Soera 37 – As-Saffat – De Zich Opstellenden – الصّافات

bismillah ir rahman ir rahim

وَالصَّافَّاتِ صَفًّا 1

Bij degenen (d.w.z. de Engelen) die in rijen zijn opgesteld.

فَالزَّاجِرَاتِ زَجْرًا 2

Bij degenen (d.w.z. de Engelen) die de wolken voortdrijven.

فَالتَّالِيَاتِ ذِكْرًا 3

Bij degenen (d.w.z. de Engelen) die de Vermaning voordragen.

إِنَّ إِلَٰهَكُمْ لَوَاحِدٌ 4

Voorwaar, jullie God is zeker één.

رَّبُّ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ وَمَا بَيْنَهُمَا وَرَبُّ الْمَشَارِقِ 5

De Heer van de hemelen en de aarde en datgene wat zich daartussen bevindt en de Heer van het oosten.

إِنَّا زَيَّنَّا السَّمَاءَ الدُّنْيَا بِزِينَةٍ الْكَوَاكِبِ 6

Voorwaar, Wij hebben de aardse hemel met de versiering (d.w.z. met het licht) van de sterren verfraaid.

وَحِفْظًا مِّن كُلِّ شَيْطَانٍ مَّارِدٍ 7

En (deze sterren dienen ook) als bescherming tegen elke opstandige satan.

لَّا يَسَّمَّعُونَ إِلَى الْمَلَإِ الْأَعْلَىٰ وَيُقْذَفُونَ مِن كُلِّ جَانِبٍ 8

Zij (d.w.z. de satans) kunnen het hoogste gezelschap (van Engelen) niet afluisteren, en zij worden vanuit alle kanten beschoten.

دُحُورًا ۖ وَلَهُمْ عَذَابٌ وَاصِبٌ 9

(Om hen) te verdrijven, en voor hen is er een voortdurende Bestraffing.

إِلَّا مَنْ خَطِفَ الْخَطْفَةَ فَأَتْبَعَهُ شِهَابٌ ثَاقِبٌ 10

Behalve degene die een deel (van het gesprek tussen de Engelen) opvangt, waarna hij (na het luistervinken) achterna wordt gezeten door een verlichtende vuurpijl.

فَاسْتَفْتِهِمْ أَهُمْ أَشَدُّ خَلْقًا أَم مَّنْ خَلَقْنَا ۚ إِنَّا خَلَقْنَاهُم مِّن طِينٍ لَّازِبٍ 11

Vraag hun (o Mohammed): “Zijn zij moeilijker om te scheppen, of (zijn) anderen (d.w.z. de hemelen en de aarde) die Wij hebben geschapen (moeilijker om te scheppen)?” Voorwaar, Wij hebben hen uit kleverige klei geschapen.

بَلْ عَجِبْتَ وَيَسْخَرُونَ 12

Welnee! Jij (o Mohammed) verbaasde je (over de Koran), terwijl zij (deze) bespotten.

وَإِذَا ذُكِّرُوا لَا يَذْكُرُونَ 13

En wanneer zij werden herinnerd, trokken zij er geen lering uit.

وَإِذَا رَأَوْا آيَةً يَسْتَسْخِرُونَ 14

En wanneer zij een teken zagen, dreven zij (hiermee) de spot.

وَقَالُوا إِنْ هَٰذَا إِلَّا سِحْرٌ مُّبِينٌ 15

En zij zeiden: “Dit is niets anders dan duidelijke tovenarij.

أَإِذَا مِتْنَا وَكُنَّا تُرَابًا وَعِظَامًا أَإِنَّا لَمَبْعُوثُونَ 16

Zullen wij, wanneer wij gestorven zijn en aarde en beenderen zijn geworden, daadwerkelijk (weer) worden opgewekt?

أَوَآبَاؤُنَا الْأَوَّلُونَ 17

En ook onze vroegere voorvaderen?”

قُلْ نَعَمْ وَأَنتُمْ دَاخِرُونَ 18

Zeg (o Mohammed): “Welzeker! En jullie zullen dan nederig zijn.”

فَإِنَّمَا هِيَ زَجْرَةٌ وَاحِدَةٌ فَإِذَا هُمْ يَنظُرُونَ 19

Het zal slechts één Roep zijn, en zij zullen dan (met angstige ogen) toekijken.

وَقَالُوا يَا وَيْلَنَا هَٰذَا يَوْمُ الدِّينِ 20

En zij zullen zeggen: “Wee ons, dit is de Dag van de Vergelding.”

هَٰذَا يَوْمُ الْفَصْلِ الَّذِي كُنتُم بِهِ تُكَذِّبُونَ 21

(Er zal worden gezegd:) “Dit is de Dag van de Beslissing die jullie hebben verloochend.”

