Soera 43 – Az-Zukhruf – Pracht en Praal – الزّخرف

bismillah ir rahman ir rahim

حم 1

Haa-Miem.

وَالْكِتَابِ الْمُبِينِ 2

Bij het duidelijke Boek.

إِنَّا جَعَلْنَاهُ قُرْآنًا عَرَبِيًّا لَّعَلَّكُمْ تَعْقِلُونَ 3

Voorwaar, Wij hebben het (d.w.z. de Koran) tot een Arabische Koran gemaakt, opdat jullie zullen nadenken.

وَإِنَّهُ فِي أُمِّ الْكِتَابِ لَدَيْنَا لَعَلِيٌّ حَكِيمٌ 4

En waarlijk, het (d.w.z. de Koran) is bij Ons (opgenomen) in de Moeder van de Boeken (en het geniet bij Ons) zeker (een) verheven (status), (en het is) volmaakt.

أَفَنَضْرِبُ عَنكُمُ الذِّكْرَ صَفْحًا أَن كُنتُمْ قَوْمًا مُّسْرِفِينَ 5

Dachten jullie dat Wij het verloochenen van de Vermaning (d.w.z. van de Koran) door jullie ongestraft zouden laten, terwijl jullie een buitensporig volk zijn?

وَكَمْ أَرْسَلْنَا مِن نَّبِيٍّ فِي الْأَوَّلِينَ 6

En hoeveel Profeten hebben Wij gestuurd naar de eerdere gemeenschappen?

وَمَا يَأْتِيهِم مِّن نَّبِيٍّ إِلَّا كَانُوا بِهِ يَسْتَهْزِئُونَ 7

En er is geen Profeet tot hen gekomen, of zij dreven de spot met hem.

فَأَهْلَكْنَا أَشَدَّ مِنْهُم بَطْشًا وَمَضَىٰ مَثَلُ الْأَوَّلِينَ 8

Toen hebben Wij degenen vernietigd die erger waren dan zij in tirannie. En het voorbeeld (d.w.z. de bestraffing) van de eerdere gemeenschappen is reeds voorbijgegaan.

وَلَئِن سَأَلْتَهُم مَّنْ خَلَقَ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضَ لَيَقُولُنَّ خَلَقَهُنَّ الْعَزِيزُ الْعَلِيمُ 9

En als jij hun vraagt Wie de hemelen en de aarde heeft geschapen, dan zullen zij zeker zeggen: “De Almachtige, de Alwetende heeft ze geschapen.”

الَّذِي جَعَلَ لَكُمُ الْأَرْضَ مَهْدًا وَجَعَلَ لَكُمْ فِيهَا سُبُلًا لَّعَلَّكُمْ تَهْتَدُونَ 10

Degene Die de aarde tot een bedding voor jullie heeft gemaakt en daarin wegen voor jullie heeft gemaakt, opdat jullie geleid zullen worden.

وَالَّذِي نَزَّلَ مِنَ السَّمَاءِ مَاءً بِقَدَرٍ فَأَنشَرْنَا بِهِ بَلْدَةً مَّيْتًا ۚ كَذَٰلِكَ تُخْرَجُونَ 11

En Degene Die water vanuit de hemel neerzendt volgens een bepaalde maat. Vervolgens brengen Wij daarmee een droog land tot leven, (en) zo zullen jullie (ook) opgewekt worden (uit de dood).

وَالَّذِي خَلَقَ الْأَزْوَاجَ كُلَّهَا وَجَعَلَ لَكُم مِّنَ الْفُلْكِ وَالْأَنْعَامِ مَا تَرْكَبُونَ 12

En Degene Die alle paren heeft geschapen en voor jullie schepen heeft gemaakt (om op te varen) en vee om te berijden.

لِتَسْتَوُوا عَلَىٰ ظُهُورِهِ ثُمَّ تَذْكُرُوا نِعْمَةَ رَبِّكُمْ إِذَا اسْتَوَيْتُمْ عَلَيْهِ وَتَقُولُوا سُبْحَانَ الَّذِي سَخَّرَ لَنَا هَٰذَا وَمَا كُنَّا لَهُ مُقْرِنِينَ 13

Zodat jullie plaats kunnen nemen op hun ruggen en vervolgens de Gunst van jullie Heer (zullen) gedenken wanneer jullie daarop plaats hebben genomen. En (zodat jullie) zullen zeggen: “Verheven is Degene Die dit aan ons dienstbaar heeft gemaakt, en wij zouden dit (zelf) nooit aankunnen.

