Soera 38 – Sad – (de Arabische letter) Sad – ص

Deze soera in de nieuwe Koran omgeving lezen? Ja, graag
bismillah ir rahman ir rahim

صٓۚ وَٱلۡقُرۡءَانِ ذِي ٱلذِّكۡرِ 1

Shād. Bij de Koran, bezitter van eer.

بَلِ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ فِي عِزَّةٖ وَشِقَاقٖ 2

Maar degenen die ongelovig zijn verkeren in een valse trots en tegenstand.

كَمۡ أَهۡلَكۡنَا مِن قَبۡلِهِم مِّن قَرۡنٖ فَنَادَواْ وَّلَاتَ حِينَ مَنَاصٖ 3

Hoeveel generaties vόόr hen hebben Wij niet vernietigd? Zij schreeuwden het uit toen er voor ontkomen geen tijd meer was.

وَعَجِبُوٓاْ أَن جَآءَهُم مُّنذِرٞ مِّنۡهُمۡۖ وَقَالَ ٱلۡكَٰفِرُونَ هَٰذَا سَٰحِرٞ كَذَّابٌ 4

En zij (de Arabische heidenen) verbaasden zich dat er een waarschuwer uit hun midden tot hen was gekomen! En de ongelovigen zeiden: “Dit is een tovenaar, een leugenaar.

أَجَعَلَ ٱلۡأٓلِهَةَ إِلَٰهٗا وَٰحِدًاۖ إِنَّ هَٰذَا لَشَيۡءٌ عُجَابٞ 5

Hij heeft (alle) goden in één god veranderd. Waarlijk, dit is iets vreemds!”

وَٱنطَلَقَ ٱلۡمَلَأُ مِنۡهُمۡ أَنِ ٱمۡشُواْ وَٱصۡبِرُواْ عَلَىٰٓ ءَالِهَتِكُمۡۖ إِنَّ هَٰذَا لَشَيۡءٞ يُرَادُ 6

En de leiders onder hen gingen weg (zeggend): “Ga door en blijf standvastig met jullie goden! Waarlijk, dit (van Mohammed) is iets (dat tegen jullie) is ontworpen!

مَا سَمِعۡنَا بِهَٰذَا فِي ٱلۡمِلَّةِ ٱلۡأٓخِرَةِ إِنۡ هَٰذَآ إِلَّا ٱخۡتِلَٰقٌ 7

Wij hebben hierover niets gehoord in de laatste godsdienst. Dit is niets anders dan een verzinsel!”

أَءُنزِلَ عَلَيۡهِ ٱلذِّكۡرُ مِنۢ بَيۡنِنَاۚ بَلۡ هُمۡ فِي شَكّٖ مِّن ذِكۡرِيۚ بَل لَّمَّا يَذُوقُواْ عَذَابِ 8

Is aan hem uit Ons midden de Vermaning neergezonden? Nee, maar zij verkeren in twijfel over Mijn Vermaning. Nee, maar zij hebben (Mijn) bestraffing nog niet geproefd!

أَمۡ عِندَهُمۡ خَزَآئِنُ رَحۡمَةِ رَبِّكَ ٱلۡعَزِيزِ ٱلۡوَهَّابِ 9

Of hebben zij de schatten van de genade van jouw Heer, de Almachtige, de Ware Gever?

أَمۡ لَهُم مُّلۡكُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِ وَمَا بَيۡنَهُمَاۖ فَلۡيَرۡتَقُواْ فِي ٱلۡأَسۡبَٰبِ 10

Of behoort het koninkrijk van de hemelen en de aarde en alles wat daar tussen is hen toe? Als dat het geval is laten zij dan hun middelen vermeerderen.

جُندٞ مَّا هُنَالِكَ مَهۡزُومٞ مِّنَ ٱلۡأَحۡزَابِ 11

Zij zijn daar niets anders dan het verslagen leger van de bondgenoten.

كَذَّبَتۡ قَبۡلَهُمۡ قَوۡمُ نُوحٖ وَعَادٞ وَفِرۡعَوۡنُ ذُو ٱلۡأَوۡتَادِ 12

Vόόr hen loochenden het volk van Noah; en (het volk van)‘Ad en Farao, de man met de staken.

