Home Soera Soera 37 – As-Saffat – De Zich Opstellenden – الصّافات

Soera 37 – As-Saffat – De Zich Opstellenden – الصّافات

2069
0
NODIG ANDEREN OOK UIT OM DE KORAN TE LEZEN EN VERDIEN HASANAAT:
bismillah-ir-rahman-ir-rahim

وَالصَّافَّاتِ صَفًّا1

Bij de zich in rijen opstellenden,

فَالزَّاجِرَاتِ زَجْرًا2

de scheldend afschrikkenden

فَالتَّالِيَاتِ ذِكْرًا3

en een vermaning voorlezenden!

إِنَّ إِلَٰهَكُمْ لَوَاحِدٌ4

Voorwaar, jullie god is één,

رَّبُّ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ وَمَا بَيْنَهُمَا وَرَبُّ الْمَشَارِقِ5

de Heer van de hemelen, de aarde en wat er tussen beide is en de Heer van de plaatsen van opkomst.

إِنَّا زَيَّنَّا السَّمَاءَ الدُّنْيَا بِزِينَةٍ الْكَوَاكِبِ6

Wij hebben de dichtstbijzijnde hemel met de pracht van de sterren opgesierd

وَحِفْظًا مِّن كُلِّ شَيْطَانٍ مَّارِدٍ7

om ook elke opstandige satan af te weren,

لَّا يَسَّمَّعُونَ إِلَى الْمَلَإِ الْأَعْلَىٰ وَيُقْذَفُونَ مِن كُلِّ جَانِبٍ8

zodat zij niet naar de allerhoogste raad van voornaamsten kunnen luisteren. En er wordt van elke kant tegen hen aan gegooid

دُحُورًا ۖ وَلَهُمْ عَذَابٌ وَاصِبٌ9

om hen te verjagen — en voor hen is er een voortdurende bestraffing —

إِلَّا مَنْ خَطِفَ الْخَطْفَةَ فَأَتْبَعَهُ شِهَابٌ ثَاقِبٌ10

behalve als iemand toch iets opvangt; hij wordt dan achtervolgd door een brandende staartster.

فَاسْتَفْتِهِمْ أَهُمْ أَشَدُّ خَلْقًا أَم مَّنْ خَلَقْنَا ۚ إِنَّا خَلَقْنَاهُم مِّن طِينٍ لَّازِبٍ11

Vraag hun maar om uitsluitsel of zij het moeilijkst te scheppen zijn of anderen die Wij geschapen hebben; hen hebben Wij van kleverige klei geschapen.

بَلْ عَجِبْتَ وَيَسْخَرُونَ12

Nee, jij bent verbaasd, maar zij schimpen.

وَإِذَا ذُكِّرُوا لَا يَذْكُرُونَ13

Wanneer zij vermaand worden gedenken zij niet.

وَإِذَا رَأَوْا آيَةً يَسْتَسْخِرُونَ14

Wanneer zij een teken zien lachen zij schamper

وَقَالُوا إِنْ هَٰذَا إِلَّا سِحْرٌ مُّبِينٌ15

en zeggen: “Dit is duidelijk slechts toverij.

أَإِذَا مِتْنَا وَكُنَّا تُرَابًا وَعِظَامًا أَإِنَّا لَمَبْعُوثُونَ16

Wanneer wij gestorven zijn en stof en botten geworden, zullen wij dan opgewekt worden?

أَوَآبَاؤُنَا الْأَوَّلُونَ17

En onze vaderen dan, die er eertijds waren?”

قُلْ نَعَمْ وَأَنتُمْ دَاخِرُونَ18

Zeg: “Ja zeker, en jullie zullen onderdanig zijn.”

فَإِنَّمَا هِيَ زَجْرَةٌ وَاحِدَةٌ فَإِذَا هُمْ يَنظُرُونَ19

Dan klinkt slechts één afschrikkende kreet en dan zullen zij [staan te] kijken

وَقَالُوا يَا وَيْلَنَا هَٰذَا يَوْمُ الدِّينِ20

en zeggen: “Wee ons, dit is de oordeelsdag!”