وَإِنَّا إِلَىٰ رَبِّنَا لَمُنقَلِبُونَ 14

En waarlijk, tot onze Heer keren wij zeker terug.”

وَجَعَلُوا لَهُ مِنْ عِبَادِهِ جُزْءًا ۚ إِنَّ الْإِنسَانَ لَكَفُورٌ مُّبِينٌ 15

En zij hebben sommigen van Zijn dienaren tot een onderdeel van Hem gemaakt (door deelgenoten en kinderen aan Hem toe te schrijven). Voorwaar, de mens is zeker een duidelijke ondankbare (persoon).

أَمِ اتَّخَذَ مِمَّا يَخْلُقُ بَنَاتٍ وَأَصْفَاكُم بِالْبَنِينَ 16

Of heeft Hij voor Zichzelf dochters genomen uit datgene wat Hij heeft geschapen en heeft Hij jullie bevoorrecht met zonen?

وَإِذَا بُشِّرَ أَحَدُهُم بِمَا ضَرَبَ لِلرَّحْمَٰنِ مَثَلًا ظَلَّ وَجْهُهُ مُسْوَدًّا وَهُوَ كَظِيمٌ 17

En wanneer één van hen de verheugende tijding ontvangt van (de geboorte van) datgene (d.w.z. een meisje) wat hij als voorbeeld aan de Meest Barmhartige toeschreef, (dan) wordt zijn gezicht zwart(gallig) en is hij vervuld van verdriet.

أَوَمَن يُنَشَّأُ فِي الْحِلْيَةِ وَهُوَ فِي الْخِصَامِ غَيْرُ مُبِينٍ 18

Is (volgens jullie) degene (d.w.z. een meisje) die opgroeit met (het dragen van) sieraden en zich moeilijk kan uitdrukken tijdens de ruzie (een onderdeel van Allah)?

وَجَعَلُوا الْمَلَائِكَةَ الَّذِينَ هُمْ عِبَادُ الرَّحْمَٰنِ إِنَاثًا ۚ أَشَهِدُوا خَلْقَهُمْ ۚ سَتُكْتَبُ شَهَادَتُهُمْ وَيُسْأَلُونَ 19

En zij hebben de Engelen, die dienaren zijn van de Meest Barmhartige, tot vrouwen gemaakt. Waren zij (dan) getuigen van hun schepping? Hun getuigenis zal (zeker) genoteerd worden en zij zullen (hierover) ondervraagd worden.

وَقَالُوا لَوْ شَاءَ الرَّحْمَٰنُ مَا عَبَدْنَاهُم ۗ مَّا لَهُم بِذَٰلِكَ مِنْ عِلْمٍ ۖ إِنْ هُمْ إِلَّا يَخْرُصُونَ 20

En zij zeiden: “Als de Meest Barmhartige het had gewild, dan hadden wij hen (d.w.z. de valse goden) niet aanbeden.” Zij hebben daar geen kennis over. Zij vertellen niets anders dan leugens.

أَمْ آتَيْنَاهُمْ كِتَابًا مِّن قَبْلِهِ فَهُم بِهِ مُسْتَمْسِكُونَ 21

Of hebben Wij hun hiervóór (d.w.z. vóór de Koran) een Boek gegeven waaraan zij zich vasthouden?

بَلْ قَالُوا إِنَّا وَجَدْنَا آبَاءَنَا عَلَىٰ أُمَّةٍ وَإِنَّا عَلَىٰ آثَارِهِم مُّهْتَدُونَ 22

Welnee! Zij zeggen: “Voorwaar, wij troffen onze voorvaderen op een godsdienst aan, en waarlijk, wij zullen hun voetsporen volgen.”