وَثَمُودُ وَقَوۡمُ لُوطٖ وَأَصۡحَٰبُ لۡـَٔيۡكَةِۚ أُوْلَـٰٓئِكَ ٱلۡأَحۡزَابُ 13

En de Thamoed en het volk van Loeth en de bewoners van het woud; dat waren de bondgenoten.

إِن كُلٌّ إِلَّا كَذَّبَ ٱلرُّسُلَ فَحَقَّ عِقَابِ 14

Allen verloochenden de Boodschappers, daarom was Mijn bestraffing gerechtvaardigd.

وَمَا يَنظُرُ هَـٰٓؤُلَآءِ إِلَّا صَيۡحَةٗ وَٰحِدَةٗ مَّا لَهَا مِن فَوَاقٖ 15

En het wachten is slechts op een enkele kreet, die geen onderbreking kent.

وَقَالُواْ رَبَّنَا عَجِّل لَّنَا قِطَّنَا قَبۡلَ يَوۡمِ ٱلۡحِسَابِ 16

Zij zeggen: “Onze Heer! Bespoedig voor ons, ons verslag van goede en slechte daden vóór de Dag van de Afrekening!”

ٱصۡبِرۡ عَلَىٰ مَا يَقُولُونَ وَٱذۡكُرۡ عَبۡدَنَا دَاوُۥدَ ذَا ٱلۡأَيۡدِۖ إِنَّهُۥٓ أَوَّابٌ 17

Wees geduldig met wat zij zeggen en gedenk Onze dienaar Dawoed, de bezitter van kracht. Waarlijk, hij is de meest berouwtonende.

إِنَّا سَخَّرۡنَا ٱلۡجِبَالَ مَعَهُۥ يُسَبِّحۡنَ بِٱلۡعَشِيِّ وَٱلۡإِشۡرَاقِ 18

Waarlijk, Wij maakten de bergen dienstbaar, die met hem de Glorie van Allah prezen in de avond en in de ochtend.

وَٱلطَّيۡرَ مَحۡشُورَةٗۖ كُلّٞ لَّهُۥٓ أَوَّابٞ 19

En ook de verzamelde vogels; allen wenden zich voortdurend tot Hem. (Allah).

وَشَدَدۡنَا مُلۡكَهُۥ وَءَاتَيۡنَٰهُ ٱلۡحِكۡمَةَ وَفَصۡلَ ٱلۡخِطَابِ 20

Wij versterkten zijn koninkrijk en gaven de hem de wijsheid en de beslissende uitspraken.

۞وَهَلۡ أَتَىٰكَ نَبَؤُاْ ٱلۡخَصۡمِ إِذۡ تَسَوَّرُواْ ٱلۡمِحۡرَابَ 21

En heeft jou het bericht van de tegenstanders bereikt? Toen zij over de muur klommen in (zijn) gebedsplaats.

إِذۡ دَخَلُواْ عَلَىٰ دَاوُۥدَ فَفَزِعَ مِنۡهُمۡۖ قَالُواْ لَا تَخَفۡۖ خَصۡمَانِ بَغَىٰ بَعۡضُنَا عَلَىٰ بَعۡضٖ فَٱحۡكُم بَيۡنَنَا بِٱلۡحَقِّ وَلَا تُشۡطِطۡ وَٱهۡدِنَآ إِلَىٰ سَوَآءِ ٱلصِّرَٰطِ 22

Toen zij bij Dawoed binnenkwamen, was hij doodsbang voor hen, zij zeiden: “Vrees niet! Wij zijn twee mannen die het met elkaar oneens zijn, de één heeft de ander kwaad gedaan, oordeel daarom tussen ons in waarheid en wijk niet af en leidt ons op het rechte Pad.

إِنَّ هَٰذَآ أَخِي لَهُۥ تِسۡعٞ وَتِسۡعُونَ نَعۡجَةٗ وَلِيَ نَعۡجَةٞ وَٰحِدَةٞ فَقَالَ أَكۡفِلۡنِيهَا وَعَزَّنِي فِي ٱلۡخِطَابِ 23

Waarlijk, deze broeder van mij heeft negenennegentig ooien, terwijl ik slechts één ooi heb, en hij zegt: “Geef het aan mij, en hij heeft mij in de spraak overweldigd.”