هَٰذَا يَوْمُ الْفَصْلِ الَّذِي كُنتُم بِهِ تُكَذِّبُونَ21

“Dit is de dag van de schifting die jullie hebben geloochend.”

احْشُرُوا الَّذِينَ ظَلَمُوا وَأَزْوَاجَهُمْ وَمَا كَانُوا يَعْبُدُونَ22

“Verzamelt hen die onrecht hebben gepleegd, hun echtgenoten en wat zij hebben gediend,

مِن دُونِ اللَّهِ فَاهْدُوهُمْ إِلَىٰ صِرَاطِ الْجَحِيمِ23

in plaats van God. Voert hen dan op de weg naar het hellevuur.

وَقِفُوهُمْ ۖ إِنَّهُم مَّسْئُولُونَ24

En laat hen zich opstellen, want zij moeten verantwoording afleggen.”

مَا لَكُمْ لَا تَنَاصَرُونَ25

“Waarom hebben jullie elkaar niet geholpen?”

بَلْ هُمُ الْيَوْمَ مُسْتَسْلِمُونَ26

Maar nee, vandaag geven zij zich over.

وَأَقْبَلَ بَعْضُهُمْ عَلَىٰ بَعْضٍ يَتَسَاءَلُونَ27

Zij komen op elkaar toe om elkaar te ondervragen.

قَالُوا إِنَّكُمْ كُنتُمْ تَأْتُونَنَا عَنِ الْيَمِينِ28

Zij zeggen: “Jullie kwamen altijd van rechts op ons toe.”

قَالُوا بَل لَّمْ تَكُونُوا مُؤْمِنِينَ29

Zij zeggen: “Welnee, wij waren geen gelovigen

وَمَا كَانَ لَنَا عَلَيْكُم مِّن سُلْطَانٍ ۖ بَلْ كُنتُمْ قَوْمًا طَاغِينَ30

en wij hadden geen macht over jullie, maar jullie waren onbeschaamde mensen.

فَحَقَّ عَلَيْنَا قَوْلُ رَبِّنَا ۖ إِنَّا لَذَائِقُونَ31

En dus is de uitspraak van onze Heer tegen ons bewaarheid. Wij zullen het proeven.

فَأَغْوَيْنَاكُمْ إِنَّا كُنَّا غَاوِينَ32

Wij hebben jullie misleid, maar wij waren zelf misleid.”

فَإِنَّهُمْ يَوْمَئِذٍ فِي الْعَذَابِ مُشْتَرِكُونَ33

Op die dag zijn zij dus deelgenoten in de bestraffing.

إِنَّا كَذَٰلِكَ نَفْعَلُ بِالْمُجْرِمِينَ34

Zo doen Wij met de boosdoeners.

إِنَّهُمْ كَانُوا إِذَا قِيلَ لَهُمْ لَا إِلَٰهَ إِلَّا اللَّهُ يَسْتَكْبِرُونَ35

Toen tot hen gezegd werd: “Er is geen god dan God” waren zij hoogmoedig

وَيَقُولُونَ أَئِنَّا لَتَارِكُو آلِهَتِنَا لِشَاعِرٍ مَّجْنُونٍ36

en zeiden: “Zullen wij onze goden voor een bezeten dichter verlaten?”

بَلْ جَاءَ بِالْحَقِّ وَصَدَّقَ الْمُرْسَلِينَ37

Welnee, hij is met de waarheid gekomen en bevestigt de gezondenen.

إِنَّكُمْ لَذَائِقُو الْعَذَابِ الْأَلِيمِ38

Maar jullie zullen de pijnlijke bestraffing proeven.

وَمَا تُجْزَوْنَ إِلَّا مَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَ39

En aan jullie wordt slechts vergolden wat jullie gedaan hebben.

إِلَّا عِبَادَ اللَّهِ الْمُخْلَصِينَ40

Maar [dat geldt] niet voor de toegewijde dienaren van God.