احْشُرُوا الَّذِينَ ظَلَمُوا وَأَزْوَاجَهُمْ وَمَا كَانُوا يَعْبُدُونَ 22

(Tegen de Engelen zal er worden gezegd:) “Verzamel degenen die onrecht pleegden, hun soortgenoten en dat wat zij aanbaden.

مِن دُونِ اللَّهِ فَاهْدُوهُمْ إِلَىٰ صِرَاطِ الْجَحِيمِ 23

Naast Allah, en leid hen naar het pad van het Hellevuur.

وَقِفُوهُمْ ۖ إِنَّهُم مَّسْئُولُونَ 24

En houd hen tegen, voorwaar, zij zullen ondervraagd worden.”

مَا لَكُمْ لَا تَنَاصَرُونَ 25

“Waarom helpen jullie elkaar (vandaag) niet?”

بَلْ هُمُ الْيَوْمَ مُسْتَسْلِمُونَ 26

Welnee! Op deze Dag zullen zij zich overgeven.

وَأَقْبَلَ بَعْضُهُمْ عَلَىٰ بَعْضٍ يَتَسَاءَلُونَ 27

En zij zullen op elkaar afkomen om elkaar vragen te stellen.

قَالُوا إِنَّكُمْ كُنتُمْ تَأْتُونَنَا عَنِ الْيَمِينِ 28

Zij zullen zeggen: “Waarlijk, jullie benaderden ons van de rechterzijde (d.w.z. jullie hielden ons van de Waarheid af).”

قَالُوا بَل لَّمْ تَكُونُوا مُؤْمِنِينَ 29

Zij zullen antwoorden: “Nee! Jullie waren geen gelovigen.

وَمَا كَانَ لَنَا عَلَيْكُم مِّن سُلْطَانٍ ۖ بَلْ كُنتُمْ قَوْمًا طَاغِينَ 30

En wij hadden geen macht over jullie. Nee! Jullie waren een overtredend volk.

فَحَقَّ عَلَيْنَا قَوْلُ رَبِّنَا ۖ إِنَّا لَذَائِقُونَ 31

Dus het Woord van onze Heer (d.w.z. de Toorn van Allah) wordt terecht over ons uitgesproken. Voorwaar, wij zullen zeker (de Bestraffing) proeven.

فَأَغْوَيْنَاكُمْ إِنَّا كُنَّا غَاوِينَ 32

En wij hebben jullie doen afdwalen. Waarlijk, wij waren (daadwerkelijk) dwalenden.”

فَإِنَّهُمْ يَوْمَئِذٍ فِي الْعَذَابِ مُشْتَرِكُونَ 33

Voorwaar, zij zullen dan op die Dag de Bestraffing met elkaar delen.

إِنَّا كَذَٰلِكَ نَفْعَلُ بِالْمُجْرِمِينَ 34

Voorwaar, zo zullen Wij de misdadigers behandelen.

إِنَّهُمْ كَانُوا إِذَا قِيلَ لَهُمْ لَا إِلَٰهَ إِلَّا اللَّهُ يَسْتَكْبِرُونَ 35

Voorwaar, wanneer er tegen hen werd gezegd: “Er is geen god dan Allah”, dan stelden zij zich hoogmoedig op.

وَيَقُولُونَ أَئِنَّا لَتَارِكُو آلِهَتِنَا لِشَاعِرٍ مَّجْنُونٍ 36

En zij zeggen: “Zullen wij dan onze goden verlaten vanwege een bezeten dichter?”

بَلْ جَاءَ بِالْحَقِّ وَصَدَّقَ الْمُرْسَلِينَ 37

Welnee! Hij (Mohammed) is met de Waarheid gekomen en hij bevestigt de (boodschappen van de eerdere) Boodschappers.

إِنَّكُمْ لَذَائِقُو الْعَذَابِ الْأَلِيمِ 38

Voorwaar, jullie zullen zeker de pijnlijke Bestraffing proeven.

وَمَا تُجْزَوْنَ إِلَّا مَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَ 39

En jullie worden slechts vergolden vanwege datgene wat jullie deden.

إِلَّا عِبَادَ اللَّهِ الْمُخْلَصِينَ 40

Behalve de (zuiver) toegewijde dienaren van Allah.

أُولَٰئِكَ لَهُمْ رِزْقٌ مَّعْلُومٌ 41

Zij zijn degenen voor wie er een bekende Voorziening is.

فَوَاكِهُ ۖ وَهُم مُّكْرَمُونَ 42

(Voor hen zijn er) vruchten en zij worden (in het Paradijs) geëerd.

فِي جَنَّاتِ النَّعِيمِ 43

In de Tuinen van Genot.