قَالَ لَقَدۡ ظَلَمَكَ بِسُؤَالِ نَعۡجَتِكَ إِلَىٰ نِعَاجِهِۦۖ وَإِنَّ كَثِيرٗا مِّنَ ٱلۡخُلَطَآءِ لَيَبۡغِي بَعۡضُهُمۡ عَلَىٰ بَعۡضٍ إِلَّا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَعَمِلُواْ ٱلصَّـٰلِحَٰتِ وَقَلِيلٞ مَّا هُمۡۗ وَظَنَّ دَاوُۥدُ أَنَّمَا فَتَنَّـٰهُ فَٱسۡتَغۡفَرَ رَبَّهُۥ وَخَرَّۤ رَاكِعٗاۤ وَأَنَابَ۩ 24

(Dawoed) zei: “Hij heeft jou onrecht aangedaan door jou ooi te eisen als aanvulling op zijn ooien. En waarlijk, vele genoten onderdrukken de ander, behalve degenen die geloven en goede daden verrichten en zij zijn slechts weinigen.” En Dawoed vermoedde dat Wij hem op de proef stelden, waarop hij zijn Heer om vergeving smeekte. En hij knielde neer en keerde zich in berouw (tot Allah).

فَغَفَرۡنَا لَهُۥ ذَٰلِكَۖ وَإِنَّ لَهُۥ عِندَنَا لَزُلۡفَىٰ وَحُسۡنَ مَـَٔابٖ 25

Toen vergaven Wij hem dat en waarlijk, voor hem was de nabijheid van Ons en een goede plaats in de terugkeer.

يَٰدَاوُۥدُ إِنَّا جَعَلۡنَٰكَ خَلِيفَةٗ فِي ٱلۡأَرۡضِ فَٱحۡكُم بَيۡنَ ٱلنَّاسِ بِٱلۡحَقِّ وَلَا تَتَّبِعِ ٱلۡهَوَىٰ فَيُضِلَّكَ عَن سَبِيلِ ٱللَّهِۚ إِنَّ ٱلَّذِينَ يَضِلُّونَ عَن سَبِيلِ ٱللَّهِ لَهُمۡ عَذَابٞ شَدِيدُۢ بِمَا نَسُواْ يَوۡمَ ٱلۡحِسَابِ 26

O Dawoed! Waarlijk! Wij hebben jou als een opvolger op aarde geplaatst, oordeel dus in Waarheid tussen de mensen en volg niet de begeerte, want die zal je van het Pad van Allah doen afdwalen. Waarlijk! Degenen die afdwalen van het Pad van Allah (zullen) een zware bestraffing krijgen omdat zij de Dag van de Afrekening vergaten.

وَمَا خَلَقۡنَا ٱلسَّمَآءَ وَٱلۡأَرۡضَ وَمَا بَيۡنَهُمَا بَٰطِلٗاۚ ذَٰلِكَ ظَنُّ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْۚ فَوَيۡلٞ لِّلَّذِينَ كَفَرُواْ مِنَ ٱلنَّارِ 27

En Wij hebben de hemel en de aarde en alles wat daartussen is niet voor niets geschapen. Dat is een vermoeden van degenen die ongelovig zijn. Wee degenen die de Hel ontkennen.

أَمۡ نَجۡعَلُ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَعَمِلُواْ ٱلصَّـٰلِحَٰتِ كَٱلۡمُفۡسِدِينَ فِي ٱلۡأَرۡضِ أَمۡ نَجۡعَلُ ٱلۡمُتَّقِينَ كَٱلۡفُجَّارِ 28

Zullen Wij dan degenen die geloven en goede daden verrichten (gelijk) behandelen als degenen die verderf zaaien op aarde? Of zullen Wij de godvrezenden zoals de losbandigen behandelen?

كِتَٰبٌ أَنزَلۡنَٰهُ إِلَيۡكَ مُبَٰرَكٞ لِّيَدَّبَّرُوٓاْ ءَايَٰتِهِۦ وَلِيَتَذَكَّرَ أُوْلُواْ ٱلۡأَلۡبَٰبِ 29

(Dit is) een gezegend Boek dat Wij aan jou hebben neergezonden, zodat zij over haar verzen kunnen nadenken en dat de mensen van begrip het mogen onthouden.

وَوَهَبۡنَا لِدَاوُۥدَ سُلَيۡمَٰنَۚ نِعۡمَ ٱلۡعَبۡدُ إِنَّهُۥٓ أَوَّابٌ 30

En aan Dawoed gaven Wij Soeleiman. Wat (een) uitmuntende dienaar! Waarlijk, hij is de meest berouwtonende.

