Soera 36 – Ya-Sin – (de Arabische letters) Ya Sin – يس

Deze soera in de nieuwe Koran omgeving lezen? Ja, graag
bismillah ir rahman ir rahim

يسٓ 1

Yā Sīn.

وَٱلۡقُرۡءَانِ ٱلۡحَكِيمِ 2

Bij de Koran, vol wijsheid.

إِنَّكَ لَمِنَ ٱلۡمُرۡسَلِينَ 3

Waarlijk, jij (O Mohammed) bent één van de Boodschappers.

عَلَىٰ صِرَٰطٖ مُّسۡتَقِيمٖ 4

Op een rechte Weg.

تَنزِيلَ ٱلۡعَزِيزِ ٱلرَّحِيمِ 5

(Dit is) een openbaring die door de Almachtige, de Genadevolle is gestuurd.

لِتُنذِرَ قَوۡمٗا مَّآ أُنذِرَ ءَابَآؤُهُمۡ فَهُمۡ غَٰفِلُونَ 6

Zodat jij een volk wiens voorvaders niet gewaarschuwd zijn en dus achteloos zijn, moge waarschuwen.

لَقَدۡ حَقَّ ٱلۡقَوۡلُ عَلَىٰٓ أَكۡثَرِهِمۡ فَهُمۡ لَا يُؤۡمِنُونَ 7

Voorwaar, het woord is tegen de meesten van hen bewaarheid, omdat zij niet geloven.

إِنَّا جَعَلۡنَا فِيٓ أَعۡنَٰقِهِمۡ أَغۡلَٰلٗا فَهِيَ إِلَى ٱلۡأَذۡقَانِ فَهُم مُّقۡمَحُونَ 8

Waarlijk! Wij hebben om hun nekken ijzeren kettingen gelegd die tot hun kinnen reiken, zodat hun hoofden opgeheven blijven.

وَجَعَلۡنَا مِنۢ بَيۡنِ أَيۡدِيهِمۡ سَدّٗا وَمِنۡ خَلۡفِهِمۡ سَدّٗا فَأَغۡشَيۡنَٰهُمۡ فَهُمۡ لَا يُبۡصِرُونَ 9

En Wij hebben een hindernis vόόr hen geplaatst, en een hindernis achter hen en Wij hebben hun ogen bedekt zodat zij niet kunnen zien.

وَسَوَآءٌ عَلَيۡهِمۡ ءَأَنذَرۡتَهُمۡ أَمۡ لَمۡ تُنذِرۡهُمۡ لَا يُؤۡمِنُونَ 10

Het maakt hen niet uit of je hen waarschuwt of niet, zij zullen niet geloven.

إِنَّمَا تُنذِرُ مَنِ ٱتَّبَعَ ٱلذِّكۡرَ وَخَشِيَ ٱلرَّحۡمَٰنَ بِٱلۡغَيۡبِۖ فَبَشِّرۡهُ بِمَغۡفِرَةٖ وَأَجۡرٖ كَرِيمٍ 11

Jij kunt slechts degene waarschuwen wie de Vermaning volgt en de Barmhartigste ongezien vreest. Geef hem het goede nieuws van de vergiffenis en de gulle beloning.

إِنَّا نَحۡنُ نُحۡيِ ٱلۡمَوۡتَىٰ وَنَكۡتُبُ مَا قَدَّمُواْ وَءَاثَٰرَهُمۡۚ وَكُلَّ شَيۡءٍ أَحۡصَيۡنَٰهُ فِيٓ إِمَامٖ مُّبِينٖ 12

Waarlijk, Wij geven leven aan de doden en Wij noteren wat zij gedaan hebben en (ook) hun sporen. En alle zaken hebben Wij opgesomd in een duidelijk Boek.

وَٱضۡرِبۡ لَهُم مَّثَلًا أَصۡحَٰبَ ٱلۡقَرۡيَةِ إِذۡ جَآءَهَا ٱلۡمُرۡسَلُونَ 13

En geef hen een vergelijking: het (verhaal van de) bewoners van de stad. Toen er Boodschappers tot hen kwamen.

