Soera 41 – Fussilat – Duidelijk uitgelegd – فصّلت

Deze soera in de nieuwe Koran omgeving lezen? Ja, graag
bismillah ir rahman ir rahim

حمٓ 1

Hā Mīm.

تَنزِيلٞ مِّنَ ٱلرَّحۡمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ 2

(Dit is) Een openbaring van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.

كِتَٰبٞ فُصِّلَتۡ ءَايَٰتُهُۥ قُرۡءَانًا عَرَبِيّٗا لِّقَوۡمٖ يَعۡلَمُونَ 3

Een Boek waarvan de Verzen duidelijk uitgelegd zijn, als een Arabische Koran, voor en volk dat weet.

بَشِيرٗا وَنَذِيرٗا فَأَعۡرَضَ أَكۡثَرُهُمۡ فَهُمۡ لَا يَسۡمَعُونَ 4

Als drager van goede tijdingen en als waarschuwer, maar de meesten van hen keren zich af, dus luisteren zij niet.

وَقَالُواْ قُلُوبُنَا فِيٓ أَكِنَّةٖ مِّمَّا تَدۡعُونَآ إِلَيۡهِ وَفِيٓ ءَاذَانِنَا وَقۡرٞ وَمِنۢ بَيۡنِنَا وَبَيۡنِكَ حِجَابٞ فَٱعۡمَلۡ إِنَّنَا عَٰمِلُونَ 5

En zij zeggen: “Onze harten zijn gesluierd voor datgene waarvoor jij (O Mohamed) ons uitnodigt, in onze oren is doofheid en tussen ons en jou is een afscheiding. Werk dus (op jouw manier); waarlijk wij werken (op onze manier).

قُلۡ إِنَّمَآ أَنَا۠ بَشَرٞ مِّثۡلُكُمۡ يُوحَىٰٓ إِلَيَّ أَنَّمَآ إِلَٰهُكُمۡ إِلَٰهٞ وَٰحِدٞ فَٱسۡتَقِيمُوٓاْ إِلَيۡهِ وَٱسۡتَغۡفِرُوهُۗ وَوَيۡلٞ لِّلۡمُشۡرِكِينَ 6

Zeg: “Ik ben slechts een mens zoals jullie. Mij is geopenbaard dat jullie God slechts één God is, richt jullie daarom standvastig tot hem, en zoek vergiffenis bij Hem. En wee de afgodenaanbidders.”

ٱلَّذِينَ لَا يُؤۡتُونَ ٱلزَّكَوٰةَ وَهُم بِٱلۡأٓخِرَةِ هُمۡ كَٰفِرُونَ 7

(Zij zijn ) Degenen die de Zakat niet betalen en die niet in het Hiernamaals geloven.

إِنَّ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَعَمِلُواْ ٱلصَّـٰلِحَٰتِ لَهُمۡ أَجۡرٌ غَيۡرُ مَمۡنُونٖ 8

Waarlijk, degenen die geloven en goede daden verrichten, voor hen is er een eindeloze beloning.

۞قُلۡ أَئِنَّكُمۡ لَتَكۡفُرُونَ بِٱلَّذِي خَلَقَ ٱلۡأَرۡضَ فِي يَوۡمَيۡنِ وَتَجۡعَلُونَ لَهُۥٓ أَندَادٗاۚ ذَٰلِكَ رَبُّ ٱلۡعَٰلَمِينَ 9

Zeg (O Mohammed): “Geloven jullie echt niet in Hem, Die de aarde in twee dagen (perioden) geschapen heeft en kennen jullie Hem rivalen toe? Dat is de Heer der Werelden.”

وَجَعَلَ فِيهَا رَوَٰسِيَ مِن فَوۡقِهَا وَبَٰرَكَ فِيهَا وَقَدَّرَ فِيهَآ أَقۡوَٰتَهَا فِيٓ أَرۡبَعَةِ أَيَّامٖ سَوَآءٗ لِّلسَّآئِلِينَ 10

Hij heeft daarop stevige bergen geplaatst en Hij heeft haar gezegend en Hij bepaalde de maat (van alle voorzieningen) in vier volledige dagen (perioden), voor de vragenden.

