Soera 43 – Az-Zukhruf – Pracht en Praal – الزّخرف

Deze soera in de nieuwe Koran omgeving lezen? Ja, graag
bismillah ir rahman ir rahim

حمٓ 1

Hā Mīm.

وَٱلۡكِتَٰبِ ٱلۡمُبِينِ 2

Bij het duidelijke Boek.

إِنَّا جَعَلۡنَٰهُ قُرۡءَٰنًا عَرَبِيّٗا لَّعَلَّكُمۡ تَعۡقِلُونَ 3

Voorwaar, Wij hebben hem als een Arabische Koran gemaakt. Hopelijk zullen jullie begrijpen.

وَإِنَّهُۥ فِيٓ أُمِّ ٱلۡكِتَٰبِ لَدَيۡنَا لَعَلِيٌّ حَكِيمٌ 4

En waarlijk, hij is bij Ons (vastgelegd) in de Moeder van het Boek, verheven, vol wijsheid.

أَفَنَضۡرِبُ عَنكُمُ ٱلذِّكۡرَ صَفۡحًا أَن كُنتُمۡ قَوۡمٗا مُّسۡرِفِينَ 5

Zullen Wij dan de Overdenking wegnemen van jullie, Ons afwendend, omdat jullie een buitensporig volk zijn?

وَكَمۡ أَرۡسَلۡنَا مِن نَّبِيّٖ فِي ٱلۡأَوَّلِينَ 6

En hoeveel Profeten hebben Wij niet gestuurd onder de vroegeren?

وَمَا يَأۡتِيهِم مِّن نَّبِيٍّ إِلَّا كَانُواْ بِهِۦ يَسۡتَهۡزِءُونَ 7

En er kwam geen Profeet tot hen, of zij dreven de spot met hem.

فَأَهۡلَكۡنَآ أَشَدَّ مِنۡهُم بَطۡشٗا وَمَضَىٰ مَثَلُ ٱلۡأَوَّلِينَ 8

Daarom vernietigden Wij de sterksten onder hen. En de voorbeelden van de vroegeren zijn hen voorafgegaan.

وَلَئِن سَأَلۡتَهُم مَّنۡ خَلَقَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضَ لَيَقُولُنَّ خَلَقَهُنَّ ٱلۡعَزِيزُ ٱلۡعَلِيمُ 9

En als jij hen vraagt: “Wie heeft de hemelen en de aarde geschapen?” Zullen zij zeker zeggen: “De Almachtige, de Alwetende heeft hen geschapen.”

ٱلَّذِي جَعَلَ لَكُمُ ٱلۡأَرۡضَ مَهۡدٗا وَجَعَلَ لَكُمۡ فِيهَا سُبُلٗا لَّعَلَّكُمۡ تَهۡتَدُونَ 10

Degene Die de aarde voor jullie als wieg heeft gemaakt, en voor jullie daarop wegen heeft aangelegd. Hopelijk zullen jullie Leiding volgen.

وَٱلَّذِي نَزَّلَ مِنَ ٱلسَّمَآءِ مَآءَۢ بِقَدَرٖ فَأَنشَرۡنَا بِهِۦ بَلۡدَةٗ مَّيۡتٗاۚ كَذَٰلِكَ تُخۡرَجُونَ 11

En Degene Die uit de hemel water heeft doen neerdalen, in een afgepaste maat. Dan doen Wij daarmee het dode land leven. Op die manier zullen jullie opgewekt worden.

وَٱلَّذِي خَلَقَ ٱلۡأَزۡوَٰجَ كُلَّهَا وَجَعَلَ لَكُم مِّنَ ٱلۡفُلۡكِ وَٱلۡأَنۡعَٰمِ مَا تَرۡكَبُونَ 12

En Degene Die alles in paren geschapen heeft en jullie schepen heeft gegeven en vee aangewezen heeft om op te rijden.

لِتَسۡتَوُۥاْ عَلَىٰ ظُهُورِهِۦ ثُمَّ تَذۡكُرُواْ نِعۡمَةَ رَبِّكُمۡ إِذَا ٱسۡتَوَيۡتُمۡ عَلَيۡهِ وَتَقُولُواْ سُبۡحَٰنَ ٱلَّذِي سَخَّرَ لَنَا هَٰذَا وَمَا كُنَّا لَهُۥ مُقۡرِنِينَ 13

Zodat jullie stevig op hun ruggen kunnen zitten en dan de gunst van jullie Heer kunnen gedenken. Wanneer jullie daarop zitten en zeggen: “Verheerlijkt is Hij die dit voor ons dienstbaar heeft gemaakt, want wij konden dit zelf niet onderwerpen.”

