Soera 46 – Al-Ahqaf – De Zandduinen – الأحقاف

Deze soera in de nieuwe Koran omgeving lezen? Ja, graag
bismillah ir rahman ir rahim

حمٓ 1

Hā Mīm.

تَنزِيلُ ٱلۡكِتَٰبِ مِنَ ٱللَّهِ ٱلۡعَزِيزِ ٱلۡحَكِيمِ 2

De openbaring van het Boek is van Allah, de Almachtige, de Alwijze.

مَا خَلَقۡنَا ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضَ وَمَا بَيۡنَهُمَآ إِلَّا بِٱلۡحَقِّ وَأَجَلٖ مُّسَمّٗىۚ وَٱلَّذِينَ كَفَرُواْ عَمَّآ أُنذِرُواْ مُعۡرِضُونَ 3

Wij hebben de hemelen en de aarde en alles wat daar tussen is niet anders dan in waarheid geschapen en voor een vastgestelde termijn. Maar de ongelovigen keren zich af van dat, waarvoor zij gewaarschuwd zijn.

قُلۡ أَرَءَيۡتُم مَّا تَدۡعُونَ مِن دُونِ ٱللَّهِ أَرُونِي مَاذَا خَلَقُواْ مِنَ ٱلۡأَرۡضِ أَمۡ لَهُمۡ شِرۡكٞ فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِۖ ٱئۡتُونِي بِكِتَٰبٖ مِّن قَبۡلِ هَٰذَآ أَوۡ أَثَٰرَةٖ مِّنۡ عِلۡمٍ إِن كُنتُمۡ صَٰدِقِينَ 4

Zeg (O Mohammed): “Wisten jullie wat jullie naast Allah aanriepen? Toon mij wat zij geschapen hebben van de aarde, of hebben zij soms een aandeel in de schepping van de hemelen? Breng mij een boek van vόόr deze (Koran) of een overblijfsel van kennis, als jullie waarachtig zijn.”

وَمَنۡ أَضَلُّ مِمَّن يَدۡعُواْ مِن دُونِ ٱللَّهِ مَن لَّا يَسۡتَجِيبُ لَهُۥٓ إِلَىٰ يَوۡمِ ٱلۡقِيَٰمَةِ وَهُمۡ عَن دُعَآئِهِمۡ غَٰفِلُونَ 5

En wie is er verder afgedwaald dan hij die naast Allah afgoden aanbidt die hem, tot de Dag der Opstanding, niet kunnen verhoren? En die zich (zelfs) niet bewust zijn van hun aanroepingen (tot hen).

وَإِذَا حُشِرَ ٱلنَّاسُ كَانُواْ لَهُمۡ أَعۡدَآءٗ وَكَانُواْ بِعِبَادَتِهِمۡ كَٰفِرِينَ 6

En als de mensheid verzameld is worden zij vijanden voor hen en zullen zij hun aanbidding ontkennen.

وَإِذَا تُتۡلَىٰ عَلَيۡهِمۡ ءَايَٰتُنَا بَيِّنَٰتٖ قَالَ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ لِلۡحَقِّ لَمَّا جَآءَهُمۡ هَٰذَا سِحۡرٞ مُّبِينٌ 7

En als Onze duidelijke Verzen aan hen" worden voorgedragen, dan zeggen de ongelovigen over de Waarheid als die tot hen komt: “Dit is duidelijke tovenarij!”

أَمۡ يَقُولُونَ ٱفۡتَرَىٰهُۖ قُلۡ إِنِ ٱفۡتَرَيۡتُهُۥ فَلَا تَمۡلِكُونَ لِي مِنَ ٱللَّهِ شَيۡـًٔاۖ هُوَ أَعۡلَمُ بِمَا تُفِيضُونَ فِيهِۚ كَفَىٰ بِهِۦ شَهِيدَۢا بَيۡنِي وَبَيۡنَكُمۡۖ وَهُوَ ٱلۡغَفُورُ ٱلرَّحِيمُ 8

Of zij zeggen: “Hij heeft het verzonnen.” Zeg: “Als ik het had verzonnen, dan zouden jullie geen enkele macht hebben om mij tegen Allah te beschermen. Hij weet het best wat jullie hierover tegen elkaar zeggen. Hij is als Getuige tussen jullie en mij voldoende! En Hij is de Vergevingsgezinde, de Barmhartige.”