ثُمَّ ٱسۡتَوَىٰٓ إِلَى ٱلسَّمَآءِ وَهِيَ دُخَانٞ فَقَالَ لَهَا وَلِلۡأَرۡضِ ٱئۡتِيَا طَوۡعًا أَوۡ كَرۡهٗا قَالَتَآ أَتَيۡنَا طَآئِعِينَ 11

Toen rees Hij boven naar de hemel die een nevel was, en Hij zei tot haar en tot de aarde: “Kom tot Ons, vrijwillig of onvrijwillig.” Zij (de hemelen en de aarde) zeiden beiden: “Wij komen vrijwillig.”

فَقَضَىٰهُنَّ سَبۡعَ سَمَٰوَاتٖ فِي يَوۡمَيۡنِ وَأَوۡحَىٰ فِي كُلِّ سَمَآءٍ أَمۡرَهَاۚ وَزَيَّنَّا ٱلسَّمَآءَ ٱلدُّنۡيَا بِمَصَٰبِيحَ وَحِفۡظٗاۚ ذَٰلِكَ تَقۡدِيرُ ٱلۡعَزِيزِ ٱلۡعَلِيمِ 12

En Hij vervolmaakte hen, de zeven hemelen, in twee dagen (perioden) en Hij gaf elke hemel haar eigen werk. En Wij versierden de dichtstbijzijnde hemel met sterren, als een bescherming (tegen de Satan). Zo is het Besluit van Hem, de Almachtige, de Alwetende.

فَإِنۡ أَعۡرَضُواْ فَقُلۡ أَنذَرۡتُكُمۡ صَٰعِقَةٗ مِّثۡلَ صَٰعِقَةِ عَادٖ وَثَمُودَ 13

Maar als zij zich afkeren, zeg dan: “Ik heb jullie voor een bliksemslag gewaarschuwd zoals de bliksemslag die ‘Ad en Thamoed overmande.”

إِذۡ جَآءَتۡهُمُ ٱلرُّسُلُ مِنۢ بَيۡنِ أَيۡدِيهِمۡ وَمِنۡ خَلۡفِهِمۡ أَلَّا تَعۡبُدُوٓاْ إِلَّا ٱللَّهَۖ قَالُواْ لَوۡ شَآءَ رَبُّنَا لَأَنزَلَ مَلَـٰٓئِكَةٗ فَإِنَّا بِمَآ أُرۡسِلۡتُم بِهِۦ كَٰفِرُونَ 14

Toen de Boodschappers vόόr hen en na hen tot hem kwamen (zeggende): “Aanbidt geen ander dan Allah”, zeiden zij: “Als onze Heer het zo gewild had, zou Hij zeker de Engelen naar beneden gestuurd hebben. Zeker! Wij geloven niet in dat gene waarmee jij gestuurd bent.”

فَأَمَّا عَادٞ فَٱسۡتَكۡبَرُواْ فِي ٱلۡأَرۡضِ بِغَيۡرِ ٱلۡحَقِّ وَقَالُواْ مَنۡ أَشَدُّ مِنَّا قُوَّةًۖ أَوَلَمۡ يَرَوۡاْ أَنَّ ٱللَّهَ ٱلَّذِي خَلَقَهُمۡ هُوَ أَشَدُّ مِنۡهُمۡ قُوَّةٗۖ وَكَانُواْ بِـَٔايَٰتِنَا يَجۡحَدُونَ 15

Wat de ‘Ad betreft, die waren zonder recht arrogant in hun land en zij zeiden: “Wie is er sterker dan wij?” Zien zij niet dat Allah, Die hen geschapen heeft, sterker is dan zij? En zij ontkenden Onze Tekenen!