إِذۡ أَرۡسَلۡنَآ إِلَيۡهِمُ ٱثۡنَيۡنِ فَكَذَّبُوهُمَا فَعَزَّزۡنَا بِثَالِثٖ فَقَالُوٓاْ إِنَّآ إِلَيۡكُم مُّرۡسَلُونَ 14

Toen Wij er twee tot hen zonden verloochenden zij hen beiden, dus versterkten Wij hen met een derde, en zij zeiden: “Waarlijk! Wij zijn als Boodschappers naar jullie gestuurd.”

قَالُواْ مَآ أَنتُمۡ إِلَّا بَشَرٞ مِّثۡلُنَا وَمَآ أَنزَلَ ٱلرَّحۡمَٰنُ مِن شَيۡءٍ إِنۡ أَنتُمۡ إِلَّا تَكۡذِبُونَ 15

Zij zeiden: “Jullie zijn slechts mensen zoals wij, en de Barmhartigste heeft niets geopenbaard, jullie vertellen slechts leugens.”

قَالُواْ رَبُّنَا يَعۡلَمُ إِنَّآ إِلَيۡكُمۡ لَمُرۡسَلُونَ 16

De Boodschappers zeiden: “Onze Heer weet dat wij als Boodschappers tot jullie zijn gestuurd.

وَمَا عَلَيۡنَآ إِلَّا ٱلۡبَلَٰغُ ٱلۡمُبِينُ 17

En het is slechts onze plicht om duidelijk te verkondigen.”

قَالُوٓاْ إِنَّا تَطَيَّرۡنَا بِكُمۡۖ لَئِن لَّمۡ تَنتَهُواْ لَنَرۡجُمَنَّكُمۡ وَلَيَمَسَّنَّكُم مِّنَّا عَذَابٌ أَلِيمٞ 18

De (mensen) zeiden: “Wat ons betreft, wij zien een kwaad voorteken in jullie, als jullie niet stoppen, zullen wij jullie zeker stenigen en dan zal jullie een pijnlijke bestraffing van ons treffen.”

قَالُواْ طَـٰٓئِرُكُم مَّعَكُمۡ أَئِن ذُكِّرۡتُمۚ بَلۡ أَنتُمۡ قَوۡمٞ مُّسۡرِفُونَ 19

Zij zeiden: “Jullie kwade voortekenen zijn bij jullie! (Is het) omdat jullie vermaand worden? Nee, jullie zijn een volk dat buitensporig is.”

وَجَآءَ مِنۡ أَقۡصَا ٱلۡمَدِينَةِ رَجُلٞ يَسۡعَىٰ قَالَ يَٰقَوۡمِ ٱتَّبِعُواْ ٱلۡمُرۡسَلِينَ 20

En er kwam van het verste gedeelte van de stad een man aanrennen, die zei: “O mijn volk! Gehoorzaam de Boodschappers.

ٱتَّبِعُواْ مَن لَّا يَسۡـَٔلُكُمۡ أَجۡرٗا وَهُم مُّهۡتَدُونَ 21

Gehoorzaam degenen die geen betaling van jullie vragen, en die rechtgeleid zijn.

وَمَالِيَ لَآ أَعۡبُدُ ٱلَّذِي فَطَرَنِي وَإِلَيۡهِ تُرۡجَعُونَ 22

En waarom zou ik niet Hem aanbidden Die mij heeft geschapen? En tot hem worden jullie teruggekeerd.

ءَأَتَّخِذُ مِن دُونِهِۦٓ ءَالِهَةً إِن يُرِدۡنِ ٱلرَّحۡمَٰنُ بِضُرّٖ لَّا تُغۡنِ عَنِّي شَفَٰعَتُهُمۡ شَيۡـٔٗا وَلَا يُنقِذُونِ 23

Hoe zou ik dan naast Hem goden kunnen nemen? Als de Barmhartige voor mij tegenspoed zou wensen, dan zou hun bemiddeling mij niets baten en mij niet redden.

إِنِّيٓ إِذٗا لَّفِي ضَلَٰلٖ مُّبِينٍ 24

Dan voorwaar, zal ik in een duidelijke dwaling verkeren.