وَكَذَٰلِكَ مَا أَرْسَلْنَا مِن قَبْلِكَ فِي قَرْيَةٍ مِّن نَّذِيرٍ إِلَّا قَالَ مُتْرَفُوهَا إِنَّا وَجَدْنَا آبَاءَنَا عَلَىٰ أُمَّةٍ وَإِنَّا عَلَىٰ آثَارِهِم مُّقْتَدُونَ 23

En zo hebben Wij vóór jou (o Mohammed) geen waarschuwer naar (de inwoners van) een stad gestuurd, of degenen die onder hen de (wereldse) gunsten volgden, zeiden: “Waarlijk, wij troffen onze voorvaderen aan op een godsdienst. En waarlijk, wij zullen zeker in hun voetsporen treden.”

قَالَ أَوَلَوْ جِئْتُكُم بِأَهْدَىٰ مِمَّا وَجَدتُّمْ عَلَيْهِ آبَاءَكُمْ ۖ قَالُوا إِنَّا بِمَا أُرْسِلْتُم بِهِ كَافِرُونَ 24

Hij (Mohammed) zei: “Zelfs als ik met een betere Leiding naar jullie kom dan datgene waarop jullie je voorvaderen aantroffen?” Zij zeiden: “Voorwaar, wij geloven niet in datgene waarmee jullie zijn gestuurd.”

فَانتَقَمْنَا مِنْهُمْ ۖ فَانظُرْ كَيْفَ كَانَ عَاقِبَةُ الْمُكَذِّبِينَ 25

Dus namen Wij wraak op hen. Zie dan hoe het einde was van de verloochenaars.

وَإِذْ قَالَ إِبْرَاهِيمُ لِأَبِيهِ وَقَوْمِهِ إِنَّنِي بَرَاءٌ مِّمَّا تَعْبُدُونَ 26

En (gedenk) toen Ibraahiem tegen zijn vader en zijn volk zei: “Voorwaar, ik distantieer mij van datgene wat jullie aanbidden.

إِلَّا الَّذِي فَطَرَنِي فَإِنَّهُ سَيَهْدِينِ 27

Behalve (van) Degene Die mij heeft geschapen. Waarlijk, Hij zal mij leiden.”

وَجَعَلَهَا كَلِمَةً بَاقِيَةً فِي عَقِبِهِ لَعَلَّهُمْ يَرْجِعُونَ 28

En hij maakte het (d.w.z. zijn uitspraak) tot een blijvend Woord onder zijn nakomelingen, opdat zij zullen terugkeren.

بَلْ مَتَّعْتُ هَٰؤُلَاءِ وَآبَاءَهُمْ حَتَّىٰ جَاءَهُمُ الْحَقُّ وَرَسُولٌ مُّبِينٌ 29

Nee! Ik (Allah) liet hen en hun voorvaderen genieten (in deze wereld), totdat de Waarheid (d.w.z. de Koran) en een duidelijke Boodschapper tot hen kwamen.

وَلَمَّا جَاءَهُمُ الْحَقُّ قَالُوا هَٰذَا سِحْرٌ وَإِنَّا بِهِ كَافِرُونَ 30

En toen de Waarheid tot hen kwam, zeiden zij (d.w.z. de ongelovigen): “Dit is tovenarij en waarlijk, wij geloven er niet in.”

وَقَالُوا لَوْلَا نُزِّلَ هَٰذَا الْقُرْآنُ عَلَىٰ رَجُلٍ مِّنَ الْقَرْيَتَيْنِ عَظِيمٍ 31

En zij zeiden: “Waarom is deze Koran niet neergezonden aan een geweldige man uit de twee steden?”

أَهُمْ يَقْسِمُونَ رَحْمَتَ رَبِّكَ ۚ نَحْنُ قَسَمْنَا بَيْنَهُم مَّعِيشَتَهُمْ فِي الْحَيَاةِ الدُّنْيَا ۚ وَرَفَعْنَا بَعْضَهُمْ فَوْقَ بَعْضٍ دَرَجَاتٍ لِّيَتَّخِذَ بَعْضُهُم بَعْضًا سُخْرِيًّا ۗ وَرَحْمَتُ رَبِّكَ خَيْرٌ مِّمَّا يَجْمَعُونَ 32

Zijn zij het die de Genade van jouw Heer verdelen? Wij hebben (juist) hun levensonderhoud tussen hen verdeeld in het wereldse leven. En Wij hebben sommigen van hen boven anderen in rang verheven, zodat zij elkaar kunnen dienen. En de Genade van jouw Heer is beter dan wat zij verzamelen (aan wereldse rijkdom).