قُلۡ مَا كُنتُ بِدۡعٗا مِّنَ ٱلرُّسُلِ وَمَآ أَدۡرِي مَا يُفۡعَلُ بِي وَلَا بِكُمۡۖ إِنۡ أَتَّبِعُ إِلَّا مَا يُوحَىٰٓ إِلَيَّ وَمَآ أَنَا۠ إِلَّا نَذِيرٞ مُّبِينٞ 9

Zeg: “Ik ben geen nieuwe Boodschapper. Noch weet ik wat er met mij of jullie zal gebeuren. Ik volg slechts wat aan mij geopenbaard is, en ik ben niets anders dan een duidelijke waarschuwer.”

قُلۡ أَرَءَيۡتُمۡ إِن كَانَ مِنۡ عِندِ ٱللَّهِ وَكَفَرۡتُم بِهِۦ وَشَهِدَ شَاهِدٞ مِّنۢ بَنِيٓ إِسۡرَـٰٓءِيلَ عَلَىٰ مِثۡلِهِۦ فَـَٔامَنَ وَٱسۡتَكۡبَرۡتُمۡۚ إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَهۡدِي ٱلۡقَوۡمَ ٱلظَّـٰلِمِينَ 10

Zeg: “Vertel mij! Als dit van Allah is, en jullie ontkennen het, terwijl er een getuige van de Kinderen van Israël verklaart dat deze Koran van Allah is, dus hij geloofde terwijl jullie te trots zijn.” Waarlijk! Allah leidt het onrechtvaardige volk niet.

وَقَالَ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ لِلَّذِينَ ءَامَنُواْ لَوۡ كَانَ خَيۡرٗا مَّا سَبَقُونَآ إِلَيۡهِۚ وَإِذۡ لَمۡ يَهۡتَدُواْ بِهِۦ فَسَيَقُولُونَ هَٰذَآ إِفۡكٞ قَدِيمٞ 11

En degenen die ongelovig zijn zeggen tegen degenen die geloven: “Als het iets goeds was, dan zouden zij ons niet voorgaan daarin (te geloven).” En omdat zij zich er niet door laten leiden, zullen zij zeggen: “Dit is een oude leugen!”

وَمِن قَبۡلِهِۦ كِتَٰبُ مُوسَىٰٓ إِمَامٗا وَرَحۡمَةٗۚ وَهَٰذَا كِتَٰبٞ مُّصَدِّقٞ لِّسَانًا عَرَبِيّٗا لِّيُنذِرَ ٱلَّذِينَ ظَلَمُواْ وَبُشۡرَىٰ لِلۡمُحۡسِنِينَ 12

En ervόόr was het Boek van Mozes als een leiding en een Genade. En dit Boek bevestigt (het) in de Arabische taal, om degenen die zondigen te waarschuwen en om goede berichten te brengen aan de weldoeners.

إِنَّ ٱلَّذِينَ قَالُواْ رَبُّنَا ٱللَّهُ ثُمَّ ٱسۡتَقَٰمُواْ فَلَا خَوۡفٌ عَلَيۡهِمۡ وَلَا هُمۡ يَحۡزَنُونَ 13

Waarlijk, degenen die zeggen: “Onze Heer is Allah,” en die vervolgens standvastig zijn: voor hen zal er geen angst zijn, noch zullen zij bedroefd zijn.

أُوْلَـٰٓئِكَ أَصۡحَٰبُ ٱلۡجَنَّةِ خَٰلِدِينَ فِيهَا جَزَآءَۢ بِمَا كَانُواْ يَعۡمَلُونَ 14

Zij zijn de bewoners van het Paradijs, daarin zijn zij eeuwig levenden, als een beloning voor wat zij plachten te doen.