أُولَٰئِكَ لَهُمْ رِزْقٌ مَّعْلُومٌ41

Zij zijn het voor wie er een vastgestelde voorziening is:

فَوَاكِهُ ۖ وَهُم مُّكْرَمُونَ42

Vruchten; en zij worden geëerd

فِي جَنَّاتِ النَّعِيمِ43

in de tuinen van de gelukzaligheid;

عَلَىٰ سُرُرٍ مُّتَقَابِلِينَ44

op rustbanken zitten zij tegenover elkaar,

يُطَافُ عَلَيْهِم بِكَأْسٍ مِّن مَّعِينٍ45

terwijl een drinkbeker bij hen wordt rondgegeven [waarin een drank is] uit een bron,

بَيْضَاءَ لَذَّةٍ لِّلشَّارِبِينَ46

die helderwit is en aangenaam voor de drinkers,

لَا فِيهَا غَوْلٌ وَلَا هُمْ عَنْهَا يُنزَفُونَ47

zonder iets schadelijks erin en waarvan zij niet beneveld raken.

وَعِندَهُمْ قَاصِرَاتُ الطَّرْفِ عِينٌ48

En bij hen zijn gezellinnen met afgewende blikken en met grote ogen,

كَأَنَّهُنَّ بَيْضٌ مَّكْنُونٌ49

alsof zij goed bewaarde eieren zijn.

فَأَقْبَلَ بَعْضُهُمْ عَلَىٰ بَعْضٍ يَتَسَاءَلُونَ50

Zij komen op elkaar toe om elkaar te ondervragen.

قَالَ قَائِلٌ مِّنْهُمْ إِنِّي كَانَ لِي قَرِينٌ51

Iemand uit hun midden zegt: “Ik had een kameraad,

يَقُولُ أَإِنَّكَ لَمِنَ الْمُصَدِّقِينَ52

die zei: \’Ben jij echt een van hen die denken dat het waar is?

أَإِذَا مِتْنَا وَكُنَّا تُرَابًا وَعِظَامًا أَإِنَّا لَمَدِينُونَ53

Wanneer wij gestorven zijn en stof en botten geworden, zullen wij dan geoordeeld worden?\'”

قَالَ هَلْ أَنتُم مُّطَّلِعُونَ54

Hij zegt: “Willen jullie naar beneden kijken?”

فَاطَّلَعَ فَرَآهُ فِي سَوَاءِ الْجَحِيمِ55

Dan kijkt hij naar beneden en ziet hem midden in het hellevuur.

قَالَ تَاللَّهِ إِن كِدتَّ لَتُرْدِينِ56

Hij zegt: “Bij God, bijna had jij mij in het verderf gestort.

وَلَوْلَا نِعْمَةُ رَبِّي لَكُنتُ مِنَ الْمُحْضَرِينَ57

Zonder Gods genade zou ik een van hen geweest zijn die voorgeleid worden.

أَفَمَا نَحْنُ بِمَيِّتِينَ58

Maar wij zijn toch niet dood?

إِلَّا مَوْتَتَنَا الْأُولَىٰ وَمَا نَحْنُ بِمُعَذَّبِينَ59

Alleen onze eerste dood hebben we gehad. En wij worden toch ook niet gestraft?

إِنَّ هَٰذَا لَهُوَ الْفَوْزُ الْعَظِيمُ60

Dit is de geweldige triomf!

لِمِثْلِ هَٰذَا فَلْيَعْمَلِ الْعَامِلُونَ61

Iets dergelijks, daar moet men naar toewerken.”

أَذَٰلِكَ خَيْرٌ نُّزُلًا أَمْ شَجَرَةُ الزَّقُّومِ62

Is dat beter als gastverblijf of de zakkoemboom?

إِنَّا جَعَلْنَاهَا فِتْنَةً لِّلظَّالِمِينَ63

Wij hebben die tot een verzoeking gemaakt voor de onrechtplegers.

إِنَّهَا شَجَرَةٌ تَخْرُجُ فِي أَصْلِ الْجَحِيمِ64

Het is een boom die uit de oorsprong van het hellevuur tevoorschijn komt,

طَلْعُهَا كَأَنَّهُ رُءُوسُ الشَّيَاطِينِ65

waarvan de knoppen zijn als satanskoppen.

