Soera 40 – Ghafir – Hij Die Vergeeft – غافر

Deze soera in de nieuwe Koran omgeving lezen? Ja, graag
bismillah ir rahman ir rahim

حمٓ 1

Hā Mīm.

تَنزِيلُ ٱلۡكِتَٰبِ مِنَ ٱللَّهِ ٱلۡعَزِيزِ ٱلۡعَلِيمِ 2

De openbaring van het Boek is van Allah, de Almachtige, de Alwetende.

غَافِرِ ٱلذَّنۢبِ وَقَابِلِ ٱلتَّوۡبِ شَدِيدِ ٱلۡعِقَابِ ذِي ٱلطَّوۡلِۖ لَآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَۖ إِلَيۡهِ ٱلۡمَصِيرُ 3

De Vergever van de zonden en de Aanvaarder van het berouw, de Strenge in de bestraffing, de Bezitter van grote macht. Geen god is er dan Hij, tot Hem is de uiteindelijke" terugkeer.

مَا يُجَٰدِلُ فِيٓ ءَايَٰتِ ٱللَّهِ إِلَّا ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ فَلَا يَغۡرُرۡكَ تَقَلُّبُهُمۡ فِي ٱلۡبِلَٰدِ 4

Niemand redetwist over de Verzen van Allah behalve degene die ongelovig zijn. Laat daarom hun rondtrekken in het land jou niet bedriegen.

كَذَّبَتۡ قَبۡلَهُمۡ قَوۡمُ نُوحٖ وَٱلۡأَحۡزَابُ مِنۢ بَعۡدِهِمۡۖ وَهَمَّتۡ كُلُّ أُمَّةِۭ بِرَسُولِهِمۡ لِيَأۡخُذُوهُۖ وَجَٰدَلُواْ بِٱلۡبَٰطِلِ لِيُدۡحِضُواْ بِهِ ٱلۡحَقَّ فَأَخَذۡتُهُمۡۖ فَكَيۡفَ كَانَ عِقَابِ 5

Vόόr hen loochende het volk van Noah (de Boodschappers) en de partners (van de ongelovigen) na hen. Elk volk wenste hun Boodschapper te grijpen. En zij redetwistten met valse argumenten om de Waarheid te verwerpen. Dus greep Ik hen en hoe (vreselijk) was Mijn bestraffing!

وَكَذَٰلِكَ حَقَّتۡ كَلِمَتُ رَبِّكَ عَلَى ٱلَّذِينَ كَفَرُوٓاْ أَنَّهُمۡ أَصۡحَٰبُ ٱلنَّارِ 6

Zo werd het Woord van jullie Heer bewaarheid tegen degenen die ongelovig waren. Voorwaar, zij zijn de bewoners van het Vuur.

ٱلَّذِينَ يَحۡمِلُونَ ٱلۡعَرۡشَ وَمَنۡ حَوۡلَهُۥ يُسَبِّحُونَ بِحَمۡدِ رَبِّهِمۡ وَيُؤۡمِنُونَ بِهِۦ وَيَسۡتَغۡفِرُونَ لِلَّذِينَ ءَامَنُواْۖ رَبَّنَا وَسِعۡتَ كُلَّ شَيۡءٖ رَّحۡمَةٗ وَعِلۡمٗا فَٱغۡفِرۡ لِلَّذِينَ تَابُواْ وَٱتَّبَعُواْ سَبِيلَكَ وَقِهِمۡ عَذَابَ ٱلۡجَحِيمِ 7

Degenen (Engelen) die de Troon dragen en wie zich daar omheen bevinden, verheerlijken hun Heer met de lof die Hem toekomt. En zij geloven in Hem en vragen om vergeving voor degenen die geloven (zeggende): “Onze Heer! Uw Barmhartigheid en Kennis omvat alle zaken, vergeef dus degenen die berouw hebben en Uw weg volgen, en redt hen van de bestraffing van het laaiende Vuur!

رَبَّنَا وَأَدۡخِلۡهُمۡ جَنَّـٰتِ عَدۡنٍ ٱلَّتِي وَعَدتَّهُمۡ وَمَن صَلَحَ مِنۡ ءَابَآئِهِمۡ وَأَزۡوَٰجِهِمۡ وَذُرِّيَّـٰتِهِمۡۚ إِنَّكَ أَنتَ ٱلۡعَزِيزُ ٱلۡحَكِيمُ 8

Onze Heer! En laat hen de Eeuwige Tuinen binnentreden, die U hen beloofde, en wie rechtschapenen waren onder hun vaderen, hun echtgenotes en hun nageslacht. Waarlijk, U bent de Almachtige, de Alwijze.

وَقِهِمُ ٱلسَّيِّـَٔاتِۚ وَمَن تَقِ ٱلسَّيِّـَٔاتِ يَوۡمَئِذٖ فَقَدۡ رَحِمۡتَهُۥۚ وَذَٰلِكَ هُوَ ٱلۡفَوۡزُ ٱلۡعَظِيمُ 9

En redt hen van de (bestraffing van de) zonden. En ieder die U op die Dag redt; hém heeft U dan waarlijk begenadigd. En dat is een geweldig succes.”

إِنَّ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ يُنَادَوۡنَ لَمَقۡتُ ٱللَّهِ أَكۡبَرُ مِن مَّقۡتِكُمۡ أَنفُسَكُمۡ إِذۡ تُدۡعَوۡنَ إِلَى ٱلۡإِيمَٰنِ فَتَكۡفُرُونَ 10

Voorwaar, tot degenen die ongelovig waren zal (op die Dag) geroepen worden:“Allah’s afkeer is groter dan jullie afkeer; toen jullie tot het geloof werden opgeroepen, maar het weigerden.”