إِذۡ عُرِضَ عَلَيۡهِ بِٱلۡعَشِيِّ ٱلصَّـٰفِنَٰتُ ٱلۡجِيَادُ 31

(Gedenk) Toen er voor hem in de namiddag goed getrainde paarden getoond werden van het zuiverste ras.

فَقَالَ إِنِّيٓ أَحۡبَبۡتُ حُبَّ ٱلۡخَيۡرِ عَن ذِكۡرِ رَبِّي حَتَّىٰ تَوَارَتۡ بِٱلۡحِجَابِ 32

En hij zei: ""Ik houd van goede dingen vanwege de gedachtenis aan mijn Heer."" Tot zij (de paarden) onzichtbaar werden door de zonsondergang.

رُدُّوهَا عَلَيَّۖ فَطَفِقَ مَسۡحَۢا بِٱلسُّوقِ وَٱلۡأَعۡنَاقِ 33

Toen zei hij “ Breng hen naar mij terug.” Toen liet hij zijn hand over hun benen en hun halzen gaan.

وَلَقَدۡ فَتَنَّا سُلَيۡمَٰنَ وَأَلۡقَيۡنَا عَلَىٰ كُرۡسِيِّهِۦ جَسَدٗا ثُمَّ أَنَابَ 34

En voorwaar, Wij hebben Soeleiman beproefd en op zijn troon zetten Wij een zielloos lichaam. Maar hij keerde terug tot Allah in gehoorzaamheid en berouw.

قَالَ رَبِّ ٱغۡفِرۡ لِي وَهَبۡ لِي مُلۡكٗا لَّا يَنۢبَغِي لِأَحَدٖ مِّنۢ بَعۡدِيٓۖ إِنَّكَ أَنتَ ٱلۡوَهَّابُ 35

Hij zei: “Mijn Heer! Vergeef mij en schenk mij een koninkrijk dat niemand na mij ooit zal bezitten. Waarlijk, U bent Degene Die geeft.”

فَسَخَّرۡنَا لَهُ ٱلرِّيحَ تَجۡرِي بِأَمۡرِهِۦ رُخَآءً حَيۡثُ أَصَابَ 36

Dus hebben Wij de wind aan hem onderworpen, die zachtjes en gewillig blies op (Soeleiman’s) bevel, waarheen hij wilde.

وَٱلشَّيَٰطِينَ كُلَّ بَنَّآءٖ وَغَوَّاصٖ 37

En ook de duivelse Djinn, allen waren (vakkundige) bouwers en (parel)duikers.

وَءَاخَرِينَ مُقَرَّنِينَ فِي ٱلۡأَصۡفَادِ 38

En ook andere (duivels), (waarvan de handen aan de nek werden) vastgebonden met (zware) ketenen.

هَٰذَا عَطَآؤُنَا فَٱمۡنُنۡ أَوۡ أَمۡسِكۡ بِغَيۡرِ حِسَابٖ 39

Dit is Ons geschenk, geef (het) dan weg of houd (het) achter, zonder afrekening.

وَإِنَّ لَهُۥ عِندَنَا لَزُلۡفَىٰ وَحُسۡنَ مَـَٔابٖ 40

En waarlijk, voor hem is er bij Ons zeker (Onze) nabijheid en de beste plaats van terugkeer.

وَٱذۡكُرۡ عَبۡدَنَآ أَيُّوبَ إِذۡ نَادَىٰ رَبَّهُۥٓ أَنِّي مَسَّنِيَ ٱلشَّيۡطَٰنُ بِنُصۡبٖ وَعَذَابٍ 41

En gedenk Onze dienaar Ajoeb, toen hij zijn Heer (smartelijk) aanriep: “Waarlijk, Sjaitaan heeft mij schade en leed berokkend.”

ٱرۡكُضۡ بِرِجۡلِكَۖ هَٰذَا مُغۡتَسَلُۢ بَارِدٞ وَشَرَابٞ 42

(Allah antwoordde:) “Stamp met je voet op de grond (waarop er spontaan een bron uit de grond ontsproot). Dit is (water) om je mee te wassen en af te koelen, en (ook) om van te drinken.”