إِنِّيٓ ءَامَنتُ بِرَبِّكُمۡ فَٱسۡمَعُونِ 25

Waarlijk! Ik geloof in jullie Heer, luister daarom!”

قِيلَ ٱدۡخُلِ ٱلۡجَنَّةَۖ قَالَ يَٰلَيۡتَ قَوۡمِي يَعۡلَمُونَ 26

Er werd gezegd: “Ga het paradijs binnen.” Hij zei: “Ik wou dat mijn volk het wist!

بِمَا غَفَرَ لِي رَبِّي وَجَعَلَنِي مِنَ ٱلۡمُكۡرَمِينَ 27

Dat mijn Heer mij heeft vergeven en mij tot één van de geëerden heeft gemaakt!” ۞

۞وَمَآ أَنزَلۡنَا عَلَىٰ قَوۡمِهِۦ مِنۢ بَعۡدِهِۦ مِن جُندٖ مِّنَ ٱلسَّمَآءِ وَمَا كُنَّا مُنزِلِينَ 28

En Wij hebben na hem geen leger (van Engelen) uit de hemel naar zijn volk gestuurd, en Wij zonden hen niet.

إِن كَانَتۡ إِلَّا صَيۡحَةٗ وَٰحِدَةٗ فَإِذَا هُمۡ خَٰمِدُونَ 29

Er was slechts één enkele kreet en zie! Zij waren stil.

يَٰحَسۡرَةً عَلَى ٱلۡعِبَادِۚ مَا يَأۡتِيهِم مِّن رَّسُولٍ إِلَّا كَانُواْ بِهِۦ يَسۡتَهۡزِءُونَ 30

Helaas voor de mensheid! Er komt geen Boodschapper tot hen, of zij drijven de spot met hem.

أَلَمۡ يَرَوۡاْ كَمۡ أَهۡلَكۡنَا قَبۡلَهُم مِّنَ ٱلۡقُرُونِ أَنَّهُمۡ إِلَيۡهِمۡ لَا يَرۡجِعُونَ 31

Hebben zij niet gezien hoeveel generaties Wij vóór hen vernietigd hebben? Waarlijk, zij zullen niet tot hen terugkeren.

وَإِن كُلّٞ لَّمَّا جَمِيعٞ لَّدَيۡنَا مُحۡضَرُونَ 32

En ieder van hen zal voor Ons gebracht worden.

وَءَايَةٞ لَّهُمُ ٱلۡأَرۡضُ ٱلۡمَيۡتَةُ أَحۡيَيۡنَٰهَا وَأَخۡرَجۡنَا مِنۡهَا حَبّٗا فَمِنۡهُ يَأۡكُلُونَ 33

En een Teken voor hen is de dode aarde die Wij tot leven doen komen en waaruit Wij graan voortbrengen, waarvan zij eten.

وَجَعَلۡنَا فِيهَا جَنَّـٰتٖ مِّن نَّخِيلٖ وَأَعۡنَٰبٖ وَفَجَّرۡنَا فِيهَا مِنَ ٱلۡعُيُونِ 34

En Wij hebben daarin tuinen van dadelpalmen en druivenstruiken gemaakt en Wij hebben ervoor gezorgd dat waterbronnen daarin stromen.

لِيَأۡكُلُواْ مِن ثَمَرِهِۦ وَمَا عَمِلَتۡهُ أَيۡدِيهِمۡۚ أَفَلَا يَشۡكُرُونَ 35

Opdat zij van haar vruchten eten, en van wat hun handen hebben verricht. Zullen zij dan niet danken?

سُبۡحَٰنَ ٱلَّذِي خَلَقَ ٱلۡأَزۡوَٰجَ كُلَّهَا مِمَّا تُنۢبِتُ ٱلۡأَرۡضُ وَمِنۡ أَنفُسِهِمۡ وَمِمَّا لَا يَعۡلَمُونَ 36

Heilig is Degene Die alle soorten geschapen heeft die de aarde voortbrengt en uit henzelf en van wat zij niet weten.

وَءَايَةٞ لَّهُمُ ٱلَّيۡلُ نَسۡلَخُ مِنۡهُ ٱلنَّهَارَ فَإِذَا هُم مُّظۡلِمُونَ 37

En een Teken voor hen is de nacht, waarvan Wij de dag onttrekken, dan bevinden zij zich in de" duisternis.

