Home Soera Soera 32 – As-Sajdah – De Eerbiedige Neerbuiging – السّجدة

Soera 32 – As-Sajdah – De Eerbiedige Neerbuiging – السّجدة

1686
0
NODIG ANDEREN OOK UIT OM DE KORAN TE LEZEN EN VERDIEN HASANAAT:
bismillah-ir-rahman-ir-rahim

الم1

A[lif] L[aam] M[iem].

تَنزِيلُ الْكِتَابِ لَا رَيْبَ فِيهِ مِن رَّبِّ الْعَالَمِينَ2

De neerzending van het boek waaraan geen twijfel is, is gebeurd door de Heer van de wereldbewoners.

أَمْ يَقُولُونَ افْتَرَاهُ ۚ بَلْ هُوَ الْحَقُّ مِن رَّبِّكَ لِتُنذِرَ قَوْمًا مَّا أَتَاهُم مِّن نَّذِيرٍ مِّن قَبْلِكَ لَعَلَّهُمْ يَهْتَدُونَ3

Of zeggen zij: “Hij heeft het verzonnen.” Integendeel, het is de waarheid van jouw Heer vandaan, opdat jij mensen waarschuwt tot wie voor jouw tijd geen waarschuwer was gekomen; misschien zullen zij zich de goede richting laten wijzen.

اللَّهُ الَّذِي خَلَقَ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضَ وَمَا بَيْنَهُمَا فِي سِتَّةِ أَيَّامٍ ثُمَّ اسْتَوَىٰ عَلَى الْعَرْشِ ۖ مَا لَكُم مِّن دُونِهِ مِن وَلِيٍّ وَلَا شَفِيعٍ ۚ أَفَلَا تَتَذَكَّرُونَ4

God is het die de hemelen en de aarde en wat er tussen beide is in zes dagen geschapen heeft. Toen vestigde Hij zich op de troon. Buiten Hem hebben jullie geen beschermer, noch een bemiddelaar. Zullen jullie je dan niet laten vermanen?

يُدَبِّرُ الْأَمْرَ مِنَ السَّمَاءِ إِلَى الْأَرْضِ ثُمَّ يَعْرُجُ إِلَيْهِ فِي يَوْمٍ كَانَ مِقْدَارُهُ أَلْفَ سَنَةٍ مِّمَّا تَعُدُّونَ5

Hij regelt het bestuur vanuit de hemel tot aan de aarde en dan komt het [weer] tot Hem op in een dag waarvan de maat volgens jullie berekening duizend jaren is.

ذَٰلِكَ عَالِمُ الْغَيْبِ وَالشَّهَادَةِ الْعَزِيزُ الرَّحِيمُ6

Dat is de kenner van het verborgene en het waarneembare, de machtige, de wijze,

الَّذِي أَحْسَنَ كُلَّ شَيْءٍ خَلَقَهُ ۖ وَبَدَأَ خَلْقَ الْإِنسَانِ مِن طِينٍ7

die alles wat Hij geschapen heeft goed gemaakt heeft en die de schepping van de mens uit klei aangevangen heeft.

ثُمَّ جَعَلَ نَسْلَهُ مِن سُلَالَةٍ مِّن مَّاءٍ مَّهِينٍ8

Daarna maakte Hij zijn nageslacht uit een extract van verachtelijk water.

ثُمَّ سَوَّاهُ وَنَفَخَ فِيهِ مِن رُّوحِهِ ۖ وَجَعَلَ لَكُمُ السَّمْعَ وَالْأَبْصَارَ وَالْأَفْئِدَةَ ۚ قَلِيلًا مَّا تَشْكُرُونَ9

En dan vormde Hij hem en blies in hem iets van Zijn geest. En Hij heeft voor jullie gehoor, gezichtsvermogen en harten gemaakt; hoe weinig is de dank die jullie betuigen.

وَقَالُوا أَإِذَا ضَلَلْنَا فِي الْأَرْضِ أَإِنَّا لَفِي خَلْقٍ جَدِيدٍ ۚ بَلْ هُم بِلِقَاءِ رَبِّهِمْ كَافِرُونَ10

En zij zeggen: “Wanneer wij in de aarde zoek geraakt zijn, zullen wij dan werkelijk deel uitmaken van een nieuwe schepping?” Ja zeker, aan de ontmoeting met hun Heer hechten zij geen geloof.