قَالُواْ رَبَّنَآ أَمَتَّنَا ٱثۡنَتَيۡنِ وَأَحۡيَيۡتَنَا ٱثۡنَتَيۡنِ فَٱعۡتَرَفۡنَا بِذُنُوبِنَا فَهَلۡ إِلَىٰ خُرُوجٖ مِّن سَبِيلٖ 11

Zij zullen zeggen: “Onze Heer! U hebt ons tweemaal laten sterven, en U hebt ons tweemaal het leven gegeven! Nu bekennen wij onze zonden, is er dan nog een terugkeer van de weg (de bestraffing)?”

ذَٰلِكُم بِأَنَّهُۥٓ إِذَا دُعِيَ ٱللَّهُ وَحۡدَهُۥ كَفَرۡتُمۡ وَإِن يُشۡرَكۡ بِهِۦ تُؤۡمِنُواْۚ فَٱلۡحُكۡمُ لِلَّهِ ٱلۡعَلِيِّ ٱلۡكَبِيرِ 12

(Nee) Dit is omdat jullie ongelovig waren toen Allah als Enige God werd aangeroepen. Maar toen er deelgenoten aan Hem werden toegevoegd, geloofden jullie daarin! Dus het oordeel ligt uitsluitend bij Allah, de Allerhoogste, de Allergrootste.

هُوَ ٱلَّذِي يُرِيكُمۡ ءَايَٰتِهِۦ وَيُنَزِّلُ لَكُم مِّنَ ٱلسَّمَآءِ رِزۡقٗاۚ وَمَا يَتَذَكَّرُ إِلَّا مَن يُنِيبُ 13

Hij is Degene Die jullie Zijn Tekenen toont en Die voor jullie uit de hemel voorzieningen neerzendt. En niemand herinnert zich dat, behalve degenen die zich in gehoorzaamheid en in berouw (tot Allah) keren.

فَٱدۡعُواْ ٱللَّهَ مُخۡلِصِينَ لَهُ ٱلدِّينَ وَلَوۡ كَرِهَ ٱلۡكَٰفِرُونَ 14

Roep daarom Allah aan, en laat (jullie) aanbidding volledig voor Hem (alleen) zijn. Hoe sterk de ongelovigen het ook haten.

رَفِيعُ ٱلدَّرَجَٰتِ ذُو ٱلۡعَرۡشِ يُلۡقِي ٱلرُّوحَ مِنۡ أَمۡرِهِۦ عَلَىٰ مَن يَشَآءُ مِنۡ عِبَادِهِۦ لِيُنذِرَ يَوۡمَ ٱلتَّلَاقِ 15

Verheven boven alle graden is de Heer van de Troon. Hij stuurt de Openbaring op Zijn bevel aan welke dienaar Hij wil, opdat hij de (mensen) kan waarschuwen voor de Dag van de Ontmoeting.

يَوۡمَ هُم بَٰرِزُونَۖ لَا يَخۡفَىٰ عَلَى ٱللَّهِ مِنۡهُمۡ شَيۡءٞۚ لِّمَنِ ٱلۡمُلۡكُ ٱلۡيَوۡمَۖ لِلَّهِ ٱلۡوَٰحِدِ ٱلۡقَهَّارِ 16

Op de Dag wanneer zij tevoorschijn komen, zal niets voor Allah verborgen blijven. Aan Wie behoort het Koninkrijk op deze Dag? Het is van Allah, de Ene, de Overweldiger.

ٱلۡيَوۡمَ تُجۡزَىٰ كُلُّ نَفۡسِۭ بِمَا كَسَبَتۡۚ لَا ظُلۡمَ ٱلۡيَوۡمَۚ إِنَّ ٱللَّهَ سَرِيعُ ٱلۡحِسَابِ 17

(Op) deze Dag zal iedere ziel vergolden worden voor wat zij heeft verricht. Op die Dag is er geen onrecht. Waarlijk, Allah is snel in de afrekening.

وَأَنذِرۡهُمۡ يَوۡمَ ٱلۡأٓزِفَةِ إِذِ ٱلۡقُلُوبُ لَدَى ٱلۡحَنَاجِرِ كَٰظِمِينَۚ مَا لِلظَّـٰلِمِينَ مِنۡ حَمِيمٖ وَلَا شَفِيعٖ يُطَاعُ 18

En waarschuw hen (O Mohammed) voor de Dag die nadert, wanneer de harten treurig in de kelen blijven kloppen. Er zal voor de onrechtvaardigen geen vriend of bemiddelaar zijn die wordt gehoord.

يَعۡلَمُ خَآئِنَةَ ٱلۡأَعۡيُنِ وَمَا تُخۡفِي ٱلصُّدُورُ 19

Allah kent het bedrog van de ogen en alles wat de harten bedekken.

وَٱللَّهُ يَقۡضِي بِٱلۡحَقِّۖ وَٱلَّذِينَ يَدۡعُونَ مِن دُونِهِۦ لَا يَقۡضُونَ بِشَيۡءٍۗ إِنَّ ٱللَّهَ هُوَ ٱلسَّمِيعُ ٱلۡبَصِيرُ 20

En Allah oordeelt in Waarheid, terwijl degenen die zij naast Hem aanroepen nergens over kunnen oordelen. Zeker, Allah is de Alhorende, de Alziende.

۞أَوَلَمۡ يَسِيرُواْ فِي ٱلۡأَرۡضِ فَيَنظُرُواْ كَيۡفَ كَانَ عَٰقِبَةُ ٱلَّذِينَ كَانُواْ مِن قَبۡلِهِمۡۚ كَانُواْ هُمۡ أَشَدَّ مِنۡهُمۡ قُوَّةٗ وَءَاثَارٗا فِي ٱلۡأَرۡضِ فَأَخَذَهُمُ ٱللَّهُ بِذُنُوبِهِمۡ وَمَا كَانَ لَهُم مِّنَ ٱللَّهِ مِن وَاقٖ 21

Hebben zij niet door het land gereisd en gezien wat het einde was van degenen die vóór hen waren? Zij waren sterker dan hen en in de sporen op de aarde. Maar Allah greep hen met "een bestraffing voor hun zonden. En zij hadden niemand die hen tegen Allah kon beschermen.