وَٱلشَّمۡسُ تَجۡرِي لِمُسۡتَقَرّٖ لَّهَاۚ ذَٰلِكَ تَقۡدِيرُ ٱلۡعَزِيزِ ٱلۡعَلِيمِ 38

En de zon vaart haar eigen afgebakende koers voor een (vastgestelde) termijn. Dat is het besluit van de Almachtige, de Alwetende.

وَٱلۡقَمَرَ قَدَّرۡنَٰهُ مَنَازِلَ حَتَّىٰ عَادَ كَٱلۡعُرۡجُونِ ٱلۡقَدِيمِ 39

En Wij hebben voor de maan standen bepaald, zodat zij terugkeert als een oude sikkeltje van een dadeltros.

لَا ٱلشَّمۡسُ يَنۢبَغِي لَهَآ أَن تُدۡرِكَ ٱلۡقَمَرَ وَلَا ٱلَّيۡلُ سَابِقُ ٱلنَّهَارِۚ وَكُلّٞ فِي فَلَكٖ يَسۡبَحُونَ 40

Het is niet mogelijk dat de zon de maan bereikt en de nacht kan de dag niet inhalen. Allen bewegen in een kringloop.

وَءَايَةٞ لَّهُمۡ أَنَّا حَمَلۡنَا ذُرِّيَّتَهُمۡ فِي ٱلۡفُلۡكِ ٱلۡمَشۡحُونِ 41

En een Teken voor hen is het dat Wij hun nageslacht in een volgeladen schip hebben gedreven.

وَخَلَقۡنَا لَهُم مِّن مِّثۡلِهِۦ مَا يَرۡكَبُونَ 42

En Wij hebben voor hen hetzelfde als dat geschapen zodat zij daarop rijden.

وَإِن نَّشَأۡ نُغۡرِقۡهُمۡ فَلَا صَرِيخَ لَهُمۡ وَلَا هُمۡ يُنقَذُونَ 43

En als Wij willen, doen Wij hen verdrinken en er zal voor hen geen helper zijn, noch zullen zij gered worden.

إِلَّا رَحۡمَةٗ مِّنَّا وَمَتَٰعًا إِلَىٰ حِينٖ 44

Tenzij het een genade van Ons is en als een gunst voor een vastgestelde tijd.

وَإِذَا قِيلَ لَهُمُ ٱتَّقُواْ مَا بَيۡنَ أَيۡدِيكُمۡ وَمَا خَلۡفَكُمۡ لَعَلَّكُمۡ تُرۡحَمُونَ 45

En toen er tegen hen gezegd werd: “Hoedt u voor wat vόόr jullie is en wat achter jullie is, hopelijk zullen jullie begenadigd worden.”

وَمَا تَأۡتِيهِم مِّنۡ ءَايَةٖ مِّنۡ ءَايَٰتِ رَبِّهِمۡ إِلَّا كَانُواْ عَنۡهَا مُعۡرِضِينَ 46

En nooit kwam er een Teken van de Tekenen van hun Heer tot hen, of zij keerden zich daarvan af.

وَإِذَا قِيلَ لَهُمۡ أَنفِقُواْ مِمَّا رَزَقَكُمُ ٱللَّهُ قَالَ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ لِلَّذِينَ ءَامَنُوٓاْ أَنُطۡعِمُ مَن لَّوۡ يَشَآءُ ٱللَّهُ أَطۡعَمَهُۥٓ إِنۡ أَنتُمۡ إِلَّا فِي ضَلَٰلٖ مُّبِينٖ 47

En toen er (door de armen onder de sahaabah) tegen hen gezegd werd: “Geef uit van datgene waarmee Allah jullie heeft voorzien,” zeiden de ongelovigen (al spottend) tegen de gelovigen: “Zullen wij degenen voeden die Allah had kunnen voeden, indien Hij dat wenste?” (Als jullie overtuigd zijn van deze uitspraak), weet dan dat jullie in een duidelijke dwaling verkeren.”