وَإِنَّآ إِلَىٰ رَبِّنَا لَمُنقَلِبُونَ 14

En waarlijk, tot Onze Heer zullen wij zeker terugkeren!

وَجَعَلُواْ لَهُۥ مِنۡ عِبَادِهِۦ جُزۡءًاۚ إِنَّ ٱلۡإِنسَٰنَ لَكَفُورٞ مُّبِينٌ 15

En sommigen maken van Zijn slaven gelijken aan Allah. Waarlijk, de mens is zeker duidelijk ondankbaar!

أَمِ ٱتَّخَذَ مِمَّا يَخۡلُقُ بَنَاتٖ وَأَصۡفَىٰكُم بِٱلۡبَنِينَ 16

Of heeft Hij zich van wat Hij geschapen heeft dochters genomen en voor jullie zonen verkozen?

وَإِذَا بُشِّرَ أَحَدُهُم بِمَا ضَرَبَ لِلرَّحۡمَٰنِ مَثَلٗا ظَلَّ وَجۡهُهُۥ مُسۡوَدّٗا وَهُوَ كَظِيمٌ 17

En als één van hen het verheugende nieuws hoort over wat zij de Barmhartige toeschrijven (een dochter), wordt zijn gezicht somber en hij is vervuld met droefheid!

أَوَمَن يُنَشَّؤُاْ فِي ٱلۡحِلۡيَةِ وَهُوَ فِي ٱلۡخِصَامِ غَيۡرُ مُبِينٖ 18

En is hij die temidden van sieraden is grootgebracht en die in het debat geen duidelijk argument kan aanvoeren (een kind van Allah)?

وَجَعَلُواْ ٱلۡمَلَـٰٓئِكَةَ ٱلَّذِينَ هُمۡ عِبَٰدُ ٱلرَّحۡمَٰنِ إِنَٰثًاۚ أَشَهِدُواْ خَلۡقَهُمۡۚ سَتُكۡتَبُ شَهَٰدَتُهُمۡ وَيُسۡـَٔلُونَ 19

En zij maken de Engelen die de slaven van de Barmhartige zijn, tot vrouwen. Waren zij getuigen van hun schepping? Hun getuigenissen zullen genoteerd worden en zij zullen ondervraagd worden!

وَقَالُواْ لَوۡ شَآءَ ٱلرَّحۡمَٰنُ مَا عَبَدۡنَٰهُمۗ مَّا لَهُم بِذَٰلِكَ مِنۡ عِلۡمٍۖ إِنۡ هُمۡ إِلَّا يَخۡرُصُونَ 20

En zij zeiden: “Als de Barmhartige het had gewild, dan zouden wij hen niet aanbeden hebben. Zij hebben geen kennis daarover. Zij doen niets anders dan liegen!

أَمۡ ءَاتَيۡنَٰهُمۡ كِتَٰبٗا مِّن قَبۡلِهِۦ فَهُم بِهِۦ مُسۡتَمۡسِكُونَ 21

Of hebben Wij hen een Boek hiervόόr gegeven waaraan zij zich aan vasthouden?

بَلۡ قَالُوٓاْ إِنَّا وَجَدۡنَآ ءَابَآءَنَا عَلَىٰٓ أُمَّةٖ وَإِنَّا عَلَىٰٓ ءَاثَٰرِهِم مُّهۡتَدُونَ 22

Nee! Zij zeggen: “Wij zagen onze vaders een bepaalde godsdienst volgen. En wij volgen in hun voetsporen (geloof).”

وَكَذَٰلِكَ مَآ أَرۡسَلۡنَا مِن قَبۡلِكَ فِي قَرۡيَةٖ مِّن نَّذِيرٍ إِلَّا قَالَ مُتۡرَفُوهَآ إِنَّا وَجَدۡنَآ ءَابَآءَنَا عَلَىٰٓ أُمَّةٖ وَإِنَّا عَلَىٰٓ ءَاثَٰرِهِم مُّقۡتَدُونَ 23

En Wij hebben geen boodschapper vόόr jou gestuurd naar een stad of de bewoners ervan, die in weelde leefden, zeiden: “Wij zagen dat onze vaders een bepaalde godsdienst volgden en wij zullen zeker in hun voetsporen volgen.”