وَوَصَّيۡنَا ٱلۡإِنسَٰنَ بِوَٰلِدَيۡهِ إِحۡسَٰنًاۖ حَمَلَتۡهُ أُمُّهُۥ كُرۡهٗا وَوَضَعَتۡهُ كُرۡهٗاۖ وَحَمۡلُهُۥ وَفِصَٰلُهُۥ ثَلَٰثُونَ شَهۡرًاۚ حَتَّىٰٓ إِذَا بَلَغَ أَشُدَّهُۥ وَبَلَغَ أَرۡبَعِينَ سَنَةٗ قَالَ رَبِّ أَوۡزِعۡنِيٓ أَنۡ أَشۡكُرَ نِعۡمَتَكَ ٱلَّتِيٓ أَنۡعَمۡتَ عَلَيَّ وَعَلَىٰ وَٰلِدَيَّ وَأَنۡ أَعۡمَلَ صَٰلِحٗا تَرۡضَىٰهُ وَأَصۡلِحۡ لِي فِي ذُرِّيَّتِيٓۖ إِنِّي تُبۡتُ إِلَيۡكَ وَإِنِّي مِنَ ٱلۡمُسۡلِمِينَ 15

En Wij hebben de mens goedheid tegenover zijn ouders bevolen. Zijn moeder heeft hem met moeite gedragen en hem met moeite gebaard. De zwangerschap en (de tijd van) het zogen van hem is dertig maanden, zodat wanneer hij de volwassenheid bereikt, en hij de leeftijd van veertig jaar bereikt, hij zegt: “Mijn Heer! Geef mij de kracht en de mogelijkheid om dankbaar te zijn voor Uw genietingen die U mij en mijn ouders heeft gegeven, opdat ik goede daden mag verrichten die U genoegen doen en maak mijn nageslacht rechtschapen. Waarlijk, ik toon U mijn berouw, (want) ik behoor tot de moslims.”

أُوْلَـٰٓئِكَ ٱلَّذِينَ نَتَقَبَّلُ عَنۡهُمۡ أَحۡسَنَ مَا عَمِلُواْ وَنَتَجَاوَزُ عَن سَيِّـَٔاتِهِمۡ فِيٓ أَصۡحَٰبِ ٱلۡجَنَّةِۖ وَعۡدَ ٱلصِّدۡقِ ٱلَّذِي كَانُواْ يُوعَدُونَ 16

Zij zijn degenen van wie Wij het beste aanvaarden van wat zij verrichten, en Wij wissen hun slechte daden uit. (Zij zijn) tezamen met de bewoners van het Paradijs, als een ware belofte die hun is gedaan.

وَٱلَّذِي قَالَ لِوَٰلِدَيۡهِ أُفّٖ لَّكُمَآ أَتَعِدَانِنِيٓ أَنۡ أُخۡرَجَ وَقَدۡ خَلَتِ ٱلۡقُرُونُ مِن قَبۡلِي وَهُمَا يَسۡتَغِيثَانِ ٱللَّهَ وَيۡلَكَ ءَامِنۡ إِنَّ وَعۡدَ ٱللَّهِ حَقّٞ فَيَقُولُ مَا هَٰذَآ إِلَّآ أَسَٰطِيرُ ٱلۡأَوَّلِينَ 17

Maar degene die tegen zijn ouders zegt: “Foei jullie! Waarschuwen jullie mij dat ik opgewekt zal worden, terwijl de generaties voor mij overleden zijn (en er nog niet een is opgestaan uit zijn graf).” Dan roepen zij (de ouders) Allah aan voor hulp (en zeggen tegen hun kind): “Wee voor jouw Geloof! Waarlijk, de belofte van Allah is waar.” Maar hij zegt: “Dit zijn niet anders dan verhalen van de vroegeren.”

أُوْلَـٰٓئِكَ ٱلَّذِينَ حَقَّ عَلَيۡهِمُ ٱلۡقَوۡلُ فِيٓ أُمَمٖ قَدۡ خَلَتۡ مِن قَبۡلِهِم مِّنَ ٱلۡجِنِّ وَٱلۡإِنسِۖ إِنَّهُمۡ كَانُواْ خَٰسِرِينَ 18

Zij zijn degenen over wie het woord (van bestraffing) bewaarheid zal worden onder de voorafgaande generaties van Djinn en mensen. Waarlijk! Zij waren verliezers.