وَيَقُولُونَ مَتَىٰ هَٰذَا ٱلۡوَعۡدُ إِن كُنتُمۡ صَٰدِقِينَ 48

En zij zeiden: “Wanneer zal deze belofte vervuld worden als jullie waarachtig zijn?”

مَا يَنظُرُونَ إِلَّا صَيۡحَةٗ وَٰحِدَةٗ تَأۡخُذُهُمۡ وَهُمۡ يَخِصِّمُونَ 49

Zij wachten slechts op een plotselinge straf die hen zal overkomen terwijl zij nog aan het redetwisten zijn.

فَلَا يَسۡتَطِيعُونَ تَوۡصِيَةٗ وَلَآ إِلَىٰٓ أَهۡلِهِمۡ يَرۡجِعُونَ 50

Dan kunnen zij elkaar niet raadplegen noch kunnen zij naar hun familie terugkeren.

وَنُفِخَ فِي ٱلصُّورِ فَإِذَا هُم مِّنَ ٱلۡأَجۡدَاثِ إِلَىٰ رَبِّهِمۡ يَنسِلُونَ 51

En er wordt op de trompet geblazen, daarop snellen zij uit de graven naar hun Heer.

قَالُواْ يَٰوَيۡلَنَا مَنۢ بَعَثَنَا مِن مَّرۡقَدِنَاۜۗ هَٰذَا مَا وَعَدَ ٱلرَّحۡمَٰنُ وَصَدَقَ ٱلۡمُرۡسَلُونَ 52

Zij zeggen: “Wee voor ons! Wie heeft ons uit onze slaapplaats doen herrijzen? Dit is wat de Barmhartige heeft beloofd, en de Boodschappers hebben de waarheid gesproken!”

إِن كَانَتۡ إِلَّا صَيۡحَةٗ وَٰحِدَةٗ فَإِذَا هُمۡ جَمِيعٞ لَّدَيۡنَا مُحۡضَرُونَ 53

Het zal maar één enkele kreet zijn, zie dus! Zij zullen allen voor Ons worden gebracht!

فَٱلۡيَوۡمَ لَا تُظۡلَمُ نَفۡسٞ شَيۡـٔٗا وَلَا تُجۡزَوۡنَ إِلَّا مَا كُنتُمۡ تَعۡمَلُونَ 54

Deze Dag zal niemand het minste onrecht worden aangedaan en jullie zullen slechts worden beloond voor wat jullie plachten te doen.

إِنَّ أَصۡحَٰبَ ٱلۡجَنَّةِ ٱلۡيَوۡمَ فِي شُغُلٖ فَٰكِهُونَ 55

Waarlijk, de bewoners van het Paradijs zullen op die Dag bezig zijn met prettige dingen.

هُمۡ وَأَزۡوَٰجُهُمۡ فِي ظِلَٰلٍ عَلَى ٱلۡأَرَآئِكِ مُتَّكِـُٔونَ 56

Zij en hun vrouwen zullen zich in de schaduwen bevinden, op rustbanken leunend.

لَهُمۡ فِيهَا فَٰكِهَةٞ وَلَهُم مَّا يَدَّعُونَ 57

Zij zullen daar (alle soorten fruit) hebben en alles wat zij verlangen.

سَلَٰمٞ قَوۡلٗا مِّن رَّبّٖ رَّحِيمٖ 58

(Er wordt hen gezegd:) “Vrede zij met u.” Een woord van een Meest Barmhartige Heer.

وَٱمۡتَٰزُواْ ٱلۡيَوۡمَ أَيُّهَا ٱلۡمُجۡرِمُونَ 59

“Ga op deze Dag (van de gelovigen) weg, O jullie misdadigers!”

۞أَلَمۡ أَعۡهَدۡ إِلَيۡكُمۡ يَٰبَنِيٓ ءَادَمَ أَن لَّا تَعۡبُدُواْ ٱلشَّيۡطَٰنَۖ إِنَّهُۥ لَكُمۡ عَدُوّٞ مُّبِينٞ 60

Heb Ik jullie, O kinderen van Adam, niet bevolen om de Sheitan niet te dienen? Waarlijk, hij is een duidelijke vijand voor jullie.