وَلَوْلَا أَن يَكُونَ النَّاسُ أُمَّةً وَاحِدَةً لَّجَعَلْنَا لِمَن يَكْفُرُ بِالرَّحْمَٰنِ لِبُيُوتِهِمْ سُقُفًا مِّن فِضَّةٍ وَمَعَارِجَ عَلَيْهَا يَظْهَرُونَ 33

En als de mensen één gemeenschap waren (d.w.z. allemaal ongelovig waren), dan zouden Wij de huizen van degenen die niet in de Meest Barmhartige geloven zeker van zilveren daken voorzien en (van) trappen waarmee zij omhoog kunnen gaan.

وَلِبُيُوتِهِمْ أَبْوَابًا وَسُرُرًا عَلَيْهَا يَتَّكِئُونَ 34

En (Wij zouden) hun huizen (hebben voorzien) van (zilveren) deuren en ligstoelen waarop zij kunnen rusten.

وَزُخْرُفًا ۚ وَإِن كُلُّ ذَٰلِكَ لَمَّا مَتَاعُ الْحَيَاةِ الدُّنْيَا ۚ وَالْآخِرَةُ عِندَ رَبِّكَ لِلْمُتَّقِينَ 35

En (ook van) goud. En dit alles is slechts een genieting van het wereldse leven. En het Hiernamaals bij jouw Heer is (slechts bestemd) voor de godsvruchtigen.

وَمَن يَعْشُ عَن ذِكْرِ الرَّحْمَٰنِ نُقَيِّضْ لَهُ شَيْطَانًا فَهُوَ لَهُ قَرِينٌ 36

En wie zich afwendt van het gedenken van de Meest Barmhartige, aan hem zullen Wij een satan koppelen die een metgezel voor hem zal zijn (d.w.z. die hem zal doen afdwalen).

وَإِنَّهُمْ لَيَصُدُّونَهُمْ عَنِ السَّبِيلِ وَيَحْسَبُونَ أَنَّهُم مُّهْتَدُونَ 37

En voorwaar, zij (d.w.z. de satans) zullen hen zeker afhouden van de Weg (van Allah), terwijl zij (d.w.z. de ongelovigen) denken dat zij geleid zijn.

حَتَّىٰ إِذَا جَاءَنَا قَالَ يَا لَيْتَ بَيْنِي وَبَيْنَكَ بُعْدَ الْمَشْرِقَيْنِ فَبِئْسَ الْقَرِينُ 38

Totdat hij (d.w.z. de ongelovige) bij Ons komt, (en dan) zal hij (tegen zijn metgezel) zeggen: “Was de afstand tussen mij en jou (maar) net zoals de afstand tussen het oosten en het westen.” Wat een slechte metgezel (is de satan).

وَلَن يَنفَعَكُمُ الْيَوْمَ إِذ ظَّلَمْتُمْ أَنَّكُمْ فِي الْعَذَابِ مُشْتَرِكُونَ 39

Maar het zal jullie op deze Dag niet baten dat jullie de Bestraffing met elkaar delen, aangezien jullie onrecht hebben begaan.

أَفَأَنتَ تُسْمِعُ الصُّمَّ أَوْ تَهْدِي الْعُمْيَ وَمَن كَانَ فِي ضَلَالٍ مُّبِينٍ 40

Kun jij (o Mohammed) dan de doven laten horen, of kun jij de blinden leiden of degene (leiden) die in een duidelijke dwaling verkeert?

فَإِمَّا نَذْهَبَنَّ بِكَ فَإِنَّا مِنْهُم مُّنتَقِمُونَ 41

(En) zelfs als Wij jou (uit hun midden) wegnemen, dan zullen Wij waarlijk (alsnog) wraak op hen nemen.

أَوْ نُرِيَنَّكَ الَّذِي وَعَدْنَاهُمْ فَإِنَّا عَلَيْهِم مُّقْتَدِرُونَ 42

Of Wij laten jou (tijdens jouw leven) datgene zien dat Wij hun hebben beloofd (aan bestraffing). Voorwaar, Wij hebben de macht over hen.