ذَٰلِكَ بِأَنَّهُمۡ كَانَت تَّأۡتِيهِمۡ رُسُلُهُم بِٱلۡبَيِّنَٰتِ فَكَفَرُواْ فَأَخَذَهُمُ ٱللَّهُۚ إِنَّهُۥ قَوِيّٞ شَدِيدُ ٱلۡعِقَابِ 22

Dat was omdat hun Boodschappers tot hen waren gekomen met duidelijke bewijzen en Tekenen, maar zij (hen) niet geloofden. Dus greep Allah hen met een bestraffing. Waarlijk, Hij is Machtig, streng in bestraffing.

وَلَقَدۡ أَرۡسَلۡنَا مُوسَىٰ بِـَٔايَٰتِنَا وَسُلۡطَٰنٖ مُّبِينٍ 23

En zeker, Wij hebben Mozes met Onze Tekenen en met een duidelijk gezag gestuurd.

إِلَىٰ فِرۡعَوۡنَ وَهَٰمَٰنَ وَقَٰرُونَ فَقَالُواْ سَٰحِرٞ كَذَّابٞ 24

Naar Farao, Haman en Korah, maar zij noemden (hem): “Een tovenaar, een leugenaar!”

فَلَمَّا جَآءَهُم بِٱلۡحَقِّ مِنۡ عِندِنَا قَالُواْ ٱقۡتُلُوٓاْ أَبۡنَآءَ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ مَعَهُۥ وَٱسۡتَحۡيُواْ نِسَآءَهُمۡۚ وَمَا كَيۡدُ ٱلۡكَٰفِرِينَ إِلَّا فِي ضَلَٰلٖ 25

Toen hij tot hen kwam met de waarheid van Onze Zijde, zeiden zei: “Doodt de zonen van degenen die met hem geloven, maar laat hun vrouwen leven.” Maar de samenzweringen van de ongelovigen zijn niets dan dwalingen!

وَقَالَ فِرۡعَوۡنُ ذَرُونِيٓ أَقۡتُلۡ مُوسَىٰ وَلۡيَدۡعُ رَبَّهُۥٓۖ إِنِّيٓ أَخَافُ أَن يُبَدِّلَ دِينَكُمۡ أَوۡ أَن يُظۡهِرَ فِي ٱلۡأَرۡضِ ٱلۡفَسَادَ 26

Farao zei: “Laat mij Mozes doden en laat hem zijn Heer aanroepen! Ik ben bang dat hij jullie van godsdienst zal laten veranderen, of dat hij ellende in het land zal zaaien.”

وَقَالَ مُوسَىٰٓ إِنِّي عُذۡتُ بِرَبِّي وَرَبِّكُم مِّن كُلِّ مُتَكَبِّرٖ لَّا يُؤۡمِنُ بِيَوۡمِ ٱلۡحِسَابِ 27

Mozes zei: “Waarlijk, ik zoek toevlucht bij mijn Heer en bij jullie Heer tegen alle arrogante mensen die niet in de Dag van de Vergelding geloven.”

وَقَالَ رَجُلٞ مُّؤۡمِنٞ مِّنۡ ءَالِ فِرۡعَوۡنَ يَكۡتُمُ إِيمَٰنَهُۥٓ أَتَقۡتُلُونَ رَجُلًا أَن يَقُولَ رَبِّيَ ٱللَّهُ وَقَدۡ جَآءَكُم بِٱلۡبَيِّنَٰتِ مِن رَّبِّكُمۡۖ وَإِن يَكُ كَٰذِبٗا فَعَلَيۡهِ كَذِبُهُۥۖ وَإِن يَكُ صَادِقٗا يُصِبۡكُم بَعۡضُ ٱلَّذِي يَعِدُكُمۡۖ إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَهۡدِي مَنۡ هُوَ مُسۡرِفٞ كَذَّابٞ 28

En een gelovige man uit de familie van de Farao, die zijn geloof verborgen hield, zei: “Doden jullie een man omdat hij zegt dat zijn Heer Allah is, terwijl hij met de duidelijke bewijzen van jullie Heer tot jullie is gekomen? Als hij een leugenaar is, dan zal op hem (de zonde) van zijn leugen rusten; maar als hij de waarheid vertelt, dan zullen sommigen van die (rampen) waar hij jullie mee bedreigt, jullie treffen. Waarlijk, Allah leidt geen mensen die zondigen en liegen.

يَٰقَوۡمِ لَكُمُ ٱلۡمُلۡكُ ٱلۡيَوۡمَ ظَٰهِرِينَ فِي ٱلۡأَرۡضِ فَمَن يَنصُرُنَا مِنۢ بَأۡسِ ٱللَّهِ إِن جَآءَنَاۚ قَالَ فِرۡعَوۡنُ مَآ أُرِيكُمۡ إِلَّا مَآ أَرَىٰ وَمَآ أَهۡدِيكُمۡ إِلَّا سَبِيلَ ٱلرَّشَادِ 29

(Hij zei:) “O mijn volk! Aan jullie is vandaag het koninkrijk, jullie zijn de heersers in het land. Maar wie zal ons van de bestraffing van Allah redden als die over ons komt?” Farao zei: “Ik laat jullie alleen zien wat ik zie, en ik leid" jullie slechts naar het rechte pad.”

وَقَالَ ٱلَّذِيٓ ءَامَنَ يَٰقَوۡمِ إِنِّيٓ أَخَافُ عَلَيۡكُم مِّثۡلَ يَوۡمِ ٱلۡأَحۡزَابِ 30

En hij die geloofde zei: “O mijn volk! Waarlijk, ik vrees voor jullie het gelijke van wat er op de dag van de bondgenoten is (een bestraffing).

