Soera 34 – Saba – Saba (Sheba) – سبا

bismillah ir rahman ir rahim

الْحَمْدُ لِلَّهِ الَّذِي لَهُ مَا فِي السَّمَاوَاتِ وَمَا فِي الْأَرْضِ وَلَهُ الْحَمْدُ فِي الْآخِرَةِ ۚ وَهُوَ الْحَكِيمُ الْخَبِيرُ 1

(Alle) lof zij Allah, Degene aan Wie datgene wat zich in de hemelen en datgene wat zich op de aarde bevindt toebehoort. En Hem komt (alle) lof toe in het Hiernamaals. En Hij is de Alwijze, de Alwetende (over het verborgene).

يَعْلَمُ مَا يَلِجُ فِي الْأَرْضِ وَمَا يَخْرُجُ مِنْهَا وَمَا يَنزِلُ مِنَ السَّمَاءِ وَمَا يَعْرُجُ فِيهَا ۚ وَهُوَ الرَّحِيمُ الْغَفُورُ 2

Hij weet wat er in de aarde gaat en wat eruit voortkomt en (Hij weet) wat er uit de hemel neerdaalt en wat ernaar opstijgt. En Hij is de Meest Genadevolle, de Meest Vergevingsgezinde.

وَقَالَ الَّذِينَ كَفَرُوا لَا تَأْتِينَا السَّاعَةُ ۖ قُلْ بَلَىٰ وَرَبِّي لَتَأْتِيَنَّكُمْ عَالِمِ الْغَيْبِ ۖ لَا يَعْزُبُ عَنْهُ مِثْقَالُ ذَرَّةٍ فِي السَّمَاوَاتِ وَلَا فِي الْأَرْضِ وَلَا أَصْغَرُ مِن ذَٰلِكَ وَلَا أَكْبَرُ إِلَّا فِي كِتَابٍ مُّبِينٍ 3

En degenen die niet geloven zeggen: “Het Uur zal niet tot ons komen.” Zeg (o Mohammed): “Jazeker, bij mijn Heer! Het zal zeker tot jullie komen.” Hij (Allah) is de Alwetende over het onwaarneembare (en) niets ontgaat Hem, (zelfs niet) datgene wat zich ter grootte van een mosterdzaadje in de hemelen of op de aarde bevindt. En er is niets dat kleiner of groter is dan dat, of het staat in een duidelijk Boek (geschreven).

لِّيَجْزِيَ الَّذِينَ آمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ ۚ أُولَٰئِكَ لَهُم مَّغْفِرَةٌ وَرِزْقٌ كَرِيمٌ 4

Zodat Hij (Allah) degenen die geloven en goede daden verrichten zal belonen. Zij zijn degenen voor wie er Vergiffenis en een edele Voorziening is.

وَالَّذِينَ سَعَوْا فِي آيَاتِنَا مُعَاجِزِينَ أُولَٰئِكَ لَهُمْ عَذَابٌ مِّن رِّجْزٍ أَلِيمٌ 5

En degenen die ernaar streven om Onze Verzen te ontkrachten (en anderen daarvan af te houden), zij zijn degenen voor wie er een vergelding is (bestaande) uit een pijnlijke Bestraffing.

وَيَرَى الَّذِينَ أُوتُوا الْعِلْمَ الَّذِي أُنزِلَ إِلَيْكَ مِن رَّبِّكَ هُوَ الْحَقَّ وَيَهْدِي إِلَىٰ صِرَاطِ الْعَزِيزِ الْحَمِيدِ 6

En degenen aan wie kennis is gegeven, zien datgene wat aan jou (o Mohammed) is neergezonden door jouw Heer als de Waarheid. En (zij zien) dat het (d.w.z. de Openbaring) leidt naar het Pad van de Almachtige, de Meest Prijzenswaardige.

وَقَالَ الَّذِينَ كَفَرُوا هَلْ نَدُلُّكُمْ عَلَىٰ رَجُلٍ يُنَبِّئُكُمْ إِذَا مُزِّقْتُمْ كُلَّ مُمَزَّقٍ إِنَّكُمْ لَفِي خَلْقٍ جَدِيدٍ 7

En degenen die niet geloven zeggen: “Zullen wij jullie een man (d.w.z. Mohammed) aanwijzen die jullie vertelt dat wanneer jullie (lichamen) volledig zijn vernietigd, jullie waarlijk opnieuw geschapen zullen worden?”