فَأَرۡسَلۡنَا عَلَيۡهِمۡ رِيحٗا صَرۡصَرٗا فِيٓ أَيَّامٖ نَّحِسَاتٖ لِّنُذِيقَهُمۡ عَذَابَ ٱلۡخِزۡيِ فِي ٱلۡحَيَوٰةِ ٱلدُّنۡيَاۖ وَلَعَذَابُ ٱلۡأٓخِرَةِ أَخۡزَىٰۖ وَهُمۡ لَا يُنصَرُونَ 16

Dus stuurden Wij een woeste wind over hen tijdens enkele sombere dagen, zodat Wij hen een voorproef van een vernederende bestraffing in het huidige leven zouden geven, maar zeker, de bestraffing in het Hiernamaals zal nog vernederender zijn, en zij worden niet geholpen.

وَأَمَّا ثَمُودُ فَهَدَيۡنَٰهُمۡ فَٱسۡتَحَبُّواْ ٱلۡعَمَىٰ عَلَى ٱلۡهُدَىٰ فَأَخَذَتۡهُمۡ صَٰعِقَةُ ٱلۡعَذَابِ ٱلۡهُونِ بِمَا كَانُواْ يَكۡسِبُونَ 17

Wat de Thamoed betreft, Wij hebben hen het pad van de Waarheid getoond, maar in plaats van Leiding gaven zij de voorkeur aan blindheid, waarop de bliksemslag van de vernederende bestraffing hen trof, vanwege hun eigen verdiensten.

وَنَجَّيۡنَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَكَانُواْ يَتَّقُونَ 18

En Wij redden de gelovigen, en de godvrezenden.

وَيَوۡمَ يُحۡشَرُ أَعۡدَآءُ ٱللَّهِ إِلَى ٱلنَّارِ فَهُمۡ يُوزَعُونَ 19

En die Dag zullen de vijanden van Allah bij het Vuur verzameld worden, dan zullen zij (daarheen) gesleept worden.

حَتَّىٰٓ إِذَا مَا جَآءُوهَا شَهِدَ عَلَيۡهِمۡ سَمۡعُهُمۡ وَأَبۡصَٰرُهُمۡ وَجُلُودُهُم بِمَا كَانُواْ يَعۡمَلُونَ 20

Tot, wanneer zij haar (de Hel) bereiken, hun oren en hun ogen en hun huiden vanwege hun verdiensten tegen hen zullen getuigen.

وَقَالُواْ لِجُلُودِهِمۡ لِمَ شَهِدتُّمۡ عَلَيۡنَاۖ قَالُوٓاْ أَنطَقَنَا ٱللَّهُ ٱلَّذِيٓ أَنطَقَ كُلَّ شَيۡءٖۚ وَهُوَ خَلَقَكُمۡ أَوَّلَ مَرَّةٖ وَإِلَيۡهِ تُرۡجَعُونَ 21

En zij zullen tegen hun huiden zeggen: “Waarom getuigen jullie tegen ons?” Zij zullen zeggen: “Allah laat ons spreken zoals Hij alle dingen laat spreken en Hij heeft jullie de eerste keer geschapen en tot Hem zullen jullie terugkeren.”

وَمَا كُنتُمۡ تَسۡتَتِرُونَ أَن يَشۡهَدَ عَلَيۡكُمۡ سَمۡعُكُمۡ وَلَآ أَبۡصَٰرُكُمۡ وَلَا جُلُودُكُمۡ وَلَٰكِن ظَنَنتُمۡ أَنَّ ٱللَّهَ لَا يَعۡلَمُ كَثِيرٗا مِّمَّا تَعۡمَلُونَ 22

En jullie kunnen je er niet voor verstoppen want jullie oren, en jullie ogen en jullie huid zullen tegen jullie getuigen, maar jullie dachten dat Allah niet veel wist over de daden die jullie begingen.