عَلَىٰ سُرُرٍ مُّتَقَابِلِينَ 44

(Zij zullen) tegenover elkaar (zitten) op ligstoelen.

يُطَافُ عَلَيْهِم بِكَأْسٍ مِّن مَّعِينٍ 45

Er zal om hen heen rondgegaan worden met glazen met stromende wijn.

بَيْضَاءَ لَذَّةٍ لِّلشَّارِبِينَ 46

Wit (van kleur) en smakelijk voor de drinkers.

لَا فِيهَا غَوْلٌ وَلَا هُمْ عَنْهَا يُنزَفُونَ 47

Zij zullen (daarvan) geen last ondervinden, noch zullen zij daardoor bedwelmd raken.

وَعِندَهُمْ قَاصِرَاتُ الطَّرْفِ عِينٌ 48

En bij hen zullen zich (kuise) vrouwen bevinden met mooie, grote ogen die hun blikken neerslaan (en alleen oog hebben voor hun echtgenoten).

كَأَنَّهُنَّ بَيْضٌ مَّكْنُونٌ 49

Alsof zij (goed) bewaarde eieren zijn.

فَأَقْبَلَ بَعْضُهُمْ عَلَىٰ بَعْضٍ يَتَسَاءَلُونَ 50

En zij (d.w.z. de Paradijsbewoners) zullen op elkaar afkomen om elkaar vragen te stellen.

قَالَ قَائِلٌ مِّنْهُمْ إِنِّي كَانَ لِي قَرِينٌ 51

Eén van hen (d.w.z. een Paradijsbewoner) zal zeggen: “Voorwaar, ik had een metgezel (in het wereldse leven).

يَقُولُ أَإِنَّكَ لَمِنَ الْمُصَدِّقِينَ 52

Hij zei (in het wereldse leven tegen mij): “Behoor jij tot degenen die (in de Wederopstanding) geloven?

أَإِذَا مِتْنَا وَكُنَّا تُرَابًا وَعِظَامًا أَإِنَّا لَمَدِينُونَ 53

Zullen wij, wanneer wij gestorven zijn en aarde en beenderen zijn geworden, daadwerkelijk berecht worden?””

قَالَ هَلْ أَنتُم مُّطَّلِعُونَ 54

Hij (de Paradijsbewoner) zei: “Kunnen jullie een blik werpen (op de Helbewoners)?”

فَاطَّلَعَ فَرَآهُ فِي سَوَاءِ الْجَحِيمِ 55

Toen wierp hij (d.w.z. de Paradijsbewoner zelf) een blik, (en) zag hij hem (d.w.z. de metgezel) in het midden van het Hellevuur.

قَالَ تَاللَّهِ إِن كِدتَّ لَتُرْدِينِ 56

Hij (de Paradijsbewoner) zei: “Bij Allah! Jij hebt mij bijna vernietigd.

وَلَوْلَا نِعْمَةُ رَبِّي لَكُنتُ مِنَ الْمُحْضَرِينَ 57

En was het niet vanwege de Gunst van mijn Heer, dan zou ik zeker tot degenen behoren die (ook met jou) aanwezig zijn (in de Hel).”

أَفَمَا نَحْنُ بِمَيِّتِينَ 58

(De Paradijsbewoner zal zeggen:) “Zullen wij dan niet (nogmaals) sterven?

إِلَّا مَوْتَتَنَا الْأُولَىٰ وَمَا نَحْنُ بِمُعَذَّبِينَ 59

Behalve (tijdens) onze eerste dood? En zullen wij niet worden bestraft?”

إِنَّ هَٰذَا لَهُوَ الْفَوْزُ الْعَظِيمُ 60

Voorwaar, dit is zeker de grandioze Overwinning.

لِمِثْلِ هَٰذَا فَلْيَعْمَلِ الْعَامِلُونَ 61

Laat degenen die (hard willen) werken, voor dit soort (Gunsten) werken.

أَذَٰلِكَ خَيْرٌ نُّزُلًا أَمْ شَجَرَةُ الزَّقُّومِ 62

Is dit (d.w.z. het Paradijs) beter als onthaal, of de boom van Zaqqoem (die in de Hel groeit)?

إِنَّا جَعَلْنَاهَا فِتْنَةً لِّلظَّالِمِينَ 63

Voorwaar, Wij hebben deze tot een beproeving voor de onrechtplegers gemaakt.

إِنَّهَا شَجَرَةٌ تَخْرُجُ فِي أَصْلِ الْجَحِيمِ 64

Voorwaar, het is een boom die in de onderste laag van het Hellevuur groeit.