أَفْتَرَىٰ عَلَى اللَّهِ كَذِبًا أَم بِهِ جِنَّةٌ ۗ بَلِ الَّذِينَ لَا يُؤْمِنُونَ بِالْآخِرَةِ فِي الْعَذَابِ وَالضَّلَالِ الْبَعِيدِ 8

Heeft hij (Mohammed) een leugen over Allah verzonnen, of lijdt hij aan bezetenheid? Nee! Maar degenen die niet geloven in het Hiernamaals zullen in de Bestraffing (terechtkomen) en in vergaande dwaling verkeren.

أَفَلَمْ يَرَوْا إِلَىٰ مَا بَيْنَ أَيْدِيهِمْ وَمَا خَلْفَهُم مِّنَ السَّمَاءِ وَالْأَرْضِ ۚ إِن نَّشَأْ نَخْسِفْ بِهِمُ الْأَرْضَ أَوْ نُسْقِطْ عَلَيْهِمْ كِسَفًا مِّنَ السَّمَاءِ ۚ إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَةً لِّكُلِّ عَبْدٍ مُّنِيبٍ 9

Kijken zij dan niet naar wat zich vóór hen en wat zich achter hen bevindt van de hemel en de aarde? Als Wij het zouden willen, dan zouden Wij de aarde met hen (daarop) laten wegzakken, of stukken vanuit de hemel op hen doen neervallen. Voorwaar, daarin bevindt zich zeker een teken voor iedere berouwvolle dienaar.

وَلَقَدْ آتَيْنَا دَاوُودَ مِنَّا فَضْلًا ۖ يَا جِبَالُ أَوِّبِي مَعَهُ وَالطَّيْرَ ۖ وَأَلَنَّا لَهُ الْحَدِيدَ 10

En voorzeker, Wij hebben Daawoed een Gunst van Ons gegeven (zeggende): “O bergen en vogels, verheerlijk (Allah) samen met hem.” En Wij maakten het ijzer zacht voor hem.

أَنِ اعْمَلْ سَابِغَاتٍ وَقَدِّرْ فِي السَّرْدِ ۖ وَاعْمَلُوا صَالِحًا ۖ إِنِّي بِمَا تَعْمَلُونَ بَصِيرٌ 11

(Allah zei:) “Maak (wapen)schilden en bepaal de (juiste) maat (bij het slaan) van (de spijkers in) de ringen, en verricht goede daden. Voorwaar, Ik ben Alziend over wat jullie doen.”

وَلِسُلَيْمَانَ الرِّيحَ غُدُوُّهَا شَهْرٌ وَرَوَاحُهَا شَهْرٌ ۖ وَأَسَلْنَا لَهُ عَيْنَ الْقِطْرِ ۖ وَمِنَ الْجِنِّ مَن يَعْمَلُ بَيْنَ يَدَيْهِ بِإِذْنِ رَبِّهِ ۖ وَمَن يَزِغْ مِنْهُمْ عَنْ أَمْرِنَا نُذِقْهُ مِنْ عَذَابِ السَّعِيرِ 12

En aan Soelaymaan (maakten Wij) de wind (dienstbaar). In de ochtend legde deze (wind) een afstand van een maand af, en in de avond (ook een afstand van) een maand. En Wij maakten een bron van koper vloeibaar voor hem. En onder de djinns waren er (sommigen) die voor hem werkten, met de Toestemming van zijn Heer. En wie van hen van Ons Bevel afwijkt, zullen Wij een bestraffing van een laaiend Vuur laten proeven.