مِثۡلَ دَأۡبِ قَوۡمِ نُوحٖ وَعَادٖ وَثَمُودَ وَٱلَّذِينَ مِنۢ بَعۡدِهِمۡۚ وَمَا ٱللَّهُ يُرِيدُ ظُلۡمٗا لِّلۡعِبَادِ 31

Net als het lot van het volk van Noah en ‘Ad en Thamoed en degenen die na hen kwamen.” En Allah wil geen onrechtvaardigheid voor (Zijn) slaven.

وَيَٰقَوۡمِ إِنِّيٓ أَخَافُ عَلَيۡكُمۡ يَوۡمَ ٱلتَّنَادِ 32

(Hij zei:) “O mijn volk! Waarlijk! Ik vrees voor jullie voor de Dag van het wederzijdse geroep (om hulp).

يَوۡمَ تُوَلُّونَ مُدۡبِرِينَ مَا لَكُم مِّنَ ٱللَّهِ مِنۡ عَاصِمٖۗ وَمَن يُضۡلِلِ ٱللَّهُ فَمَا لَهُۥ مِنۡ هَادٖ 33

Een Dag waarop jullie je zullen omdraaien en vluchten, er is voor jullie geen redder. En wie door Allah tot dwaling gebracht wordt: voor hem is er geen leiding.”

وَلَقَدۡ جَآءَكُمۡ يُوسُفُ مِن قَبۡلُ بِٱلۡبَيِّنَٰتِ فَمَا زِلۡتُمۡ فِي شَكّٖ مِّمَّا جَآءَكُم بِهِۦۖ حَتَّىٰٓ إِذَا هَلَكَ قُلۡتُمۡ لَن يَبۡعَثَ ٱللَّهُ مِنۢ بَعۡدِهِۦ رَسُولٗاۚ كَذَٰلِكَ يُضِلُّ ٱللَّهُ مَنۡ هُوَ مُسۡرِفٞ مُّرۡتَابٌ 34

En voorwaar, Yoesoef is tot jullie gekomen met duidelijke bewijzen, maar jullie bleven twijfelen over de zaken die hij jullie bracht. Zelfs toen hij gestorven was zeiden jullie: “Allah zal na hem nooit meer een Boodschapper sturen.” Zo doet Allah degene dwalen die een grote zondaar en een twijfelaar is.”

ٱلَّذِينَ يُجَٰدِلُونَ فِيٓ ءَايَٰتِ ٱللَّهِ بِغَيۡرِ سُلۡطَٰنٍ أَتَىٰهُمۡۖ كَبُرَ مَقۡتًا عِندَ ٱللَّهِ وَعِندَ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْۚ كَذَٰلِكَ يَطۡبَعُ ٱللَّهُ عَلَىٰ كُلِّ قَلۡبِ مُتَكَبِّرٖ جَبَّارٖ 35

Degenen die twisten over de Tekenen van Allah, zonder dat er enig gezag (daarover) tot hen kwam. Groot is de woede van Allah en bij degenen die geloven. Zo verzegelt Allah het hart van elke arrogante tiran.

وَقَالَ فِرۡعَوۡنُ يَٰهَٰمَٰنُ ٱبۡنِ لِي صَرۡحٗا لَّعَلِّيٓ أَبۡلُغُ ٱلۡأَسۡبَٰبَ 36

En Farao zei: “O Haman! Bouw voor mij een hoog paleis zodat ik de toegangswegen kan naderen.

أَسۡبَٰبَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ فَأَطَّلِعَ إِلَىٰٓ إِلَٰهِ مُوسَىٰ وَإِنِّي لَأَظُنُّهُۥ كَٰذِبٗاۚ وَكَذَٰلِكَ زُيِّنَ لِفِرۡعَوۡنَ سُوٓءُ عَمَلِهِۦ وَصُدَّ عَنِ ٱلسَّبِيلِۚ وَمَا كَيۡدُ فِرۡعَوۡنَ إِلَّا فِي تَبَابٖ 37

De wegen naar de hemelen zodat ik de god van Mozes kan zien. Maar waarlijk, ik denk dat hij een leugenaar is.” Zo werden voor Farao zijn slechte daden schoonschijnend gemaakt. Maar de list van de Farao kan niet anders dan mislukken.

وَقَالَ ٱلَّذِيٓ ءَامَنَ يَٰقَوۡمِ ٱتَّبِعُونِ أَهۡدِكُمۡ سَبِيلَ ٱلرَّشَادِ 38

En de gelovige zei: “O mijn volk! Volg mij, ik zal jullie leiden op de rechte Weg.

يَٰقَوۡمِ إِنَّمَا هَٰذِهِ ٱلۡحَيَوٰةُ ٱلدُّنۡيَا مَتَٰعٞ وَإِنَّ ٱلۡأٓخِرَةَ هِيَ دَارُ ٱلۡقَرَارِ 39

O mijn volk! Waarlijk, dit wereldse leven is niets dan (een snel) vermaak en waarlijk, het Hiernamaals is de eeuwige verblijfplaats.”

مَنۡ عَمِلَ سَيِّئَةٗ فَلَا يُجۡزَىٰٓ إِلَّا مِثۡلَهَاۖ وَمَنۡ عَمِلَ صَٰلِحٗا مِّن ذَكَرٍ أَوۡ أُنثَىٰ وَهُوَ مُؤۡمِنٞ فَأُوْلَـٰٓئِكَ يَدۡخُلُونَ ٱلۡجَنَّةَ يُرۡزَقُونَ فِيهَا بِغَيۡرِ حِسَابٖ 40

Wie een kwade daad verricht zal niet anders zoals dat vergolden krijgen en wie een goede daad verricht, man of vrouw; terwijl hij of zij een gelovige is: zij zijn het die het Paradijs binnentreden, waar zij voorzien zullen worden zonder dat het afgemeten wordt.