طَلْعُهَا كَأَنَّهُ رُءُوسُ الشَّيَاطِينِ 65

De kolven ervan zijn als de hoofden van de satans.

فَإِنَّهُمْ لَآكِلُونَ مِنْهَا فَمَالِئُونَ مِنْهَا الْبُطُونَ 66

Waarlijk, zij zullen er zeker van eten en hun buiken ermee vullen.

ثُمَّ إِنَّ لَهُمْ عَلَيْهَا لَشَوْبًا مِّنْ حَمِيمٍ 67

Vervolgens zullen zij erbovenop zeker een drankmengsel van kokend water te drinken krijgen.

ثُمَّ إِنَّ مَرْجِعَهُمْ لَإِلَى الْجَحِيمِ 68

Daarna zal hun terugkeer zeker naar het Hellevuur zijn.

إِنَّهُمْ أَلْفَوْا آبَاءَهُمْ ضَالِّينَ 69

Voorwaar, zij troffen hun voorvaderen dwalend aan.

فَهُمْ عَلَىٰ آثَارِهِمْ يُهْرَعُونَ 70

Dus volgden zij haastig hun voetsporen.

وَلَقَدْ ضَلَّ قَبْلَهُمْ أَكْثَرُ الْأَوَّلِينَ 71

En voorzeker, de meeste mensen van vroeger dwaalden (ook) vóór hen af.

وَلَقَدْ أَرْسَلْنَا فِيهِم مُّنذِرِينَ 72

En voorzeker, onder hen hebben Wij waarschuwers (d.w.z. Boodschappers) gestuurd.

فَانظُرْ كَيْفَ كَانَ عَاقِبَةُ الْمُنذَرِينَ 73

Zie dan hoe het einde van de gewaarschuwden was.

إِلَّا عِبَادَ اللَّهِ الْمُخْلَصِينَ 74

Behalve de (zuiver) toegewijde dienaren van Allah.

وَلَقَدْ نَادَانَا نُوحٌ فَلَنِعْمَ الْمُجِيبُونَ 75

En voorzeker, Noeh riep Ons aan. En hoe geweldig zijn Wij als Verhoorders.

وَنَجَّيْنَاهُ وَأَهْلَهُ مِنَ الْكَرْبِ الْعَظِيمِ 76

En Wij redden hem en zijn familie van de geweldige kwelling.

وَجَعَلْنَا ذُرِّيَّتَهُ هُمُ الْبَاقِينَ 77

En Wij maakten zijn nageslacht tot de overlevenden.

وَتَرَكْنَا عَلَيْهِ فِي الْآخِرِينَ 78

En Wij bezorgden hem een goede naam onder de latere generaties.

سَلَامٌ عَلَىٰ نُوحٍ فِي الْعَالَمِينَ 79

Vrede zij met Noeh onder de werelden.

إِنَّا كَذَٰلِكَ نَجْزِي الْمُحْسِنِينَ 80

Voorwaar, zo belonen Wij de weldoeners.

إِنَّهُ مِنْ عِبَادِنَا الْمُؤْمِنِينَ 81

Voorwaar, hij (Noeh) behoorde tot Onze gelovige dienaren.

ثُمَّ أَغْرَقْنَا الْآخَرِينَ 82

Vervolgens lieten Wij de anderen (d.w.z. de ongelovigen) verdrinken.

وَإِنَّ مِن شِيعَتِهِ لَإِبْرَاهِيمَ 83

En voorwaar, tot zijn volgelingen behoort zeker Ibraahiem.

إِذْ جَاءَ رَبَّهُ بِقَلْبٍ سَلِيمٍ 84

Toen hij (Ibraahiem) met een zuiver hart naar zijn Heer kwam (d.w.z. dat hij zich met een zuiver hart tot zijn Heer wendde).

إِذْ قَالَ لِأَبِيهِ وَقَوْمِهِ مَاذَا تَعْبُدُونَ 85

Toen hij tegen zijn vader en volk zei: “Wat aanbidden jullie (toch)?

أَئِفْكًا آلِهَةً دُونَ اللَّهِ تُرِيدُونَ 86

Zijn het valse goden die jullie naast Allah wensen (te aanbidden)?

فَمَا ظَنُّكُم بِرَبِّ الْعَالَمِينَ 87

Wat denken jullie dan over de Heer van de werelden?”

فَنَظَرَ نَظْرَةً فِي النُّجُومِ 88

Toen wierp hij een blik naar de sterren.

فَقَالَ إِنِّي سَقِيمٌ 89

En hij zei: “Voorwaar, ik ben ziek.”

فَتَوَلَّوْا عَنْهُ مُدْبِرِينَ 90

Toen wendden zij zich met hun rug van hem af.