۞قَٰلَ أَوَلَوۡ جِئۡتُكُم بِأَهۡدَىٰ مِمَّا وَجَدتُّمۡ عَلَيۡهِ ءَابَآءَكُمۡۖ قَالُوٓاْ إِنَّا بِمَآ أُرۡسِلۡتُم بِهِۦ كَٰفِرُونَ 24

(De Boodschapper) zei: “Zelfs als ik jullie een rechtere Leiding heb gebracht dan wat jullie bij jullie voorvaders hebben aangetroffen?” Zij zeiden: “Waarlijk, wij geloven niet in datgene waar jullie mee gezonden zijn.”

فَٱنتَقَمۡنَا مِنۡهُمۡۖ فَٱنظُرۡ كَيۡفَ كَانَ عَٰقِبَةُ ٱلۡمُكَذِّبِينَ 25

Dus wreekten Wij ons over hen, zie dan wat het einde was van degenen die ontkenden.

وَإِذۡ قَالَ إِبۡرَٰهِيمُ لِأَبِيهِ وَقَوۡمِهِۦٓ إِنَّنِي بَرَآءٞ مِّمَّا تَعۡبُدُونَ 26

En (gedenk) toen Ibrahim tegen zijn vader en zijn volk zei: “Waarlijk ik ben onschuldig aan dat wat jullie aanbidden.

إِلَّا ٱلَّذِي فَطَرَنِي فَإِنَّهُۥ سَيَهۡدِينِ 27

Behalve (voor mijn aanbidding van) Degene Die mij geschapen heeft en waarlijk, Hij zal mij leiden.”

وَجَعَلَهَا كَلِمَةَۢ بَاقِيَةٗ فِي عَقِبِهِۦ لَعَلَّهُمۡ يَرۡجِعُونَ 28

En hij maakte het (getuigen van de eenheid van Allah) tot een blijvend woord onder zijn nageslacht. Hopelijk zullen zij terugkeren.

بَلۡ مَتَّعۡتُ هَـٰٓؤُلَآءِ وَءَابَآءَهُمۡ حَتَّىٰ جَآءَهُمُ ٱلۡحَقُّ وَرَسُولٞ مُّبِينٞ 29

Ik gaf zelfs aan hen en hun vaderen genietingen, totdat de Waarheid en een verduidelijkende Boodschapper tot hen kwamen.

وَلَمَّا جَآءَهُمُ ٱلۡحَقُّ قَالُواْ هَٰذَا سِحۡرٞ وَإِنَّا بِهِۦ كَٰفِرُونَ 30

En toen de Waarheid tot hen kwam, zeiden zij: “Dit is tovenarij en wij geloven daar niet in.”

وَقَالُواْ لَوۡلَا نُزِّلَ هَٰذَا ٱلۡقُرۡءَانُ عَلَىٰ رَجُلٖ مِّنَ ٱلۡقَرۡيَتَيۡنِ عَظِيمٍ 31

En (de ongelovigen die niet beter wisten) zeiden: “Waarom werd deze Koran niet geopenbaard aan een groot man van (één van) de twee steden?”

أَهُمۡ يَقۡسِمُونَ رَحۡمَتَ رَبِّكَۚ نَحۡنُ قَسَمۡنَا بَيۡنَهُم مَّعِيشَتَهُمۡ فِي ٱلۡحَيَوٰةِ ٱلدُّنۡيَاۚ وَرَفَعۡنَا بَعۡضَهُمۡ فَوۡقَ بَعۡضٖ دَرَجَٰتٖ لِّيَتَّخِذَ بَعۡضُهُم بَعۡضٗا سُخۡرِيّٗاۗ وَرَحۡمَتُ رَبِّكَ خَيۡرٞ مِّمَّا يَجۡمَعُونَ 32

Zijn zij het, die de Genade van jouw Heer uitdelen? Wij zijn het, Die hun levensonderhoud op deze wereld uitdelen. En Wij verhieven sommigen van hen in rang (functie) boven anderen, waardoor de ene (arme) groep het mikpunt van spot zal zijn voor de andere (rijke) groep. Maar de Genade van jou Heer is beter dan wat zij vergaren.