۞وَيَٰقَوۡمِ مَا لِيٓ أَدۡعُوكُمۡ إِلَى ٱلنَّجَوٰةِ وَتَدۡعُونَنِيٓ إِلَى ٱلنَّارِ 41

En: “O mijn volk! Hoe kan het dat ik jullie tot de redding oproep terwijl jullie mij tot het Vuur oproepen!

تَدۡعُونَنِي لِأَكۡفُرَ بِٱللَّهِ وَأُشۡرِكَ بِهِۦ مَا لَيۡسَ لِي بِهِۦ عِلۡمٞ وَأَنَا۠ أَدۡعُوكُمۡ إِلَى ٱلۡعَزِيزِ ٱلۡغَفَّـٰرِ 42

Jullie roepen mij op om aan Allah ongelovig te zijn en jullie kennen deelgenoten in de aanbidding aan Hem toe; waarvan ik geen kennis heb, terwijl ik jullie oproep om in de Almachtige, de Vergevingsgezinde te geloven.

لَا جَرَمَ أَنَّمَا تَدۡعُونَنِيٓ إِلَيۡهِ لَيۡسَ لَهُۥ دَعۡوَةٞ فِي ٱلدُّنۡيَا وَلَا فِي ٱلۡأٓخِرَةِ وَأَنَّ مَرَدَّنَآ إِلَى ٱللَّهِ وَأَنَّ ٱلۡمُسۡرِفِينَ هُمۡ أَصۡحَٰبُ ٱلنَّارِ 43

Er is geen twijfel dat jullie mij oproepen om datgene (te aanbidden), wat geen gehoor kan geven aan mijn verzoeken in deze wereld of het Hiernamaals. En onze terugkeer zal tot Allah zijn en verdorvenen zullen de bewoners van het Vuur zijn!

فَسَتَذۡكُرُونَ مَآ أَقُولُ لَكُمۡۚ وَأُفَوِّضُ أَمۡرِيٓ إِلَى ٱللَّهِۚ إِنَّ ٱللَّهَ بَصِيرُۢ بِٱلۡعِبَادِ 44

En jullie zullen je herinneren wat ik jullie vertel, en ik laat mijn zaak aan Allah over. Waarlijk, Allah is de Alziende van (Zijn) slaven.”

فَوَقَىٰهُ ٱللَّهُ سَيِّـَٔاتِ مَا مَكَرُواْۖ وَحَاقَ بِـَٔالِ فِرۡعَوۡنَ سُوٓءُ ٱلۡعَذَابِ 45

Dus Allah redde hem van het kwade wat zij hadden beraamd, terwijl een kwade bestraffing het volk van Farao omringde.

ٱلنَّارُ يُعۡرَضُونَ عَلَيۡهَا غُدُوّٗا وَعَشِيّٗاۚ وَيَوۡمَ تَقُومُ ٱلسَّاعَةُ أَدۡخِلُوٓاْ ءَالَ فِرۡعَوۡنَ أَشَدَّ ٱلۡعَذَابِ 46

Zij zullen aan het Vuur worden blootgesteld, in de ochtend en de middag. En de Dag waarop het Uur valt (zal er tegen de Engelen gezegd worden): “Laat het volk van Farao de zwaarste bestraffing binnengaan!”

وَإِذۡ يَتَحَآجُّونَ فِي ٱلنَّارِ فَيَقُولُ ٱلضُّعَفَـٰٓؤُاْ لِلَّذِينَ ٱسۡتَكۡبَرُوٓاْ إِنَّا كُنَّا لَكُمۡ تَبَعٗا فَهَلۡ أَنتُم مُّغۡنُونَ عَنَّا نَصِيبٗا مِّنَ ٱلنَّارِ 47

En als zij in het vuur redetwisten, zullen de zwakken tegen degenen die arrogant waren zeggen: “Waarlijk! Wij hebben jullie gevolgd, kunnen jullie dan een deel van het Vuur van ons wegnemen?”

قَالَ ٱلَّذِينَ ٱسۡتَكۡبَرُوٓاْ إِنَّا كُلّٞ فِيهَآ إِنَّ ٱللَّهَ قَدۡ حَكَمَ بَيۡنَ ٱلۡعِبَادِ 48

De hoogmoedigen zullen zeggen: “Wij zijn hier samen in! Waarlijk! Allah heeft tussen Zijn slaven geoordeeld.”

وَقَالَ ٱلَّذِينَ فِي ٱلنَّارِ لِخَزَنَةِ جَهَنَّمَ ٱدۡعُواْ رَبَّكُمۡ يُخَفِّفۡ عَنَّا يَوۡمٗا مِّنَ ٱلۡعَذَابِ 49

En degenen in het Vuur zullen tegen de bewakers (Engelen) van de Hel zeggen: “Roep jullie Heer aan om de bestraffing voor een dag te verlichten!”

قَالُوٓاْ أَوَلَمۡ تَكُ تَأۡتِيكُمۡ رُسُلُكُم بِٱلۡبَيِّنَٰتِۖ قَالُواْ بَلَىٰۚ قَالُواْ فَٱدۡعُواْۗ وَمَا دُعَـٰٓؤُاْ ٱلۡكَٰفِرِينَ إِلَّا فِي ضَلَٰلٍ 50

Zij (de Engelen) zullen zeggen: ”Waren jullie Boodschappers niet tot jullie gekomen met de duidelijke bewijzen?” Zij zullen zeggen: “Ja.” Zij (de Engelen) zullen antwoorden: “Roep dan aan!” Maar de aanroeping van de ongelovigen is niets dan een dwaling!

إِنَّا لَنَنصُرُ رُسُلَنَا وَٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ فِي ٱلۡحَيَوٰةِ ٱلدُّنۡيَا وَيَوۡمَ يَقُومُ ٱلۡأَشۡهَٰدُ 51

Waarlijk, in dit wereldse leven en op de Dag dat de getuigen zullen opstaan zullen Wij Onze Boodschappers en degenen die geloven tot overwinnaars maken.