وَوَهَبۡنَا لَهُۥٓ أَهۡلَهُۥ وَمِثۡلَهُم مَّعَهُمۡ رَحۡمَةٗ مِّنَّا وَذِكۡرَىٰ لِأُوْلِي ٱلۡأَلۡبَٰبِ 43

En Wij gaven hem zijn familie (terug), en nog eens zoveel met hen, als een genade van Ons en een Overdenking voor degenen die begrijpen.

وَخُذۡ بِيَدِكَ ضِغۡثٗا فَٱضۡرِب بِّهِۦ وَلَا تَحۡنَثۡۗ إِنَّا وَجَدۡنَٰهُ صَابِرٗاۚ نِّعۡمَ ٱلۡعَبۡدُ إِنَّهُۥٓ أَوَّابٞ 44

(Allah zei tegen Ajoeb:) “En neem een bundel dun gras in je hand en sla daarmee (je vrouw) en verbreek je eed niet.“ Waarlijk! Wij hebben hem geduldig bevonden. Wat een uitmuntende dienaar! Waarlijk, hij is de meest berouwtonende.

وَٱذۡكُرۡ عِبَٰدَنَآ إِبۡرَٰهِيمَ وَإِسۡحَٰقَ وَيَعۡقُوبَ أُوْلِي ٱلۡأَيۡدِي وَٱلۡأَبۡصَٰرِ 45

En gedenk Onze slaven: Ibrahim, Isaac en Yacoeb, (allen) bezitters van kracht en inzicht.

إِنَّآ أَخۡلَصۡنَٰهُم بِخَالِصَةٖ ذِكۡرَى ٱلدَّارِ 46

Waarlijk, Wij hebben hen uitverkoren ten behoeve van hun (gedachtenis) van het Hiernamaals.

وَإِنَّهُمۡ عِندَنَا لَمِنَ ٱلۡمُصۡطَفَيۡنَ ٱلۡأَخۡيَارِ 47

En zij zijn in Ons aangezicht de uitverkorenen en de besten!

وَٱذۡكُرۡ إِسۡمَٰعِيلَ وَٱلۡيَسَعَ وَذَا ٱلۡكِفۡلِۖ وَكُلّٞ مِّنَ ٱلۡأَخۡيَارِ 48

En gedenk Ismaël, Elisha en Dhoel Kifl, allen behoren tot de besten.

هَٰذَا ذِكۡرٞۚ وَإِنَّ لِلۡمُتَّقِينَ لَحُسۡنَ مَـَٔابٖ 49

Dit is een overdenking, en waarlijk, voor degenen die godvrezend zijn, is er een goede terugkeer.

جَنَّـٰتِ عَدۡنٖ مُّفَتَّحَةٗ لَّهُمُ ٱلۡأَبۡوَٰبُ 50

De eeuwige Tuinen van ‘Adn (het Paradijs) wiens deuren voor hen geopend zijn.

مُتَّكِـِٔينَ فِيهَا يَدۡعُونَ فِيهَا بِفَٰكِهَةٖ كَثِيرَةٖ وَشَرَابٖ 51

Daarin zullen zij rusten, daarin zullen zij om overvloedig fruit en drank vragen.

۞وَعِندَهُمۡ قَٰصِرَٰتُ ٱلطَّرۡفِ أَتۡرَابٌ 52

En naast hen zijn kuise vrouwen met ingetogen blikken, gelijk in leeftijd.

هَٰذَا مَا تُوعَدُونَ لِيَوۡمِ ٱلۡحِسَابِ 53

Dit is wat jullie beloofd is op de Dag van de Afrekening!

إِنَّ هَٰذَا لَرِزۡقُنَا مَا لَهُۥ مِن نَّفَادٍ 54

Waarlijk, dit is Onze voorziening die nooit zal eindigen.

هَٰذَاۚ وَإِنَّ لِلطَّـٰغِينَ لَشَرَّ مَـَٔابٖ 55

Zo is het. Maar voor de overtreders is er zeker de slechtste plaats van terugkeer.

جَهَنَّمَ يَصۡلَوۡنَهَا فَبِئۡسَ ٱلۡمِهَادُ 56

De Hel! Waar zij zullen binnentreden en dat is (zeker) een slechte rustplaats!