وَذَٰلِكُمۡ ظَنُّكُمُ ٱلَّذِي ظَنَنتُم بِرَبِّكُمۡ أَرۡدَىٰكُمۡ فَأَصۡبَحۡتُم مِّنَ ٱلۡخَٰسِرِينَ 23

En die gedachten van jullie die jullie over jullie Heer koesterden, heeft jullie tot de vernietiging gebracht en daarom behoren jullie tot de verliezers.

فَإِن يَصۡبِرُواْ فَٱلنَّارُ مَثۡوٗى لَّهُمۡۖ وَإِن يَسۡتَعۡتِبُواْ فَمَا هُم مِّنَ ٱلۡمُعۡتَبِينَ 24

Als zij dan geduld hebben, dan is de Hel een verblijfplaats voor hen. En als zij smeken om genade, zullen zij niet degenen zijn die verontschuldigd worden.

۞وَقَيَّضۡنَا لَهُمۡ قُرَنَآءَ فَزَيَّنُواْ لَهُم مَّا بَيۡنَ أَيۡدِيهِمۡ وَمَا خَلۡفَهُمۡ وَحَقَّ عَلَيۡهِمُ ٱلۡقَوۡلُ فِيٓ أُمَمٖ قَدۡ خَلَتۡ مِن قَبۡلِهِم مِّنَ ٱلۡجِنِّ وَٱلۡإِنسِۖ إِنَّهُمۡ كَانُواْ خَٰسِرِينَ 25

En Wij hebben hen (duivelse) metgezellen toegekend, die (hen verblinden door) de dingen (te) verfraaien door verdraaiing: zowel van wat er zich vόόr hen bevindt (hun wereldse, zondige levens waarin het genot wordt nagejaagd) als van wat er zich achter hen bevindt (hun ontkenning van de afrekening en de opstanding). En het woord is tegen hen gerechtvaardigd zoals het gerechtvaardigd was tegen degenen onder de voorafgaande generaties Djinns en mensen. Voorwaar, zij waren (allen) verliezers.

وَقَالَ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ لَا تَسۡمَعُواْ لِهَٰذَا ٱلۡقُرۡءَانِ وَٱلۡغَوۡاْ فِيهِ لَعَلَّكُمۡ تَغۡلِبُونَ 26

En degenen die ongelovig waren zeiden: “Luister niet naar deze Koran en verstoort het. Hopelijk zullen jullie overwinnen.”

فَلَنُذِيقَنَّ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ عَذَابٗا شَدِيدٗا وَلَنَجۡزِيَنَّهُمۡ أَسۡوَأَ ٱلَّذِي كَانُواْ يَعۡمَلُونَ 27

Maar zeker, Wij zullen degenen die ongelovig zijn een zware bestraffing laten proeven. En Wij zullen hen zeker vergelden met het ergste wat zij gedaan hebben.

ذَٰلِكَ جَزَآءُ أَعۡدَآءِ ٱللَّهِ ٱلنَّارُۖ لَهُمۡ فِيهَا دَارُ ٱلۡخُلۡدِ جَزَآءَۢ بِمَا كَانُواْ بِـَٔايَٰتِنَا يَجۡحَدُونَ 28

Dat is de vergelding van de vijanden van Allah: Het Vuur. Voor hen is daar de eeuwige verblijfplaats, als een vergelding omdat zij Onze Tekenen plachten te ontkennen.

وَقَالَ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ رَبَّنَآ أَرِنَا ٱلَّذَيۡنِ أَضَلَّانَا مِنَ ٱلۡجِنِّ وَٱلۡإِنسِ نَجۡعَلۡهُمَا تَحۡتَ أَقۡدَامِنَا لِيَكُونَا مِنَ ٱلۡأَسۡفَلِينَ 29

En degenen die ongelovig zijn zullen zeggen: “Onze Heer! Laat ons degenen van de Djinn en de mensen zien die ons hebben doen afdwalen, wij zullen hen onder onze voeten plaatsen zodat zij tot de laagsten behoren.”