فَإِنَّهُمْ لَآكِلُونَ مِنْهَا فَمَالِئُونَ مِنْهَا الْبُطُونَ66

Daar eten zij van en vullen hun buiken ermee.

ثُمَّ إِنَّ لَهُمْ عَلَيْهَا لَشَوْبًا مِّنْ حَمِيمٍ67

Daaroverheen krijgen zij dan een mengsel van gloeiend water.

ثُمَّ إِنَّ مَرْجِعَهُمْ لَإِلَى الْجَحِيمِ68

Hun terugkeer is dan naar het hellevuur.

إِنَّهُمْ أَلْفَوْا آبَاءَهُمْ ضَالِّينَ69

Zij hebben hun vaderen in dwaling aangetroffen

فَهُمْ عَلَىٰ آثَارِهِمْ يُهْرَعُونَ70

en zijn hen achterna gesneld.

وَلَقَدْ ضَلَّ قَبْلَهُمْ أَكْثَرُ الْأَوَّلِينَ71

Voor hun tijd verkeerden de meesten van hen die er eertijds waren al in dwaling,

وَلَقَدْ أَرْسَلْنَا فِيهِم مُّنذِرِينَ72

hoewel Wij in hun midden waarschuwers hadden gezonden.

فَانظُرْ كَيْفَ كَانَ عَاقِبَةُ الْمُنذَرِينَ73

Kijk dan hoe het einde was van de gewaarschuwden!

إِلَّا عِبَادَ اللَّهِ الْمُخْلَصِينَ74

Maar [dat geldt] niet voor de toegewijde dienaren van God.

وَلَقَدْ نَادَانَا نُوحٌ فَلَنِعْمَ الْمُجِيبُونَ75

Noeh had tot Ons geroepen; een voortreffelijk verhoorder [zijn Wij].

وَنَجَّيْنَاهُ وَأَهْلَهُ مِنَ الْكَرْبِ الْعَظِيمِ76

En Wij redden hem en zijn familie uit de geweldige benardheid

وَجَعَلْنَا ذُرِّيَّتَهُ هُمُ الْبَاقِينَ77

en maakten dat het zijn nakomelingen waren die overbleven.

وَتَرَكْنَا عَلَيْهِ فِي الْآخِرِينَ78

En Wij lieten voor hem een goede naam bij het nageslacht na.

سَلَامٌ عَلَىٰ نُوحٍ فِي الْعَالَمِينَ79

Vrede zij met Noeh onder de wereldbewoners!

إِنَّا كَذَٰلِكَ نَجْزِي الْمُحْسِنِينَ80

Zo belonen Wij hen die goed doen.

إِنَّهُ مِنْ عِبَادِنَا الْمُؤْمِنِينَ81

Hij behoort tot Onze gelovige dienaren.

ثُمَّ أَغْرَقْنَا الْآخَرِينَ82

Toen lieten Wij de anderen verdrinken.

وَإِنَّ مِن شِيعَتِهِ لَإِبْرَاهِيمَ83

Tot zijn groepering behoorde ook Ibrahiem.

إِذْ جَاءَ رَبَّهُ بِقَلْبٍ سَلِيمٍ84

Toen hij tot zijn Heer kwam met een zuiver hart.

إِذْ قَالَ لِأَبِيهِ وَقَوْمِهِ مَاذَا تَعْبُدُونَ85

Toen hij tot zijn vader en zijn volk kwam en zei: “Wat dienen jullie toch?

أَئِفْكًا آلِهَةً دُونَ اللَّهِ تُرِيدُونَ86

Wensen jullie iets lasterlijks: andere goden in plaats van God?

فَمَا ظَنُّكُم بِرَبِّ الْعَالَمِينَ87

En wat is jullie mening over de Heer van de wereldbewoners?”

فَنَظَرَ نَظْرَةً فِي النُّجُومِ88

Toen keek hij opmerkzaam naar de sterren

فَقَالَ إِنِّي سَقِيمٌ89

en zei: “Ik ben ziek.”

فَتَوَلَّوْا عَنْهُ مُدْبِرِينَ90

Dus keerden zij hem de rug toe.

