

يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا مَن يَرْتَدَّ مِنكُمْ عَن دِينِهِ فَسَوْفَ يَأْتِي اللَّهُ بِقَوْمٍ يُحِبُّهُمْ وَيُحِبُّونَهُ أَذِلَّةٍ عَلَى الْمُؤْمِنِينَ أَعِزَّةٍ عَلَى الْكَافِرِينَ يُجَاهِدُونَ فِي سَبِيلِ اللَّهِ وَلَا يَخَافُونَ لَوْمَةَ لَائِمٍ ۚ ذَٰلِكَ فَضْلُ اللَّهِ يُؤْتِيهِ مَن يَشَاءُ ۚ وَاللَّهُ وَاسِعٌ عَلِيمٌ 54

O jullie die geloven, wie van jullie zich van zijn godsdienst afkeert, Allah zal een volk (voort)brengen van wie Hij zal houden en dat van Hem zal houden. (Dat volk is) genadig jegens de gelovigen en streng jegens de ongelovigen. Zij strijden op de Weg van Allah, en zij hebben geen vrees voor degenen die verwijten maken. Dit is de Gunst van Allah, die Hij schenkt aan wie Hij wil. En Allah is Alomvattend, Alwetend.

إِنَّمَا وَلِيُّكُمُ اللَّهُ وَرَسُولُهُ وَالَّذِينَ آمَنُوا الَّذِينَ يُقِيمُونَ الصَّلَاةَ وَيُؤْتُونَ الزَّكَاةَ وَهُمْ رَاكِعُونَ 55

Jullie Beschermer is slechts Allah, (en ook) Zijn Boodschapper en degenen die geloven. Zij (de gelovigen) die het gebed onderhouden, de Zakaat afdragen en zij die neerbuigen.

وَمَن يَتَوَلَّ اللَّهَ وَرَسُولَهُ وَالَّذِينَ آمَنُوا فَإِنَّ حِزْبَ اللَّهِ هُمُ الْغَالِبُونَ 56

En wie Allah en Zijn Boodschapper en de gelovigen als beschermers neemt, waarlijk, het is de groep van Allah die de overwinnaar is.

يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا لَا تَتَّخِذُوا الَّذِينَ اتَّخَذُوا دِينَكُمْ هُزُوًا وَلَعِبًا مِّنَ الَّذِينَ أُوتُوا الْكِتَابَ مِن قَبْلِكُمْ وَالْكُفَّارَ أَوْلِيَاءَ ۚ وَاتَّقُوا اللَّهَ إِن كُنتُم مُّؤْمِنِينَ 57

O jullie die geloven, neem niet degenen aan wie het Boek vóór jullie is gegeven en de ongelovigen die jullie godsdienst als mikpunt van spotternij en tot vermaak hebben genomen als Awliyaa’. En vrees Allah als jullie gelovigen zijn.

وَإِذَا نَادَيْتُمْ إِلَى الصَّلَاةِ اتَّخَذُوهَا هُزُوًا وَلَعِبًا ۚ ذَٰلِكَ بِأَنَّهُمْ قَوْمٌ لَّا يَعْقِلُونَ 58

En wanneer jullie oproepen tot het gebed nemen zij dit als mikpunt van spotternij en (nemen zij dit) tot vermaak. Dit is omdat zij een volk zijn dat niet nadenkt.

قُلْ يَا أَهْلَ الْكِتَابِ هَلْ تَنقِمُونَ مِنَّا إِلَّا أَنْ آمَنَّا بِاللَّهِ وَمَا أُنزِلَ إِلَيْنَا وَمَا أُنزِلَ مِن قَبْلُ وَأَنَّ أَكْثَرَكُمْ فَاسِقُونَ 59

Zeg: “O lieden van het Boek, verafschuwen jullie ons omdat wij slechts in Allah geloven en in dat wat aan ons is neergezonden en in dat wat eerder is neergezonden en (omdat wij geloven) dat de meesten van jullie verdorvenen zijn?”

قُلْ هَلْ أُنَبِّئُكُم بِشَرٍّ مِّن ذَٰلِكَ مَثُوبَةً عِندَ اللَّهِ ۚ مَن لَّعَنَهُ اللَّهُ وَغَضِبَ عَلَيْهِ وَجَعَلَ مِنْهُمُ الْقِرَدَةَ وَالْخَنَازِيرَ وَعَبَدَ الطَّاغُوتَ ۚ أُولَٰئِكَ شَرٌّ مَّكَانًا وَأَضَلُّ عَن سَوَاءِ السَّبِيلِ 60

Zeg: “Zal ik jullie berichten over iets dat slechter is dan dat, betreffende de Vergelding van Allah? Degene die door Allah vervloekt is, en op wie Hij woedend is, en degenen van wie Hij (van sommigen) apen en varkens heeft gemaakt, en degenen die de Taaghoet aanbidden. Zij hebben de slechtste plaats (op de Dag der Opstanding in het Hellevuur) en zij zijn het meest afgedwaald van de rechte Weg.”

وَإِذَا جَاءُوكُمْ قَالُوا آمَنَّا وَقَد دَّخَلُوا بِالْكُفْرِ وَهُمْ قَدْ خَرَجُوا بِهِ ۚ وَاللَّهُ أَعْلَمُ بِمَا كَانُوا يَكْتُمُونَ 61

En wanneer zij naar jullie toe komen, zeggen zij: “Wij geloven.” Maar zij treden zeker (bij jullie) binnen met ongeloof en zij vertrekken daar ook zeker mee. En Allah is beter op de hoogte van wat zij verbergen.

وَتَرَىٰ كَثِيرًا مِّنْهُمْ يُسَارِعُونَ فِي الْإِثْمِ وَالْعُدْوَانِ وَأَكْلِهِمُ السُّحْتَ ۚ لَبِئْسَ مَا كَانُوا يَعْمَلُونَ 62

En jij ziet dat velen van hen zich naar zondigheid en vijandschap haasten en zij eten van het verbodene. Slecht is datgene wat zij doen.

لَوْلَا يَنْهَاهُمُ الرَّبَّانِيُّونَ وَالْأَحْبَارُ عَن قَوْلِهِمُ الْإِثْمَ وَأَكْلِهِمُ السُّحْتَ ۚ لَبِئْسَ مَا كَانُوا يَصْنَعُونَ 63

Hadden de rabbijnen en de priesters hun zondige woorden en het eten van het verbodene door hen maar verboden. Slecht is datgene wat zij doen.

