Soera 37 – As-Saffat – De Zich Opstellenden – الصّافات

Deze soera in de nieuwe Koran omgeving lezen? Ja, graag
bismillah ir rahman ir rahim

وَٱلصَّـٰٓفَّـٰتِ صَفّٗا 1

Bij hen die in rijen geordend zijn (de Engelen).

فَٱلزَّـٰجِرَٰتِ زَجۡرٗا 2

Bij hen die de wolken op een goede manier voortdrijven.

فَٱلتَّـٰلِيَٰتِ ذِكۡرًا 3

Bij hen die het Boek (de Koran) voordragen.

إِنَّ إِلَٰهَكُمۡ لَوَٰحِدٞ 4

Waarlijk, jullie God is zeker Eén.

رَّبُّ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِ وَمَا بَيۡنَهُمَا وَرَبُّ ٱلۡمَشَٰرِقِ 5

De Heer van de hemelen en de aarde en alles wat daar tussen is, en de Heer van de plaatsen van zonsopgang.

إِنَّا زَيَّنَّا ٱلسَّمَآءَ ٱلدُّنۡيَا بِزِينَةٍ ٱلۡكَوَاكِبِ 6

Waarlijk! Wij hebben de nabije hemel met sterren versierd.

وَحِفۡظٗا مِّن كُلِّ شَيۡطَٰنٖ مَّارِدٖ 7

En (die zijn er) als bescherming tegen alle opstandige duivels.

لَّا يَسَّمَّعُونَ إِلَى ٱلۡمَلَإِ ٱلۡأَعۡلَىٰ وَيُقۡذَفُونَ مِن كُلِّ جَانِبٖ 8

Zij kunnen niet luisteren bij de hogere groep (de Engelen) want zij worden van alle kanten bekogeld.

دُحُورٗاۖ وَلَهُمۡ عَذَابٞ وَاصِبٌ 9

Als verworpenen en voor hen is er een voortdurende bestraffing.

إِلَّا مَنۡ خَطِفَ ٱلۡخَطۡفَةَ فَأَتۡبَعَهُۥ شِهَابٞ ثَاقِبٞ 10

Maar hij die steelsgewijze opvangt, hem achtervolgt een heldere vlam.

فَٱسۡتَفۡتِهِمۡ أَهُمۡ أَشَدُّ خَلۡقًا أَم مَّنۡ خَلَقۡنَآۚ إِنَّا خَلَقۡنَٰهُم مِّن طِينٖ لَّازِبِۭ 11

Vraag hen (de ongelovigen) dan of zij moeilijker zijn te scheppen, dan andere (dingen) die Wij hebben geschapen. Waarlijk, Wij hebben hen uit plakkerige klei geschapen.

بَلۡ عَجِبۡتَ وَيَسۡخَرُونَ 12

Nee, jij verwondert je zelfs als zij (de door jou gebrachte Boodschap) bespotten.

وَإِذَا ذُكِّرُواْ لَا يَذۡكُرُونَ 13

En wanneer zij vermaand worden besteden zij daar geen aandacht aan.

وَإِذَا رَأَوۡاْ ءَايَةٗ يَسۡتَسۡخِرُونَ 14

En als zij een Teken van Allah zien, dan bespotten zij het.

وَقَالُوٓاْ إِنۡ هَٰذَآ إِلَّا سِحۡرٞ مُّبِينٌ 15

En zij zeggen: “Dit is niets anders dan duidelijke toverkunst!

أَءِذَا مِتۡنَا وَكُنَّا تُرَابٗا وَعِظَٰمًا أَءِنَّا لَمَبۡعُوثُونَ 16

Als wij dood zijn en tot stof en beenderen vergaan zijn, zullen wij (dan) werkelijk herrijzen?

أَوَءَابَآؤُنَا ٱلۡأَوَّلُونَ 17

En ook onze oude voorvaderen?”

قُلۡ نَعَمۡ وَأَنتُمۡ دَٰخِرُونَ 18

Zeg:: “Ja, en jullie zullen vernederd zijn.”

فَإِنَّمَا هِيَ زَجۡرَةٞ وَٰحِدَةٞ فَإِذَا هُمۡ يَنظُرُونَ 19

Er zal dan slechts één enkele roep zijn en zie, zij zullen staren!

وَقَالُواْ يَٰوَيۡلَنَا هَٰذَا يَوۡمُ ٱلدِّينِ 20

Zij zullen zeggen: “Wee ons! Dit is de Dag der Opstanding!”

هَٰذَا يَوۡمُ ٱلۡفَصۡلِ ٱلَّذِي كُنتُم بِهِۦ تُكَذِّبُونَ 21

Dit is de Dag des Oordeels die jullie ontkenden.