وَأَنِ ٱعۡبُدُونِيۚ هَٰذَا صِرَٰطٞ مُّسۡتَقِيمٞ 61

En aanbidt Mij. Dat is het rechte Pad.

وَلَقَدۡ أَضَلَّ مِنكُمۡ جِبِلّٗا كَثِيرًاۖ أَفَلَمۡ تَكُونُواْ تَعۡقِلُونَ 62

En voorwaar, hij heeft een groot gedeelte van jullie misleidt. Begrepen jullie het dan niet?

هَٰذِهِۦ جَهَنَّمُ ٱلَّتِي كُنتُمۡ تُوعَدُونَ 63

Dit is de Hel waarvoor jullie gewaarschuwd zijn.

ٱصۡلَوۡهَا ٱلۡيَوۡمَ بِمَا كُنتُمۡ تَكۡفُرُونَ 64

Ga haar op deze Dag binnen wegens wat jullie plachten niet te geloven.

ٱلۡيَوۡمَ نَخۡتِمُ عَلَىٰٓ أَفۡوَٰهِهِمۡ وَتُكَلِّمُنَآ أَيۡدِيهِمۡ وَتَشۡهَدُ أَرۡجُلُهُم بِمَا كَانُواْ يَكۡسِبُونَ 65

Deze Dag zullen Wij hun monden verzegelen en hun handen zullen tot Ons spreken, en hun benen zullen getuigen over wat zij plachten te verrichten.

وَلَوۡ نَشَآءُ لَطَمَسۡنَا عَلَىٰٓ أَعۡيُنِهِمۡ فَٱسۡتَبَقُواْ ٱلصِّرَٰطَ فَأَنَّىٰ يُبۡصِرُونَ 66

En als het Onze wil was geweest, dan hadden Wij zeker het gezichtsvermogen uitgewist van hun ogen, waarna zij een wedloop naar het Pad zouden houden, maar hoe zouden zij dan kunnen zien?

وَلَوۡ نَشَآءُ لَمَسَخۡنَٰهُمۡ عَلَىٰ مَكَانَتِهِمۡ فَمَا ٱسۡتَطَٰعُواْ مُضِيّٗا وَلَا يَرۡجِعُونَ 67

En als het Onze wil was geweest, zouden Wij hen op hun plaatsen doen verstijven. Dan zouden zij niet in staat zijn om vooruit te komen, noch zouden zij kunnen "terugkeren.

وَمَن نُّعَمِّرۡهُ نُنَكِّسۡهُ فِي ٱلۡخَلۡقِۚ أَفَلَا يَعۡقِلُونَ 68

En degene die Wij een lang leven geven, doen Wij degeneren in zijn schepping (waarmee zwakheid, dementie en afhankelijkheid gepaard gaan). Zullen (de ontkenners) hun gezond verstand dan niet gebruiken (in gehoorzaamheid aan Allah)?

وَمَا عَلَّمۡنَٰهُ ٱلشِّعۡرَ وَمَا يَنۢبَغِي لَهُۥٓۚ إِنۡ هُوَ إِلَّا ذِكۡرٞ وَقُرۡءَانٞ مُّبِينٞ 69

En Wij hebben hem (Mohammed) de dichtkunst niet onderwezen en het past hem niet. Dit is slechts een Waarschuwing en een duidelijke Koran.

لِّيُنذِرَ مَن كَانَ حَيّٗا وَيَحِقَّ ٱلۡقَوۡلُ عَلَى ٱلۡكَٰفِرِينَ 70

Opdat hij de levenden waarschuwt en opdat het Woord (van bestraffing) voor de ongelovigen bewaarheid wordt.

أَوَلَمۡ يَرَوۡاْ أَنَّا خَلَقۡنَا لَهُم مِّمَّا عَمِلَتۡ أَيۡدِينَآ أَنۡعَٰمٗا فَهُمۡ لَهَا مَٰلِكُونَ 71

Zien zij dan niet, dat onder wat Onze Handen voor hen hebben geschapen, het vee is, zodat zij daarvan de eigenaren zijn?

وَذَلَّلۡنَٰهَا لَهُمۡ فَمِنۡهَا رَكُوبُهُمۡ وَمِنۡهَا يَأۡكُلُونَ 72

En Wij hebben het voor hen onderworpen, sommigen berijden zij ervan en sommigen eten zij.