إِنَّ ٱلَّذِينَ قَالُواْ رَبُّنَا ٱللَّهُ ثُمَّ ٱسۡتَقَٰمُواْ تَتَنَزَّلُ عَلَيۡهِمُ ٱلۡمَلَـٰٓئِكَةُ أَلَّا تَخَافُواْ وَلَا تَحۡزَنُواْ وَأَبۡشِرُواْ بِٱلۡجَنَّةِ ٱلَّتِي كُنتُمۡ تُوعَدُونَ 30

Waarlijk, degenen die zeggen: “Onze Heer is (alleen) Allah,” en daarin standvastig blijven, voor hen zullen de Engelen afdalen (zeggende): “Vrees niet noch wees bedroefd! Maar ontvang het goede nieuws van het Paradijs wat jullie beloofd is!

نَحۡنُ أَوۡلِيَآؤُكُمۡ فِي ٱلۡحَيَوٰةِ ٱلدُّنۡيَا وَفِي ٱلۡأٓخِرَةِۖ وَلَكُمۡ فِيهَا مَا تَشۡتَهِيٓ أَنفُسُكُمۡ وَلَكُمۡ فِيهَا مَا تَدَّعُونَ 31

Wij zijn jullie vrienden in het wereldse leven en in het Hiernamaals. Daar zullen jullie alles hebben wat" jullie hart wenst, en daarin zullen jullie (alles) hebben waar jullie om vragen.

نُزُلٗا مِّنۡ غَفُورٖ رَّحِيمٖ 32

Als een ontvangst van de Vergevingsgezinde, de Genadevolle.”

وَمَنۡ أَحۡسَنُ قَوۡلٗا مِّمَّن دَعَآ إِلَى ٱللَّهِ وَعَمِلَ صَٰلِحٗا وَقَالَ إِنَّنِي مِنَ ٱلۡمُسۡلِمِينَ 33

En wiens woord is beter dan dat van hem die oproept tot Allah en goede daden verricht, en zegt: “Ik ben één van de moslims.”

وَلَا تَسۡتَوِي ٱلۡحَسَنَةُ وَلَا ٱلسَّيِّئَةُۚ ٱدۡفَعۡ بِٱلَّتِي هِيَ أَحۡسَنُ فَإِذَا ٱلَّذِي بَيۡنَكَ وَبَيۡنَهُۥ عَدَٰوَةٞ كَأَنَّهُۥ وَلِيٌّ حَمِيمٞ 34

De goede daad en de slechte daad kunnen niet gelijk zijn. Vervang (het kwaad) met wat beter is, dan zal degene met wie je in vijandschap leefde je hartsvriend worden.

وَمَا يُلَقَّىٰهَآ إِلَّا ٱلَّذِينَ صَبَرُواْ وَمَا يُلَقَّىٰهَآ إِلَّا ذُو حَظٍّ عَظِيمٖ 35

Maar dit wordt slechts gegeven aan degenen die geduldig zijn en dit wordt slechts gegeven aan de eigenaar van een groot geluk.

وَإِمَّا يَنزَغَنَّكَ مِنَ ٱلشَّيۡطَٰنِ نَزۡغٞ فَٱسۡتَعِذۡ بِٱللَّهِۖ إِنَّهُۥ هُوَ ٱلسَّمِيعُ ٱلۡعَلِيمُ 36

En als Satan jou met een kwade influistering benadert (om je van het goede te weerhouden), zoek dan toevlucht bij Allah (om het teniet te doen). Waarlijk, Hij is de Alhorende (van alle uitspraken), de Alwetende (van alle daden).