۞ٱحۡشُرُواْ ٱلَّذِينَ ظَلَمُواْ وَأَزۡوَٰجَهُمۡ وَمَا كَانُواْ يَعۡبُدُونَ 22

(Tot de Engelen wordt gezegd:) “Verzamel degenen die zondigden en hun gelijken en wat zij plachten te aanbidden.

مِن دُونِ ٱللَّهِ فَٱهۡدُوهُمۡ إِلَىٰ صِرَٰطِ ٱلۡجَحِيمِ 23

Naast Allah. Leidt hen dan naar de weg van het laaiende Vuur.

وَقِفُوهُمۡۖ إِنَّهُم مَّسۡـُٔولُونَ 24

Maar houdt hen tegen, waarlijk, zij moeten ondervraagd worden.”

مَا لَكُمۡ لَا تَنَاصَرُونَ 25

(Er zal aan hen gevraagd worden:) “Wat scheelt jullie? Waarom helpen jullie elkaar niet?”

بَلۡ هُمُ ٱلۡيَوۡمَ مُسۡتَسۡلِمُونَ 26

Op die Dag zullen zij zich zelfs overgeven.

وَأَقۡبَلَ بَعۡضُهُمۡ عَلَىٰ بَعۡضٖ يَتَسَآءَلُونَ 27

En zij zullen zich tot elkaar keren en elkaar ondervragen.

قَالُوٓاْ إِنَّكُمۡ كُنتُمۡ تَأۡتُونَنَا عَنِ ٱلۡيَمِينِ 28

Zij (de volgelingen) zullen zeggen: “Jullie zijn van de rechterkant tot ons gekomen.”

قَالُواْ بَل لَّمۡ تَكُونُواْ مُؤۡمِنِينَ 29

Zij (de leiders) zullen antwoorden: “Jullie waren zelfs geen gelovigen.

وَمَا كَانَ لَنَا عَلَيۡكُم مِّن سُلۡطَٰنِۭۖ بَلۡ كُنتُمۡ قَوۡمٗا طَٰغِينَ 30

En wij hadden geen gezag over jullie. Maar jullie waren mensen die overtraden.

فَحَقَّ عَلَيۡنَا قَوۡلُ رَبِّنَآۖ إِنَّا لَذَآئِقُونَ 31

Nu heeft het woord van onze Heer zich dus tegen ons gerechtvaardigd, zodat wij zeker proeven.

فَأَغۡوَيۡنَٰكُمۡ إِنَّا كُنَّا غَٰوِينَ 32

Wij lieten jullie dus dwalen omdat wij zelf dwaalden.”

فَإِنَّهُمۡ يَوۡمَئِذٖ فِي ٱلۡعَذَابِ مُشۡتَرِكُونَ 33

Dan waarlijk, op die Dag zullen zij (allen) in de bestraffing delen.

إِنَّا كَذَٰلِكَ نَفۡعَلُ بِٱلۡمُجۡرِمِينَ 34

Zeker, zo behandelen Wij de misdadigers.

إِنَّهُمۡ كَانُوٓاْ إِذَا قِيلَ لَهُمۡ لَآ إِلَٰهَ إِلَّا ٱللَّهُ يَسۡتَكۡبِرُونَ 35

Waarlijk, toen er tegen hen gezegd werd: “Er is geen god dan Allah,” toen waren zij hoogmoedig.

وَيَقُولُونَ أَئِنَّا لَتَارِكُوٓاْ ءَالِهَتِنَا لِشَاعِرٖ مَّجۡنُونِۭ 36

En (zij) zeggen: “Gaan wij onze goden uitbannen vanwege een krankzinnige dichter?”

بَلۡ جَآءَ بِٱلۡحَقِّ وَصَدَّقَ ٱلۡمُرۡسَلِينَ 37

Nee! Hij (Mohammed) is met de Waarheid gekomen en hij bevestigt de Boodschappers.

إِنَّكُمۡ لَذَآئِقُواْ ٱلۡعَذَابِ ٱلۡأَلِيمِ 38

Waarlijk, jullie zullen een pijnlijke bestraffing gaan proeven.

وَمَا تُجۡزَوۡنَ إِلَّا مَا كُنتُمۡ تَعۡمَلُونَ 39

En jullie zal niets vergolden worden behalve datgene wat jullie plachten te doen.

إِلَّا عِبَادَ ٱللَّهِ ٱلۡمُخۡلَصِينَ 40

Behalve de uitverkoren slaven van Allah.

أُوْلَـٰٓئِكَ لَهُمۡ رِزۡقٞ مَّعۡلُومٞ 41

Voor hen zal er een bekende voorziening zijn. (het Paradijs)

فَوَٰكِهُ وَهُم مُّكۡرَمُونَ 42

Zij zullen vruchten ontvangen en geëerd worden.