فَرَاغَ إِلَىٰ آلِهَتِهِمْ فَقَالَ أَلَا تَأْكُلُونَ 91

Vervolgens wendde hij zich tot hun (valse) goden en zei: “Eten jullie niet?

مَا لَكُمْ لَا تَنطِقُونَ 92

Waarom spreken jullie niet?”

فَرَاغَ عَلَيْهِمْ ضَرْبًا بِالْيَمِينِ 93

Toen wendde hij zich tot hen, (en) sloeg op hen in met de rechterhand.

فَأَقْبَلُوا إِلَيْهِ يَزِفُّونَ 94

Waarna zij (d.w.z. de veelgodenaanbidders) zich naar hem toe haastten.

قَالَ أَتَعْبُدُونَ مَا تَنْحِتُونَ 95

Hij (Ibraahiem) zei: “Aanbidden jullie wat jullie zelf uithouwen?

وَاللَّهُ خَلَقَكُمْ وَمَا تَعْمَلُونَ 96

Terwijl Allah jullie en wat jullie doen (d.w.z. wat jullie uithouwen) heeft geschapen?”

قَالُوا ابْنُوا لَهُ بُنْيَانًا فَأَلْقُوهُ فِي الْجَحِيمِ 97

Zij zeiden: “Richt voor hem een bouwwerk op en werp hem in het vuur.”

فَأَرَادُوا بِهِ كَيْدًا فَجَعَلْنَاهُمُ الْأَسْفَلِينَ 98

Dus wilden zij een list tegen hem beramen, maar Wij maakten hen tot de laagsten.

وَقَالَ إِنِّي ذَاهِبٌ إِلَىٰ رَبِّي سَيَهْدِينِ 99

En hij zei (nadat hij van het vuur was gered): “Voorwaar, ik ga naar mijn Heer, Hij zal mij leiden.

رَبِّ هَبْ لِي مِنَ الصَّالِحِينَ 100

Mijn Heer, schenk mij (een nakomeling) van de rechtschapenen.”

فَبَشَّرْنَاهُ بِغُلَامٍ حَلِيمٍ 101

Toen verkondigden Wij hem de verheugende tijding van (de geboorte van) een verdraagzame zoon (Ismaaciel).

فَلَمَّا بَلَغَ مَعَهُ السَّعْيَ قَالَ يَا بُنَيَّ إِنِّي أَرَىٰ فِي الْمَنَامِ أَنِّي أَذْبَحُكَ فَانظُرْ مَاذَا تَرَىٰ ۚ قَالَ يَا أَبَتِ افْعَلْ مَا تُؤْمَرُ ۖ سَتَجِدُنِي إِن شَاءَ اللَّهُ مِنَ الصَّابِرِينَ 102

Toen hij (d.w.z. Ismaaciel) de leeftijd bereikte om (samen) met hem (d.w.z. met Ibraahiem) eropuit te trekken (om de kost te winnen), zei hij (Ibraahiem): “O mijn zoon, waarlijk, ik heb in een droom gezien dat ik jou offer. Kijk maar wat jij daarvan vindt.” Hij (Ismaaciel) zei: “O mijn vader, doe wat u is bevolen (en) u zult mij, als Allah het wil, tot de geduldigen aantreffen.”

فَلَمَّا أَسْلَمَا وَتَلَّهُ لِلْجَبِينِ 103

Toen zij zich (beiden) overgaven (aan Allah), en hij (Ibraahiem) zijn voorhoofd (d.w.z. het voorhoofd van Ismaaciel omdraaide en deze) naar de grond richtte.

وَنَادَيْنَاهُ أَن يَا إِبْرَاهِيمُ 104

En Wij hem toeriepen: “O Ibraahiem.

قَدْ صَدَّقْتَ الرُّؤْيَا ۚ إِنَّا كَذَٰلِكَ نَجْزِي الْمُحْسِنِينَ 105

Voorzeker, jij hebt de droom (reeds naar waarheid) ten uitvoer gebracht. Voorwaar, zo belonen Wij de weldoeners.”

إِنَّ هَٰذَا لَهُوَ الْبَلَاءُ الْمُبِينُ 106

Voorwaar, dit is zeker de duidelijke beproeving.

وَفَدَيْنَاهُ بِذِبْحٍ عَظِيمٍ 107

En Wij beloonden hem met een grandioos offer(dier).

وَتَرَكْنَا عَلَيْهِ فِي الْآخِرِينَ 108

En Wij bezorgden hem een goede naam onder de latere generaties.

سَلَامٌ عَلَىٰ إِبْرَاهِيمَ 109

Vrede zij met Ibraahiem.

كَذَٰلِكَ نَجْزِي الْمُحْسِنِينَ 110

Zo belonen Wij de weldoeners.