وَلَوۡلَآ أَن يَكُونَ ٱلنَّاسُ أُمَّةٗ وَٰحِدَةٗ لَّجَعَلۡنَا لِمَن يَكۡفُرُ بِٱلرَّحۡمَٰنِ لِبُيُوتِهِمۡ سُقُفٗا مِّن فِضَّةٖ وَمَعَارِجَ عَلَيۡهَا يَظۡهَرُونَ 33

En als de mensheid dan niet tot één (ongelovige) gemeenschap zou worden, dan hadden Wij voor degenen die niet in de Barmhartige geloven de daken van hun huizen van zilver gemaakt, en ook de trap waarlangs zij omhoog gaan.

وَلِبُيُوتِهِمۡ أَبۡوَٰبٗا وَسُرُرًا عَلَيۡهَا يَتَّكِـُٔونَ 34

En voor hun huizen (zilveren) deuren en tronen waarop zij konden rusten.

وَزُخۡرُفٗاۚ وَإِن كُلُّ ذَٰلِكَ لَمَّا مَتَٰعُ ٱلۡحَيَوٰةِ ٱلدُّنۡيَاۚ وَٱلۡأٓخِرَةُ عِندَ رَبِّكَ لِلۡمُتَّقِينَ 35

En versieringen van goud. Maar dit alles zou niet anders dan een vergankelijk vermaak van deze wereld zijn. En het Hiernamaals bij jullie Heer is slechts voor de godvrezenden.

وَمَن يَعۡشُ عَن ذِكۡرِ ٱلرَّحۡمَٰنِ نُقَيِّضۡ لَهُۥ شَيۡطَٰنٗا فَهُوَ لَهُۥ قَرِينٞ 36

En wie zich afkeert van het gedenken van de Meest Barmhartige, wijzen Wij Satan aan als zijn ‘qarien’ (of onafscheidelijke zielsverwant).

وَإِنَّهُمۡ لَيَصُدُّونَهُمۡ عَنِ ٱلسَّبِيلِ وَيَحۡسَبُونَ أَنَّهُم مُّهۡتَدُونَ 37

En waarlijk, zij (de duivels) zullen hen zeker afhouden van de rechte Weg en zij denken zij dat zij rechtgeleid zijn.

حَتَّىٰٓ إِذَا جَآءَنَا قَالَ يَٰلَيۡتَ بَيۡنِي وَبَيۡنَكَ بُعۡدَ ٱلۡمَشۡرِقَيۡنِ فَبِئۡسَ ٱلۡقَرِينُ 38

Totdat, wanneer hij tot Ons komt, hij (tot zijn metgezel) zegt: “Was de afstand tussen ons maar als die tussen de zonsopgang en de zonsondergang, (jij bent de) slechtste metgezel!”

وَلَن يَنفَعَكُمُ ٱلۡيَوۡمَ إِذ ظَّلَمۡتُمۡ أَنَّكُمۡ فِي ٱلۡعَذَابِ مُشۡتَرِكُونَ 39

Maar het zal jullie op die Dag niet baten, want jullie begingen een zonde, dat jullie in de bestraffing samen zijn.

أَفَأَنتَ تُسۡمِعُ ٱلصُّمَّ أَوۡ تَهۡدِي ٱلۡعُمۡيَ وَمَن كَانَ فِي ضَلَٰلٖ مُّبِينٖ 40

Kan jij dan de doven laten horen of de blinden (van hart) leiden, of degene die in duidelijke dwaling verkeert?

فَإِمَّا نَذۡهَبَنَّ بِكَ فَإِنَّا مِنۡهُم مُّنتَقِمُونَ 41

Als Wij jou dan wegnemen (vόόrdat Wij hen bestraffen), danzullen Wij hen zeker bestraffen.

أَوۡ نُرِيَنَّكَ ٱلَّذِي وَعَدۡنَٰهُمۡ فَإِنَّا عَلَيۡهِم مُّقۡتَدِرُونَ 42

Of Wij laten jou zien, wat Wij hun hebben aangezegd: voorwaar, Wij zijn machthebbers over hen.