فِي جَنَّـٰتِ ٱلنَّعِيمِ 43

In de Tuinen der Vreugde.

عَلَىٰ سُرُرٖ مُّتَقَٰبِلِينَ 44

Op rustbanken tegenover elkaar.

يُطَافُ عَلَيۡهِم بِكَأۡسٖ مِّن مَّعِينِۭ 45

Zij zullen een beker aan elkaar doorgeven (met drank) uit een stromende bron.

بَيۡضَآءَ لَذَّةٖ لِّلشَّـٰرِبِينَ 46

Wit, verrukkelijk voor de drinkers.

لَا فِيهَا غَوۡلٞ وَلَا هُمۡ عَنۡهَا يُنزَفُونَ 47

Deze drank kent geen beneveling en zij worden er niet dronken van.

وَعِندَهُمۡ قَٰصِرَٰتُ ٱلطَّرۡفِ عِينٞ 48

En bij hen zullen kuise vrouwen zijn, hun blikken weerhoudend met mooie ogen.

كَأَنَّهُنَّ بَيۡضٞ مَّكۡنُونٞ 49

Rein, alsof zij zorgvuldig bewaarde eieren waren.

فَأَقۡبَلَ بَعۡضُهُمۡ عَلَىٰ بَعۡضٖ يَتَسَآءَلُونَ 50

Dan keren zij zich tot elkaar, elkaar vragend.

قَالَ قَآئِلٞ مِّنۡهُمۡ إِنِّي كَانَ لِي قَرِينٞ 51

Een spreker van hen zal zeggen: “Waarlijk, ik had een metgezel,”

يَقُولُ أَءِنَّكَ لَمِنَ ٱلۡمُصَدِّقِينَ 52

Die zei: “Verkeren jullie onder degenen die geloven?

أَءِذَا مِتۡنَا وَكُنَّا تُرَابٗا وَعِظَٰمًا أَءِنَّا لَمَدِينُونَ 53

Als wij dan sterven en tot stof en beenderen geworden zijn, zullen wij dan echt (herrijzen) om de beloning of de bestraffing te ontvangen?”

قَالَ هَلۡ أَنتُم مُّطَّلِعُونَ 54

Hij zei (tegen de anderen in het Paradijs) : “Hebben jullie (dit) gezen?”

فَٱطَّلَعَ فَرَءَاهُ فِي سَوَآءِ ٱلۡجَحِيمِ 55

Toen keek hij en zag hem te midden van het Vuur.

قَالَ تَٱللَّهِ إِن كِدتَّ لَتُرۡدِينِ 56

Hij zei: “Bij Allah! Jij hebt mij bijna vernietigd.

وَلَوۡلَا نِعۡمَةُ رَبِّي لَكُنتُ مِنَ ٱلۡمُحۡضَرِينَ 57

Als het niet door de genade van mijn Heer kwam, zou ik zeker onder degenen verkeren die naar (de Hel) gebracht werden.”

أَفَمَا نَحۡنُ بِمَيِّتِينَ 58

Sterven wij dan niet?

إِلَّا مَوۡتَتَنَا ٱلۡأُولَىٰ وَمَا نَحۡنُ بِمُعَذَّبِينَ 59

Naast ons eerste sterven? En zullen wij niet gestraft worden?”

إِنَّ هَٰذَا لَهُوَ ٱلۡفَوۡزُ ٱلۡعَظِيمُ 60

Waarlijk, dit is een geweldig succes!

لِمِثۡلِ هَٰذَا فَلۡيَعۡمَلِ ٱلۡعَٰمِلُونَ 61

Hiervoor werken de arbeiders.

أَذَٰلِكَ خَيۡرٞ نُّزُلًا أَمۡ شَجَرَةُ ٱلزَّقُّومِ 62

Is dit een beter ontvangst, of de Zaqqoemboom (in de Hel)?

إِنَّا جَعَلۡنَٰهَا فِتۡنَةٗ لِّلظَّـٰلِمِينَ 63

Waarlijk, Wij hebben het als een beproeving voor de onrechtvaardigen gemaakt.

إِنَّهَا شَجَرَةٞ تَخۡرُجُ فِيٓ أَصۡلِ ٱلۡجَحِيمِ 64

Waarlijk, het is een boom die wortelt in de bodem van het Hellevuur.

طَلۡعُهَا كَأَنَّهُۥ رُءُوسُ ٱلشَّيَٰطِينِ 65

De uitgroeisels ervan zijn zoals (lelijke) duivelskoppen.

فَإِنَّهُمۡ لَأٓكِلُونَ مِنۡهَا فَمَالِـُٔونَ مِنۡهَا ٱلۡبُطُونَ 66

Waarlijk, zij zullen daarvan eten en hun buiken mee vullen.