قُلْ يَتَوَفَّاكُم مَّلَكُ الْمَوْتِ الَّذِي وُكِّلَ بِكُمْ ثُمَّ إِلَىٰ رَبِّكُمْ تُرْجَعُونَ11

Zeg: “De doodsengel aan wie Wij jullie hebben toevertrouwd zal jullie wegnemen en dan zullen jullie tot jullie Heer teruggebracht worden.”

وَلَوْ تَرَىٰ إِذِ الْمُجْرِمُونَ نَاكِسُو رُءُوسِهِمْ عِندَ رَبِّهِمْ رَبَّنَا أَبْصَرْنَا وَسَمِعْنَا فَارْجِعْنَا نَعْمَلْ صَالِحًا إِنَّا مُوقِنُونَ12

Kon jij de boosdoeners maar zien wanneer zij bij hun Heer hun hoofd buigen: “Onze Heer, wij zijn tot inzicht gekomen en wij hebben geluisterd. Breng ons terug, dan zullen wij deugdelijk handelen. Wij zijn vast overtuigd.”

وَلَوْ شِئْنَا لَآتَيْنَا كُلَّ نَفْسٍ هُدَاهَا وَلَٰكِنْ حَقَّ الْقَوْلُ مِنِّي لَأَمْلَأَنَّ جَهَنَّمَ مِنَ الْجِنَّةِ وَالنَّاسِ أَجْمَعِينَ13

En als Wij het gewild hadden hadden Wij aan iedere persoon gegeven dat hij op het goede pad gebracht werd, maar de uitspraak van Mij is bewaarheid: “Ik zal de hel met djinn en mensen gezamenlijk vullen.”

فَذُوقُوا بِمَا نَسِيتُمْ لِقَاءَ يَوْمِكُمْ هَٰذَا إِنَّا نَسِينَاكُمْ ۖ وَذُوقُوا عَذَابَ الْخُلْدِ بِمَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَ14

Proeft het dus omdat jullie de ontmoeting op deze dag van jullie hebben vergeten; Wij hebben jullie ook vergeten! Proeft de altijd durende bestraffing voor wat jullie deden.

إِنَّمَا يُؤْمِنُ بِآيَاتِنَا الَّذِينَ إِذَا ذُكِّرُوا بِهَا خَرُّوا سُجَّدًا وَسَبَّحُوا بِحَمْدِ رَبِّهِمْ وَهُمْ لَا يَسْتَكْبِرُونَ ۩15

Slechts zij geloven aan Onze tekenen die, wanneer zij ermee vermaand worden, neervallen in eerbiedige buiging en de lof van hun Heer prijzen, terwijl zij niet hoogmoedig zijn. —

تَتَجَافَىٰ جُنُوبُهُمْ عَنِ الْمَضَاجِعِ يَدْعُونَ رَبَّهُمْ خَوْفًا وَطَمَعًا وَمِمَّا رَزَقْنَاهُمْ يُنفِقُونَ16

Zij houden zich er verre van op hun zijden op hun rustplaatsen te liggen, maar roepen hun Heer aan in vrees en begeerte en geven bijdragen van wat Wij hun voor hun levensonderhoud geven.

فَلَا تَعْلَمُ نَفْسٌ مَّا أُخْفِيَ لَهُم مِّن قُرَّةِ أَعْيُنٍ جَزَاءً بِمَا كَانُوا يَعْمَلُونَ17

En niemand weet wat voor vreugde voor hem verborgen is als beloning voor wat zij gedaan hebben.

أَفَمَن كَانَ مُؤْمِنًا كَمَن كَانَ فَاسِقًا ۚ لَّا يَسْتَوُونَ18

Is dan iemand die gelovig is als iemand die verdorven is? Zij zijn niet gelijk.

أَمَّا الَّذِينَ آمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ فَلَهُمْ جَنَّاتُ الْمَأْوَىٰ نُزُلًا بِمَا كَانُوا يَعْمَلُونَ19

Wat hen betreft die geloven en de deugdelijke daden doen, voor hen zijn er de tuinen van de [hemelse] verblijfplaats als gastverblijf voor wat zij gedaan hebben.