وَلِكُلّٖ دَرَجَٰتٞ مِّمَّا عَمِلُواْۖ وَلِيُوَفِّيَهُمۡ أَعۡمَٰلَهُمۡ وَهُمۡ لَا يُظۡلَمُونَ 19

En voor allen (gelovig of ongelovig) zullen er gradaties zijn (in de hemel of de hel), in overeenstemming met hun daden. Opdat (Allah) hen volledig voor hun daden zal vergelden. Zonder dat hen daarbij onrecht wordt aangedaan.

وَيَوۡمَ يُعۡرَضُ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ عَلَى ٱلنَّارِ أَذۡهَبۡتُمۡ طَيِّبَٰتِكُمۡ فِي حَيَاتِكُمُ ٱلدُّنۡيَا وَٱسۡتَمۡتَعۡتُم بِهَا فَٱلۡيَوۡمَ تُجۡزَوۡنَ عَذَابَ ٱلۡهُونِ بِمَا كُنتُمۡ تَسۡتَكۡبِرُونَ فِي ٱلۡأَرۡضِ بِغَيۡرِ ٱلۡحَقِّ وَبِمَا كُنتُمۡ تَفۡسُقُونَ 20

De Dag waarop zij die ongelovig waren, aan het Vuur zullen blootgesteld worden. (Hun zal gezegd worden): “Jullie verbruikten jullie goede dingen tijdens jullie wereldse leven en jullie hebben ervan genoten! Op deze dag zullen jullie vergolden worden met een vernederende bestraffing want jullie liepen onterecht hoogmoedig over het land en (daarenboven) leefden jullie in zonde en losbandigheid.”

۞وَٱذۡكُرۡ أَخَا عَادٍ إِذۡ أَنذَرَ قَوۡمَهُۥ بِٱلۡأَحۡقَافِ وَقَدۡ خَلَتِ ٱلنُّذُرُ مِنۢ بَيۡنِ يَدَيۡهِ وَمِنۡ خَلۡفِهِۦٓ أَلَّا تَعۡبُدُوٓاْ إِلَّا ٱللَّهَ إِنِّيٓ أَخَافُ عَلَيۡكُمۡ عَذَابَ يَوۡمٍ عَظِيمٖ 21

En gedenk de broeder van ‘Ad (Profeet Hoed), toen hij zijn volk in de zandduinen in het zuidelijke gedeelte van het Arabisch Schiereiland waarschuwde. En zeker, vόόr hen en na hen zijn waarschuwers overleden (zeggende): “Aanbidt niemand anders dan Allah; waarlijk, ik vrees voor jullie de bestraffing van de machtige Dag.”

قَالُوٓاْ أَجِئۡتَنَا لِتَأۡفِكَنَا عَنۡ ءَالِهَتِنَا فَأۡتِنَا بِمَا تَعِدُنَآ إِن كُنتَ مِنَ ٱلصَّـٰدِقِينَ 22

Zij zeiden: “Ben jij tot ons gekomen om ons van onze goden te laten afkeren? Breng ons dan datgene waarmee je ons bedreigt, als je één van de waarachtigen bent!”

قَالَ إِنَّمَا ٱلۡعِلۡمُ عِندَ ٱللَّهِ وَأُبَلِّغُكُم مَّآ أُرۡسِلۡتُ بِهِۦ وَلَٰكِنِّيٓ أَرَىٰكُمۡ قَوۡمٗا تَجۡهَلُونَ 23

Hij zei: “De kennis is alleen bij Allah, en ik verkondig jullie datgene waarmee ik gestuurd ben, maar ik zie dat jullie een volk zijn dat onwetend is.”

فَلَمَّا رَأَوۡهُ عَارِضٗا مُّسۡتَقۡبِلَ أَوۡدِيَتِهِمۡ قَالُواْ هَٰذَا عَارِضٞ مُّمۡطِرُنَاۚ بَلۡ هُوَ مَا ٱسۡتَعۡجَلۡتُم بِهِۦۖ رِيحٞ فِيهَا عَذَابٌ أَلِيمٞ 24

Toen zij (de bestraffing) als een wolk zagen die naar hun valleien kwam, zeiden zij: “Dit is een wolk die regen brengt!” Nee, integendeel, het is juist (de bestraffing) waarvan jullie de bespoediging vroegen, een wind met daarin een pijnlijke bestraffing!