يَعْمَلُونَ لَهُ مَا يَشَاءُ مِن مَّحَارِيبَ وَتَمَاثِيلَ وَجِفَانٍ كَالْجَوَابِ وَقُدُورٍ رَّاسِيَاتٍ ۚ اعْمَلُوا آلَ دَاوُودَ شُكْرًا ۚ وَقَلِيلٌ مِّنْ عِبَادِيَ الشَّكُورُ 13

Zij (d.w.z. de djinns) maakten voor hem wat hij wenste aan gebedshuizen, standbeelden, schalen (zo groot) als bassins en enorme pannen. “O familie van Daawoed, verricht (goede) daden uit dankbaarheid.” En weinig van Mijn dienaren zijn dankbaar.

فَلَمَّا قَضَيْنَا عَلَيْهِ الْمَوْتَ مَا دَلَّهُمْ عَلَىٰ مَوْتِهِ إِلَّا دَابَّةُ الْأَرْضِ تَأْكُلُ مِنسَأَتَهُ ۖ فَلَمَّا خَرَّ تَبَيَّنَتِ الْجِنُّ أَن لَّوْ كَانُوا يَعْلَمُونَ الْغَيْبَ مَا لَبِثُوا فِي الْعَذَابِ الْمُهِينِ 14

En toen Wij de dood voor hem (Soelaymaan) hadden bepaald, kon niemand hen (d.w.z. de djinns) wijzen op zijn dood, behalve een houtworm die (langzaam) zijn staf opat. Pas toen hij (Soelaymaan) neerviel, werd het voor de djinns duidelijk dat als zij kennis zouden hebben gehad van het onwaarneembare, zij (dan) niet (zo lang) in de vernederende bestraffing zouden blijven.

لَقَدْ كَانَ لِسَبَإٍ فِي مَسْكَنِهِمْ آيَةٌ ۖ جَنَّتَانِ عَن يَمِينٍ وَشِمَالٍ ۖ كُلُوا مِن رِّزْقِ رَبِّكُمْ وَاشْكُرُوا لَهُ ۚ بَلْدَةٌ طَيِّبَةٌ وَرَبٌّ غَفُورٌ 15

Voorzeker, er bevond zich voor (de inwoners van) Saba’ (Sheba) een teken in hun woonplaats. Twee tuinen aan de rechterzijde en (aan) de linkerzijde. (Tegen hen werd er vervolgens gezegd:) “Eet van het levensonderhoud van jullie Heer en wees Hem dankbaar. (Dit is) een goed land en (jullie Heer is) een Vergevingsgezinde Heer.”

فَأَعْرَضُوا فَأَرْسَلْنَا عَلَيْهِمْ سَيْلَ الْعَرِمِ وَبَدَّلْنَاهُم بِجَنَّتَيْهِمْ جَنَّتَيْنِ ذَوَاتَيْ أُكُلٍ خَمْطٍ وَأَثْلٍ وَشَيْءٍ مِّن سِدْرٍ قَلِيلٍ 16

Maar zij wendden zich af (van hun Heer). Dus stuurden Wij een (vernietigende) overstroming op hen af. En Wij veranderden hun twee (weelderige) tuinen in twee tuinen met arak(bomen), tamarisk(bomen) en weinig lotus(bomen).

ذَٰلِكَ جَزَيْنَاهُم بِمَا كَفَرُوا ۖ وَهَلْ نُجَازِي إِلَّا الْكَفُورَ 17

Zo vergolden Wij hen vanwege hun ongeloof. En Wij vergelden (op deze wijze) slechts de ondankbare (persoon).

وَجَعَلْنَا بَيْنَهُمْ وَبَيْنَ الْقُرَى الَّتِي بَارَكْنَا فِيهَا قُرًى ظَاهِرَةً وَقَدَّرْنَا فِيهَا السَّيْرَ ۖ سِيرُوا فِيهَا لَيَالِيَ وَأَيَّامًا آمِنِينَ 18

En Wij plaatsten tussen hen en de steden die door Ons gezegend waren, steden die goed zichtbaar waren. En Wij bepaalden de reis(afstand) tussen deze (steden en zeiden): “Reis er in de nacht en overdag veilig doorheen.”