هَٰذَا فَلۡيَذُوقُوهُ حَمِيمٞ وَغَسَّاقٞ 57

Zo is het. Laat hen het dan proeven, een kokende vloeistof en een zwarte ijskoude vloeistof.

وَءَاخَرُ مِن شَكۡلِهِۦٓ أَزۡوَٰجٌ 58

En andere bestraffingen die soortgelijk zijn.

هَٰذَا فَوۡجٞ مُّقۡتَحِمٞ مَّعَكُمۡ لَا مَرۡحَبَۢا بِهِمۡۚ إِنَّهُمۡ صَالُواْ ٱلنَّارِ 59

Dit is een groep die samen met jullie binnenstroomt, er is geen welkom voor hen! Waarlijk, zij zullen in het vuur branden!

قَالُواْ بَلۡ أَنتُمۡ لَا مَرۡحَبَۢا بِكُمۡۖ أَنتُمۡ قَدَّمۡتُمُوهُ لَنَاۖ فَبِئۡسَ ٱلۡقَرَارُ 60

Zij (hun volgelingen zullen) zeggen: “Er is geen welkom voor jullie! Jullie zijn het die dit over ons hebben gebracht.” Een kwade plaats is het hier dus om te verblijven.

قَالُواْ رَبَّنَا مَن قَدَّمَ لَنَا هَٰذَا فَزِدۡهُ عَذَابٗا ضِعۡفٗا فِي ٱلنَّارِ 61

Zij zullen zeggen: “Onze Heer! Wie ons dit ook gebracht heeft, geef hem een dubbele bestraffing in het Vuur!”

وَقَالُواْ مَا لَنَا لَا نَرَىٰ رِجَالٗا كُنَّا نَعُدُّهُم مِّنَ ٱلۡأَشۡرَارِ 62

En zij zullen zeggen: “Wat scheelt ons dat wij geen mensen zien die wij onder de slechte indeelden?

أَتَّخَذۡنَٰهُمۡ سِخۡرِيًّا أَمۡ زَاغَتۡ عَنۡهُمُ ٱلۡأَبۡصَٰرُ 63

Hebben wij hen als onderwerp van onze bespotting genomen, of waren (onze) ogen niet in staat hen te zien?”

إِنَّ ذَٰلِكَ لَحَقّٞ تَخَاصُمُ أَهۡلِ ٱلنَّارِ 64

Waarlijk, het onderlinge redetwisten van de mensen van het vuur is de waarheid.

قُلۡ إِنَّمَآ أَنَا۠ مُنذِرٞۖ وَمَا مِنۡ إِلَٰهٍ إِلَّا ٱللَّهُ ٱلۡوَٰحِدُ ٱلۡقَهَّارُ 65

Zeg: “Ik ben slechts een waarschuwer en er is geen god behalve Allah. De Ene, de Overweldiger.

رَبُّ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِ وَمَا بَيۡنَهُمَا ٱلۡعَزِيزُ ٱلۡغَفَّـٰرُ 66

De Heer van de hemelen en de aarde en alles wat daar tussen is, de Almachtige, de Vergevingsgezinde.”

قُلۡ هُوَ نَبَؤٌاْ عَظِيمٌ 67

Zeg: “Dat is groot nieuws.

أَنتُمۡ عَنۡهُ مُعۡرِضُونَ 68

Waarvan jullie je afkeren!

مَا كَانَ لِيَ مِنۡ عِلۡمِۭ بِٱلۡمَلَإِ ٱلۡأَعۡلَىٰٓ إِذۡ يَخۡتَصِمُونَ 69

Ik heb geen kennis van de leiders van het hoge, wanneer zij redetwisten.

إِن يُوحَىٰٓ إِلَيَّ إِلَّآ أَنَّمَآ أَنَا۠ نَذِيرٞ مُّبِينٌ 70

Het is aan mij" geopenbaard, dat ik slechts een duidelijke waarschuwer ben.”

إِذۡ قَالَ رَبُّكَ لِلۡمَلَـٰٓئِكَةِ إِنِّي خَٰلِقُۢ بَشَرٗا مِّن طِينٖ 71

(Gedenk) toen jullie Heer tegen de Engelen zei: “”Waarlijk, Ik schep de mens uit aarde.