تُدَمِّرُ كُلَّ شَيۡءِۭ بِأَمۡرِ رَبِّهَا فَأَصۡبَحُواْ لَا يُرَىٰٓ إِلَّا مَسَٰكِنُهُمۡۚ كَذَٰلِكَ نَجۡزِي ٱلۡقَوۡمَ ٱلۡمُجۡرِمِينَ 25

Alles vernietigend op bevel van haar Heer! Zo was er niets meer van hun zichtbaar, behalve de ruines van hun woningen. Zo vergelden Wij het volk van misdadigers.

وَلَقَدۡ مَكَّنَّـٰهُمۡ فِيمَآ إِن مَّكَّنَّـٰكُمۡ فِيهِ وَجَعَلۡنَا لَهُمۡ سَمۡعٗا وَأَبۡصَٰرٗا وَأَفۡـِٔدَةٗ فَمَآ أَغۡنَىٰ عَنۡهُمۡ سَمۡعُهُمۡ وَلَآ أَبۡصَٰرُهُمۡ وَلَآ أَفۡـِٔدَتُهُم مِّن شَيۡءٍ إِذۡ كَانُواْ يَجۡحَدُونَ بِـَٔايَٰتِ ٱللَّهِ وَحَاقَ بِهِم مَّا كَانُواْ بِهِۦ يَسۡتَهۡزِءُونَ 26

En voorwaar, Wij hadden hun zeker macht en welvaart gegeven die Wij jullie niet hebben gegeven! En Wij gaven hen de vermogens van het horen, en het zien en de harten. Maar hun oren en ogen en harten baatten hun niets omdat zij de Tekenen van Allah ontkenden. En zij waren volledig omringd door datgene wat zij plachten te bespotten!

وَلَقَدۡ أَهۡلَكۡنَا مَا حَوۡلَكُم مِّنَ ٱلۡقُرَىٰ وَصَرَّفۡنَا ٱلۡأٓيَٰتِ لَعَلَّهُمۡ يَرۡجِعُونَ 27

En voorwaar, Wij hebben de steden en jullie omgeving vernietigd. En Wij herhaalden de "Tekenen (van Onze macht). Hopelijk zullen zij terugkeren.

فَلَوۡلَا نَصَرَهُمُ ٱلَّذِينَ ٱتَّخَذُواْ مِن دُونِ ٱللَّهِ قُرۡبَانًا ءَالِهَةَۢۖ بَلۡ ضَلُّواْ عَنۡهُمۡۚ وَذَٰلِكَ إِفۡكُهُمۡ وَمَا كَانُواْ يَفۡتَرُونَ 28

Waarom hebben degenen die zij naast Allah als goden hebben aangenomen, als een manier (om Allah) te benaderen hen niet geholpen? Nee, maar zij zijn van hen verdwenen. En dat is hun leugen, en wat zij plachten te verzinnen.

وَإِذۡ صَرَفۡنَآ إِلَيۡكَ نَفَرٗا مِّنَ ٱلۡجِنِّ يَسۡتَمِعُونَ ٱلۡقُرۡءَانَ فَلَمَّا حَضَرُوهُ قَالُوٓاْ أَنصِتُواْۖ فَلَمَّا قُضِيَ وَلَّوۡاْ إِلَىٰ قَوۡمِهِم مُّنذِرِينَ 29

En (gedenk) toen Wij een aantal (zeven of negen) Djinn (vanuit Jemen) in jouw richting stuurden om naar de Koran te luisteren. Toen zij daarbij aanwezig waren (bij de fadjr-recitatie van Mohammed) zeiden zij: “Luister aandachtig!” Na afloop keerden zij (vervuld met vrees voor de bestraffing) terug als waarschuwers voor hun (Joodse) volk.

قَالُواْ يَٰقَوۡمَنَآ إِنَّا سَمِعۡنَا كِتَٰبًا أُنزِلَ مِنۢ بَعۡدِ مُوسَىٰ مُصَدِّقٗا لِّمَا بَيۡنَ يَدَيۡهِ يَهۡدِيٓ إِلَى ٱلۡحَقِّ وَإِلَىٰ طَرِيقٖ مُّسۡتَقِيمٖ 30

Zij zeiden: “O volk van ons! Waarlijk, wij hebben over een Boek (de Koran) gehoord dat ná (de Thora van) Mozes is neergedaald, ter bevestiging van wat daarvόόr was. Het leidt naar de Waarheid (van de islam) en naar het rechte Pad.