وَقَالَتِ الْيَهُودُ يَدُ اللَّهِ مَغْلُولَةٌ ۚ غُلَّتْ أَيْدِيهِمْ وَلُعِنُوا بِمَا قَالُوا ۘ بَلْ يَدَاهُ مَبْسُوطَتَانِ يُنفِقُ كَيْفَ يَشَاءُ ۚ وَلَيَزِيدَنَّ كَثِيرًا مِّنْهُم مَّا أُنزِلَ إِلَيْكَ مِن رَّبِّكَ طُغْيَانًا وَكُفْرًا ۚ وَأَلْقَيْنَا بَيْنَهُمُ الْعَدَاوَةَ وَالْبَغْضَاءَ إِلَىٰ يَوْمِ الْقِيَامَةِ ۚ كُلَّمَا أَوْقَدُوا نَارًا لِّلْحَرْبِ أَطْفَأَهَا اللَّهُ ۚ وَيَسْعَوْنَ فِي الْأَرْضِ فَسَادًا ۚ وَاللَّهُ لَا يُحِبُّ الْمُفْسِدِينَ 64

En de joden zeiden: “De Hand van Allah is vastgebonden (d.w.z. Hij is gierig).” Laat hun handen vastgebonden zijn en zij zijn vervloekt vanwege wat zij zeiden. Welnee! Zijn beide Handen zijn wijd uitgestrekt, Hij schenkt (van Zijn Gunsten) hoe Hij wil. En dat wat aan jou is neergezonden door jouw Heer, vermeerdert bij velen van hen zeker opstandigheid en ongeloof. En Wij hebben vijandschap en haat tussen hen geplaatst tot aan de Dag der Opstanding. Telkens wanneer zij het vuur voor de oorlog ontsteken, dooft Allah het. En zij streven ernaar om verderf op aarde te zaaien. En Allah houdt niet van de verderfzaaiers.

وَلَوْ أَنَّ أَهْلَ الْكِتَابِ آمَنُوا وَاتَّقَوْا لَكَفَّرْنَا عَنْهُمْ سَيِّئَاتِهِمْ وَلَأَدْخَلْنَاهُمْ جَنَّاتِ النَّعِيمِ 65

En als de lieden van het Boek (in Mohammed) hadden geloofd en (Allah) hadden gevreesd, dan zouden Wij hun slechte daden zeker hebben kwijtgescholden en hen zeker hebben toegelaten tot Tuinen van Genot.

وَلَوْ أَنَّهُمْ أَقَامُوا التَّوْرَاةَ وَالْإِنجِيلَ وَمَا أُنزِلَ إِلَيْهِم مِّن رَّبِّهِمْ لَأَكَلُوا مِن فَوْقِهِمْ وَمِن تَحْتِ أَرْجُلِهِم ۚ مِّنْهُمْ أُمَّةٌ مُّقْتَصِدَةٌ ۖ وَكَثِيرٌ مِّنْهُمْ سَاءَ مَا يَعْمَلُونَ 66

En als zij zich hadden gehouden aan de Thora, het Evangelie en (aan) dat wat door hun Heer aan hen is neergezonden, dan zouden zij van boven hen en van onder hun voeten (vandaan) van voedsel zijn voorzien. Onder hen is er een gemeenschap die zich op de juiste Weg bevindt, maar van velen van hen is het slecht wat zij doen.

يَا أَيُّهَا الرَّسُولُ بَلِّغْ مَا أُنزِلَ إِلَيْكَ مِن رَّبِّكَ ۖ وَإِن لَّمْ تَفْعَلْ فَمَا بَلَّغْتَ رِسَالَتَهُ ۚ وَاللَّهُ يَعْصِمُكَ مِنَ النَّاسِ ۗ إِنَّ اللَّهَ لَا يَهْدِي الْقَوْمَ الْكَافِرِينَ 67

O Boodschapper, verkondig dat wat door jouw Heer aan jou is neergezonden. En als jij dat niet doet, dan heb jij Zijn Boodschap niet verkondigd. En Allah zal jou tegen de mensen beschermen. Waarlijk, Allah leidt het ongelovige volk niet.

قُلْ يَا أَهْلَ الْكِتَابِ لَسْتُمْ عَلَىٰ شَيْءٍ حَتَّىٰ تُقِيمُوا التَّوْرَاةَ وَالْإِنجِيلَ وَمَا أُنزِلَ إِلَيْكُم مِّن رَّبِّكُمْ ۗ وَلَيَزِيدَنَّ كَثِيرًا مِّنْهُم مَّا أُنزِلَ إِلَيْكَ مِن رَّبِّكَ طُغْيَانًا وَكُفْرًا ۖ فَلَا تَأْسَ عَلَى الْقَوْمِ الْكَافِرِينَ 68

Zeg (o Mohammed): “O lieden van het Boek, jullie kunnen nergens op terugvallen, totdat jullie je houden aan de Thora, het Evangelie, en (aan) dat wat aan jullie is neergezonden door jullie Heer.” En dat wat aan jou is neergezonden door jouw Heer, vermeerdert bij velen van hen opstandigheid en ongeloof. Dus treur niet over het ongelovige volk.

إِنَّ الَّذِينَ آمَنُوا وَالَّذِينَ هَادُوا وَالصَّابِئُونَ وَالنَّصَارَىٰ مَنْ آمَنَ بِاللَّهِ وَالْيَوْمِ الْآخِرِ وَعَمِلَ صَالِحًا فَلَا خَوْفٌ عَلَيْهِمْ وَلَا هُمْ يَحْزَنُونَ 69

Waarlijk, degenen die geloven, de joden, de Sabiërs en de christenen, wie (van hen) in Allah en de Laatste Dag gelooft en goede daden verricht, zij zullen vrees noch treurnis kennen.

لَقَدْ أَخَذْنَا مِيثَاقَ بَنِي إِسْرَائِيلَ وَأَرْسَلْنَا إِلَيْهِمْ رُسُلًا ۖ كُلَّمَا جَاءَهُمْ رَسُولٌ بِمَا لَا تَهْوَىٰ أَنفُسُهُمْ فَرِيقًا كَذَّبُوا وَفَرِيقًا يَقْتُلُونَ 70

Voorzeker, Wij aanvaardden het verbond van de kinderen van Israël en stuurden Boodschappers naar hen. Telkens wanneer er een Boodschapper tot hen kwam, met iets dat niet in overeenstemming was met hun begeerten, dan verloochenden zij een groep en doodden zij een groep.