فَقَالُوا رَبَّنَا بَاعِدْ بَيْنَ أَسْفَارِنَا وَظَلَمُوا أَنفُسَهُمْ فَجَعَلْنَاهُمْ أَحَادِيثَ وَمَزَّقْنَاهُمْ كُلَّ مُمَزَّقٍ ۚ إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَاتٍ لِّكُلِّ صَبَّارٍ شَكُورٍ 19

Maar zij zeiden: “Onze Heer, maak onze reisafstanden groter.” En zij deden zichzelf onrecht aan. Dus maakten Wij hen tot onderwerp van gesprek en Wij vernietigden hen volledig. Voorwaar, daarin bevinden zich zeker tekenen voor elke geduldige, dankbare (persoon).

وَلَقَدْ صَدَّقَ عَلَيْهِمْ إِبْلِيسُ ظَنَّهُ فَاتَّبَعُوهُ إِلَّا فَرِيقًا مِّنَ الْمُؤْمِنِينَ 20

En voorzeker, de gedachte van Iblies (de satan) over hen werd bewaarheid. En zij volgden hem, behalve een groep van de gelovigen.

وَمَا كَانَ لَهُ عَلَيْهِم مِّن سُلْطَانٍ إِلَّا لِنَعْلَمَ مَن يُؤْمِنُ بِالْآخِرَةِ مِمَّنْ هُوَ مِنْهَا فِي شَكٍّ ۗ وَرَبُّكَ عَلَىٰ كُلِّ شَيْءٍ حَفِيظٌ 21

En hij (de satan) had slechts macht over hen om aan te tonen wie degene is die in het Hiernamaals gelooft en wie degene is die hierover in twijfel verkeert. En jouw Heer is Toezichthouder over alles.

قُلِ ادْعُوا الَّذِينَ زَعَمْتُم مِّن دُونِ اللَّهِ ۖ لَا يَمْلِكُونَ مِثْقَالَ ذَرَّةٍ فِي السَّمَاوَاتِ وَلَا فِي الْأَرْضِ وَمَا لَهُمْ فِيهِمَا مِن شِرْكٍ وَمَا لَهُ مِنْهُم مِّن ظَهِيرٍ 22

Zeg (o Mohammed, tegen de veelgodenaanbidders): “Roep degenen aan waarvan jullie beweerden (dat zij goden waren) naast Allah.” Zij hebben niet eens de macht over datgene wat zich ter grootte van een mosterdzaadje in de hemelen of op de aarde bevindt, noch hebben zij een aandeel in beide (d.w.z. in de hemelen en de aarde), noch heeft Hij een helper onder hen.

وَلَا تَنفَعُ الشَّفَاعَةُ عِندَهُ إِلَّا لِمَنْ أَذِنَ لَهُ ۚ حَتَّىٰ إِذَا فُزِّعَ عَن قُلُوبِهِمْ قَالُوا مَاذَا قَالَ رَبُّكُمْ ۖ قَالُوا الْحَقَّ ۖ وَهُوَ الْعَلِيُّ الْكَبِيرُ 23

En geen voorspraak zal bij Hem van nut zijn, behalve (van) degene die Hij Toestemming geeft. Totdat de angst uit hun harten is verdwenen, zullen zij (d.w.z. sommige Engelen) zeggen: “Wat heeft jullie Heer gezegd?” Zij (d.w.z. andere Engelen) zullen (dan) zeggen: “De Waarheid. En Hij is de Meest Verhevene, de Grootste.”

قُلْ مَن يَرْزُقُكُم مِّنَ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ ۖ قُلِ اللَّهُ ۖ وَإِنَّا أَوْ إِيَّاكُمْ لَعَلَىٰ هُدًى أَوْ فِي ضَلَالٍ مُّبِينٍ 24

Zeg: “Wie voorziet jullie vanuit de hemelen en de aarde?” Zeg: “Allah, en waarlijk, of wij of jullie zijn recht geleid, of (wij of jullie) verkeren in duidelijke dwaling.”

قُل لَّا تُسْأَلُونَ عَمَّا أَجْرَمْنَا وَلَا نُسْأَلُ عَمَّا تَعْمَلُونَ 25

Zeg: “Jullie zullen niet ondervraagd worden over datgene wat wij hebben misdaan, noch zullen wij ondervraagd worden over datgene wat jullie doen.”