فَٱسۡتَمۡسِكۡ بِٱلَّذِيٓ أُوحِيَ إِلَيۡكَۖ إِنَّكَ عَلَىٰ صِرَٰطٖ مُّسۡتَقِيمٖ 43

Houd je dus vast aan datgene wat aan jou geopenbaard is. Waarlijk, jij bent op het rechte Pad.

وَإِنَّهُۥ لَذِكۡرٞ لَّكَ وَلِقَوۡمِكَۖ وَسَوۡفَ تُسۡـَٔلُونَ 44

En waarlijk, dit (de Koran) is zeker een overdenking voor jou en jouw volk. En zij zullen (daarover) ondervraagd worden.

وَسۡـَٔلۡ مَنۡ أَرۡسَلۡنَا مِن قَبۡلِكَ مِن رُّسُلِنَآ أَجَعَلۡنَا مِن دُونِ ٱلرَّحۡمَٰنِ ءَالِهَةٗ يُعۡبَدُونَ 45

En vraag aan Onze Boodschappers die Wij vóór jou gestuurd hebben: “Hebben Wij ooit goden aangewezen die naast de Barmhartige aanbeden moeten worden?”

وَلَقَدۡ أَرۡسَلۡنَا مُوسَىٰ بِـَٔايَٰتِنَآ إِلَىٰ فِرۡعَوۡنَ وَمَلَإِيْهِۦ فَقَالَ إِنِّي رَسُولُ رَبِّ ٱلۡعَٰلَمِينَ 46

En voorwaar, Wij hebben Mozes met Onze Tekenen naar de Farao en zijn vooraanstaanden gezonden. Hij zei: “Waarlijk, Ik ben een Boodschapper van de Heer der Werelden.”

فَلَمَّا جَآءَهُم بِـَٔايَٰتِنَآ إِذَا هُم مِّنۡهَا يَضۡحَكُونَ 47

Toen hij tot hen met Onze Tekenen kwam, toen lachten zij erom.

وَمَا نُرِيهِم مِّنۡ ءَايَةٍ إِلَّا هِيَ أَكۡبَرُ مِنۡ أُخۡتِهَاۖ وَأَخَذۡنَٰهُم بِٱلۡعَذَابِ لَعَلَّهُمۡ يَرۡجِعُونَ 48

En Wij toonden hen geen Teken of het werd door een groter gevolgd, en Wij grepen hen met bestraffing zodat zij misschien zullen terugkeren.

وَقَالُواْ يَـٰٓأَيُّهَ ٱلسَّاحِرُ ٱدۡعُ لَنَا رَبَّكَ بِمَا عَهِدَ عِندَكَ إِنَّنَا لَمُهۡتَدُونَ 49

En zij zeiden: “O jij tovenaar! Roep jouw Heer voor ons aan zoals Hij het met jullie" overeen is gekomen. Waarlijk, wij zullen zeker de leiding volgen.”

فَلَمَّا كَشَفۡنَا عَنۡهُمُ ٱلۡعَذَابَ إِذَا هُمۡ يَنكُثُونَ 50

Maar toen Wij de bestraffing van hen verwijderden, zie! Zij verbraken hun verbond.

وَنَادَىٰ فِرۡعَوۡنُ فِي قَوۡمِهِۦ قَالَ يَٰقَوۡمِ أَلَيۡسَ لِي مُلۡكُ مِصۡرَ وَهَٰذِهِ ٱلۡأَنۡهَٰرُ تَجۡرِي مِن تَحۡتِيٓۚ أَفَلَا تُبۡصِرُونَ 51

En Farao verkondigde onder zijn volk: “O mijn volk! Is het rijk van Egypte niet van mij? En deze rivieren die onder mij stromen. Zien jullie dat dan niet?

أَمۡ أَنَا۠ خَيۡرٞ مِّنۡ هَٰذَا ٱلَّذِي هُوَ مَهِينٞ وَلَا يَكَادُ يُبِينُ 52

Ben ik niet beter dan deze onaanzienlijke man die zichzelf amper kan uitdrukken?

فَلَوۡلَآ أُلۡقِيَ عَلَيۡهِ أَسۡوِرَةٞ مِّن ذَهَبٍ أَوۡ جَآءَ مَعَهُ ٱلۡمَلَـٰٓئِكَةُ مُقۡتَرِنِينَ 53

Waarom zijn hem dan geen gouden armbanden gegeven, of Engelen met hem meegekomen die hem vergezellen.”