ثُمَّ إِنَّ لَهُمۡ عَلَيۡهَا لَشَوۡبٗا مِّنۡ حَمِيمٖ 67

Bovendien zullen zij kokend water te drinken krijgen.

ثُمَّ إِنَّ مَرۡجِعَهُمۡ لَإِلَى ٱلۡجَحِيمِ 68

Dan daarna, waarlijk, zullen zij naar het laaiende vuur van de Hel terugkeren.

إِنَّهُمۡ أَلۡفَوۡاْ ءَابَآءَهُمۡ ضَآلِّينَ 69

Waarlijk, zij vonden inderdaad hun voorvaders in dwaling.

فَهُمۡ عَلَىٰٓ ءَاثَٰرِهِمۡ يُهۡرَعُونَ 70

Dus haasten zij zich (ook) in hun voetstappen!

وَلَقَدۡ ضَلَّ قَبۡلَهُمۡ أَكۡثَرُ ٱلۡأَوَّلِينَ 71

En voorwaar, vόόr hen dwaalden de meesten van de ouderen.

وَلَقَدۡ أَرۡسَلۡنَا فِيهِم مُّنذِرِينَ 72

En voorwaar, Wij stuurden onder hen waarschuwers.

فَٱنظُرۡ كَيۡفَ كَانَ عَٰقِبَةُ ٱلۡمُنذَرِينَ 73

Zie dus (O Mohammed) wat het einde is van degenen die gewaarschuwd werden.

إِلَّا عِبَادَ ٱللَّهِ ٱلۡمُخۡلَصِينَ 74

Behalve de uitverkoren slaven van Allah.

وَلَقَدۡ نَادَىٰنَا نُوحٞ فَلَنِعۡمَ ٱلۡمُجِيبُونَ 75

En voorwaar, Noah riep Ons aan en Wij waren de Beste van degenen die (het verzoek) beantwoorden.

وَنَجَّيۡنَٰهُ وَأَهۡلَهُۥ مِنَ ٱلۡكَرۡبِ ٱلۡعَظِيمِ 76

En Wij redden hem en zijn familie van de grote ramp.

وَجَعَلۡنَا ذُرِّيَّتَهُۥ هُمُ ٱلۡبَاقِينَ 77

En zijn nakomelingen, hen maakten Wij tot overlevenden.

وَتَرَكۡنَا عَلَيۡهِ فِي ٱلۡأٓخِرِينَ 78

En Wij lieten voor hem (een goede herinnering) achter onder de komende generaties van latere tijd.

سَلَٰمٌ عَلَىٰ نُوحٖ فِي ٱلۡعَٰلَمِينَ 79

Vrede zij met Noah in de werelden!

إِنَّا كَذَٰلِكَ نَجۡزِي ٱلۡمُحۡسِنِينَ 80

Waarlijk, zo belonen Wij de weldoeners.

إِنَّهُۥ مِنۡ عِبَادِنَا ٱلۡمُؤۡمِنِينَ 81

Waarlijk, hij is één van Onze gelovende slaven.

ثُمَّ أَغۡرَقۡنَا ٱلۡأٓخَرِينَ 82

Toen verdronken Wij de anderen.

۞وَإِنَّ مِن شِيعَتِهِۦ لَإِبۡرَٰهِيمَ 83

En waarlijk, onder degenen die zijn weg volgden was Ibrahim.

إِذۡ جَآءَ رَبَّهُۥ بِقَلۡبٖ سَلِيمٍ 84

(Gedenk) Toen hij met een zuiver hart tot zijn Heer kwam.

إِذۡ قَالَ لِأَبِيهِ وَقَوۡمِهِۦ مَاذَا تَعۡبُدُونَ 85

Toen hij tegen zijn vader en zijn volk zei: “Wat is dat wat jullie aanbidden?

أَئِفۡكًا ءَالِهَةٗ دُونَ ٱللَّهِ تُرِيدُونَ 86

Kiezen jullie andere goden dan Allah?

فَمَا ظَنُّكُم بِرَبِّ ٱلۡعَٰلَمِينَ 87

Wat stellen jullie je dan voor over de Heer der Werelden?”

فَنَظَرَ نَظۡرَةٗ فِي ٱلنُّجُومِ 88

Toen ving hij de glans van de sterren op.

فَقَالَ إِنِّي سَقِيمٞ 89

En hij zei: “Waarlijk, ik ben ziek.”

فَتَوَلَّوۡاْ عَنۡهُ مُدۡبِرِينَ 90

Dus keerden zij zich van hem af, en verlieten (hem).

فَرَاغَ إِلَىٰٓ ءَالِهَتِهِمۡ فَقَالَ أَلَا تَأۡكُلُونَ 91

Toen wendde hij zich tot hun goden en zei: “Eten jullie (dit voedsel) niet?