قُلْ يَجْمَعُ بَيْنَنَا رَبُّنَا ثُمَّ يَفْتَحُ بَيْنَنَا بِالْحَقِّ وَهُوَ الْفَتَّاحُ الْعَلِيمُ 26

Zeg: “Onze Heer zal ons (allen) bijeenbrengen (op de Dag der Opstanding), vervolgens zal Hij met de Waarheid tussen ons oordelen. En Hij is de Oordeler, de Alwetende.”

قُلْ أَرُونِيَ الَّذِينَ أَلْحَقْتُم بِهِ شُرَكَاءَ ۖ كَلَّا ۚ بَلْ هُوَ اللَّهُ الْعَزِيزُ الْحَكِيمُ 27

Zeg (o Mohammed): “Toon mij degenen die jullie als deelgenoten aan Hem hebben toegekend. Nee! Hij is Allah, de Almachtige, de Alwijze.”

وَمَا أَرْسَلْنَاكَ إِلَّا كَافَّةً لِّلنَّاسِ بَشِيرًا وَنَذِيرًا وَلَٰكِنَّ أَكْثَرَ النَّاسِ لَا يَعْلَمُونَ 28

En Wij hebben jou (o Mohammed) slechts gestuurd als verkondiger van verheugende Tijdingen en als waarschuwer voor alle mensen. Maar de meeste mensen weten (het) niet.

وَيَقُولُونَ مَتَىٰ هَٰذَا الْوَعْدُ إِن كُنتُمْ صَادِقِينَ 29

En zij zeggen: “Wanneer zal deze Belofte (d.w.z. het aanbreken van het Uur) plaatsvinden, als jullie waarachtig zijn?”

قُل لَّكُم مِّيعَادُ يَوْمٍ لَّا تَسْتَأْخِرُونَ عَنْهُ سَاعَةً وَلَا تَسْتَقْدِمُونَ 30

Zeg (o Mohammed): “Voor jullie is er een vastgestelde dag (d.w.z. sterfdag) die jullie voor geen moment kunnen uitstellen noch vervroegen.”

وَقَالَ الَّذِينَ كَفَرُوا لَن نُّؤْمِنَ بِهَٰذَا الْقُرْآنِ وَلَا بِالَّذِي بَيْنَ يَدَيْهِ ۗ وَلَوْ تَرَىٰ إِذِ الظَّالِمُونَ مَوْقُوفُونَ عِندَ رَبِّهِمْ يَرْجِعُ بَعْضُهُمْ إِلَىٰ بَعْضٍ الْقَوْلَ يَقُولُ الَّذِينَ اسْتُضْعِفُوا لِلَّذِينَ اسْتَكْبَرُوا لَوْلَا أَنتُمْ لَكُنَّا مُؤْمِنِينَ 31

En degenen die niet geloven, zeggen: “Wij zullen niet in deze Koran geloven, noch in wat ervóór was.” En kon jij (o Mohammed) de onrechtplegers maar zien, wanneer zij bij hun Heer staan en elkaar over en weer verwijten (maken). Degenen die onderdrukt werden zullen tegen degenen die hoogmoedig waren zeggen: “Als jullie er niet waren geweest, dan zouden wij zeker tot de gelovigen behoren.”

قَالَ الَّذِينَ اسْتَكْبَرُوا لِلَّذِينَ اسْتُضْعِفُوا أَنَحْنُ صَدَدْنَاكُمْ عَنِ الْهُدَىٰ بَعْدَ إِذْ جَاءَكُم ۖ بَلْ كُنتُم مُّجْرِمِينَ 32

(En) degenen die hoogmoedig waren zullen tegen degenen die onderdrukt werden zeggen: “Waren wij degenen die jullie hebben afgehouden van de Leiding, nadat deze tot jullie is gekomen? Nee! Jullie waren misdadigers.”