فَرَاغَ إِلَىٰ آلِهَتِهِمْ فَقَالَ أَلَا تَأْكُلُونَ91

Toen wendde hij zich tersluiks tot hun goden en zei: “Eten jullie dan niet?

مَا لَكُمْ لَا تَنطِقُونَ92

Waarom spreken jullie niet?”

فَرَاغَ عَلَيْهِمْ ضَرْبًا بِالْيَمِينِ93

En hij begon ze met zijn rechterhand kapot te slaan.

فَأَقْبَلُوا إِلَيْهِ يَزِفُّونَ94

Toen kwamen zij wel op hem toe rennen.

قَالَ أَتَعْبُدُونَ مَا تَنْحِتُونَ95

Hij zei: “Dienen jullie wat jullie zelf uitgehouwen hebben?

وَاللَّهُ خَلَقَكُمْ وَمَا تَعْمَلُونَ96

Maar God heeft jullie en wat jullie maken geschapen.”

قَالُوا ابْنُوا لَهُ بُنْيَانًا فَأَلْقُوهُ فِي الْجَحِيمِ97

Zij zeiden: “Trekt voor hem een gebouw op en werpt hem dan in het helse vuur.”

فَأَرَادُوا بِهِ كَيْدًا فَجَعَلْنَاهُمُ الْأَسْفَلِينَ98

Zij wilden tegen hem graag een list beramen, maar Wij maakten hen tot de onderliggenden.

وَقَالَ إِنِّي ذَاهِبٌ إِلَىٰ رَبِّي سَيَهْدِينِ99

En hij zei: “Ik ga tot mijn Heer, Hij zal mij op het goede pad brengen.

رَبِّ هَبْ لِي مِنَ الصَّالِحِينَ100

Mijn Heer, schenk mij iemand die rechtschapen is.”

فَبَشَّرْنَاهُ بِغُلَامٍ حَلِيمٍ101

Daarop verkondigden Wij hem het goede nieuws van een zachtmoedige jongen.

فَلَمَّا بَلَغَ مَعَهُ السَّعْيَ قَالَ يَا بُنَيَّ إِنِّي أَرَىٰ فِي الْمَنَامِ أَنِّي أَذْبَحُكَ فَانظُرْ مَاذَا تَرَىٰ ۚ قَالَ يَا أَبَتِ افْعَلْ مَا تُؤْمَرُ ۖ سَتَجِدُنِي إِن شَاءَ اللَّهُ مِنَ الصَّابِرِينَ102

Toen die zover was dat hij met hem mee kon gaan zei hij: “Mijn zoon, ik heb in de slaap gezien dat ik je zal offeren. Zie eens wat jij ervan vindt.” Hij zei: “Mijn vader, doe wat je bevolen is. Je zult merken dat ik, als God het wil, iemand ben die geduldig volhardt.”

فَلَمَّا أَسْلَمَا وَتَلَّهُ لِلْجَبِينِ103

Toen zij zich beiden [aan Gods wil] overgegeven hadden en hij hem op zijn voorhoofd had neergelegd,

وَنَادَيْنَاهُ أَن يَا إِبْرَاهِيمُ104

riepen Wij hem: “Ibrahiem!

قَدْ صَدَّقْتَ الرُّؤْيَا ۚ إِنَّا كَذَٰلِكَ نَجْزِي الْمُحْسِنِينَ105

Jij hebt de droom doen uitkomen. Zo belonen Wij hen die goed doen.

إِنَّ هَٰذَا لَهُوَ الْبَلَاءُ الْمُبِينُ106

Dit was duidelijk een beproeving.”

وَفَدَيْنَاهُ بِذِبْحٍ عَظِيمٍ107

En Wij gaven voor hem een geweldig offer in de plaats.

وَتَرَكْنَا عَلَيْهِ فِي الْآخِرِينَ108

En Wij lieten voor hem een goede naam bij het nageslacht na.

سَلَامٌ عَلَىٰ إِبْرَاهِيمَ109

Vrede zij met Ibrahiem!