وَحَسِبُوا أَلَّا تَكُونَ فِتْنَةٌ فَعَمُوا وَصَمُّوا ثُمَّ تَابَ اللَّهُ عَلَيْهِمْ ثُمَّ عَمُوا وَصَمُّوا كَثِيرٌ مِّنْهُمْ ۚ وَاللَّهُ بَصِيرٌ بِمَا يَعْمَلُونَ 71

En zij dachten dat er geen beproeving zou zijn, dus werden zij blind en doof. Vervolgens aanvaardde Allah hun berouw, maar velen van hen werden daarna weer blind en doof. En Allah is Alziend over wat zij doen.

لَقَدْ كَفَرَ الَّذِينَ قَالُوا إِنَّ اللَّهَ هُوَ الْمَسِيحُ ابْنُ مَرْيَمَ ۖ وَقَالَ الْمَسِيحُ يَا بَنِي إِسْرَائِيلَ اعْبُدُوا اللَّهَ رَبِّي وَرَبَّكُمْ ۖ إِنَّهُ مَن يُشْرِكْ بِاللَّهِ فَقَدْ حَرَّمَ اللَّهُ عَلَيْهِ الْجَنَّةَ وَمَأْوَاهُ النَّارُ ۖ وَمَا لِلظَّالِمِينَ مِنْ أَنصَارٍ 72

Voorzeker, ongelovig zijn degenen die zeggen: “Voorwaar, Allah, Hij is de Messias (cIesa), de zoon van Maryam.” Maar de Messias (cIesa) zei: “O kinderen van Israël, aanbid Allah, mijn Heer en jullie Heer.” Waarlijk, degene die deelgenoten aan Allah toekent, Allah heeft het Paradijs zeker voor hem verboden, en het Vuur zal zijn verblijfplaats zijn. En voor de onrechtplegers zijn er geen helpers.

لَّقَدْ كَفَرَ الَّذِينَ قَالُوا إِنَّ اللَّهَ ثَالِثُ ثَلَاثَةٍ ۘ وَمَا مِنْ إِلَٰهٍ إِلَّا إِلَٰهٌ وَاحِدٌ ۚ وَإِن لَّمْ يَنتَهُوا عَمَّا يَقُولُونَ لَيَمَسَّنَّ الَّذِينَ كَفَرُوا مِنْهُمْ عَذَابٌ أَلِيمٌ 73

Voorzeker, ongelovig zijn degenen die zeggen: “Waarlijk, Allah is één derde van (de) drie (in een drie-eenheid).” Maar er is geen god behalve één God (Allah). En als zij niet ophouden met dat wat zij zeggen, dan zullen degenen onder hen die niet geloven zeker getroffen worden door een pijnlijke Bestraffing.

أَفَلَا يَتُوبُونَ إِلَى اللَّهِ وَيَسْتَغْفِرُونَهُ ۚ وَاللَّهُ غَفُورٌ رَّحِيمٌ 74

Zullen zij dan geen berouw tonen jegens Allah en om Zijn Vergiffenis vragen? En Allah is Meest Vergevingsgezind, Meest Genadevol.

مَّا الْمَسِيحُ ابْنُ مَرْيَمَ إِلَّا رَسُولٌ قَدْ خَلَتْ مِن قَبْلِهِ الرُّسُلُ وَأُمُّهُ صِدِّيقَةٌ ۖ كَانَا يَأْكُلَانِ الطَّعَامَ ۗ انظُرْ كَيْفَ نُبَيِّنُ لَهُمُ الْآيَاتِ ثُمَّ انظُرْ أَنَّىٰ يُؤْفَكُونَ 75

De Messias (cIesa), de zoon van Maryam, was niet meer dan een Boodschapper. Vóór hem zijn zeker reeds Boodschappers heengegaan en zijn moeder was een waarachtige vrouw. Zij aten beiden voedsel. Zie hoe Wij de tekenen aan hen duidelijk maken, (en) zie vervolgens hoe zij zijn afgedwaald (van Zijn aanbidding).

قُلْ أَتَعْبُدُونَ مِن دُونِ اللَّهِ مَا لَا يَمْلِكُ لَكُمْ ضَرًّا وَلَا نَفْعًا ۚ وَاللَّهُ هُوَ السَّمِيعُ الْعَلِيمُ 76

Zeg (o Mohammed): “Aanbidden jullie naast Allah dat wat geen kracht heeft om jullie te schaden of te baten?” En Allah, Hij is de Alhorende, de Alwetende.

قُلْ يَا أَهْلَ الْكِتَابِ لَا تَغْلُوا فِي دِينِكُمْ غَيْرَ الْحَقِّ وَلَا تَتَّبِعُوا أَهْوَاءَ قَوْمٍ قَدْ ضَلُّوا مِن قَبْلُ وَأَضَلُّوا كَثِيرًا وَضَلُّوا عَن سَوَاءِ السَّبِيلِ 77

Zeg: “O lieden van het Boek, overdrijf niet ten onrechte in jullie godsdienst en volg niet de begeerten van een volk dat voorheen zeker afdwaalde en velen heeft doen afdwalen, en zij dwaalden van de rechte Weg af.”

لُعِنَ الَّذِينَ كَفَرُوا مِن بَنِي إِسْرَائِيلَ عَلَىٰ لِسَانِ دَاوُودَ وَعِيسَى ابْنِ مَرْيَمَ ۚ ذَٰلِكَ بِمَا عَصَوا وَّكَانُوا يَعْتَدُونَ 78

Vervloekt zijn degenen die niet geloofden onder de kinderen van Israël door de tong van Daawoed en cIesa, de zoon van Maryam. Dat was omdat zij ongehoorzaam waren en de regels overtraden.

كَانُوا لَا يَتَنَاهَوْنَ عَن مُّنكَرٍ فَعَلُوهُ ۚ لَبِئْسَ مَا كَانُوا يَفْعَلُونَ 79

Zij verboden elkaar het slechte dat zij verrichtten niet. Slecht is datgene wat zij deden.