فَإِذَا سَوَّيۡتُهُۥ وَنَفَخۡتُ فِيهِ مِن رُّوحِي فَقَعُواْ لَهُۥ سَٰجِدِينَ 72

En wanneer Ik hem heb gevormd en hem van Mijn geest heb ingeademd, werp je dan in gehoorzaamheid voor hem neder.”

فَسَجَدَ ٱلۡمَلَـٰٓئِكَةُ كُلُّهُمۡ أَجۡمَعُونَ 73

Dus knielden de Engelen allemaal neer.

إِلَّآ إِبۡلِيسَ ٱسۡتَكۡبَرَ وَكَانَ مِنَ ٱلۡكَٰفِرِينَ 74

Behalve Iblies, hij was trots en was één van de ongelovigen.

قَالَ يَـٰٓإِبۡلِيسُ مَا مَنَعَكَ أَن تَسۡجُدَ لِمَا خَلَقۡتُ بِيَدَيَّۖ أَسۡتَكۡبَرۡتَ أَمۡ كُنتَ مِنَ ٱلۡعَالِينَ 75

(Allah) zei: “”O Iblies! Wat weerhoudt je om voor degene die Ik met Mijn beide handen geschapen heb, neer te knielen? Ben jij te trots of ben jij één van hen die hoog verheven is?”

قَالَ أَنَا۠ خَيۡرٞ مِّنۡهُ خَلَقۡتَنِي مِن نَّارٖ وَخَلَقۡتَهُۥ مِن طِينٖ 76

(Iblies) zei: “Ik ben beter dan hij, U heeft mij uit vuur geschapen en U schiep hem van aarde.”

قَالَ فَٱخۡرُجۡ مِنۡهَا فَإِنَّكَ رَجِيمٞ 77

(Allah) zei: “Ga hier (het Paradijs) dan weg, want waarlijk, jij bent een vervloekte.

وَإِنَّ عَلَيۡكَ لَعۡنَتِيٓ إِلَىٰ يَوۡمِ ٱلدِّينِ 78

En waarlijk! Mijn vloek rust over jou tot de Dag der Vergelding.”

قَالَ رَبِّ فَأَنظِرۡنِيٓ إِلَىٰ يَوۡمِ يُبۡعَثُونَ 79

(Iblies) zei: “Mijn Heer! Geef mij uitstel tot de Dag dat de (doden) herrezen zullen worden.”

قَالَ فَإِنَّكَ مِنَ ٱلۡمُنظَرِينَ 80

(Allah) zei: “Waarlijk! Jij bent één van degenen die uitstel krijgen.

إِلَىٰ يَوۡمِ ٱلۡوَقۡتِ ٱلۡمَعۡلُومِ 81

Tot de Dag van de aangewezen tijd.”

قَالَ فَبِعِزَّتِكَ لَأُغۡوِيَنَّهُمۡ أَجۡمَعِينَ 82

Hij (Iblies) zei: “Bij Uw macht, dan zal ik ze zeker allen (proberen te) misleiden.

إِلَّا عِبَادَكَ مِنۡهُمُ ٱلۡمُخۡلَصِينَ 83

Behalve Uw (gelovige) dienaren die oprecht in hun aanbidding zijn.”

قَالَ فَٱلۡحَقُّ وَٱلۡحَقَّ أَقُولُ 84

(Allah) zei: “De waarheid, en Ik spreek de waarheid.

لَأَمۡلَأَنَّ جَهَنَّمَ مِنكَ وَمِمَّن تَبِعَكَ مِنۡهُمۡ أَجۡمَعِينَ 85

Dat Ik de Hel met jou (Iblies) en degenen van de mensheid die jou volgen, tezamen zal vullen.”

قُلۡ مَآ أَسۡـَٔلُكُمۡ عَلَيۡهِ مِنۡ أَجۡرٖ وَمَآ أَنَا۠ مِنَ ٱلۡمُتَكَلِّفِينَ 86

Zeg (O Mohammed): “Ik vraag hier geen beloning voor van jullie, noch behoor ik tot de degenen die wat verzinnem.

إِنۡ هُوَ إِلَّا ذِكۡرٞ لِّلۡعَٰلَمِينَ 87

Het (de Koran) is slechts een Overdenking voor de werelden.

وَلَتَعۡلَمُنَّ نَبَأَهُۥ بَعۡدَ حِينِۭ 88

En over een tijd zullen jullie zeker weten wat zijn boodschap was.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Close