فَاسْتَمْسِكْ بِالَّذِي أُوحِيَ إِلَيْكَ ۖ إِنَّكَ عَلَىٰ صِرَاطٍ مُّسْتَقِيمٍ 43

Houd daarom vast aan datgene wat aan jou (o Mohammed) is geopenbaard. Voorwaar, jij bevindt je op een recht Pad.

وَإِنَّهُ لَذِكْرٌ لَّكَ وَلِقَوْمِكَ ۖ وَسَوْفَ تُسْأَلُونَ 44

En voorwaar, dit (d.w.z. de Koran) is zeker een Eer voor jou (o Mohammed) en voor jouw volk, en jullie zullen (hierover) ondervraagd worden.

وَاسْأَلْ مَنْ أَرْسَلْنَا مِن قَبْلِكَ مِن رُّسُلِنَا أَجَعَلْنَا مِن دُونِ الرَّحْمَٰنِ آلِهَةً يُعْبَدُونَ 45

En vraag (o Mohammed) degenen onder Onze Boodschappers die Wij vóór jou hebben gestuurd (d.w.z. raadpleeg hun boeken) of Wij (andere) goden naast de Meest Barmhartige hebben aangesteld om te aanbidden.

وَلَقَدْ أَرْسَلْنَا مُوسَىٰ بِآيَاتِنَا إِلَىٰ فِرْعَوْنَ وَمَلَئِهِ فَقَالَ إِنِّي رَسُولُ رَبِّ الْعَالَمِينَ 46

En voorzeker, Wij stuurden Moesa met Onze Tekenen naar de farao en zijn vooraanstaanden. Hij (Moesa) zei: “Voorwaar, ik ben een Boodschapper van de Heer van de werelden.”

فَلَمَّا جَاءَهُم بِآيَاتِنَا إِذَا هُم مِّنْهَا يَضْحَكُونَ 47

Toen hij (Moesa) vervolgens met Onze Tekenen tot hen kwam, lachten zij hierom.

وَمَا نُرِيهِم مِّنْ آيَةٍ إِلَّا هِيَ أَكْبَرُ مِنْ أُخْتِهَا ۖ وَأَخَذْنَاهُم بِالْعَذَابِ لَعَلَّهُمْ يَرْجِعُونَ 48

En Wij lieten hun geen teken zien of het was groter dan het vorige (teken). En Wij troffen hen met de bestraffing, opdat zij zullen terugkeren (naar de ware godsdienst).

وَقَالُوا يَا أَيُّهَ السَّاحِرُ ادْعُ لَنَا رَبَّكَ بِمَا عَهِدَ عِندَكَ إِنَّنَا لَمُهْتَدُونَ 49

En zij zeiden (tegen Moesa): “O tovenaar, roep jouw Heer voor ons aan vanwege Zijn Belofte aan jou. Voorwaar, wij zullen (dan) zeker geleid worden.”

فَلَمَّا كَشَفْنَا عَنْهُمُ الْعَذَابَ إِذَا هُمْ يَنكُثُونَ 50

Maar toen Wij de bestraffing van hen wegnamen, verbraken zij hun belofte.

وَنَادَىٰ فِرْعَوْنُ فِي قَوْمِهِ قَالَ يَا قَوْمِ أَلَيْسَ لِي مُلْكُ مِصْرَ وَهَٰذِهِ الْأَنْهَارُ تَجْرِي مِن تَحْتِي ۖ أَفَلَا تُبْصِرُونَ 51

En de farao riep naar zijn volk. Hij zei: “O mijn volk, behoren het koningschap van Egypte en deze rivieren die onder mij stromen niet aan mij toe? Zien jullie dan niet?

أَمْ أَنَا خَيْرٌ مِّنْ هَٰذَا الَّذِي هُوَ مَهِينٌ وَلَا يَكَادُ يُبِينُ 52

Ben ik niet beter dan deze (persoon) die vernederd is en (die) zich bijna niet kan uitdrukken?

فَلَوْلَا أُلْقِيَ عَلَيْهِ أَسْوِرَةٌ مِّن ذَهَبٍ أَوْ جَاءَ مَعَهُ الْمَلَائِكَةُ مُقْتَرِنِينَ 53

Waarom wordt hem dan geen gouden armband toegeworpen, of (waarom) komen de Engelen (niet) achtereenvolgend met hem mee (om voor hem te getuigen)?”