يَٰقَوۡمَنَآ أَجِيبُواْ دَاعِيَ ٱللَّهِ وَءَامِنُواْ بِهِۦ يَغۡفِرۡ لَكُم مِّن ذُنُوبِكُمۡ وَيُجِرۡكُم مِّنۡ عَذَابٍ أَلِيمٖ 31

O volk van ons! Geef gehoor aan Allah’s oproeper (Mohammed) en geloof in hem, dan zal Hij (Allah) jullie zonden vergeven en jullie van een pijnlijke bestraffing (in de Hel) redden.”

وَمَن لَّا يُجِبۡ دَاعِيَ ٱللَّهِ فَلَيۡسَ بِمُعۡجِزٖ فِي ٱلۡأَرۡضِ وَلَيۡسَ لَهُۥ مِن دُونِهِۦٓ أَوۡلِيَآءُۚ أُوْلَـٰٓئِكَ فِي ضَلَٰلٖ مُّبِينٍ 32

(Maar) zij die geen gehoor geven aan Allah’s oproeper, zullen niet in staat zijn om op aarde (of elders aan Hem) te ontsnappen, noch zullen er (buiten Hem) awliyaa` (heren, helpers, beschermers, of steun en toeverlaat) zijn (tegen Allah’s bestraffing). Dat zijn degenen die in een duidelijke dwaling verkeren.

أَوَلَمۡ يَرَوۡاْ أَنَّ ٱللَّهَ ٱلَّذِي خَلَقَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضَ وَلَمۡ يَعۡيَ بِخَلۡقِهِنَّ بِقَٰدِرٍ عَلَىٰٓ أَن يُحۡـِۧيَ ٱلۡمَوۡتَىٰۚ بَلَىٰٓۚ إِنَّهُۥ عَلَىٰ كُلِّ شَيۡءٖ قَدِيرٞ 33

Zien zij dan niet dat Allah, Die de hemelen en de aarde geschapen heeft en door hun schepping niet moe geworden is, in staat is om het dode tot leven te brengen? Ja, Hij is zeker tot alle dingen in staat.

وَيَوۡمَ يُعۡرَضُ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ عَلَى ٱلنَّارِ أَلَيۡسَ هَٰذَا بِٱلۡحَقِّۖ قَالُواْ بَلَىٰ وَرَبِّنَاۚ قَالَ فَذُوقُواْ ٱلۡعَذَابَ بِمَا كُنتُمۡ تَكۡفُرُونَ 34

En (gedenk) de Dag dat degenen die ongelovig waren aan het Vuur worden blootgesteld (en tot hen gezegd wordt): “Is dit niet de Waarheid?” Zij zullen zeggen: “Ja, bij Onze Heer!” Hij zal zeggen: “Proef dan de bestraffing van het Vuur omdat jullie ongelovig waren!”

فَٱصۡبِرۡ كَمَا صَبَرَ أُوْلُواْ ٱلۡعَزۡمِ مِنَ ٱلرُّسُلِ وَلَا تَسۡتَعۡجِل لَّهُمۡۚ كَأَنَّهُمۡ يَوۡمَ يَرَوۡنَ مَا يُوعَدُونَ لَمۡ يَلۡبَثُوٓاْ إِلَّا سَاعَةٗ مِّن نَّهَارِۭۚ بَلَٰغٞۚ فَهَلۡ يُهۡلَكُ إِلَّا ٱلۡقَوۡمُ ٱلۡفَٰسِقُونَ 35

Wees daarom geduldig, zoals bezitters van standvastigheid onder de Boodschappers geduldig waren. En vraag niet om (de bestraffing) voor hen te bespoedigen. Op de dag dat zij (de ernst van de bestraffing) zien die hen was beloofd, (bekruipt hen het gevoel) dat ze niet langer dan een uur van de dag (op aarde) hebben doorgebracht. (Deze Koran is voldoende als) duidelijke boodschap. Er wordt dan (niemand) vernietigd behalve het volk dat verdorven is.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Close