وَقَالَ الَّذِينَ اسْتُضْعِفُوا لِلَّذِينَ اسْتَكْبَرُوا بَلْ مَكْرُ اللَّيْلِ وَالنَّهَارِ إِذْ تَأْمُرُونَنَا أَن نَّكْفُرَ بِاللَّهِ وَنَجْعَلَ لَهُ أَندَادًا ۚ وَأَسَرُّوا النَّدَامَةَ لَمَّا رَأَوُا الْعَذَابَ وَجَعَلْنَا الْأَغْلَالَ فِي أَعْنَاقِ الَّذِينَ كَفَرُوا ۚ هَلْ يُجْزَوْنَ إِلَّا مَا كَانُوا يَعْمَلُونَ 33

En degenen die onderdrukt werden zullen tegen degenen die hoogmoedig waren zeggen: “Maar het waren de listen die ‘s nachts en overdag werden beraamd, waarbij jullie ons opdroegen om niet in Allah te geloven en om deelgenoten aan Hem toe te kennen.” En zij zullen de spijt (die zij voelen) verbergen, zodra zij de Bestraffing zien. En Wij zullen de ketenen plaatsen om de nekken van degenen die niet geloven. Zij worden slechts vergolden vanwege datgene wat zij deden.

وَمَا أَرْسَلْنَا فِي قَرْيَةٍ مِّن نَّذِيرٍ إِلَّا قَالَ مُتْرَفُوهَا إِنَّا بِمَا أُرْسِلْتُم بِهِ كَافِرُونَ 34

En Wij hebben geen waarschuwer naar een stad gestuurd of degenen die zich daarin hoogmoedig opstelden, zeiden: “Voorwaar, wij geloven niet in datgene waarmee jullie zijn gestuurd.”

وَقَالُوا نَحْنُ أَكْثَرُ أَمْوَالًا وَأَوْلَادًا وَمَا نَحْنُ بِمُعَذَّبِينَ 35

En zij zeiden: “Wij hebben meer bezittingen en kinderen en wij zullen niet worden bestraft.”

قُلْ إِنَّ رَبِّي يَبْسُطُ الرِّزْقَ لِمَن يَشَاءُ وَيَقْدِرُ وَلَٰكِنَّ أَكْثَرَ النَّاسِ لَا يَعْلَمُونَ 36

Zeg (o Mohammed): “Voorwaar, mijn Heer vermeerdert het levensonderhoud voor wie Hij wil en Hij vermindert (voor wie Hij wil). Maar de meeste mensen weten (het) niet.”

وَمَا أَمْوَالُكُمْ وَلَا أَوْلَادُكُم بِالَّتِي تُقَرِّبُكُمْ عِندَنَا زُلْفَىٰ إِلَّا مَنْ آمَنَ وَعَمِلَ صَالِحًا فَأُولَٰئِكَ لَهُمْ جَزَاءُ الضِّعْفِ بِمَا عَمِلُوا وَهُمْ فِي الْغُرُفَاتِ آمِنُونَ 37

En het zijn niet jullie bezittingen, noch jullie kinderen die jullie dichter bij Ons brengen. Maar wie gelooft en goede daden verricht, voor hen is er een dubbele Beloning voor datgene wat zij hebben verricht. En zij zullen veilig in de kamers (van het Paradijs) zijn.

وَالَّذِينَ يَسْعَوْنَ فِي آيَاتِنَا مُعَاجِزِينَ أُولَٰئِكَ فِي الْعَذَابِ مُحْضَرُونَ 38

En degenen die ernaar streven om Onze Verzen te ontkrachten (en anderen daarvan af te houden), zij zullen in de bestraffing (van het Vuur) aanwezig zijn.

قُلْ إِنَّ رَبِّي يَبْسُطُ الرِّزْقَ لِمَن يَشَاءُ مِنْ عِبَادِهِ وَيَقْدِرُ لَهُ ۚ وَمَا أَنفَقْتُم مِّن شَيْءٍ فَهُوَ يُخْلِفُهُ ۖ وَهُوَ خَيْرُ الرَّازِقِينَ 39

Zeg (o Mohammed): “Waarlijk, mijn Heer vermeerdert het levensonderhoud voor wie Hij wil van Zijn dienaren en Hij vermindert het (voor wie Hij wil). En wat jullie ook uitgeven, Hij zal het vergoeden. En Hij is de Beste onder de voorzieners.”