وَمِنۡ ءَايَٰتِهِ ٱلَّيۡلُ وَٱلنَّهَارُ وَٱلشَّمۡسُ وَٱلۡقَمَرُۚ لَا تَسۡجُدُواْ لِلشَّمۡسِ وَلَا لِلۡقَمَرِ وَٱسۡجُدُواْۤ لِلَّهِۤ ٱلَّذِي خَلَقَهُنَّ إِن كُنتُمۡ إِيَّاهُ تَعۡبُدُونَ 37

En tot Zijn Tekenen behoren de nacht en de dag, en de zon en de maan. Kniel niet voor de zon of de maan maar kniel voor Allah Die hen geschapen heeft, als jullie Hem (echt) aanbidden.

فَإِنِ ٱسۡتَكۡبَرُواْ فَٱلَّذِينَ عِندَ رَبِّكَ يُسَبِّحُونَ لَهُۥ بِٱلَّيۡلِ وَٱلنَّهَارِ وَهُمۡ لَا يَسۡـَٔمُونَ۩ 38

Maar als zij te trots zijn: Degenen die bij hun Heer zijn verheerlijken dag en nacht Zijn Glorie en zij zijn nooit vermoeid.

وَمِنۡ ءَايَٰتِهِۦٓ أَنَّكَ تَرَى ٱلۡأَرۡضَ خَٰشِعَةٗ فَإِذَآ أَنزَلۡنَا عَلَيۡهَا ٱلۡمَآءَ ٱهۡتَزَّتۡ وَرَبَتۡۚ إِنَّ ٱلَّذِيٓ أَحۡيَاهَا لَمُحۡيِ ٱلۡمَوۡتَىٰٓۚ إِنَّهُۥ عَلَىٰ كُلِّ شَيۡءٖ قَدِيرٌ 39

En het behoort tot Zijn Tekenen dat jij de droge aarde ziet, maar als Wij er dan water op doen neerdalen, dan beweegt zij en zet zij zich uit. Waarlijk, Degene Die haar doet leven is in staat om het leven aan de doden te geven. Voorwaar! Hij is tot alle zaken in staat.

إِنَّ ٱلَّذِينَ يُلۡحِدُونَ فِيٓ ءَايَٰتِنَا لَا يَخۡفَوۡنَ عَلَيۡنَآۗ أَفَمَن يُلۡقَىٰ فِي ٱلنَّارِ خَيۡرٌ أَم مَّن يَأۡتِيٓ ءَامِنٗا يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِۚ ٱعۡمَلُواْ مَا شِئۡتُمۡ إِنَّهُۥ بِمَا تَعۡمَلُونَ بَصِيرٌ 40

Waarlijk, degenen die Onze Tekenen verdraaien zijn niet voor Ons verborgen. Is degene die in het Vuur blijft beter, of degene die veilig aankomt op de Dag der Opstanding? Doe wat jullie willen. Waarlijk! Hij is Alziende over wat jullie doen.

إِنَّ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ بِٱلذِّكۡرِ لَمَّا جَآءَهُمۡۖ وَإِنَّهُۥ لَكِتَٰبٌ عَزِيزٞ 41

Waarlijk, degenen "die niet in de Overdenking geloven toen het tot hen kwam. En waarlijk, het is een verheven Boek.

لَّا يَأۡتِيهِ ٱلۡبَٰطِلُ مِنۢ بَيۡنِ يَدَيۡهِ وَلَا مِنۡ خَلۡفِهِۦۖ تَنزِيلٞ مِّنۡ حَكِيمٍ حَمِيدٖ 42

De valsheid raakt hem (de Koran) niet, niet van voren en niet van achteren. Het is door de Alwijze, de Gerprezene neergezonden.

مَّا يُقَالُ لَكَ إِلَّا مَا قَدۡ قِيلَ لِلرُّسُلِ مِن قَبۡلِكَۚ إِنَّ رَبَّكَ لَذُو مَغۡفِرَةٖ وَذُو عِقَابٍ أَلِيمٖ 43

Er wordt jou niets gezegd wat waarlijk niet tot de Boodschappers vóór jou is gezegd. Waarlijk, jouw Heer is de Bezitter van de vergiffenis en (ook) de Bezitter van een pijnlijke bestraffing.