وَأَمَّا الَّذِينَ فَسَقُوا فَمَأْوَاهُمُ النَّارُ ۖ كُلَّمَا أَرَادُوا أَن يَخْرُجُوا مِنْهَا أُعِيدُوا فِيهَا وَقِيلَ لَهُمْ ذُوقُوا عَذَابَ النَّارِ الَّذِي كُنتُم بِهِ تُكَذِّبُونَ20

Maar wat hen betreft die verdorven zijn, hun verblijfplaats is het vuur. Telkens als zij eruit wensen te gaan, worden zij erin teruggebracht en wordt tot hen gezegd: “Proeft de bestraffing van het vuur dat jullie loochenden.”

وَلَنُذِيقَنَّهُم مِّنَ الْعَذَابِ الْأَدْنَىٰ دُونَ الْعَذَابِ الْأَكْبَرِ لَعَلَّهُمْ يَرْجِعُونَ21

Maar afgezien van de grootste bestraffing zullen Wij hun ook nog van de bestraffing in het tegenwoordige leven laten proeven; misschien zullen zij terugkeren.

وَمَنْ أَظْلَمُ مِمَّن ذُكِّرَ بِآيَاتِ رَبِّهِ ثُمَّ أَعْرَضَ عَنْهَا ۚ إِنَّا مِنَ الْمُجْرِمِينَ مُنتَقِمُونَ22

En wie is er zondiger dan hij die met de tekenen van zijn Heer vermaand is en er zich dan van afwendt? Wij nemen wraak op de boosdoeners.

وَلَقَدْ آتَيْنَا مُوسَى الْكِتَابَ فَلَا تَكُن فِي مِرْيَةٍ مِّن لِّقَائِهِ ۖ وَجَعَلْنَاهُ هُدًى لِّبَنِي إِسْرَائِيلَ23

En Wij hebben Moesa het boek gegeven. Verkeer dus niet in twijfel over zijn ontmoeting [ermee]. En Wij hebben het tot een leidraad voor de Israëlieten gemaakt.

وَجَعَلْنَا مِنْهُمْ أَئِمَّةً يَهْدُونَ بِأَمْرِنَا لَمَّا صَبَرُوا ۖ وَكَانُوا بِآيَاتِنَا يُوقِنُونَ24

En Wij hebben sommigen van hen tot voorgangers gemaakt die volgens Ons bevel de goede richting wezen toen zij geduldig volhardden en van Onze tekenen vast overtuigd waren.

إِنَّ رَبَّكَ هُوَ يَفْصِلُ بَيْنَهُمْ يَوْمَ الْقِيَامَةِ فِيمَا كَانُوا فِيهِ يَخْتَلِفُونَ25

Jouw Heer zal dus op de opstandingsdag scheiding tussen hen aanbrengen wegens dat waarover zij het oneens waren.

أَوَلَمْ يَهْدِ لَهُمْ كَمْ أَهْلَكْنَا مِن قَبْلِهِم مِّنَ الْقُرُونِ يَمْشُونَ فِي مَسَاكِنِهِمْ ۚ إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَاتٍ ۖ أَفَلَا يَسْمَعُونَ26

Is het hun dan niet duidelijk hoeveel generaties Wij al vóór hun tijd vernietigd hebben, hoewel zij in hun woningen rondwandelen? Daarin zijn tekenen. Horen zij dan niet?

أَوَلَمْ يَرَوْا أَنَّا نَسُوقُ الْمَاءَ إِلَى الْأَرْضِ الْجُرُزِ فَنُخْرِجُ بِهِ زَرْعًا تَأْكُلُ مِنْهُ أَنْعَامُهُمْ وَأَنفُسُهُمْ ۖ أَفَلَا يُبْصِرُونَ27

Hebben zij dan niet gezien dat Wij het water naar de kale aarde drijven en er dan landbouwgewassen mee voortbrengen waarvan hun vee en zijzelf eten? Hebben zij dan geen inzicht?

وَيَقُولُونَ مَتَىٰ هَٰذَا الْفَتْحُ إِن كُنتُمْ صَادِقِينَ28

En zij zeggen: “Wanneer zal dat succes zich voordoen als jullie gelijk hebben?”

قُلْ يَوْمَ الْفَتْحِ لَا يَنفَعُ الَّذِينَ كَفَرُوا إِيمَانُهُمْ وَلَا هُمْ يُنظَرُونَ29

Zeg: “Op de dag van het succes hebben zij die ongelovig zijn geen nut van hun geloof en krijgen zij geen uitstel.”

فَأَعْرِضْ عَنْهُمْ وَانتَظِرْ إِنَّهُم مُّنتَظِرُونَ30

Wend je dus van hen af en wacht af. Zij wachten ook af.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here