تَرَىٰ كَثِيرًا مِّنْهُمْ يَتَوَلَّوْنَ الَّذِينَ كَفَرُوا ۚ لَبِئْسَ مَا قَدَّمَتْ لَهُمْ أَنفُسُهُمْ أَن سَخِطَ اللَّهُ عَلَيْهِمْ وَفِي الْعَذَابِ هُمْ خَالِدُونَ 80

Jij ziet velen van hen degenen die niet geloven als hun Waliy nemen. Slecht is datgene wat zij voor zichzelf vooruit hebben gezonden. Daarom werden zij door de Woede van Allah getroffen, en zij verblijven voor eeuwig in de Bestraffing.

وَلَوْ كَانُوا يُؤْمِنُونَ بِاللَّهِ وَالنَّبِيِّ وَمَا أُنزِلَ إِلَيْهِ مَا اتَّخَذُوهُمْ أَوْلِيَاءَ وَلَٰكِنَّ كَثِيرًا مِّنْهُمْ فَاسِقُونَ 81

En als zij hadden geloofd in Allah en in de Profeet en in dat wat er aan hem is neergezonden, dan zouden zij hen (d.w.z. de ongelovigen) nooit als Waliy hebben genomen. Maar velen van hen zijn verdorvenen.

لَتَجِدَنَّ أَشَدَّ النَّاسِ عَدَاوَةً لِّلَّذِينَ آمَنُوا الْيَهُودَ وَالَّذِينَ أَشْرَكُوا ۖ وَلَتَجِدَنَّ أَقْرَبَهُم مَّوَدَّةً لِّلَّذِينَ آمَنُوا الَّذِينَ قَالُوا إِنَّا نَصَارَىٰ ۚ ذَٰلِكَ بِأَنَّ مِنْهُمْ قِسِّيسِينَ وَرُهْبَانًا وَأَنَّهُمْ لَا يَسْتَكْبِرُونَ 82

Onder de mensen zul jij de joden en degenen die deelgenoten (aan Allah) toekennen zeker het sterkst in vijandschap aantreffen richting degenen die geloven. En jij zult degenen die zeggen: “Voorwaar, wij zijn christenen”, zeker het dichtst in genegenheid aantreffen richting degenen die geloven. Dat is omdat er zich onder hen priesters en monniken bevinden en zij zich niet hoogmoedig opstellen.

وَإِذَا سَمِعُوا مَا أُنزِلَ إِلَى الرَّسُولِ تَرَىٰ أَعْيُنَهُمْ تَفِيضُ مِنَ الدَّمْعِ مِمَّا عَرَفُوا مِنَ الْحَقِّ ۖ يَقُولُونَ رَبَّنَا آمَنَّا فَاكْتُبْنَا مَعَ الشَّاهِدِينَ 83

En wanneer zij horen wat er aan de Boodschapper (Mohammed) is neergezonden, dan zie je dat hun ogen vollopen met tranen vanwege de Waarheid die zij (her)kennen. Zij zeggen: “Onze Heer, wij geloven, dus schrijf onze (namen) op met (die van) de getuigen.

وَمَا لَنَا لَا نُؤْمِنُ بِاللَّهِ وَمَا جَاءَنَا مِنَ الْحَقِّ وَنَطْمَعُ أَن يُدْخِلَنَا رَبُّنَا مَعَ الْقَوْمِ الصَّالِحِينَ 84

En waarom zouden wij niet in Allah geloven en in datgene wat tot ons is gekomen van de Waarheid? En wij verlangen dat onze Heer ons zal toelaten (tot het Paradijs) met het rechtschapen volk.”

فَأَثَابَهُمُ اللَّهُ بِمَا قَالُوا جَنَّاتٍ تَجْرِي مِن تَحْتِهَا الْأَنْهَارُ خَالِدِينَ فِيهَا ۚ وَذَٰلِكَ جَزَاءُ الْمُحْسِنِينَ 85

Dus Allah beloonde hen vanwege wat zij zeiden met Tuinen waaronder rivieren stromen, voor eeuwig (vertoeven zij) daarin. En dit is de Beloning voor de weldoeners.

وَالَّذِينَ كَفَرُوا وَكَذَّبُوا بِآيَاتِنَا أُولَٰئِكَ أَصْحَابُ الْجَحِيمِ 86

En degenen die niet geloven en Onze Tekenen verloochenen, zij zijn de bewoners van het Hellevuur.

يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا لَا تُحَرِّمُوا طَيِّبَاتِ مَا أَحَلَّ اللَّهُ لَكُمْ وَلَا تَعْتَدُوا ۚ إِنَّ اللَّهَ لَا يُحِبُّ الْمُعْتَدِينَ 87

O jullie die geloven, verbied het goede dat Allah jullie heeft toegestaan niet, en overtreed niet. Voorwaar, Allah houdt niet van de overtreders.

وَكُلُوا مِمَّا رَزَقَكُمُ اللَّهُ حَلَالًا طَيِّبًا ۚ وَاتَّقُوا اللَّهَ الَّذِي أَنتُم بِهِ مُؤْمِنُونَ 88

En eet van datgene waarmee Allah jullie heeft voorzien, en dat wat toegestaan en goed is. En vrees Allah, Degene in Wie jullie geloven.

لَا يُؤَاخِذُكُمُ اللَّهُ بِاللَّغْوِ فِي أَيْمَانِكُمْ وَلَٰكِن يُؤَاخِذُكُم بِمَا عَقَّدتُّمُ الْأَيْمَانَ ۖ فَكَفَّارَتُهُ إِطْعَامُ عَشَرَةِ مَسَاكِينَ مِنْ أَوْسَطِ مَا تُطْعِمُونَ أَهْلِيكُمْ أَوْ كِسْوَتُهُمْ أَوْ تَحْرِيرُ رَقَبَةٍ ۖ فَمَن لَّمْ يَجِدْ فَصِيَامُ ثَلَاثَةِ أَيَّامٍ ۚ ذَٰلِكَ كَفَّارَةُ أَيْمَانِكُمْ إِذَا حَلَفْتُمْ ۚ وَاحْفَظُوا أَيْمَانَكُمْ ۚ كَذَٰلِكَ يُبَيِّنُ اللَّهُ لَكُمْ آيَاتِهِ لَعَلَّكُمْ تَشْكُرُونَ 89

Allah zal jullie niet ter verantwoording roepen voor datgene wat jullie onbedoeld in jullie eden afleggen. Maar Hij zal jullie ter verantwoording roepen voor datgene wat jullie opzettelijk in jullie eden afleggen. Als boetedoening hiervoor dienen jullie tien behoeftigen te voeden, op een schaal van het gemiddelde waarmee jullie je eigen families voeden, of hen te kleden, of een slaaf vrij te kopen. Maar wie (dit) niet kan opbrengen, dient drie dagen te vasten. Dit is de boetedoening voor (het niet nakomen van) jullie eden wanneer jullie hebben gezworen, en waak over jullie eden. Zo maakt Allah Zijn Tekenen aan jullie duidelijk, opdat jullie dankbaar zullen zijn.

يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا إِنَّمَا الْخَمْرُ وَالْمَيْسِرُ وَالْأَنصَابُ وَالْأَزْلَامُ رِجْسٌ مِّنْ عَمَلِ الشَّيْطَانِ فَاجْتَنِبُوهُ لَعَلَّكُمْ تُفْلِحُونَ 90

O jullie die geloven, de alcoholhoudende dranken, het gokken, de afgodsbeelden en de pijlen zijn slechts onreinheden behorende tot het werk van de satan. Dus vermijd deze, opdat jullie succesvol zullen zijn.

إِنَّمَا يُرِيدُ الشَّيْطَانُ أَن يُوقِعَ بَيْنَكُمُ الْعَدَاوَةَ وَالْبَغْضَاءَ فِي الْخَمْرِ وَالْمَيْسِرِ وَيَصُدَّكُمْ عَن ذِكْرِ اللَّهِ وَعَنِ الصَّلَاةِ ۖ فَهَلْ أَنتُم مُّنتَهُونَ 91

De satan wil slechts vijandschap en haat tussen jullie veroorzaken door middel van de alcoholhoudende dranken en het gokken, en jullie afhouden van het gedenken van Allah en van het gebed. Zullen jullie er dan niet mee ophouden?

وَأَطِيعُوا اللَّهَ وَأَطِيعُوا الرَّسُولَ وَاحْذَرُوا ۚ فَإِن تَوَلَّيْتُمْ فَاعْلَمُوا أَنَّمَا عَلَىٰ رَسُولِنَا الْبَلَاغُ الْمُبِينُ 92

En gehoorzaam Allah, en gehoorzaam de Boodschapper, en wees op jullie hoede. Maar als jullie je afwenden, weet dan dat op Onze Boodschapper slechts (de plicht tot) de duidelijke verkondiging rust.

لَيْسَ عَلَى الَّذِينَ آمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ جُنَاحٌ فِيمَا طَعِمُوا إِذَا مَا اتَّقَوا وَّآمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ ثُمَّ اتَّقَوا وَّآمَنُوا ثُمَّ اتَّقَوا وَّأَحْسَنُوا ۗ وَاللَّهُ يُحِبُّ الْمُحْسِنِينَ 93

Degenen die geloven en goede daden verrichten, treft geen blaam voor datgene wat zij (in het verleden) hebben gegeten, indien zij (Allah) vrezen en geloven en goede daden verrichten. Vervolgens weer (Allah) vrezen en geloven en weer (Allah) vrezen en goed doen. En Allah houdt van de weldoeners.

يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا لَيَبْلُوَنَّكُمُ اللَّهُ بِشَيْءٍ مِّنَ الصَّيْدِ تَنَالُهُ أَيْدِيكُمْ وَرِمَاحُكُمْ لِيَعْلَمَ اللَّهُ مَن يَخَافُهُ بِالْغَيْبِ ۚ فَمَنِ اعْتَدَىٰ بَعْدَ ذَٰلِكَ فَلَهُ عَذَابٌ أَلِيمٌ 94

O jullie die geloven, Allah zal jullie zeker beproeven met iets van het wild dat binnen jullie handbereik ligt en (binnen het bereik van) jullie speren, opdat Allah degene beproeft die Hem vreest in het verborgene (d.w.z. zonder Hem te zien). En wie dan daarna nog een overtreding begaat, voor hem is er een pijnlijke Bestraffing.

يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا لَا تَقْتُلُوا الصَّيْدَ وَأَنتُمْ حُرُمٌ ۚ وَمَن قَتَلَهُ مِنكُم مُّتَعَمِّدًا فَجَزَاءٌ مِّثْلُ مَا قَتَلَ مِنَ النَّعَمِ يَحْكُمُ بِهِ ذَوَا عَدْلٍ مِّنكُمْ هَدْيًا بَالِغَ الْكَعْبَةِ أَوْ كَفَّارَةٌ طَعَامُ مَسَاكِينَ أَوْ عَدْلُ ذَٰلِكَ صِيَامًا لِّيَذُوقَ وَبَالَ أَمْرِهِ ۗ عَفَا اللَّهُ عَمَّا سَلَفَ ۚ وَمَنْ عَادَ فَيَنتَقِمُ اللَّهُ مِنْهُ ۗ وَاللَّهُ عَزِيزٌ ذُو انتِقَامٍ 95

O jullie die geloven, dood geen wild, terwijl jullie je in de gewijde staat bevinden. En wie van jullie het (wild) opzettelijk doodt; de boetedoening hiervoor is het offeren van een dier dat gelijk is aan datgene dat gedood is, en dat als offer naar de Kacbah te brengen, en waarover door twee rechtvaardige mannen onder jullie geoordeeld is. Of (men moet) als boetedoening de behoeftigen voeden of (het aantal dagen) wat hieraan gelijk is vasten, opdat hij de straf voor zijn daad proeft. Allah vergeeft wat zich (in het verleden) heeft voorgedaan. En degene die terugkeert (naar de zonde), Allah zal wraak op hem nemen. En Allah is Almachtig, de Bezitter van Vergelding.

أُحِلَّ لَكُمْ صَيْدُ الْبَحْرِ وَطَعَامُهُ مَتَاعًا لَّكُمْ وَلِلسَّيَّارَةِ ۖ وَحُرِّمَ عَلَيْكُمْ صَيْدُ الْبَرِّ مَا دُمْتُمْ حُرُمًا ۗ وَاتَّقُوا اللَّهَ الَّذِي إِلَيْهِ تُحْشَرُونَ 96

Toegestaan voor jullie is het jagen op de zeedieren, en wat door de zee (aan vis) wordt aangespoeld, als een genieting voor julliezelf en voor de reizigers. En verboden voor jullie is het jagen op de landdieren, zolang jullie je in de gewijde staat bevinden. En vrees Allah, Degene tot Wie jullie verzameld zullen worden.