وَلَوۡ جَعَلۡنَٰهُ قُرۡءَانًا أَعۡجَمِيّٗا لَّقَالُواْ لَوۡلَا فُصِّلَتۡ ءَايَٰتُهُۥٓۖ ءَا۬عۡجَمِيّٞ وَعَرَبِيّٞۗ قُلۡ هُوَ لِلَّذِينَ ءَامَنُواْ هُدٗى وَشِفَآءٞۚ وَٱلَّذِينَ لَا يُؤۡمِنُونَ فِيٓ ءَاذَانِهِمۡ وَقۡرٞ وَهُوَ عَلَيۡهِمۡ عَمًىۚ أُوْلَـٰٓئِكَ يُنَادَوۡنَ مِن مَّكَانِۭ بَعِيدٖ 44

En als Wij hem als een Koran in een vreemde taal hadden geopenbaard, (anders dan Arabisch) dan zouden zij gezegd hebben: “Waarom zijn haar Verzen niet nauwkeurig (in onze taal) uitgelegd? Wat! (Een Boek) niet in het Arabisch en de Boodschapper is een Arabier?” Zeg: “Het is voor degenen die geloven een Leiding en een genezing. En wat de ongelovigen betreft: er is doofheid in hun oren en het is duister voor hen. Dit zijn degenen die van een verre plaats geroepen worden.

وَلَقَدۡ ءَاتَيۡنَا مُوسَى ٱلۡكِتَٰبَ فَٱخۡتُلِفَ فِيهِۚ وَلَوۡلَا كَلِمَةٞ سَبَقَتۡ مِن رَّبِّكَ لَقُضِيَ بَيۡنَهُمۡۚ وَإِنَّهُمۡ لَفِي شَكّٖ مِّنۡهُ مُرِيبٖ 45

En voorwaar, Wij gaven Mozes het Schrift, maar er werd over geredetwist. En als er geen het woord (van uitstel) van jou Heer was vooruit gegaan, dan was de zaak tussen hen zeker bepaald. Maar waarlijk, zij hebben daarover (de Koran) grote twijfel.

مَّنۡ عَمِلَ صَٰلِحٗا فَلِنَفۡسِهِۦۖ وَمَنۡ أَسَآءَ فَعَلَيۡهَاۗ وَمَا رَبُّكَ بِظَلَّـٰمٖ لِّلۡعَبِيدِ 46

Iedereen die goede daden verricht doet dit voor zichzelf en iedereen die kwaad doet schaadt zichzelf en jullie Heer is niet onrechtvaardig voor (Zijn) slaven. ۞

۞إِلَيۡهِ يُرَدُّ عِلۡمُ ٱلسَّاعَةِۚ وَمَا تَخۡرُجُ مِن ثَمَرَٰتٖ مِّنۡ أَكۡمَامِهَا وَمَا تَحۡمِلُ مِنۡ أُنثَىٰ وَلَا تَضَعُ إِلَّا بِعِلۡمِهِۦۚ وَيَوۡمَ يُنَادِيهِمۡ أَيۡنَ شُرَكَآءِي قَالُوٓاْ ءَاذَنَّـٰكَ مَامِنَّا مِن شَهِيدٖ 47

Naar Hem wordt de kennis over het Uur verwezen. En geen vruchten komt voort uit hun bloemscheden, en er is geen vrouw die een kind draagt of baart, behalve door Zijn kennis. En op de Dag wanneer Hij tot hen roept: “Waar zijn Mijn (zogenoemde) deelgenoten?” zeggen zij: “Wij vertellen U dat geen van ons daarvoor getuigt!”

وَضَلَّ عَنۡهُم مَّا كَانُواْ يَدۡعُونَ مِن قَبۡلُۖ وَظَنُّواْ مَا لَهُم مِّن مَّحِيصٖ 48

En wat zij hiervoor plachten aan te roepen, baat hen niet en zij zullen zien dat zij geen uitweg hebben.