فَاسْتَخَفَّ قَوْمَهُ فَأَطَاعُوهُ ۚ إِنَّهُمْ كَانُوا قَوْمًا فَاسِقِينَ 54

(En) zo misleidde hij (d.w.z. de farao) zijn volk, waarna zij hem gehoorzaamden. Voorwaar, zij waren een verdorven volk.

فَلَمَّا آسَفُونَا انتَقَمْنَا مِنْهُمْ فَأَغْرَقْنَاهُمْ أَجْمَعِينَ 55

Dus toen zij Onze Woede opwekten, namen Wij wraak op hen, waarna Wij hen allen lieten verdrinken.

فَجَعَلْنَاهُمْ سَلَفًا وَمَثَلًا لِّلْآخِرِينَ 56

Vervolgens maakten Wij hen tot een voorafgaand geval (waaruit lering getrokken moet worden) en een voorbeeld voor de latere generaties.

وَلَمَّا ضُرِبَ ابْنُ مَرْيَمَ مَثَلًا إِذَا قَوْمُكَ مِنْهُ يَصِدُّونَ 57

En toen de zoon van Maryam (d.w.z. cIesa) als voorbeeld werd aangehaald, lachte jouw volk daar (uit verbazing) om.

وَقَالُوا أَآلِهَتُنَا خَيْرٌ أَمْ هُوَ ۚ مَا ضَرَبُوهُ لَكَ إِلَّا جَدَلًا ۚ بَلْ هُمْ قَوْمٌ خَصِمُونَ 58

En zij zeiden: “Zijn onze (valse) goden beter of hij (cIesa)?” Zij haalden dit slechts als voorbeeld voor jou aan om te redetwisten. Welnee! Zij zijn een twistziek volk.

إِنْ هُوَ إِلَّا عَبْدٌ أَنْعَمْنَا عَلَيْهِ وَجَعَلْنَاهُ مَثَلًا لِّبَنِي إِسْرَائِيلَ 59

Hij (cIesa) is slechts een dienaar die Wij hebben begunstigd en (die Wij) tot een voorbeeld voor de kinderen van Israël hebben gemaakt.

وَلَوْ نَشَاءُ لَجَعَلْنَا مِنكُم مَّلَائِكَةً فِي الْأَرْضِ يَخْلُفُونَ 60

En als Wij het zouden willen, dan zouden Wij zeker van jullie Engelen hebben gemaakt die elkaar op aarde (zullen) opvolgen.

وَإِنَّهُ لَعِلْمٌ لِّلسَّاعَةِ فَلَا تَمْتَرُنَّ بِهَا وَاتَّبِعُونِ ۚ هَٰذَا صِرَاطٌ مُّسْتَقِيمٌ 61

En voorwaar, hij (cIesa) is zeker een teken voor (het naderen van) het Uur. Twijfel er daarom niet aan en volg Mij. Dit is een recht Pad.

وَلَا يَصُدَّنَّكُمُ الشَّيْطَانُ ۖ إِنَّهُ لَكُمْ عَدُوٌّ مُّبِينٌ 62

En laat de satan jullie (daar) niet (van) afhouden. Voorwaar, hij is voor jullie een duidelijke vijand.

وَلَمَّا جَاءَ عِيسَىٰ بِالْبَيِّنَاتِ قَالَ قَدْ جِئْتُكُم بِالْحِكْمَةِ وَلِأُبَيِّنَ لَكُم بَعْضَ الَّذِي تَخْتَلِفُونَ فِيهِ ۖ فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطِيعُونِ 63

En toen cIesa met duidelijke Bewijzen kwam, zei hij: “Voorzeker, ik ben met de Wijsheid tot jullie gekomen, zodat ik een deel van datgene waar jullie (van mening) over verschillen voor jullie zal verduidelijken. Vrees daarom Allah en gehoorzaam mij.

إِنَّ اللَّهَ هُوَ رَبِّي وَرَبُّكُمْ فَاعْبُدُوهُ ۚ هَٰذَا صِرَاطٌ مُّسْتَقِيمٌ 64

Voorwaar, Allah, Hij is mijn Heer en jullie Heer, aanbid Hem daarom. Dit is een recht Pad.”