جَعَلَ اللَّهُ الْكَعْبَةَ الْبَيْتَ الْحَرَامَ قِيَامًا لِّلنَّاسِ وَالشَّهْرَ الْحَرَامَ وَالْهَدْيَ وَالْقَلَائِدَ ۚ ذَٰلِكَ لِتَعْلَمُوا أَنَّ اللَّهَ يَعْلَمُ مَا فِي السَّمَاوَاتِ وَمَا فِي الْأَرْضِ وَأَنَّ اللَّهَ بِكُلِّ شَيْءٍ عَلِيمٌ 97

Allah heeft de Kacbah, het gewijde Huis, als een steun voor de mensen gemaakt, en (hetzelfde geldt voor) de heilige maand en de offerdieren en degenen waarvan het lichaam omhangen is (met versieringen die bedoeld zijn als markering). Dit zodat jullie weten dat Allah op de hoogte is van datgene wat zich in de hemelen en datgene wat zich op de aarde bevindt en dat Allah op de hoogte is van alles.

اعْلَمُوا أَنَّ اللَّهَ شَدِيدُ الْعِقَابِ وَأَنَّ اللَّهَ غَفُورٌ رَّحِيمٌ 98

Weet dat Allah Hard in de bestraffing is en dat Allah Meest Vergevingsgezind, Meest Genadevol is.

مَّا عَلَى الرَّسُولِ إِلَّا الْبَلَاغُ ۗ وَاللَّهُ يَعْلَمُ مَا تُبْدُونَ وَمَا تَكْتُمُونَ 99

Op de Boodschapper rust slechts (de plicht tot) de verkondiging. En Allah weet wat jullie openlijk doen en wat jullie verborgen houden.

قُل لَّا يَسْتَوِي الْخَبِيثُ وَالطَّيِّبُ وَلَوْ أَعْجَبَكَ كَثْرَةُ الْخَبِيثِ ۚ فَاتَّقُوا اللَّهَ يَا أُولِي الْأَلْبَابِ لَعَلَّكُمْ تُفْلِحُونَ 100

Zeg (o Mohammed): “Het slechte is niet gelijk aan het goede, ook al behaagt de grote hoeveelheid van het slechte jou.” Dus vrees Allah, o bezitters van verstand, opdat jullie succesvol zullen zijn.

يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا لَا تَسْأَلُوا عَنْ أَشْيَاءَ إِن تُبْدَ لَكُمْ تَسُؤْكُمْ وَإِن تَسْأَلُوا عَنْهَا حِينَ يُنَزَّلُ الْقُرْآنُ تُبْدَ لَكُمْ عَفَا اللَّهُ عَنْهَا ۗ وَاللَّهُ غَفُورٌ حَلِيمٌ 101

O jullie die geloven, vraag niet naar zaken waardoor jullie belast worden wanneer deze duidelijk aan jullie worden gemaakt. En als jullie daarover vragen, tijdens het neerzenden van de Koran, (dan) zullen zij aan jullie duidelijk worden gemaakt. Allah heeft (jullie) dat vergeven. Allah is Meest Vergevingsgezind, Meest Verdraagzaam.

قَدْ سَأَلَهَا قَوْمٌ مِّن قَبْلِكُمْ ثُمَّ أَصْبَحُوا بِهَا كَافِرِينَ 102

Voorzeker, vóór jullie vroeg een volk daarnaar. Vervolgens verloochenden zij deze.

مَا جَعَلَ اللَّهُ مِن بَحِيرَةٍ وَلَا سَائِبَةٍ وَلَا وَصِيلَةٍ وَلَا حَامٍ ۙ وَلَٰكِنَّ الَّذِينَ كَفَرُوا يَفْتَرُونَ عَلَى اللَّهِ الْكَذِبَ ۖ وَأَكْثَرُهُمْ لَا يَعْقِلُونَ 103

Allah heeft geen (zaken) aangesteld zoals een Bahierah, een Saa’ibah, een Wasielah of een Haam. Maar degenen die niet geloven verzinnen leugens over Allah, en de meesten van hen denken niet na.

وَإِذَا قِيلَ لَهُمْ تَعَالَوْا إِلَىٰ مَا أَنزَلَ اللَّهُ وَإِلَى الرَّسُولِ قَالُوا حَسْبُنَا مَا وَجَدْنَا عَلَيْهِ آبَاءَنَا ۚ أَوَلَوْ كَانَ آبَاؤُهُمْ لَا يَعْلَمُونَ شَيْئًا وَلَا يَهْتَدُونَ 104

En wanneer er tegen hen wordt gezegd: “Kom tot datgene wat Allah heeft neergezonden en (kom) tot de Boodschapper”, zeggen zij: “Voor ons is datgene waarop wij onze voorvaderen aantroffen voldoende.” Zelfs als hun voorvaderen niets wisten en ook niet recht geleid waren?

يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا عَلَيْكُمْ أَنفُسَكُمْ ۖ لَا يَضُرُّكُم مَّن ضَلَّ إِذَا اهْتَدَيْتُمْ ۚ إِلَى اللَّهِ مَرْجِعُكُمْ جَمِيعًا فَيُنَبِّئُكُم بِمَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَ 105

O jullie die geloven, waak over julliezelf. Degene die afdwaalt, kan jullie geen schade berokkenen wanneer jullie de Leiding volgen. Tot Allah zullen jullie allen terugkeren en Hij zal jullie dan berichten over dat wat jullie hebben verricht.

يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا شَهَادَةُ بَيْنِكُمْ إِذَا حَضَرَ أَحَدَكُمُ الْمَوْتُ حِينَ الْوَصِيَّةِ اثْنَانِ ذَوَا عَدْلٍ مِّنكُمْ أَوْ آخَرَانِ مِنْ غَيْرِكُمْ إِنْ أَنتُمْ ضَرَبْتُمْ فِي الْأَرْضِ فَأَصَابَتْكُم مُّصِيبَةُ الْمَوْتِ ۚ تَحْبِسُونَهُمَا مِن بَعْدِ الصَّلَاةِ فَيُقْسِمَانِ بِاللَّهِ إِنِ ارْتَبْتُمْ لَا نَشْتَرِي بِهِ ثَمَنًا وَلَوْ كَانَ ذَا قُرْبَىٰ ۙ وَلَا نَكْتُمُ شَهَادَةَ اللَّهِ إِنَّا إِذًا لَّمِنَ الْآثِمِينَ 106

O jullie die geloven, stel getuigen tussen jullie aan wanneer de dood één van jullie bereikt en de tijd voor jullie is aangebroken om een testament op te maken; (neem dan) twee rechtvaardige getuigen uit jullie midden of twee anderen van buiten jullie, als jullie door het land trekken en de ramp van de dood jullie treft. Houd hen allebei vast na het gebed, (maar) als jullie twijfelen (over hun eerlijkheid), laat hen dan allebei zweren bij Allah (en zeggen): “Wij zullen het tegen geen (enkele) prijs inruilen, zelfs niet als het een bloedverwant betreft. En wij zullen de Getuigenis van Allah niet verbergen, waarlijk, anders zullen wij zeker tot de zondaren behoren.”