مَا لَكُمۡ لَا تَنطِقُونَ 92

Wat scheelt jullie dat jullie niet spreken?”

فَرَاغَ عَلَيۡهِمۡ ضَرۡبَۢا بِٱلۡيَمِينِ 93

Toen keerde hij zich tot hen en sloeg (hen) met (zijn) rechterhand.

فَأَقۡبَلُوٓاْ إِلَيۡهِ يَزِفُّونَ 94

Toen kwamen zij (de veelgodenaanbidders) zich naar hem toe haasten.

قَالَ أَتَعۡبُدُونَ مَا تَنۡحِتُونَ 95

Hij zei: “Aanbidden jullie dat wat jullie (zelf) hebben uitgehouwen?”

وَٱللَّهُ خَلَقَكُمۡ وَمَا تَعۡمَلُونَ 96

Terwijl Allah jullie en jullie handwerk heeft geschapen!”

قَالُواْ ٱبۡنُواْ لَهُۥ بُنۡيَٰنٗا فَأَلۡقُوهُ فِي ٱلۡجَحِيمِ 97

Zij zeiden: “Maak een brandstapel voor hem en gooi hem in het laaiende vuur!”

فَأَرَادُواْ بِهِۦ كَيۡدٗا فَجَعَلۡنَٰهُمُ ٱلۡأَسۡفَلِينَ 98

Zo smeedden zij een plan tegen hem, maar Wij maakten hen tot de laagsten.

وَقَالَ إِنِّي ذَاهِبٌ إِلَىٰ رَبِّي سَيَهۡدِينِ 99

En hij zei (toen hun pogingen waren mislukt): “Waarlijk, ik ga naar mijn Heer. Hij zal mij leiden!

رَبِّ هَبۡ لِي مِنَ ٱلصَّـٰلِحِينَ 100

Mijn Heer! Geef mij (nageslacht) van de rechtvaardigen.”

فَبَشَّرۡنَٰهُ بِغُلَٰمٍ حَلِيمٖ 101

Dus gaven Wij hem het goede nieuws van een verdraagzame jongen (Isma’il).

فَلَمَّا بَلَغَ مَعَهُ ٱلسَّعۡيَ قَالَ يَٰبُنَيَّ إِنِّيٓ أَرَىٰ فِي ٱلۡمَنَامِ أَنِّيٓ أَذۡبَحُكَ فَٱنظُرۡ مَاذَا تَرَىٰۚ قَالَ يَـٰٓأَبَتِ ٱفۡعَلۡ مَا تُؤۡمَرُۖ سَتَجِدُنِيٓ إِن شَآءَ ٱللَّهُ مِنَ ٱلصَّـٰبِرِينَ 102

En toen hij oud genoeg was om zijn vader te helpen zei hij (Ibrahim): “O mijn zoon! Ik heb in een droom gezien dat ik jou zal offeren, wat denk jij daarvan!” Hij zei: “O mijn vader! Doe wat jou bevolen is. Als Allah het wil, zul jij mij onder de geduldigen vinden.”

فَلَمَّآ أَسۡلَمَا وَتَلَّهُۥ لِلۡجَبِينِ 103

Toen zij zich allebei (aan Allah) onderworpen hadden en hij hem knielend op zijn voorhoofd had neergelegd.

وَنَٰدَيۡنَٰهُ أَن يَـٰٓإِبۡرَٰهِيمُ 104

Toen Wij riepen naar hem: “O Ibrahim!

قَدۡ صَدَّقۡتَ ٱلرُّءۡيَآۚ إِنَّا كَذَٰلِكَ نَجۡزِي ٱلۡمُحۡسِنِينَ 105

Jij hebt de droom vervuld!” Waarlijk! Zo belonen Wij de weldoeners.”

إِنَّ هَٰذَا لَهُوَ ٱلۡبَلَـٰٓؤُاْ ٱلۡمُبِينُ 106

Waarlijk, dat was zeker een duidelijke beproeving.

وَفَدَيۡنَٰهُ بِذِبۡحٍ عَظِيمٖ 107

En Wij gaven hem ter vervanging een groot offerdier.

وَتَرَكۡنَا عَلَيۡهِ فِي ٱلۡأٓخِرِينَ 108

En Wij lieten aan hem (een goede herinnering) onder de generaties in latere tijden.

سَلَٰمٌ عَلَىٰٓ إِبۡرَٰهِيمَ 109

Vrede zij met Ibrahim!

كَذَٰلِكَ نَجۡزِي ٱلۡمُحۡسِنِينَ 110

Zo belonen Wij zeker de weldoeners.