فَٱسۡتَخَفَّ قَوۡمَهُۥ فَأَطَاعُوهُۚ إِنَّهُمۡ كَانُواْ قَوۡمٗا فَٰسِقِينَ 54

Dus hij misleidde zijn volk en zij gehoorzaamden hem. Waarlijk, zij waren een zwaar zondig volk.

فَلَمَّآ ءَاسَفُونَا ٱنتَقَمۡنَا مِنۡهُمۡ فَأَغۡرَقۡنَٰهُمۡ أَجۡمَعِينَ 55

Dus toen zij Ons kwaad maakten, straften Wij hen en verdronken hen allen.

فَجَعَلۡنَٰهُمۡ سَلَفٗا وَمَثَلٗا لِّلۡأٓخِرِينَ 56

En Wij maakten hen tot een voorbeeld en een lering voor latere generaties.

۞وَلَمَّا ضُرِبَ ٱبۡنُ مَرۡيَمَ مَثَلًا إِذَا قَوۡمُكَ مِنۡهُ يَصِدُّونَ 57

En als de zoon van Maryam als voorbeeld wordt genoemd zie! Jouw volk (O Mohammed) roept luid.

وَقَالُوٓاْ ءَأَٰلِهَتُنَا خَيۡرٌ أَمۡ هُوَۚ مَا ضَرَبُوهُ لَكَ إِلَّا جَدَلَۢاۚ بَلۡ هُمۡ قَوۡمٌ خَصِمُونَ 58

En zeggen: “Zijn onze goden beter of is hij (Isa) dat?” En zij gaven dit voorbeeld slechts om te redetwisten. Zij zijn zelfs een volk van redetwisters.

إِنۡ هُوَ إِلَّا عَبۡدٌ أَنۡعَمۡنَا عَلَيۡهِ وَجَعَلۡنَٰهُ مَثَلٗا لِّبَنِيٓ إِسۡرَـٰٓءِيلَ 59

Hij (Isa) is niet meer dan een dienaar. Wij gaven hem Onze gunst en Wij maakten hem tot een voorbeeld voor de Kinderen van Israël.

وَلَوۡ نَشَآءُ لَجَعَلۡنَا مِنكُم مَّلَـٰٓئِكَةٗ فِي ٱلۡأَرۡضِ يَخۡلُفُونَ 60

En als het Onze wil was geweest, zouden Wij zeker onder jullie op aarde Engelen maken die jullie opvolgen.

وَإِنَّهُۥ لَعِلۡمٞ لِّلسَّاعَةِ فَلَا تَمۡتَرُنَّ بِهَا وَٱتَّبِعُونِۚ هَٰذَا صِرَٰطٞ مُّسۡتَقِيمٞ 61

En hij zal een bekend Teken zijn voor het Uur. Heb daarom geen twijfel. En volg Mij! Dit is het rechte Pad.

وَلَا يَصُدَّنَّكُمُ ٱلشَّيۡطَٰنُۖ إِنَّهُۥ لَكُمۡ عَدُوّٞ مُّبِينٞ 62

En laat Sheitan jullie niet tegenhouden. Waarlijk, hij is voor jullie een duidelijke vijand.

وَلَمَّا جَآءَ عِيسَىٰ بِٱلۡبَيِّنَٰتِ قَالَ قَدۡ جِئۡتُكُم بِٱلۡحِكۡمَةِ وَلِأُبَيِّنَ لَكُم بَعۡضَ ٱلَّذِي تَخۡتَلِفُونَ فِيهِۖ فَٱتَّقُواْ ٱللَّهَ وَأَطِيعُونِ 63

En toen Isa met (Onze) duidelijke bewijzen kwam, zei hij: “Ik ben tot jullie met wijsheid gekomen zodat ik jullie een aantal zaken, waarover jullie van mening verschillen, duidelijk kan "maken, vrees daarom Allah en gehoorzaam mij.

إِنَّ ٱللَّهَ هُوَ رَبِّي وَرَبُّكُمۡ فَٱعۡبُدُوهُۚ هَٰذَا صِرَٰطٞ مُّسۡتَقِيمٞ 64

Waarlijk, Allah! Hij is mijn Heer en jullie Heer. Aanbidt dus alleen Hem. Dit is het (enige) rechte Pad.”