فَإِنْ عُثِرَ عَلَىٰ أَنَّهُمَا اسْتَحَقَّا إِثْمًا فَآخَرَانِ يَقُومَانِ مَقَامَهُمَا مِنَ الَّذِينَ اسْتَحَقَّ عَلَيْهِمُ الْأَوْلَيَانِ فَيُقْسِمَانِ بِاللَّهِ لَشَهَادَتُنَا أَحَقُّ مِن شَهَادَتِهِمَا وَمَا اعْتَدَيْنَا إِنَّا إِذًا لَّمِنَ الظَّالِمِينَ 107

Indien over deze twee ontdekt wordt dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan een zonde, laat dan twee anderen in hun plaats getuigen die meer verwant zijn aan degenen die recht hebben op een wettig deel. Laat hen dan allebei zweren bij Allah (en zeggen): “Onze getuigenis is waarachtiger dan de getuigenis van hen beiden en wij overtreden niet. Waarlijk, anders zullen wij zeker tot de onrechtplegers behoren.”

ذَٰلِكَ أَدْنَىٰ أَن يَأْتُوا بِالشَّهَادَةِ عَلَىٰ وَجْهِهَا أَوْ يَخَافُوا أَن تُرَدَّ أَيْمَانٌ بَعْدَ أَيْمَانِهِمْ ۗ وَاتَّقُوا اللَّهَ وَاسْمَعُوا ۗ وَاللَّهُ لَا يَهْدِي الْقَوْمَ الْفَاسِقِينَ 108

Het is beter dat zij de getuigenis afleggen conform haar ware inhoud of dat zij vrezen dat er (andere) eden aanvaard zullen worden na hun eden. En vrees Allah en luister. En Allah leidt het verdorven volk niet.

يَوْمَ يَجْمَعُ اللَّهُ الرُّسُلَ فَيَقُولُ مَاذَا أُجِبْتُمْ ۖ قَالُوا لَا عِلْمَ لَنَا ۖ إِنَّكَ أَنتَ عَلَّامُ الْغُيُوبِ 109

Op de Dag waarop Allah de Boodschappers zal verzamelen en (tegen hen) zal zeggen: “Wat was het antwoord dat jullie (van de mensen op jullie vermaning) hebben gekregen?” Zullen zij zeggen: “Wij hebben (hier) geen kennis (over). Waarlijk, Alleen U bent op de hoogte van het onwaarneembare.”

إِذْ قَالَ اللَّهُ يَا عِيسَى ابْنَ مَرْيَمَ اذْكُرْ نِعْمَتِي عَلَيْكَ وَعَلَىٰ وَالِدَتِكَ إِذْ أَيَّدتُّكَ بِرُوحِ الْقُدُسِ تُكَلِّمُ النَّاسَ فِي الْمَهْدِ وَكَهْلًا ۖ وَإِذْ عَلَّمْتُكَ الْكِتَابَ وَالْحِكْمَةَ وَالتَّوْرَاةَ وَالْإِنجِيلَ ۖ وَإِذْ تَخْلُقُ مِنَ الطِّينِ كَهَيْئَةِ الطَّيْرِ بِإِذْنِي فَتَنفُخُ فِيهَا فَتَكُونُ طَيْرًا بِإِذْنِي ۖ وَتُبْرِئُ الْأَكْمَهَ وَالْأَبْرَصَ بِإِذْنِي ۖ وَإِذْ تُخْرِجُ الْمَوْتَىٰ بِإِذْنِي ۖ وَإِذْ كَفَفْتُ بَنِي إِسْرَائِيلَ عَنكَ إِذْ جِئْتَهُم بِالْبَيِّنَاتِ فَقَالَ الَّذِينَ كَفَرُوا مِنْهُمْ إِنْ هَٰذَا إِلَّا سِحْرٌ مُّبِينٌ 110

(Gedenk) wanneer Allah zal zeggen: “O cIesa, zoon van Maryam, gedenk Mijn Gunst aan jou en aan jouw moeder toen Ik jou ondersteunde met Roeh ul-Qoedoes (Gabriël), zodat jij vanuit de wieg en op een oudere leeftijd tot de mensen sprak. En (gedenk) toen Ik jou het Boek, de Wijsheid, de Thora en het Evangelie onderwees. En toen jij met Mijn Toestemming uit klei iets maakte dat op een vogel leek en er vervolgens in blies. Hierna werd het met Mijn Toestemming een (echte) vogel. En jij genas met Mijn Toestemming de blinden en degenen die aan vitiligo leden. En (gedenk) toen jij met Mijn Toestemming de doden tot leven bracht. En toen Ik de kinderen van Israël van jou afhield (toen zij besloten om jou te doden), nadat jij met de duidelijke bewijzen tot hen kwam. En degenen onder hen die niet geloofden zeiden: “Dit is niets anders dan duidelijke tovenarij.”

وَإِذْ أَوْحَيْتُ إِلَى الْحَوَارِيِّينَ أَنْ آمِنُوا بِي وَبِرَسُولِي قَالُوا آمَنَّا وَاشْهَدْ بِأَنَّنَا مُسْلِمُونَ 111

En toen Ik aan de Hawaariyyoen (d.w.z. de discipelen van cIesa) openbaarde om in Mij en in Mijn Boodschapper te geloven, zeiden zij: “Wij geloven, en getuig (o Allah) dat wij zeker moslims zijn.”