كَذَٰلِكَ نَجْزِي الْمُحْسِنِينَ110

Zo belonen Wij hen die goed doen.

إِنَّهُ مِنْ عِبَادِنَا الْمُؤْمِنِينَ111

Hij behoort tot Onze gelovige dienaren.

وَبَشَّرْنَاهُ بِإِسْحَاقَ نَبِيًّا مِّنَ الصَّالِحِينَ112

En Wij verkondigden hem het goede nieuws van Ishaak die een profeet uit het midden van de rechtschapenen zou zijn.

وَبَارَكْنَا عَلَيْهِ وَعَلَىٰ إِسْحَاقَ ۚ وَمِن ذُرِّيَّتِهِمَا مُحْسِنٌ وَظَالِمٌ لِّنَفْسِهِ مُبِينٌ113

Wij zegenden hem en Ishaak. En onder hun nageslacht zijn er die goed doen en die zich duidelijk onrecht aandoen.

وَلَقَدْ مَنَنَّا عَلَىٰ مُوسَىٰ وَهَارُونَ114

Wij hebben aan Moesa en Haroen een gunst bewezen.

وَنَجَّيْنَاهُمَا وَقَوْمَهُمَا مِنَ الْكَرْبِ الْعَظِيمِ115

En Wij redden hen beiden en hun volk uit de geweldige benardheid.

وَنَصَرْنَاهُمْ فَكَانُوا هُمُ الْغَالِبِينَ116

Wij hielpen hen en dus waren zij de overwinnaars.

وَآتَيْنَاهُمَا الْكِتَابَ الْمُسْتَبِينَ117

En Wij gaven hun beiden het overduidelijke boek

وَهَدَيْنَاهُمَا الصِّرَاطَ الْمُسْتَقِيمَ118

en leidden hen op de juiste weg.

وَتَرَكْنَا عَلَيْهِمَا فِي الْآخِرِينَ119

En Wij lieten voor hen een goede naam bij het nageslacht na.

سَلَامٌ عَلَىٰ مُوسَىٰ وَهَارُونَ120

Vrede zij met Moesa en Haroen!

إِنَّا كَذَٰلِكَ نَجْزِي الْمُحْسِنِينَ121

Zo belonen Wij hen die goed doen.

إِنَّهُمَا مِنْ عِبَادِنَا الْمُؤْمِنِينَ122

Zij behoren tot Onze gelovige dienaren.

وَإِنَّ إِلْيَاسَ لَمِنَ الْمُرْسَلِينَ123

Ook Iljaas behoorde tot de gezondenen.

إِذْ قَالَ لِقَوْمِهِ أَلَا تَتَّقُونَ124

Toen hij tot zijn volk zei: “Zullen jullie niet godvrezend worden?

أَتَدْعُونَ بَعْلًا وَتَذَرُونَ أَحْسَنَ الْخَالِقِينَ125

Roepen jullie Baäl aan en verlaten jullie de beste van de scheppers,

اللَّهَ رَبَّكُمْ وَرَبَّ آبَائِكُمُ الْأَوَّلِينَ126

God, jullie Heer en de Heer van jullie vaderen die er eertijds waren?”

فَكَذَّبُوهُ فَإِنَّهُمْ لَمُحْضَرُونَ127

Maar zij betichtten hem van leugens en dus worden zij zeker voorgeleid.

إِلَّا عِبَادَ اللَّهِ الْمُخْلَصِينَ128

Maar [dat geldt] niet voor de toegewijde dienaren van God.

وَتَرَكْنَا عَلَيْهِ فِي الْآخِرِينَ129

En Wij lieten voor hem een goede naam bij het nageslacht na.

سَلَامٌ عَلَىٰ إِلْ يَاسِينَ130

Vrede zij met Il-jasien!

إِنَّا كَذَٰلِكَ نَجْزِي الْمُحْسِنِينَ131

Zo belonen Wij hen die goed doen.

إِنَّهُ مِنْ عِبَادِنَا الْمُؤْمِنِينَ132

Hij behoort tot Onze gelovige dienaren.

وَإِنَّ لُوطًا لَّمِنَ الْمُرْسَلِينَ133

Ook Loet behoorde tot de gezondenen.