فَٱخۡتَلَفَ ٱلۡأَحۡزَابُ مِنۢ بَيۡنِهِمۡۖ فَوَيۡلٞ لِّلَّذِينَ ظَلَمُواْ مِنۡ عَذَابِ يَوۡمٍ أَلِيمٍ 65

Maar de sekten verschilden van mening. Wee degenen die zondigen voor de bestraffing van een pijnlijke Dag!

هَلۡ يَنظُرُونَ إِلَّا ٱلسَّاعَةَ أَن تَأۡتِيَهُم بَغۡتَةٗ وَهُمۡ لَا يَشۡعُرُونَ 66

Wachten zij slechts op het Uur dat plotseling tot hen zal komen, terwijl zij het niet door hebben?

ٱلۡأَخِلَّآءُ يَوۡمَئِذِۭ بَعۡضُهُمۡ لِبَعۡضٍ عَدُوٌّ إِلَّا ٱلۡمُتَّقِينَ 67

Vrienden zullen op die Dag elkaars vijanden zijn, behalve de godvrezenden.

يَٰعِبَادِ لَا خَوۡفٌ عَلَيۡكُمُ ٱلۡيَوۡمَ وَلَآ أَنتُمۡ تَحۡزَنُونَ 68

“Mijn aanbidders! Op deze dag zullen jullie niet vrezen noch zullen jullie bedroefd zijn.

ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ بِـَٔايَٰتِنَا وَكَانُواْ مُسۡلِمِينَ 69

(Jullie) die geloofd hebben in Onze Tekenen en moslims waren.

ٱدۡخُلُواْ ٱلۡجَنَّةَ أَنتُمۡ وَأَزۡوَٰجُكُمۡ تُحۡبَرُونَ 70

Treedt het Paradijs in vreugde binnen, jullie en jullie vrouwen.

يُطَافُ عَلَيۡهِم بِصِحَافٖ مِّن ذَهَبٖ وَأَكۡوَابٖۖ وَفِيهَا مَا تَشۡتَهِيهِ ٱلۡأَنفُسُ وَتَلَذُّ ٱلۡأَعۡيُنُۖ وَأَنتُمۡ فِيهَا خَٰلِدُونَ 71

Gouden dienbladen en kopjes zullen onder hen rondgaan. Daarin is alles wat hun harten verlangen, alles waar de ogen zich in kunnen verheugen, en jullie zullen daarin voor altijd verblijven.

وَتِلۡكَ ٱلۡجَنَّةُ ٱلَّتِيٓ أُورِثۡتُمُوهَا بِمَا كُنتُمۡ تَعۡمَلُونَ 72

Dit is het Paradijs wat jullie hebben geërft, door jullie daden die jullie plachten te verrichten.

لَكُمۡ فِيهَا فَٰكِهَةٞ كَثِيرَةٞ مِّنۡهَا تَأۡكُلُونَ 73

Daarin zal een overvloed aan fruit zijn wat jullie zullen eten.

إِنَّ ٱلۡمُجۡرِمِينَ فِي عَذَابِ جَهَنَّمَ خَٰلِدُونَ 74

Waarlijk, de misdadigers en degenen die volharden in hun kwade daden, zullen in de bestraffing van de Hel zijn om daarin voor altijd te verblijven.

لَا يُفَتَّرُ عَنۡهُمۡ وَهُمۡ فِيهِ مُبۡلِسُونَ 75

(De bestraffing) zal voor hen niet verlicht worden en zij zullen met groot berouw, spijt en wanhoop in de vernietiging worden geworpen.

وَمَا ظَلَمۡنَٰهُمۡ وَلَٰكِن كَانُواْ هُمُ ٱلظَّـٰلِمِينَ 76

Wij zijn niet onrechtvaardig voor hen maar zij waren de onrechtplegers.

وَنَادَوۡاْ يَٰمَٰلِكُ لِيَقۡضِ عَلَيۡنَا رَبُّكَۖ قَالَ إِنَّكُم مَّـٰكِثُونَ 77

En zij zullen roepen: “O Malik! (bewaker van de Hel) Laat jou Heer een einde aan ons maken.” Hij zal zeggen: “Waarlijk, jullie zullen hier voor altijd verblijven.”