إِنَّهُ مِنْ عِبَادِنَا الْمُؤْمِنِينَ 111

Voorwaar, hij behoorde tot Onze gelovige dienaren.

وَبَشَّرْنَاهُ بِإِسْحَاقَ نَبِيًّا مِّنَ الصَّالِحِينَ 112

En Wij verkondigden hem de verheugende tijding van (de geboorte van) Ishaaq, een Profeet die tot de rechtschapenen behoort.

وَبَارَكْنَا عَلَيْهِ وَعَلَىٰ إِسْحَاقَ ۚ وَمِن ذُرِّيَّتِهِمَا مُحْسِنٌ وَظَالِمٌ لِّنَفْسِهِ مُبِينٌ 113

En Wij zegenden hem en Ishaaq. En onder hun nakomelingen zijn er (sommigen) die weldoeners zijn en (anderen) die zichzelf duidelijk onrecht hebben aangedaan.

وَلَقَدْ مَنَنَّا عَلَىٰ مُوسَىٰ وَهَارُونَ 114

En voorzeker, Wij hebben Moesa en Haaroen begunstigd.

وَنَجَّيْنَاهُمَا وَقَوْمَهُمَا مِنَ الْكَرْبِ الْعَظِيمِ 115

En Wij hebben hen en hun volk gered van de geweldige kwelling.

وَنَصَرْنَاهُمْ فَكَانُوا هُمُ الْغَالِبِينَ 116

En Wij hielpen hen, waardoor zij de winnaars waren.

وَآتَيْنَاهُمَا الْكِتَابَ الْمُسْتَبِينَ 117

En Wij gaven hun het duidelijke Boek (d.w.z. de Torah).

وَهَدَيْنَاهُمَا الصِّرَاطَ الْمُسْتَقِيمَ 118

En Wij leidden hen naar het rechte Pad.

وَتَرَكْنَا عَلَيْهِمَا فِي الْآخِرِينَ 119

En Wij bezorgden hun een goede naam onder de latere generaties.

سَلَامٌ عَلَىٰ مُوسَىٰ وَهَارُونَ 120

Vrede zij met Moesa en Haaroen.

إِنَّا كَذَٰلِكَ نَجْزِي الْمُحْسِنِينَ 121

Voorwaar, zo belonen Wij de weldoeners.

إِنَّهُمَا مِنْ عِبَادِنَا الْمُؤْمِنِينَ 122

Voorwaar, zij behoorden tot Onze gelovige dienaren.

وَإِنَّ إِلْيَاسَ لَمِنَ الْمُرْسَلِينَ 123

En voorwaar, Ilyaas was zeker één van de Boodschappers.

إِذْ قَالَ لِقَوْمِهِ أَلَا تَتَّقُونَ 124

Toen hij tegen zijn volk zei: “Zullen jullie (Allah) niet vrezen?

أَتَدْعُونَ بَعْلًا وَتَذَرُونَ أَحْسَنَ الْخَالِقِينَ 125

Roepen jullie (de valse god met de naam) Baclaan, terwijl jullie (de aanbidding van) de Beste onder de scheppers (achterwege) laten?

اللَّهَ رَبَّكُمْ وَرَبَّ آبَائِكُمُ الْأَوَّلِينَ 126

(Namelijk de aanbidding van) Allah, jullie Heer en de Heer van jullie vroegere voorvaderen?”

فَكَذَّبُوهُ فَإِنَّهُمْ لَمُحْضَرُونَ 127

Maar zij verloochenden hem (Ilyaas). Dus voorwaar, zij zullen zeker aanwezig zijn (in de Bestraffing).

إِلَّا عِبَادَ اللَّهِ الْمُخْلَصِينَ 128

Behalve de (zuiver) toegewijde dienaren van Allah.

وَتَرَكْنَا عَلَيْهِ فِي الْآخِرِينَ 129

En Wij bezorgden hem (Ilyaas) een goede naam onder de latere generaties.

سَلَامٌ عَلَىٰ إِلْ يَاسِينَ 130

Vrede zij met Ilyaas.

إِنَّا كَذَٰلِكَ نَجْزِي الْمُحْسِنِينَ 131

Voorwaar, zo belonen Wij de weldoeners.

إِنَّهُ مِنْ عِبَادِنَا الْمُؤْمِنِينَ 132

Voorwaar, hij behoorde tot Onze gelovige dienaren.

وَإِنَّ لُوطًا لَّمِنَ الْمُرْسَلِينَ 133

En voorwaar, Loet was één van de Boodschappers.

إِذْ نَجَّيْنَاهُ وَأَهْلَهُ أَجْمَعِينَ 134

(Gedenk) toen Wij hem en zijn hele familie hebben gered.