إِذْ نَجَّيْنَاهُ وَأَهْلَهُ أَجْمَعِينَ134

Toen Wij hem en zijn familie allen tezamen redden,

إِلَّا عَجُوزًا فِي الْغَابِرِينَ135

behalve een oude vrouw [die] bij de achterblijvers [bleef].

ثُمَّ دَمَّرْنَا الْآخَرِينَ136

Toen vernietigden Wij de anderen.

وَإِنَّكُمْ لَتَمُرُّونَ عَلَيْهِم مُّصْبِحِينَ137

Jullie komen er immers nog voorbij, \’s morgens

وَبِاللَّيْلِ ۗ أَفَلَا تَعْقِلُونَ138

en \’s nachts. Hebben jullie dan geen verstand?

وَإِنَّ يُونُسَ لَمِنَ الْمُرْسَلِينَ139

Ook Joenoes behoorde tot de gezondenen.

إِذْ أَبَقَ إِلَى الْفُلْكِ الْمَشْحُونِ140

Toen hij naar het volbeladen schip wegliep

فَسَاهَمَ فَكَانَ مِنَ الْمُدْحَضِينَ141

en het lot wierp; maar hij was een van de verliezers.

فَالْتَقَمَهُ الْحُوتُ وَهُوَ مُلِيمٌ142

Toen slokte de vis hem op, laakbaar als hij was.

فَلَوْلَا أَنَّهُ كَانَ مِنَ الْمُسَبِّحِينَ143

En als hij niet tot hen die lofprijzen behoord had,

لَلَبِثَ فِي بَطْنِهِ إِلَىٰ يَوْمِ يُبْعَثُونَ144

dan was hij in zijn buik gebleven tot de dag waarop men wordt opgewekt.

فَنَبَذْنَاهُ بِالْعَرَاءِ وَهُوَ سَقِيمٌ145

Wij wierpen hem toen, ziek als hij was, op een onbegroeide plaats.

وَأَنبَتْنَا عَلَيْهِ شَجَرَةً مِّن يَقْطِينٍ146

En Wij lieten boven hem een pompoenplant groeien.

وَأَرْسَلْنَاهُ إِلَىٰ مِائَةِ أَلْفٍ أَوْ يَزِيدُونَ147

En Wij zonden hem naar honderdduizend [mensen] — of het waren er nog meer —

فَآمَنُوا فَمَتَّعْنَاهُمْ إِلَىٰ حِينٍ148

die toen geloofden. Hen lieten Wij toen nog een tijd genieten.

فَاسْتَفْتِهِمْ أَلِرَبِّكَ الْبَنَاتُ وَلَهُمُ الْبَنُونَ149

Vraag hun dan om uitsluitsel of jouw Heer de dochters heeft en zij de zonen.

أَمْ خَلَقْنَا الْمَلَائِكَةَ إِنَاثًا وَهُمْ شَاهِدُونَ150

Of hebben Wij de engelen als vrouwelijke wezens geschapen terwijl zij er getuige van waren?

أَلَا إِنَّهُم مِّنْ إِفْكِهِمْ لَيَقُولُونَ151

Met hun lasterlijke leugen zeggen zij immers:

وَلَدَ اللَّهُ وَإِنَّهُمْ لَكَاذِبُونَ152

“God heeft kinderen verwekt.” Leugenaars zijn zij!

أَصْطَفَى الْبَنَاتِ عَلَى الْبَنِينَ153

Heeft Hij de dochters boven de zonen verkozen?

مَا لَكُمْ كَيْفَ تَحْكُمُونَ154

Wat is er met jullie? Hoe kunnen jullie oordelen?

أَفَلَا تَذَكَّرُونَ155

Laten jullie je dan niet vermanen?

أَمْ لَكُمْ سُلْطَانٌ مُّبِينٌ156

Of hebben jullie een duidelijke machtiging?

فَأْتُوا بِكِتَابِكُمْ إِن كُنتُمْ صَادِقِينَ157

Brengt dan jullie boek als jullie gelijk hebben.