يَوۡمَ لَا يَنفَعُ ٱلظَّـٰلِمِينَ مَعۡذِرَتُهُمۡۖ وَلَهُمُ ٱللَّعۡنَةُ وَلَهُمۡ سُوٓءُ ٱلدَّارِ 52

Op die Dag baat de verontschuldiging van de onrechtplegers hun niet. Voor hen zal er de vervloeking zijn en voor hen zal er een kwade verblijfplaats zijn.

وَلَقَدۡ ءَاتَيۡنَا مُوسَى ٱلۡهُدَىٰ وَأَوۡرَثۡنَا بَنِيٓ إِسۡرَـٰٓءِيلَ ٱلۡكِتَٰبَ 53

En voorwaar, Wij gaven Mozes de Leiding en Wij lieten de Kinderen van Israël het Schrift erven.

هُدٗى وَذِكۡرَىٰ لِأُوْلِي ٱلۡأَلۡبَٰبِ 54

Een Gids en een Overdenking voor de mensen van begrip.

فَٱصۡبِرۡ إِنَّ وَعۡدَ ٱللَّهِ حَقّٞ وَٱسۡتَغۡفِرۡ لِذَنۢبِكَ وَسَبِّحۡ بِحَمۡدِ رَبِّكَ بِٱلۡعَشِيِّ وَٱلۡإِبۡكَٰرِ 55

Wees daarom geduldig. Waarlijk, de belofte van Allah is waar, en vraag vergeving voor jouw zonde, en verheerlijk jullie Heer in de middag en in de avond met de eer die Hem toekomt.

إِنَّ ٱلَّذِينَ يُجَٰدِلُونَ فِيٓ ءَايَٰتِ ٱللَّهِ بِغَيۡرِ سُلۡطَٰنٍ أَتَىٰهُمۡ إِن فِي صُدُورِهِمۡ إِلَّا كِبۡرٞ مَّا هُم بِبَٰلِغِيهِۚ فَٱسۡتَعِذۡ بِٱللَّهِۖ إِنَّهُۥ هُوَ ٱلسَّمِيعُ ٱلۡبَصِيرُ 56

Waarlijk, degenen die over de Tekenen van Allah redetwisten, zonder daar enig gezag over te hebben, hebben niets anders dan trots in hun hart waardoor zij het (doel) niet bereiken. Zoek je toevlucht (tegen hun slechtheden) dus bij Allah. Waarlijk, Hij is de Alhorende is (aangaande hun uitspraken), de Alziende.

لَخَلۡقُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِ أَكۡبَرُ مِنۡ خَلۡقِ ٱلنَّاسِ وَلَٰكِنَّ أَكۡثَرَ ٱلنَّاسِ لَا يَعۡلَمُونَ 57

De schepping van de hemelen en de aarde is zeker groter dan de schepping van de mensheid, maar de meesten mensen weten het niet.

وَمَا يَسۡتَوِي ٱلۡأَعۡمَىٰ وَٱلۡبَصِيرُ وَٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَعَمِلُواْ ٱلصَّـٰلِحَٰتِ وَلَا ٱلۡمُسِيٓءُۚ قَلِيلٗا مَّا تَتَذَكَّرُونَ 58

En de blinde en de ziende (van hart) zijn niet gelijk, noch is degene die gelooft en goede daden verricht (gelijk aan) degene die kwaad doet. Gering is de lering die jullie eruit trekken.

إِنَّ ٱلسَّاعَةَ لَأٓتِيَةٞ لَّا رَيۡبَ فِيهَا وَلَٰكِنَّ أَكۡثَرَ ٱلنَّاسِ لَا يُؤۡمِنُونَ 59

Waarlijk, het Uur zal zeker komen, daaraan is geen twijfel, maar de meeste mensen geloven het niet.

وَقَالَ رَبُّكُمُ ٱدۡعُونِيٓ أَسۡتَجِبۡ لَكُمۡۚ إِنَّ ٱلَّذِينَ يَسۡتَكۡبِرُونَ عَنۡ عِبَادَتِي سَيَدۡخُلُونَ جَهَنَّمَ دَاخِرِينَ 60

En jullie Heer zei: “Roep Mij aan "en Ik zal jullie verhoren. Waarlijk! Degene die Mijn aanbidding minachten zullen zeker in vernedering de Hel binnentreden!”

ٱللَّهُ ٱلَّذِي جَعَلَ لَكُمُ ٱلَّيۡلَ لِتَسۡكُنُواْ فِيهِ وَٱلنَّهَارَ مُبۡصِرًاۚ إِنَّ ٱللَّهَ لَذُو فَضۡلٍ عَلَى ٱلنَّاسِ وَلَٰكِنَّ أَكۡثَرَ ٱلنَّاسِ لَا يَشۡكُرُونَ 61

Allah is Degene Die de nacht voor jullie heeft gemaakt opdat jullie er in zullen rusten, en de dag als verlichter. Waarlijk, Allah is vol Genade voor de mensheid, maar de meesten danken niet.

ذَٰلِكُمُ ٱللَّهُ رَبُّكُمۡ خَٰلِقُ كُلِّ شَيۡءٖ لَّآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَۖ فَأَنَّىٰ تُؤۡفَكُونَ 62

Dat is Allah, jullie Heer, de Schepper van alle zaken. Geen god is er dan Hij. Waarom keren jullie je dan af!

كَذَٰلِكَ يُؤۡفَكُ ٱلَّذِينَ كَانُواْ بِـَٔايَٰتِ ٱللَّهِ يَجۡحَدُونَ 63

Zo worden degenen die de Tekenen van Allah loochenen, afgeleid.