إِلَّا عَجُوزًا فِي الْغَابِرِينَ 135

Behalve een oude vrouw (d.w.z. de vrouw van Loet), die tot de achterblijvers behoorde.

ثُمَّ دَمَّرْنَا الْآخَرِينَ 136

Vervolgens vernietigden Wij de anderen.

وَإِنَّكُمْ لَتَمُرُّونَ عَلَيْهِم مُّصْبِحِينَ 137

En voorwaar, jullie passeren hen (d.w.z. het volk van Loet) zeker in de vroege ochtend (tijdens jullie reizen).

وَبِاللَّيْلِ ۗ أَفَلَا تَعْقِلُونَ 138

En (ook) in de nacht. Denken jullie dan niet na?

وَإِنَّ يُونُسَ لَمِنَ الْمُرْسَلِينَ 139

En voorwaar, Yoenoes was zeker één van de Boodschappers.

إِذْ أَبَقَ إِلَى الْفُلْكِ الْمَشْحُونِ 140

(Gedenk) toen hij zijn toevlucht zocht tot het volgeladen schip.

فَسَاهَمَ فَكَانَ مِنَ الْمُدْحَضِينَ 141

Vervolgens lootte hij (om te bepalen wie er overboord gegooid moest worden) en hij behoorde toen tot de verliezers.

فَالْتَقَمَهُ الْحُوتُ وَهُوَ مُلِيمٌ 142

Toen werd hij door de (grote) vis opgeslokt. En hij had (daarvóór) een zonde begaan.

فَلَوْلَا أَنَّهُ كَانَ مِنَ الْمُسَبِّحِينَ 143

Als hij daarna niet behoorde tot degenen die Allah verheerlijkten.

لَلَبِثَ فِي بَطْنِهِ إِلَىٰ يَوْمِ يُبْعَثُونَ 144

Dan zou hij zeker in zijn buik blijven tot aan de Dag waarop zij opgewekt zullen worden.

فَنَبَذْنَاهُ بِالْعَرَاءِ وَهُوَ سَقِيمٌ 145

Maar Wij wierpen hem aan wal, terwijl hij zwak was.

وَأَنبَتْنَا عَلَيْهِ شَجَرَةً مِّن يَقْطِينٍ 146

En Wij lieten een pompoenboom over hem heen groeien.

وَأَرْسَلْنَاهُ إِلَىٰ مِائَةِ أَلْفٍ أَوْ يَزِيدُونَ 147

En Wij stuurden hem naar honderdduizend (mensen), of zelfs meer.

فَآمَنُوا فَمَتَّعْنَاهُمْ إِلَىٰ حِينٍ 148

En zij geloofden, waarna Wij hen voor een bepaalde duur lieten genieten.

فَاسْتَفْتِهِمْ أَلِرَبِّكَ الْبَنَاتُ وَلَهُمُ الْبَنُونَ 149

Vraag hun dan (o Mohammed): “Heeft jouw Heer dochters terwijl zij zonen hebben?

أَمْ خَلَقْنَا الْمَلَائِكَةَ إِنَاثًا وَهُمْ شَاهِدُونَ 150

Of hebben Wij de Engelen als vrouwen geschapen terwijl zij (hiervan) getuigen?”

أَلَا إِنَّهُم مِّنْ إِفْكِهِمْ لَيَقُولُونَ 151

Weet dat het daadwerkelijk door hun leugen komt, dat zij zeker zullen zeggen.

وَلَدَ اللَّهُ وَإِنَّهُمْ لَكَاذِبُونَ 152

“Allah heeft (kinderen) verwekt.” En voorwaar, zij zijn zeker leugenaars.

أَصْطَفَى الْبَنَاتِ عَلَى الْبَنِينَ 153

Heeft Hij dan dochters boven de zonen verkozen?

مَا لَكُمْ كَيْفَ تَحْكُمُونَ 154

Wat is er toch met jullie? Hoe oordelen jullie?

أَفَلَا تَذَكَّرُونَ 155

Trekken jullie er dan geen lering uit?

أَمْ لَكُمْ سُلْطَانٌ مُّبِينٌ 156

Of hebben jullie een duidelijk bewijs?

فَأْتُوا بِكِتَابِكُمْ إِن كُنتُمْ صَادِقِينَ 157

Breng dan jullie boek als jullie waarachtig zijn.

وَجَعَلُوا بَيْنَهُ وَبَيْنَ الْجِنَّةِ نَسَبًا ۚ وَلَقَدْ عَلِمَتِ الْجِنَّةُ إِنَّهُمْ لَمُحْضَرُونَ 158

En zij verzonnen een verwantschap tussen Hem (Allah) en de djinns. En voorzeker, de djinns weten daadwerkelijk dat zij zeker aanwezig zullen zijn (in de Bestraffing).