فَاخْتَلَفَ الْأَحْزَابُ مِن بَيْنِهِمْ ۖ فَوَيْلٌ لِّلَّذِينَ ظَلَمُوا مِنْ عَذَابِ يَوْمٍ أَلِيمٍ 65

Maar de groepen verschilden met elkaar (van mening over de kwestie van cIesa). Wee dan degenen die onrecht plegen voor de bestraffing van een pijnlijke Dag

هَلْ يَنظُرُونَ إِلَّا السَّاعَةَ أَن تَأْتِيَهُم بَغْتَةً وَهُمْ لَا يَشْعُرُونَ 66

Wachten zij dan op het Uur dat onverwachts tot hen zal komen, terwijl zij (dit) niet beseffen?

الْأَخِلَّاءُ يَوْمَئِذٍ بَعْضُهُمْ لِبَعْضٍ عَدُوٌّ إِلَّا الْمُتَّقِينَ 67

De boezemvrienden (d.w.z. degenen die elkaar in de wereld aanspoorden tot het verrichten van verdorven zaken) zullen elkaars vijanden zijn op die Dag, behalve de godsvruchtigen.

يَا عِبَادِ لَا خَوْفٌ عَلَيْكُمُ الْيَوْمَ وَلَا أَنتُمْ تَحْزَنُونَ 68

(Tegen de godsvruchtigen zal er gezegd worden:) “O Mijn dienaren, vandaag zullen jullie vrees noch treurnis kennen.

الَّذِينَ آمَنُوا بِآيَاتِنَا وَكَانُوا مُسْلِمِينَ 69

(Jullie zijn) degenen die in Onze Tekenen geloofden en (die) moslims waren.

ادْخُلُوا الْجَنَّةَ أَنتُمْ وَأَزْوَاجُكُمْ تُحْبَرُونَ 70

Treed het Paradijs binnen om (daarin) te genieten, jullie en jullie echtgenotes.”

يُطَافُ عَلَيْهِم بِصِحَافٍ مِّن ذَهَبٍ وَأَكْوَابٍ ۖ وَفِيهَا مَا تَشْتَهِيهِ الْأَنفُسُ وَتَلَذُّ الْأَعْيُنُ ۖ وَأَنتُمْ فِيهَا خَالِدُونَ 71

Er zal om hen heen rondgegaan worden met schalen van goud en (gouden) bekers. En daarin (d.w.z. in het Paradijs) bevindt zich (alles) wat de zielen begeren en waar de ogen van genieten. En jullie vertoeven daarin voor eeuwig.

وَتِلْكَ الْجَنَّةُ الَّتِي أُورِثْتُمُوهَا بِمَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَ 72

En dit is het Paradijs dat jullie hebben geërfd vanwege dat wat jullie hebben verricht.

لَكُمْ فِيهَا فَاكِهَةٌ كَثِيرَةٌ مِّنْهَا تَأْكُلُونَ 73

Daarin zijn er voor jullie vele vruchten waarvan jullie zullen eten.

إِنَّ الْمُجْرِمِينَ فِي عَذَابِ جَهَنَّمَ خَالِدُونَ 74

Voorwaar, de misdadigers verblijven voor eeuwig in de bestraffing van de Hel.

لَا يُفَتَّرُ عَنْهُمْ وَهُمْ فِيهِ مُبْلِسُونَ 75

Het (d.w.z. de Bestraffing) zal niet voor hen worden verlicht en zij zullen daarin wanhopig worden.

وَمَا ظَلَمْنَاهُمْ وَلَٰكِن كَانُوا هُمُ الظَّالِمِينَ 76

En Wij hebben hun geen onrecht aangedaan, maar zij waren (zelf) de onrechtplegers.

وَنَادَوْا يَا مَالِكُ لِيَقْضِ عَلَيْنَا رَبُّكَ ۖ قَالَ إِنَّكُم مَّاكِثُونَ 77

En zij zullen roepen: “O Maalik, laat jouw Heer een einde aan ons (leven) maken.” Hij zal (dan) zeggen: “Voorwaar, jullie zullen (daarin voor eeuwig) verblijven.”