لَّا يَسۡـَٔمُ ٱلۡإِنسَٰنُ مِن دُعَآءِ ٱلۡخَيۡرِ وَإِن مَّسَّهُ ٱلشَّرُّ فَيَـُٔوسٞ قَنُوطٞ 49

De mens krijgt er nooit genoeg van om goede te vragen, maar als het kwaad hem raakt, dan geeft hij alle hoop op en is verloren in wanhoop.

وَلَئِنۡ أَذَقۡنَٰهُ رَحۡمَةٗ مِّنَّا مِنۢ بَعۡدِ ضَرَّآءَ مَسَّتۡهُ لَيَقُولَنَّ هَٰذَا لِي وَمَآ أَظُنُّ ٱلسَّاعَةَ قَآئِمَةٗ وَلَئِن رُّجِعۡتُ إِلَىٰ رَبِّيٓ إِنَّ لِي عِندَهُۥ لَلۡحُسۡنَىٰۚ فَلَنُنَبِّئَنَّ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ بِمَا عَمِلُواْ وَلَنُذِيقَنَّهُم مِّنۡ عَذَابٍ غَلِيظٖ 50

En waarlijk, als Wij hem de Genade van Ons laten proeven, na wat tegenslag hem geraakt heeft, zal hij zeker zeggen: “Dit komt mij toe en ik denk niet dat het Uur is zal plaatsvinden. Maar als ik tot mijn Heer wordt teruggebracht, dan zal daar zeker voor mij het beste zijn. Dan, laten Wij waarlijk aan de ongelovigen zien wat zij gedaan hebben en Wij zullen hen een zware bestraffing laten proeven.

وَإِذَآ أَنۡعَمۡنَا عَلَى ٱلۡإِنسَٰنِ أَعۡرَضَ وَنَـَٔا بِجَانِبِهِۦ وَإِذَا مَسَّهُ ٱلشَّرُّ فَذُو دُعَآءٍ عَرِيضٖ 51

En als Wij de mens gunsten laten zien, trekt hij zich terug en keert zich af, maar als het kwaad hem raakt, dan neemt hij zijn toevlucht tot lange smeekbeden.

قُلۡ أَرَءَيۡتُمۡ إِن كَانَ مِنۡ عِندِ ٱللَّهِ ثُمَّ كَفَرۡتُم بِهِۦ مَنۡ أَضَلُّ مِمَّنۡ هُوَ فِي شِقَاقِۭ بَعِيدٖ 52

Zeg: “Wat dachten jullie: als (deze Koran) van Allah afkomstig is en jullie daar niet in geloven; wie is er dan verder afgedwaald dan wie in twijfel verkeert?”

سَنُرِيهِمۡ ءَايَٰتِنَا فِي ٱلۡأٓفَاقِ وَفِيٓ أَنفُسِهِمۡ حَتَّىٰ يَتَبَيَّنَ لَهُمۡ أَنَّهُ ٱلۡحَقُّۗ أَوَلَمۡ يَكۡفِ بِرَبِّكَ أَنَّهُۥ عَلَىٰ كُلِّ شَيۡءٖ شَهِيدٌ 53

Wij laten hun Onze Tekenen in het universum zien en in jullie zelf, tot het jullie duidelijk wordt dat dit de Waarheid is. Is het niet voldoende dat jouw Heer de Getuige van alle dingen is?

أَلَآ إِنَّهُمۡ فِي مِرۡيَةٖ مِّن لِّقَآءِ رَبِّهِمۡۗ أَلَآ إِنَّهُۥ بِكُلِّ شَيۡءٖ مُّحِيطُۢ 54

Waarlijk! Zij twijfelen over de Ontmoeting met hun Heer. Waarlijk! Hij is het Die alle zaken omringt!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Close