إِنَّهُۥ مِنۡ عِبَادِنَا ٱلۡمُؤۡمِنِينَ 111

Waarlijk hij was één van Onze gelovende slaven.

وَبَشَّرۡنَٰهُ بِإِسۡحَٰقَ نَبِيّٗا مِّنَ ٱلصَّـٰلِحِينَ 112

En Wij gaven hem het goede nieuws over (de geboorte van) Isaac, als een Profeet van de rechtvaardigen.

وَبَٰرَكۡنَا عَلَيۡهِ وَعَلَىٰٓ إِسۡحَٰقَۚ وَمِن ذُرِّيَّتِهِمَا مُحۡسِنٞ وَظَالِمٞ لِّنَفۡسِهِۦ مُبِينٞ 113

Wij zegenden hem en Isaac. En onder hun nakomelingen zijn er die goed doen en sommigen doen hen zelf duidelijk onrecht aan.

وَلَقَدۡ مَنَنَّا عَلَىٰ مُوسَىٰ وَهَٰرُونَ 114

En voorwaar, Wij gaven Onze gunsten aan Mozes en Haaron.

وَنَجَّيۡنَٰهُمَا وَقَوۡمَهُمَا مِنَ ٱلۡكَرۡبِ ٱلۡعَظِيمِ 115

En Wij redden hen en hun volk van de grote ramp.

وَنَصَرۡنَٰهُمۡ فَكَانُواْ هُمُ ٱلۡغَٰلِبِينَ 116

En Wij hielpen hen, zodat zij de overwinnaars werden.

وَءَاتَيۡنَٰهُمَا ٱلۡكِتَٰبَ ٱلۡمُسۡتَبِينَ 117

En Wij gaven hen een duidelijk Boek.

وَهَدَيۡنَٰهُمَا ٱلصِّرَٰطَ ٱلۡمُسۡتَقِيمَ 118

En Wij leidden hen op het rechte Pad.

وَتَرَكۡنَا عَلَيۡهِمَا فِي ٱلۡأٓخِرِينَ 119

En Wij maakten voor hen (hun goede naam) blijvend onder de lateren.

سَلَٰمٌ عَلَىٰ مُوسَىٰ وَهَٰرُونَ 120

Vrede zij met Mozes en Haaron!

إِنَّا كَذَٰلِكَ نَجۡزِي ٱلۡمُحۡسِنِينَ 121

Zo belonen Wij zeker de weldoeners.

إِنَّهُمَا مِنۡ عِبَادِنَا ٱلۡمُؤۡمِنِينَ 122

Waarlijk! Zij behoren tot Onze gelovende slaven.

وَإِنَّ إِلۡيَاسَ لَمِنَ ٱلۡمُرۡسَلِينَ 123

En waarlijk, Ilyas behoort zeker tot de Boodschappers.

إِذۡ قَالَ لِقَوۡمِهِۦٓ أَلَا تَتَّقُونَ 124

(Gedenk) Toen hij tegen zijn volk zei: “Vrezen jullie Allah niet?

أَتَدۡعُونَ بَعۡلٗا وَتَذَرُونَ أَحۡسَنَ ٱلۡخَٰلِقِينَ 125

Roepen jullie Ba’l aan en verzaken jullie de Beste der Scheppers?

ٱللَّهَ رَبَّكُمۡ وَرَبَّ ءَابَآئِكُمُ ٱلۡأَوَّلِينَ 126

Allah is jullie Heer en de Heer van jullie voorvaderen.”

فَكَذَّبُوهُ فَإِنَّهُمۡ لَمُحۡضَرُونَ 127

Maar zij ontkenden hem dus zullen zij zeker (naar de bestraffing) worden gebracht.

إِلَّا عِبَادَ ٱللَّهِ ٱلۡمُخۡلَصِينَ 128

Behalve de uitverkoren slaven van Allah.

وَتَرَكۡنَا عَلَيۡهِ فِي ٱلۡأٓخِرِينَ 129

En Wij lieten aan hem (een goede herinnering) onder de generaties in latere tijden.

سَلَٰمٌ عَلَىٰٓ إِلۡ يَاسِينَ 130

Vrede zij met Ilyas.

إِنَّا كَذَٰلِكَ نَجۡزِي ٱلۡمُحۡسِنِينَ 131

Waarlijk, zo belonen Wij de weldoeners.

إِنَّهُۥ مِنۡ عِبَادِنَا ٱلۡمُؤۡمِنِينَ 132

Waarlijk, hij behoort tot Onze gelovende slaven.

وَإِنَّ لُوطٗا لَّمِنَ ٱلۡمُرۡسَلِينَ 133

En waarlijk, Loeth was één van de Boodschappers.

إِذۡ نَجَّيۡنَٰهُ وَأَهۡلَهُۥٓ أَجۡمَعِينَ 134

(Gedenk) Toen Wij hem en zijn familie allen redden.