وَيَوْمَ يَحْشُرُهُمْ جَمِيعًا ثُمَّ يَقُولُ لِلْمَلَائِكَةِ أَهَٰؤُلَاءِ إِيَّاكُمْ كَانُوا يَعْبُدُونَ 40

En (gedenk) de Dag waarop Hij hen allen zal verzamelen en vervolgens tegen de Engelen zal zeggen: “Waren zij degenen die jullie aanbaden?”

قَالُوا سُبْحَانَكَ أَنتَ وَلِيُّنَا مِن دُونِهِم ۖ بَلْ كَانُوا يَعْبُدُونَ الْجِنَّ ۖ أَكْثَرُهُم بِهِم مُّؤْمِنُونَ 41

Zij (d.w.z. de Engelen) zullen zeggen: “Verheven bent U. U bent onze Beschermer en wij distantiëren ons van hen. Welnee! Zij aanbaden de djinns. De meesten van hen geloofden in hen (d.w.z. in de djinns).”

فَالْيَوْمَ لَا يَمْلِكُ بَعْضُكُمْ لِبَعْضٍ نَّفْعًا وَلَا ضَرًّا وَنَقُولُ لِلَّذِينَ ظَلَمُوا ذُوقُوا عَذَابَ النَّارِ الَّتِي كُنتُم بِهَا تُكَذِّبُونَ 42

Maar op deze Dag is niemand van jullie in staat om elkaar te baten of te schaden. En Wij zullen tegen degenen die onrecht pleegden, zeggen: “Proef de bestraffing van het Vuur die jullie verloochenden.”

وَإِذَا تُتْلَىٰ عَلَيْهِمْ آيَاتُنَا بَيِّنَاتٍ قَالُوا مَا هَٰذَا إِلَّا رَجُلٌ يُرِيدُ أَن يَصُدَّكُمْ عَمَّا كَانَ يَعْبُدُ آبَاؤُكُمْ وَقَالُوا مَا هَٰذَا إِلَّا إِفْكٌ مُّفْتَرًى ۚ وَقَالَ الَّذِينَ كَفَرُوا لِلْحَقِّ لَمَّا جَاءَهُمْ إِنْ هَٰذَا إِلَّا سِحْرٌ مُّبِينٌ 43

En als Onze duidelijke Verzen aan hen werden voorgedragen, zeiden zij: “Dit (d.w.z. Mohammed) is slechts een man die jullie wil afhouden van dat wat jullie voorvaderen aanbaden.” En zij zeiden: “Dit is slechts een verzonnen leugen.” En degenen die niet geloofden zeiden over de Waarheid toen deze tot hen kwam: “Dit is niets anders dan duidelijke tovenarij.”

وَمَا آتَيْنَاهُم مِّن كُتُبٍ يَدْرُسُونَهَا ۖ وَمَا أَرْسَلْنَا إِلَيْهِمْ قَبْلَكَ مِن نَّذِيرٍ 44

En Wij hebben hun (hiervóór) geen Boeken gegeven die zij konden bestuderen, noch hebben Wij naar hen een waarschuwer (d.w.z. een Boodschapper) gestuurd vóór jou (o Mohammed).

وَكَذَّبَ الَّذِينَ مِن قَبْلِهِمْ وَمَا بَلَغُوا مِعْشَارَ مَا آتَيْنَاهُمْ فَكَذَّبُوا رُسُلِي ۖ فَكَيْفَ كَانَ نَكِيرِ 45

En degenen vóór hen verloochenden (de Boodschap). En (dit terwijl) zij niet eens een tiende hebben gekregen van dat wat Wij aan hen (d.w.z. aan de eerdere gemeenschappen) hebben gegeven. Toch verloochenden zij Mijn Boodschappers. Hoe (verschrikkelijk) was dan Mijn Afkeuring?