إِذْ قَالَ الْحَوَارِيُّونَ يَا عِيسَى ابْنَ مَرْيَمَ هَلْ يَسْتَطِيعُ رَبُّكَ أَن يُنَزِّلَ عَلَيْنَا مَائِدَةً مِّنَ السَّمَاءِ ۖ قَالَ اتَّقُوا اللَّهَ إِن كُنتُم مُّؤْمِنِينَ 112

(Gedenk) toen de Hawaariyyoen zeiden: “O cIesa, zoon van Maryam, is jouw Heer in staat om een tafel (gedekt met eten) vanuit de hemel aan ons neer te zenden?” Hij (cIesa) zei: “Vrees Allah, als jullie gelovigen zijn.”

قَالُوا نُرِيدُ أَن نَّأْكُلَ مِنْهَا وَتَطْمَئِنَّ قُلُوبُنَا وَنَعْلَمَ أَن قَدْ صَدَقْتَنَا وَنَكُونَ عَلَيْهَا مِنَ الشَّاهِدِينَ 113

Zij zeiden: “Wij willen daarvan eten en onze harten daarmee tot rust brengen en wij willen weten of jij ons zeker de Waarheid hebt verteld en dan behoren wij tot degenen die daarvan getuigen.”

قَالَ عِيسَى ابْنُ مَرْيَمَ اللَّهُمَّ رَبَّنَا أَنزِلْ عَلَيْنَا مَائِدَةً مِّنَ السَّمَاءِ تَكُونُ لَنَا عِيدًا لِّأَوَّلِنَا وَآخِرِنَا وَآيَةً مِّنكَ ۖ وَارْزُقْنَا وَأَنتَ خَيْرُ الرَّازِقِينَ 114

cIesa, de zoon van Maryam, zei: “O Allah, onze Heer, zend ons een tafel (gedekt met eten) vanuit de hemel neer, als een feest voor de eerste en de laatste van ons, en als een teken van U. En voorzie ons en U bent de Beste onder de voorzieners.”

قَالَ اللَّهُ إِنِّي مُنَزِّلُهَا عَلَيْكُمْ ۖ فَمَن يَكْفُرْ بَعْدُ مِنكُمْ فَإِنِّي أُعَذِّبُهُ عَذَابًا لَّا أُعَذِّبُهُ أَحَدًا مِّنَ الْعَالَمِينَ 115

Allah zei: “Voorwaar, Ik zal het (d.w.z. de tafel) aan jullie neerzenden. (Maar) wie van jullie daarna ongelovig is, waarlijk, diegene zal Ik bestraffen met een Straf waarmee Ik nog nooit iemand van de werelden heb bestraft.”

وَإِذْ قَالَ اللَّهُ يَا عِيسَى ابْنَ مَرْيَمَ أَأَنتَ قُلْتَ لِلنَّاسِ اتَّخِذُونِي وَأُمِّيَ إِلَٰهَيْنِ مِن دُونِ اللَّهِ ۖ قَالَ سُبْحَانَكَ مَا يَكُونُ لِي أَنْ أَقُولَ مَا لَيْسَ لِي بِحَقٍّ ۚ إِن كُنتُ قُلْتُهُ فَقَدْ عَلِمْتَهُ ۚ تَعْلَمُ مَا فِي نَفْسِي وَلَا أَعْلَمُ مَا فِي نَفْسِكَ ۚ إِنَّكَ أَنتَ عَلَّامُ الْغُيُوبِ 116

En (gedenk) wanneer Allah zal zeggen: “O cIesa, zoon van Maryam, heb jij tegen de mensen gezegd: “Neem mij en mijn moeder als twee goden (ter aanbidding) aan naast Allah?” Hij (cIesa) zal zeggen: “Verheven bent U. Het schikt mij niet om datgene te zeggen waar ik geen recht op heb. Als ik dat had gezegd, dan had U dat zeker geweten. U weet wat in mij (verborgen) is en ik weet niet wat in U (verborgen) is. Waarlijk, Alleen U bent op de hoogte van het onwaarneembare.

مَا قُلْتُ لَهُمْ إِلَّا مَا أَمَرْتَنِي بِهِ أَنِ اعْبُدُوا اللَّهَ رَبِّي وَرَبَّكُمْ ۚ وَكُنتُ عَلَيْهِمْ شَهِيدًا مَّا دُمْتُ فِيهِمْ ۖ فَلَمَّا تَوَفَّيْتَنِي كُنتَ أَنتَ الرَّقِيبَ عَلَيْهِمْ ۚ وَأَنتَ عَلَىٰ كُلِّ شَيْءٍ شَهِيدٌ 117

Ik heb hun niets anders gezegd dan dat wat U mij heeft bevolen (om te zeggen): “Aanbid Allah, mijn Heer en jullie Heer.” En ik was getuige van hen zolang ik onder hen verbleef, maar toen U mij wegnam, was U de Waker over hen. En U bent Getuige van alles.

إِن تُعَذِّبْهُمْ فَإِنَّهُمْ عِبَادُكَ ۖ وَإِن تَغْفِرْ لَهُمْ فَإِنَّكَ أَنتَ الْعَزِيزُ الْحَكِيمُ 118

Als U hen bestraft, waarlijk, zij zijn Uw dienaren. En als U hen vergeeft, voorwaar, U bent de Almachtige, de Alwijze.”

قَالَ اللَّهُ هَٰذَا يَوْمُ يَنفَعُ الصَّادِقِينَ صِدْقُهُمْ ۚ لَهُمْ جَنَّاتٌ تَجْرِي مِن تَحْتِهَا الْأَنْهَارُ خَالِدِينَ فِيهَا أَبَدًا ۚ رَّضِيَ اللَّهُ عَنْهُمْ وَرَضُوا عَنْهُ ۚ ذَٰلِكَ الْفَوْزُ الْعَظِيمُ 119

Allah zal zeggen: “Dit is een Dag waarop de waarachtigen baat zullen ondervinden van hun waarachtigheid. Voor hen zijn er Tuinen waaronder rivieren stromen, voor eeuwig en voor altijd (vertoeven zij) daarin. Allah is tevreden met hen, en zij zijn tevreden met Hem. Dat is de grandioze Overwinning.”

لِلَّهِ مُلْكُ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ وَمَا فِيهِنَّ ۚ وَهُوَ عَلَىٰ كُلِّ شَيْءٍ قَدِيرٌ 120

Aan Allah behoort het Koningschap van de hemelen en de aarde toe, en datgene wat zich daarin bevindt. En Hij is tot alles in staat.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Close