إِلَّا عَجُوزٗا فِي ٱلۡغَٰبِرِينَ 135

Behalve zijn vrouw, die onder degenen was die achterbleven.

ثُمَّ دَمَّرۡنَا ٱلۡأٓخَرِينَ 136

Toen vernietigden Wij de rest.

وَإِنَّكُمۡ لَتَمُرُّونَ عَلَيۡهِم مُّصۡبِحِينَ 137

Waarlijk, jullie gaan zeker in de ochtend aan hen (de ruїnes van hun steden) voorbij.

وَبِٱلَّيۡلِۚ أَفَلَا تَعۡقِلُونَ 138

En ook in de nacht; zullen jullie dan niet nadenken?

وَإِنَّ يُونُسَ لَمِنَ ٱلۡمُرۡسَلِينَ 139

En waarlijk, Yoenoes was één van de Boodschappers.

إِذۡ أَبَقَ إِلَى ٱلۡفُلۡكِ ٱلۡمَشۡحُونِ 140

(Gedenk)Toen hij naar het geladen schip rende.

فَسَاهَمَ فَكَانَ مِنَ ٱلۡمُدۡحَضِينَ 141

Toen lootte hij (om een plaats erop) en hij behoorde daarop tot de verliezers.

فَٱلۡتَقَمَهُ ٱلۡحُوتُ وَهُوَ مُلِيمٞ 142

Toen slokte een vis hem op en hij verweet zichzelf.

فَلَوۡلَآ أَنَّهُۥ كَانَ مِنَ ٱلۡمُسَبِّحِينَ 143

En als hij niet onder degenen was geweest die Allah verheerlijkten.

لَلَبِثَ فِي بَطۡنِهِۦٓ إِلَىٰ يَوۡمِ يُبۡعَثُونَ 144

Dan zou hij zeker in zijn buik zijn gebleven tot de Dag der Opstanding.

۞فَنَبَذۡنَٰهُ بِٱلۡعَرَآءِ وَهُوَ سَقِيمٞ 145

Maar Wij wierpen hem op de naakte kust, terwijl hij ziek was.

وَأَنۢبَتۡنَا عَلَيۡهِ شَجَرَةٗ مِّن يَقۡطِينٖ 146

En Wij lieten een pompoen over hem groeien.

وَأَرۡسَلۡنَٰهُ إِلَىٰ مِاْئَةِ أَلۡفٍ أَوۡ يَزِيدُونَ 147

En Wij stuurden hem (als Boodschapper) naar honderdduizend (mensen) of meer.

فَـَٔامَنُواْ فَمَتَّعۡنَٰهُمۡ إِلَىٰ حِينٖ 148

Daarop geloofden zij; dus gaven Wij hen een korte tijd vermaak.

فَٱسۡتَفۡتِهِمۡ أَلِرَبِّكَ ٱلۡبَنَاتُ وَلَهُمُ ٱلۡبَنُونَ 149

Vraag hen (de ongelovigen), of voor jouw Heer de dochters zijn en voor hen de zonen.

أَمۡ خَلَقۡنَا ٱلۡمَلَـٰٓئِكَةَ إِنَٰثٗا وَهُمۡ شَٰهِدُونَ 150

Of hebben Wij de Engelen vrouwelijk geschapen terwijl zij getuigden?

أَلَآ إِنَّهُم مِّنۡ إِفۡكِهِمۡ لَيَقُولُونَ 151

Waarlijk, het is van hun leugens dat zij zeggen:

وَلَدَ ٱللَّهُ وَإِنَّهُمۡ لَكَٰذِبُونَ 152

“Allah heeft kinderen verwekt.” En waarlijk, zij zijn leugenaars!

أَصۡطَفَى ٱلۡبَنَاتِ عَلَى ٱلۡبَنِينَ 153

Heeft Hij (dan) dochters verkozen boven zonen?

مَا لَكُمۡ كَيۡفَ تَحۡكُمُونَ 154

Wat scheelt jullie? Hoe beoordelen jullie?

أَفَلَا تَذَكَّرُونَ 155

Zullen jullie je dan niet herinneren?

أَمۡ لَكُمۡ سُلۡطَٰنٞ مُّبِينٞ 156

Of beschikken jullie over een duidelijk bewijs?

فَأۡتُواْ بِكِتَٰبِكُمۡ إِن كُنتُمۡ صَٰدِقِينَ 157

Breng dan jullie boek, als jullie waarachtigen zijn!