لَقَدۡ جِئۡنَٰكُم بِٱلۡحَقِّ وَلَٰكِنَّ أَكۡثَرَكُمۡ لِلۡحَقِّ كَٰرِهُونَ 78

Voorwaar, Wij hebben de Waarheid tot jullie gebracht, maar de meesten van jullie haten de Waarheid.

أَمۡ أَبۡرَمُوٓاْ أَمۡرٗا فَإِنَّا مُبۡرِمُونَ 79

Of hebben jullie een plan bedacht? Wij bedenken ook een plan.

أَمۡ يَحۡسَبُونَ أَنَّا لَا نَسۡمَعُ سِرَّهُمۡ وَنَجۡوَىٰهُمۚ بَلَىٰ وَرُسُلُنَا لَدَيۡهِمۡ يَكۡتُبُونَ 80

Of denken zij dat Wij hun geheimen niet horen in hun besloten vergadering? Onze gezanten (Engelen) zijn bij hen, zij schrijven.

قُلۡ إِن كَانَ لِلرَّحۡمَٰنِ وَلَدٞ فَأَنَا۠ أَوَّلُ ٱلۡعَٰبِدِينَ 81

Zeg (O Mohammed): “Als de Erbarmer een zoon zou hebben, dan zou ik de eerste van Zijn aanbidders zijn.

سُبۡحَٰنَ رَبِّ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِ رَبِّ ٱلۡعَرۡشِ عَمَّا يَصِفُونَ 82

Verheerlijkt is de Heer van de hemelen en de aarde, de Heer van de troon! Verheven is Hij boven alles wat jullie (Hem) toekennen.

فَذَرۡهُمۡ يَخُوضُواْ وَيَلۡعَبُواْ حَتَّىٰ يُلَٰقُواْ يَوۡمَهُمُ ٱلَّذِي يُوعَدُونَ 83

Laat hen dus (alleen) om onzin te uiten en te spelen totdat zij hun Dag ontmoeten, de Dag die hen beloofd is.

وَهُوَ ٱلَّذِي فِي ٱلسَّمَآءِ إِلَٰهٞ وَفِي ٱلۡأَرۡضِ إِلَٰهٞۚ وَهُوَ ٱلۡحَكِيمُ ٱلۡعَلِيمُ 84

Hij is Degene Die de God in de hemel is en de God op de aarde is. En Hij is de Alwijze, de Alwetende.

وَتَبَارَكَ ٱلَّذِي لَهُۥ مُلۡكُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِ وَمَا بَيۡنَهُمَا وَعِندَهُۥ عِلۡمُ ٱلسَّاعَةِ وَإِلَيۡهِ تُرۡجَعُونَ 85

En gezegend is Degene aan Wie het koninkrijk van de hemelen en de aarde behoort, en alles wat daar tussen is. En bij Wie de kennis van het Uur is en tot Wie jullie (allen) zullen terugkeren.

وَلَا يَمۡلِكُ ٱلَّذِينَ يَدۡعُونَ مِن دُونِهِ ٱلشَّفَٰعَةَ إِلَّا مَن شَهِدَ بِٱلۡحَقِّ وَهُمۡ يَعۡلَمُونَ 86

En degenen die zij naast Hem aanroepen hebben geen macht voor bemiddeling; behalve degenen die van de Waarheid getuigen terwijl zij kennis hebben.

وَلَئِن سَأَلۡتَهُم مَّنۡ خَلَقَهُمۡ لَيَقُولُنَّ ٱللَّهُۖ فَأَنَّىٰ يُؤۡفَكُونَ 87

En als jullie hen vragen wie hen geschapen heeft, zullen zij zeker: “Allah” zeggen. Hoe kan het dan dat zij zich afkeren?

وَقِيلِهِۦ يَٰرَبِّ إِنَّ هَـٰٓؤُلَآءِ قَوۡمٞ لَّا يُؤۡمِنُونَ 88

(Allah kent) zijn (Mohammed’s) uitspraak : “O mijn Heer! Waarlijk, dit is een volk dat niet gelooft!”

فَٱصۡفَحۡ عَنۡهُمۡ وَقُلۡ سَلَٰمٞۚ فَسَوۡفَ يَعۡلَمُونَ 89

Keer je dus van hen af, en zeg: “Vrede! Maar zij zullen het te weten komen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Close