ٱللَّهُ ٱلَّذِي جَعَلَ لَكُمُ ٱلۡأَرۡضَ قَرَارٗا وَٱلسَّمَآءَ بِنَآءٗ وَصَوَّرَكُمۡ فَأَحۡسَنَ صُوَرَكُمۡ وَرَزَقَكُم مِّنَ ٱلطَّيِّبَٰتِۚ ذَٰلِكُمُ ٱللَّهُ رَبُّكُمۡۖ فَتَبَارَكَ ٱللَّهُ رَبُّ ٱلۡعَٰلَمِينَ 64

Allah is Degene Die voor jullie de aarde tot een stevige plaats heeft gemaakt en de hemel tot een gewelf. En (Die) jullie vorm heeft gegeven (in de baarmoeders) en jullie vorm heeft verfraaid, en Hij heeft jullie van goede zaken voorzien.. Dat is Allah, jullie Heer, gezegend zij daarom Allah, de Heer der Werelden.

هُوَ ٱلۡحَيُّ لَآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ فَٱدۡعُوهُ مُخۡلِصِينَ لَهُ ٱلدِّينَۗ ٱلۡحَمۡدُ لِلَّهِ رَبِّ ٱلۡعَٰلَمِينَ 65

Hij is de Levende. Geen god is er dan Hij. Roep Hem daarom aan, Hem zuiver aanbiddend. Alle lof zij Allah, de Heer der Werelden.

۞قُلۡ إِنِّي نُهِيتُ أَنۡ أَعۡبُدَ ٱلَّذِينَ تَدۡعُونَ مِن دُونِ ٱللَّهِ لَمَّا جَآءَنِيَ ٱلۡبَيِّنَٰتُ مِن رَّبِّي وَأُمِرۡتُ أَنۡ أُسۡلِمَ لِرَبِّ ٱلۡعَٰلَمِينَ 66

Zeg (O Mohammed): “Mij is verboden om degenen te aanbidden die jullie naast Allah aanbidden, nadat de bewijzen van mijn Heer tot mij zijn gekomen, en mij is bevolen mij te onderwerpen aan de Heer der Werelden.

هُوَ ٱلَّذِي خَلَقَكُم مِّن تُرَابٖ ثُمَّ مِن نُّطۡفَةٖ ثُمَّ مِنۡ عَلَقَةٖ ثُمَّ يُخۡرِجُكُمۡ طِفۡلٗا ثُمَّ لِتَبۡلُغُوٓاْ أَشُدَّكُمۡ ثُمَّ لِتَكُونُواْ شُيُوخٗاۚ وَمِنكُم مَّن يُتَوَفَّىٰ مِن قَبۡلُۖ وَلِتَبۡلُغُوٓاْ أَجَلٗا مُّسَمّٗى وَلَعَلَّكُمۡ تَعۡقِلُونَ 67

Hij is Degene Die jullie uit aarde heeft geschapen, daarna uit een druppel, daarna uit een bloedklonter, vervolgens deed Hij jullie naar buiten komen als een kind. Om jullie daarna jullie volwassenheid te doen bereiken, om jullie tenslotte oud te doen worden. Hoewel sommigen van jullie eerder sterven, opdat jullie de vastgestelde termijn zullen bereiken. En hopelijk zullen jullie het begrijpen.

هُوَ ٱلَّذِي يُحۡيِۦ وَيُمِيتُۖ فَإِذَا قَضَىٰٓ أَمۡرٗا فَإِنَّمَا يَقُولُ لَهُۥ كُن فَيَكُونُ 68

Hij is Degene Die het leven geeft en de dood veroorzaakt. Als Hij tot iets besluit zegt Hij slechts: “Wees!” en het is.

أَلَمۡ تَرَ إِلَى ٱلَّذِينَ يُجَٰدِلُونَ فِيٓ ءَايَٰتِ ٱللَّهِ أَنَّىٰ يُصۡرَفُونَ 69

Zie jij niet degenen die redetwisten over de Tekenen van Allah? Hoe kunnen zij zich afkeren?

ٱلَّذِينَ كَذَّبُواْ بِٱلۡكِتَٰبِ وَبِمَآ أَرۡسَلۡنَا بِهِۦ رُسُلَنَاۖ فَسَوۡفَ يَعۡلَمُونَ 70

(Zij zijn) Degenen die het Boek ontkennen, en datgene wat Wij naar Onze Boodschappers hebben gestuurd. Zij zullen het weten.

إِذِ ٱلۡأَغۡلَٰلُ فِيٓ أَعۡنَٰقِهِمۡ وَٱلسَّلَٰسِلُ يُسۡحَبُونَ 71

Wanneer de ijzeren kettingen en ketenen om hun nekken hangen worden zij gesleept.

فِي ٱلۡحَمِيمِ ثُمَّ فِي ٱلنَّارِ يُسۡجَرُونَ 72

In het kokende water, vervolgens zullen zij in het Vuur verbrand worden.

ثُمَّ قِيلَ لَهُمۡ أَيۡنَ مَا كُنتُمۡ تُشۡرِكُونَ 73

Dan zal er tot hen gezegd worden: “Waar zijn (de afgoden) die jullie in de aanbidding toegekend hebben?”

مِن دُونِ ٱللَّهِۖ قَالُواْ ضَلُّواْ عَنَّا بَل لَّمۡ نَكُن نَّدۡعُواْ مِن قَبۡلُ شَيۡـٔٗاۚ كَذَٰلِكَ يُضِلُّ ٱللَّهُ ٱلۡكَٰفِرِينَ 74

Naast Allah?” Zij zullen zeggen: “Zij zijn van ons verdwenen; nee, wij hebben niets eerder aangeroepen.” Zo doet Allah de ongelovigen dwalen.

ذَٰلِكُم بِمَا كُنتُمۡ تَفۡرَحُونَ فِي ٱلۡأَرۡضِ بِغَيۡرِ ٱلۡحَقِّ وَبِمَا كُنتُمۡ تَمۡرَحُونَ 75

“Dat was omdat jullie op aarde zonder enig recht je uitgelaten gedroegen en omdat jullie arrogant leefden.