وَجَعَلُواْ بَيۡنَهُۥ وَبَيۡنَ ٱلۡجِنَّةِ نَسَبٗاۚ وَلَقَدۡ عَلِمَتِ ٱلۡجِنَّةُ إِنَّهُمۡ لَمُحۡضَرُونَ 158

En zij (de polytheïsten) hebben tussen Hem (Allah) en de Djinn een verwantschap verzonnen, maar de Djinn (die dit verzonnen) weten goed dat zij hun opwachting zullen maken (bij de Hel).

سُبۡحَٰنَ ٱللَّهِ عَمَّا يَصِفُونَ 159

Verheven is Allah, boven wat zij Hem toeschrijven (aan ouderschap).

إِلَّا عِبَادَ ٱللَّهِ ٱلۡمُخۡلَصِينَ 160

Behalve Allah’s oprechte dienaren, zuiver in hun (monotheïstische) aanbidding.

فَإِنَّكُمۡ وَمَا تَعۡبُدُونَ 161

Dus waarlijk, jullie en wat jullie aanbidden.

مَآ أَنتُمۡ عَلَيۡهِ بِفَٰتِنِينَ 162

Jullie kunnen niemand tegen (het plan van) Hem doen dwalen.

إِلَّا مَنۡ هُوَ صَالِ ٱلۡجَحِيمِ 163

Behalve degenen die voorbestemd zijn om in de Hel te branden!

وَمَامِنَّآ إِلَّا لَهُۥ مَقَامٞ مَّعۡلُومٞ 164

(De Engelen zeggen:) ”Er is niemand van ons of er is voor hem een bekende plaats.

وَإِنَّا لَنَحۡنُ ٱلصَّآفُّونَ 165

Waarlijk wij, wij zijn zeker degenen die in rijen staan.

وَإِنَّا لَنَحۡنُ ٱلۡمُسَبِّحُونَ 166

Waarlijk wij, wij zijn degenen die verheerlijken.”

وَإِن كَانُواْ لَيَقُولُونَ 167

En voorwaar, de (heidense Arabieren) zeiden:

لَوۡ أَنَّ عِندَنَا ذِكۡرٗا مِّنَ ٱلۡأَوَّلِينَ 168

“Als wij een vermaning hadden gehad zoals de ouderen.

لَكُنَّا عِبَادَ ٱللَّهِ ٱلۡمُخۡلَصِينَ 169

Zouden wij zeker tot de uitverkoren slaven van Allah behoren.”

فَكَفَرُواْ بِهِۦۖ فَسَوۡفَ يَعۡلَمُونَ 170

Maar zij geloofden niet in hem (de Koran) daarom zullen zij het weten.

وَلَقَدۡ سَبَقَتۡ كَلِمَتُنَا لِعِبَادِنَا ٱلۡمُرۡسَلِينَ 171

En waarlijk, Ons woord is voorafgegaan aan Onze gezonden slaven.

إِنَّهُمۡ لَهُمُ ٱلۡمَنصُورُونَ 172

Voorwaar, zij zijn het die geholpen zullen worden.

وَإِنَّ جُندَنَا لَهُمُ ٱلۡغَٰلِبُونَ 173

Voorwaar, zij zijn Onze legers die echt de overwinnaars zullen zijn.

فَتَوَلَّ عَنۡهُمۡ حَتَّىٰ حِينٖ 174

Keer je (O Mohammed) dus korte tijd van hen (de gelovigen) af.

وَأَبۡصِرۡهُمۡ فَسَوۡفَ يُبۡصِرُونَ 175

En kijk naar hen, zij zullen spoedig (de gevolgen) zien!

أَفَبِعَذَابِنَا يَسۡتَعۡجِلُونَ 176

Proberen zij Onze bestraffing te bespoedigen?

فَإِذَا نَزَلَ بِسَاحَتِهِمۡ فَسَآءَ صَبَاحُ ٱلۡمُنذَرِينَ 177

Maar wanneer deze op hun land nederdaalt zal de dag slecht zijn voor degenen die werden gewaarschuwd.

وَتَوَلَّ عَنۡهُمۡ حَتَّىٰ حِينٖ 178

Keer je dus een korte tijd van hen af.

وَأَبۡصِرۡ فَسَوۡفَ يُبۡصِرُونَ 179

En kijk, spoedig zullen zij (de bestraffing) zien.

سُبۡحَٰنَ رَبِّكَ رَبِّ ٱلۡعِزَّةِ عَمَّا يَصِفُونَ 180

Heilig is jouw Heer, de Heer van Roem en Macht, boven wat zij toeschrijven.

وَسَلَٰمٌ عَلَى ٱلۡمُرۡسَلِينَ 181

En vrede zij met de gezondenen.

وَٱلۡحَمۡدُ لِلَّهِ رَبِّ ٱلۡعَٰلَمِينَ 182

En alle lofprijzingen en dankbetuigingen zijn voor Allah, de Heer der Werelden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Close