وَجَعَلُوا بَيْنَهُ وَبَيْنَ الْجِنَّةِ نَسَبًا ۚ وَلَقَدْ عَلِمَتِ الْجِنَّةُ إِنَّهُمْ لَمُحْضَرُونَ158

En zij hebben verwantschap tussen Hem en de djinn gefabriceerd, maar de djinn weten dat zij zullen worden voorgeleid —

سُبْحَانَ اللَّهِ عَمَّا يَصِفُونَ159

God zij geprezen, verheven als Hij is boven wat zij toeschrijven —

إِلَّا عِبَادَ اللَّهِ الْمُخْلَصِينَ160

alleen niet de toegewijde dienaren van God.

فَإِنَّكُمْ وَمَا تَعْبُدُونَ161

“En jullie dan, en wat jullie dienen?

مَا أَنتُمْ عَلَيْهِ بِفَاتِنِينَ162

Jullie kunnen niemand tegen Hem ophitsen,

إِلَّا مَنْ هُوَ صَالِ الْجَحِيمِ163

behalve dan wie er braadt in het hellevuur.

وَمَا مِنَّا إِلَّا لَهُ مَقَامٌ مَّعْلُومٌ164

Er is niemand van ons of hij heeft een vastgestelde positie.

وَإِنَّا لَنَحْنُ الصَّافُّونَ165

Maar wij, wij zijn het die zich in rijen opstellen

وَإِنَّا لَنَحْنُ الْمُسَبِّحُونَ166

en wij, wij zijn het die lofprijzen.”

وَإِن كَانُوا لَيَقُولُونَ167

Zij zeiden steeds:

لَوْ أَنَّ عِندَنَا ذِكْرًا مِّنَ الْأَوَّلِينَ168

“Als wij maar een vermaning hadden als van hen die er eertijds waren,

لَكُنَّا عِبَادَ اللَّهِ الْمُخْلَصِينَ169

dan zouden wij Gods toegewijde dienaren zijn.”

فَكَفَرُوا بِهِ ۖ فَسَوْفَ يَعْلَمُونَ170

Toch hechtten zij er geen geloof aan, maar zij zullen het weten.

وَلَقَدْ سَبَقَتْ كَلِمَتُنَا لِعِبَادِنَا الْمُرْسَلِينَ171

Ons woord was al eerder tot Onze dienaren, de gezondenen, gekomen.

إِنَّهُمْ لَهُمُ الْمَنصُورُونَ172

Zij waren het aan wie hulp werd verleend.

وَإِنَّ جُندَنَا لَهُمُ الْغَالِبُونَ173

En Onze troepenmacht, zij zijn de overwinnaars.

فَتَوَلَّ عَنْهُمْ حَتَّىٰ حِينٍ174

Keer je dus tijdelijk van hen af.

وَأَبْصِرْهُمْ فَسَوْفَ يُبْصِرُونَ175

En kijk naar hen, zij zullen naar jou kijken.

أَفَبِعَذَابِنَا يَسْتَعْجِلُونَ176

Willen zij dan Onze bestraffing verhaasten?

فَإِذَا نَزَلَ بِسَاحَتِهِمْ فَسَاءَ صَبَاحُ الْمُنذَرِينَ177

En wanneer die in hun gebied neerkomt zal dat een slechte morgen voor de gewaarschuwden zijn.

وَتَوَلَّ عَنْهُمْ حَتَّىٰ حِينٍ178

Keer je tijdelijk van hen af.

وَأَبْصِرْ فَسَوْفَ يُبْصِرُونَ179

En kijk, zij zullen naar jou kijken.

سُبْحَانَ رَبِّكَ رَبِّ الْعِزَّةِ عَمَّا يَصِفُونَ180

Geprezen zij jouw Heer, de Heer van de macht, verheven als Hij is boven wat zij toeschrijven.

وَسَلَامٌ عَلَى الْمُرْسَلِينَ181

En vrede zij met de gezondenen.

وَالْحَمْدُ لِلَّهِ رَبِّ الْعَالَمِينَ182

En lof zij God, de Heer van de wereldbewoners.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here