ٱدۡخُلُوٓاْ أَبۡوَٰبَ جَهَنَّمَ خَٰلِدِينَ فِيهَاۖ فَبِئۡسَ مَثۡوَى ٱلۡمُتَكَبِّرِينَ 76

Ga de poorten van de Hel binnen om daarin voor altijd te verblijven. Wat een kwade verblijfplaats voor de hoogmoedigen.”

فَٱصۡبِرۡ إِنَّ وَعۡدَ ٱللَّهِ حَقّٞۚ فَإِمَّا نُرِيَنَّكَ بَعۡضَ ٱلَّذِي نَعِدُهُمۡ أَوۡ نَتَوَفَّيَنَّكَ فَإِلَيۡنَا يُرۡجَعُونَ 77

Wees dus geduldig, waarlijk de belofte van Allah is waar. Of Wij jou (O Mohammed) nu een klein gedeelte van wat Wij hen hebben beloofd laten zien (het is hoe dan ook terecht). Of dat Wij laten jou sterven, dan is het tot Ons dat zij zullen terugkeren.

وَلَقَدۡ أَرۡسَلۡنَا رُسُلٗا مِّن قَبۡلِكَ مِنۡهُم مَّن قَصَصۡنَا عَلَيۡكَ وَمِنۡهُم مَّن لَّمۡ نَقۡصُصۡ عَلَيۡكَۗ وَمَا كَانَ لِرَسُولٍ أَن يَأۡتِيَ بِـَٔايَةٍ إِلَّا بِإِذۡنِ ٱللَّهِۚ فَإِذَا جَآءَ أَمۡرُ ٱللَّهِ قُضِيَ بِٱلۡحَقِّ وَخَسِرَ هُنَالِكَ ٱلۡمُبۡطِلُونَ 78

En voorwaar, Wij hebben Boodschappers vóór jou gestuurd: over sommigen van hen hebben Wij jou het verhaal verteld en over sommigen van hen hebben Wij jou het verhaal niet verteld. En zonder toestemming van Allah kan geen Boodschapper een teken brengen. Wanneer dan het bevel van Allah komt, zal de zaak in waarheid beslecht worden en dan verliezen de opstandigen.

ٱللَّهُ ٱلَّذِي جَعَلَ لَكُمُ ٱلۡأَنۡعَٰمَ لِتَرۡكَبُواْ مِنۡهَا وَمِنۡهَا تَأۡكُلُونَ 79

Allah is Degene Die het vee voor jullie heeft gemaakt, om erop te rijden en jullie eten ervan.

وَلَكُمۡ فِيهَا مَنَٰفِعُ وَلِتَبۡلُغُواْ عَلَيۡهَا حَاجَةٗ فِي صُدُورِكُمۡ وَعَلَيۡهَا وَعَلَى ٱلۡفُلۡكِ تُحۡمَلُونَ 80

En voor jullie zijn er baten in. Zodat jullie dat door middel van hen zullen bereiken, waar in jullie harten behoefte aan is. En op hen en op schepen worden jullie gedragen.

وَيُرِيكُمۡ ءَايَٰتِهِۦ فَأَيَّ ءَايَٰتِ ٱللَّهِ تُنكِرُونَ 81

En Hij laat jullie Zijn Tekenen en bewijzen zien. Welke van de Tekenen en bewijzen van Allah ontkennen jullie dan?

أَفَلَمۡ يَسِيرُواْ فِي ٱلۡأَرۡضِ فَيَنظُرُواْ كَيۡفَ كَانَ عَٰقِبَةُ ٱلَّذِينَ مِن قَبۡلِهِمۡۚ كَانُوٓاْ أَكۡثَرَ مِنۡهُمۡ وَأَشَدَّ قُوَّةٗ وَءَاثَارٗا فِي ٱلۡأَرۡضِ فَمَآ أَغۡنَىٰ عَنۡهُم مَّا كَانُواْ يَكۡسِبُونَ 82

Hebben zij niet over de aarde gereisd en gezien wat het einde van degenen was die vóór hen waren? Zij waren in grotere aantallen en groter in kracht en in de sporen op het land. Maar wat zij hadden verworven, baatte hun niet.

فَلَمَّا جَآءَتۡهُمۡ رُسُلُهُم بِٱلۡبَيِّنَٰتِ فَرِحُواْ بِمَا عِندَهُم مِّنَ ٱلۡعِلۡمِ وَحَاقَ بِهِم مَّا كَانُواْ بِهِۦ يَسۡتَهۡزِءُونَ 83

En toen hun Boodschappers met duidelijke bewijzen tot hen kwamen, waren zij blij met datgene wat zij hadden aan kennis, en met datgene wat zij gewoonlijk bespotten werden zij omsingeld.

فَلَمَّا رَأَوۡاْ بَأۡسَنَا قَالُوٓاْ ءَامَنَّا بِٱللَّهِ وَحۡدَهُۥ وَكَفَرۡنَا بِمَا كُنَّا بِهِۦ مُشۡرِكِينَ 84

En toen zij Onze bestraffing zagen, zeiden zij: “Wij geloven in alleen Allah. En wij verwerpen (al) wat wij gewoonlijk in de aanbidding met Hem als (Zijn) deelgenoten verenigden.”

فَلَمۡ يَكُ يَنفَعُهُمۡ إِيمَٰنُهُمۡ لَمَّا رَأَوۡاْ بَأۡسَنَاۖ سُنَّتَ ٱللَّهِ ٱلَّتِي قَدۡ خَلَتۡ فِي عِبَادِهِۦۖ وَخَسِرَ هُنَالِكَ ٱلۡكَٰفِرُونَ 85

Hun geloof kon hen niet baten toen zij Onze bestraffing zagen. Dat is de handelwijze van Allah die er reeds voor Zijn dienaren was. En de ongelovigen verloren toen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Close