قُلْ إِنَّمَا أَعِظُكُم بِوَاحِدَةٍ ۖ أَن تَقُومُوا لِلَّهِ مَثْنَىٰ وَفُرَادَىٰ ثُمَّ تَتَفَكَّرُوا ۚ مَا بِصَاحِبِكُم مِّن جِنَّةٍ ۚ إِنْ هُوَ إِلَّا نَذِيرٌ لَّكُم بَيْنَ يَدَيْ عَذَابٍ شَدِيدٍ 46

Zeg (o Mohammed): “Ik vermaan jullie met slechts één (zaak), dat jullie voor Allah opstaan, in paren en afzonderlijk, en (dat jullie) vervolgens nadenken (over Mohammed). Jullie metgezel (Mohammed) lijdt niet aan bezetenheid, hij is slechts een waarschuwer voor jullie vóór (het aanbreken van) een zware Bestraffing.”

قُلْ مَا سَأَلْتُكُم مِّنْ أَجْرٍ فَهُوَ لَكُمْ ۖ إِنْ أَجْرِيَ إِلَّا عَلَى اللَّهِ ۖ وَهُوَ عَلَىٰ كُلِّ شَيْءٍ شَهِيدٌ 47

Zeg (o Mohammed): “Welke beloning ik jullie (ook) vraag, het (d.w.z. de beloning) is voor jullie (d.w.z. die mogen jullie houden). Mijn Beloning ligt slechts bij Allah en Hij is Getuige van alles.”

قُلْ إِنَّ رَبِّي يَقْذِفُ بِالْحَقِّ عَلَّامُ الْغُيُوبِ 48

Zeg (o Mohammed): “Voorwaar, mijn Heer werpt (d.w.z. zendt neer) met de Waarheid (aan Zijn Profeet). (Hij is) de Kenner van het onwaarneembare.”

قُلْ جَاءَ الْحَقُّ وَمَا يُبْدِئُ الْبَاطِلُ وَمَا يُعِيدُ 49

Zeg (o Mohammed): “De Waarheid is gekomen en de valsheid kan niets beginnen en niets laten terugkeren.”

قُلْ إِن ضَلَلْتُ فَإِنَّمَا أَضِلُّ عَلَىٰ نَفْسِي ۖ وَإِنِ اهْتَدَيْتُ فَبِمَا يُوحِي إِلَيَّ رَبِّي ۚ إِنَّهُ سَمِيعٌ قَرِيبٌ 50

Zeg (o Mohammed): “Als ik zou afdwalen, dan dwaal ik slechts ten nadele van mijzelf af. En als ik geleid wordt, dan is het dankzij datgene wat mijn Heer aan mij openbaart. Waarlijk, Hij is Alhorend, Nabij.”

وَلَوْ تَرَىٰ إِذْ فَزِعُوا فَلَا فَوْتَ وَأُخِذُوا مِن مَّكَانٍ قَرِيبٍ 51

En kon jij (hen) maar zien, wanneer zij opgeschrikt worden en geen (enkele) uitweg zullen vinden. En zij zullen vanuit een nabije plaats gegrepen worden.

وَقَالُوا آمَنَّا بِهِ وَأَنَّىٰ لَهُمُ التَّنَاوُشُ مِن مَّكَانٍ بَعِيدٍ 52

En zij zullen (bij het zien van de Bestraffing) zeggen: “Wij geloven er (nu) in (laat ons terugkeren).” Maar hoe kunnen zij vanuit een verre Plaats nog terugkeren?

وَقَدْ كَفَرُوا بِهِ مِن قَبْلُ ۖ وَيَقْذِفُونَ بِالْغَيْبِ مِن مَّكَانٍ بَعِيدٍ 53

En voorzeker, zij geloofden er voorheen niet in. En zij gisten (toen) naar het onwaarneembare (op basis van vermoedens) vanaf een verre plaats (d.w.z. ver verwijderd van de Waarheid).

وَحِيلَ بَيْنَهُمْ وَبَيْنَ مَا يَشْتَهُونَ كَمَا فُعِلَ بِأَشْيَاعِهِم مِّن قَبْلُ ۚ إِنَّهُمْ كَانُوا فِي شَكٍّ مُّرِيبٍ 54

En er zal tussen hen en datgene (d.w.z. het berouw) waar zij naar verlangen een afscheiding geplaatst worden, zoals dat (ook) eerder bij hun gelijken werd gedaan. Waarlijk, zij verkeerden (daarover) in dubieuze twijfel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Close