وَلَهُمۡ فِيهَا مَنَٰفِعُ وَمَشَارِبُۚ أَفَلَا يَشۡكُرُونَ 73

En zij hebben voordeel van hen, en een (bron van) drinken, zullen zij dan niet dankbaar zijn?

وَٱتَّخَذُواْ مِن دُونِ ٱللَّهِ ءَالِهَةٗ لَّعَلَّهُمۡ يُنصَرُونَ 74

En zij hebben naast Allah goden aangenomen, hopende dat zij door hen geholpen worden.

لَا يَسۡتَطِيعُونَ نَصۡرَهُمۡ وَهُمۡ لَهُمۡ جُندٞ مُّحۡضَرُونَ 75

Zij kunnen hen niet helpen, maar zij zullen als een groep voortgebracht worden tegen degenen die hen aanbaden.

فَلَا يَحۡزُنكَ قَوۡلُهُمۡۘ إِنَّا نَعۡلَمُ مَا يُسِرُّونَ وَمَا يُعۡلِنُونَ 76

En laat hun spraak jou dan niet bedroeven. Waarlijk, Wij weten wat zij verbergen en wat zij openlijk doen.

أَوَلَمۡ يَرَ ٱلۡإِنسَٰنُ أَنَّا خَلَقۡنَٰهُ مِن نُّطۡفَةٖ فَإِذَا هُوَ خَصِيمٞ مُّبِينٞ 77

Ziet de mens dan niet dat Wij hem uit een druppel (mannelijk zaad) hebben geschapen? En toch is hij een redetwister!

وَضَرَبَ لَنَا مَثَلٗا وَنَسِيَ خَلۡقَهُۥۖ قَالَ مَن يُحۡيِ ٱلۡعِظَٰمَ وَهِيَ رَمِيمٞ 78

En (hierover) gaf hij Ons een gelijkenis terwijl hij de schepping van zichzelf over het hoofd zag. (Met een bot in de hand) vraagt hij: “Wie doet de beenderen tot leven komen, terwijl ze gruis zijn?”

قُلۡ يُحۡيِيهَا ٱلَّذِيٓ أَنشَأَهَآ أَوَّلَ مَرَّةٖۖ وَهُوَ بِكُلِّ خَلۡقٍ عَلِيمٌ 79

Zeg: “Hij zal hen doen herleven zoals Hij hen de eerste keer heeft geschapen! En Hij is Alwetend over de gehele schepping!

ٱلَّذِي جَعَلَ لَكُم مِّنَ ٱلشَّجَرِ ٱلۡأَخۡضَرِ نَارٗا فَإِذَآ أَنتُم مِّنۡهُ تُوقِدُونَ 80

Hij is Degene Die voor jullie van de groene boom vuur heeft gemaakt, waarna jullie er een vuur mee ontsteken.”

أَوَلَيۡسَ ٱلَّذِي خَلَقَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضَ بِقَٰدِرٍ عَلَىٰٓ أَن يَخۡلُقَ مِثۡلَهُمۚ بَلَىٰ وَهُوَ ٱلۡخَلَّـٰقُ ٱلۡعَلِيمُ 81

Is Hij, Die de hemelen en de aarde heeft geschapen niet in staat om iets te scheppen wat daaraan gelijk is? Zeker wel! Want voorwaar, Hij is de Schepper, de Alwetende.

إِنَّمَآ أَمۡرُهُۥٓ إِذَآ أَرَادَ شَيۡـًٔا أَن يَقُولَ لَهُۥ كُن فَيَكُونُ 82

Waarlijk, als Hij zich voorgenomen heeft iets (te scheppen) dan luidt Zijn bevel slechts: “Wees!” en het is.

فَسُبۡحَٰنَ ٱلَّذِي بِيَدِهِۦ مَلَكُوتُ كُلِّ شَيۡءٖ وَإِلَيۡهِ تُرۡجَعُونَ 83

Heilig is Degene in Wiens Hand de soevereiniteit over alle zaken bevindt. En tot Hem zullen jullie (uiteindelijk) allen terugkeren.

One Comment

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Close