سُبْحَانَ اللَّهِ عَمَّا يَصِفُونَ 159

Verheven is Allah boven datgene wat zij (aan Hem) toeschrijven.

إِلَّا عِبَادَ اللَّهِ الْمُخْلَصِينَ 160

Behalve de (zuiver) toegewijde dienaren van Allah.

فَإِنَّكُمْ وَمَا تَعْبُدُونَ 161

En voorwaar, jullie en wat jullie aanbidden.

مَا أَنتُمْ عَلَيْهِ بِفَاتِنِينَ 162

Zijn niet in staat om daarmee (d.w.z. met de valse goden) te laten afdwalen.

إِلَّا مَنْ هُوَ صَالِ الْجَحِيمِ 163

Behalve degene die het Hellevuur zal binnengaan.

وَمَا مِنَّا إِلَّا لَهُ مَقَامٌ مَّعْلُومٌ 164

En er is niemand van ons (d.w.z. van de Engelen), of hij heeft een (eigen) bekende plaats.

وَإِنَّا لَنَحْنُ الصَّافُّونَ 165

En voorwaar, wij (d.w.z. de Engelen) stellen ons zeker (ter aanbidding) in rijen op (voor Allah).

وَإِنَّا لَنَحْنُ الْمُسَبِّحُونَ 166

En voorwaar, wij (d.w.z. de Engelen) zijn zeker degenen die (Allah) verheerlijken.

وَإِن كَانُوا لَيَقُولُونَ 167

En voorwaar, zij (de veelgodenaanbidders) zeiden.

لَوْ أَنَّ عِندَنَا ذِكْرًا مِّنَ الْأَوَّلِينَ 168

“Als wij een Vermaning (d.w.z. een Boek) zouden hebben gehad net als de eerdere generaties.

لَكُنَّا عِبَادَ اللَّهِ الْمُخْلَصِينَ 169

Dan zouden wij zeker tot de (zuiver) toegewijde dienaren van Allah behoren.”

فَكَفَرُوا بِهِ ۖ فَسَوْفَ يَعْلَمُونَ 170

Maar toch verloochenen zij het (d.w.z. de Koran). Zij zullen spoedig weten (wat voor Bestraffing hun zal toekomen).

وَلَقَدْ سَبَقَتْ كَلِمَتُنَا لِعِبَادِنَا الْمُرْسَلِينَ 171

En voorzeker, Ons Woord is (reeds) bepaald voor Onze gezonden dienaren (d.w.z. voor de Boodschappers).

إِنَّهُمْ لَهُمُ الْمَنصُورُونَ 172

Voorwaar, zij zijn degenen die zeker (aan de overwinning) zullen worden geholpen.

وَإِنَّ جُندَنَا لَهُمُ الْغَالِبُونَ 173

En waarlijk, het is Ons Leger dat zeker zal winnen.

فَتَوَلَّ عَنْهُمْ حَتَّىٰ حِينٍ 174

Dus wend je (o Mohammed) van hen af tot een bepaald tijdstip.

وَأَبْصِرْهُمْ فَسَوْفَ يُبْصِرُونَ 175

En kijk naar hen en zij zullen het (d.w.z. de Bestraffing) spoedig zien.

أَفَبِعَذَابِنَا يَسْتَعْجِلُونَ 176

Vragen zij dan om het bespoedigen van Onze Bestraffing?

فَإِذَا نَزَلَ بِسَاحَتِهِمْ فَسَاءَ صَبَاحُ الْمُنذَرِينَ 177

Wanneer het (d.w.z. de bestraffing) vervolgens op hun woonplaats neerkomt, dan zal de ochtend afschuwelijk zijn voor de gewaarschuwden.

وَتَوَلَّ عَنْهُمْ حَتَّىٰ حِينٍ 178

Dus wend je (o Mohammed) van hen af tot een bepaald tijdstip.

وَأَبْصِرْ فَسَوْفَ يُبْصِرُونَ 179

En laat (hun) zien, (en) zij zullen het (d.w.z. de Bestraffing) dan (ook) spoedig zien.

سُبْحَانَ رَبِّكَ رَبِّ الْعِزَّةِ عَمَّا يَصِفُونَ 180

Verheven is jouw Heer, de Heer van (alle) cIzzah, boven datgene wat zij (aan Hem) toeschrijven.

وَسَلَامٌ عَلَى الْمُرْسَلِينَ 181

En vrede zij met de Boodschappers.

وَالْحَمْدُ لِلَّهِ رَبِّ الْعَالَمِينَ 182

En (alle) lof zij Allah, de Heer van de werelden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Close