لَقَدْ جِئْنَاكُم بِالْحَقِّ وَلَٰكِنَّ أَكْثَرَكُمْ لِلْحَقِّ كَارِهُونَ 78

Voorzeker, Wij hebben jullie de Waarheid gebracht, maar de meesten van jullie hebben een afkeer van de Waarheid.

أَمْ أَبْرَمُوا أَمْرًا فَإِنَّا مُبْرِمُونَ 79

Of hebben zij een list beraamd? Waarlijk, Wij maken dan (ook) plannen.

أَمْ يَحْسَبُونَ أَنَّا لَا نَسْمَعُ سِرَّهُمْ وَنَجْوَاهُم ۚ بَلَىٰ وَرُسُلُنَا لَدَيْهِمْ يَكْتُبُونَ 80

Of denken zij dat Wij hun geheimen en hun heimelijke gesprekken niet horen? Welzeker! En Onze Gezanten (d.w.z. de Engelen) zijn bij hen om (alles) op te schrijven.

قُلْ إِن كَانَ لِلرَّحْمَٰنِ وَلَدٌ فَأَنَا أَوَّلُ الْعَابِدِينَ 81

Zeg (o Mohammed): “Als de Meest Barmhartige een kind zou hebben, dan zou ik de eerste van de aanbidders zijn (d.w.z. de eerste die dit zou accepteren).”

سُبْحَانَ رَبِّ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ رَبِّ الْعَرْشِ عَمَّا يَصِفُونَ 82

Verheven is de Heer van de hemelen en de aarde, de Heer van de Troon, boven datgene wat zij (aan Hem) toeschrijven.

فَذَرْهُمْ يَخُوضُوا وَيَلْعَبُوا حَتَّىٰ يُلَاقُوا يَوْمَهُمُ الَّذِي يُوعَدُونَ 83

Dus laat hen daarom in hun valse gesprekken opgaan en zich vermaken, totdat zij hun dag tegemoet gaan die hun beloofd is.

وَهُوَ الَّذِي فِي السَّمَاءِ إِلَٰهٌ وَفِي الْأَرْضِ إِلَٰهٌ ۚ وَهُوَ الْحَكِيمُ الْعَلِيمُ 84

En Hij is Degene Die (de Enige) God in de hemel is en (Die de Enige) God op aarde is. En Hij is de Alwijze, de Alwetende.

وَتَبَارَكَ الَّذِي لَهُ مُلْكُ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ وَمَا بَيْنَهُمَا وَعِندَهُ عِلْمُ السَّاعَةِ وَإِلَيْهِ تُرْجَعُونَ 85

En gezegend is Degene aan Wie het Koningschap van de hemelen en de aarde toebehoort en datgene wat zich daartussen bevindt. En bij Hem ligt de kennis van het Uur, en tot Hem zullen jullie terugkeren.

وَلَا يَمْلِكُ الَّذِينَ يَدْعُونَ مِن دُونِهِ الشَّفَاعَةَ إِلَّا مَن شَهِدَ بِالْحَقِّ وَهُمْ يَعْلَمُونَ 86

En degenen die naast Hem worden aanbeden, zijn niet in staat om voorspraak te doen, behalve degenen die van de Waarheid getuigen terwijl zij (het) weten.

وَلَئِن سَأَلْتَهُم مَّنْ خَلَقَهُمْ لَيَقُولُنَّ اللَّهُ ۖ فَأَنَّىٰ يُؤْفَكُونَ 87

En als jij hun vraagt wie hen heeft geschapen, (dan) zullen zij zeker zeggen: “Allah.” Hoe kunnen zij dan zo afgedwaald zijn (van Zijn aanbidding)?

وَقِيلِهِ يَا رَبِّ إِنَّ هَٰؤُلَاءِ قَوْمٌ لَّا يُؤْمِنُونَ 88

En (Hij is op de hoogte van) zijn uitspraak (d.w.z. van de uitspraak van Mohammed): “O mijn Heer, waarlijk, dit is een volk dat niet gelooft.”

فَاصْفَحْ عَنْهُمْ وَقُلْ سَلَامٌ ۚ فَسَوْفَ يَعْلَمُونَ 89

Dus sla geen acht op hen (o Mohammed), en zeg: “Salaam.” Zij zullen het dan spoedig weten.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Close