Soera 3 – Ali-Imran – Imrans Mensen – آل عمران

bismillah ir rahman ir rahim

الم 1

Alif-Laam-Miem.

اللَّهُ لَا إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ الْحَيُّ الْقَيُّومُ 2

Allah, er is geen god dan Hij, de Levende, de Onderhouder.

نَزَّلَ عَلَيْكَ الْكِتَابَ بِالْحَقِّ مُصَدِّقًا لِّمَا بَيْنَ يَدَيْهِ وَأَنزَلَ التَّوْرَاةَ وَالْإِنجِيلَ 3

Hij heeft aan jou (o Mohammed) het Boek neergezonden met de Waarheid, ter bevestiging van datgene wat daarvóór was (geopenbaard). En Hij zond de Thora en het Evangelie neer.

مِن قَبْلُ هُدًى لِّلنَّاسِ وَأَنزَلَ الْفُرْقَانَ ۗ إِنَّ الَّذِينَ كَفَرُوا بِآيَاتِ اللَّهِ لَهُمْ عَذَابٌ شَدِيدٌ ۗ وَاللَّهُ عَزِيزٌ ذُو انتِقَامٍ 4

Voorheen, als Leiding voor de mensen. En Hij zond de Onderscheider neer. Waarlijk, degenen die niet geloven in de Tekenen van Allah, voor hen is er een harde Bestraffing. En Allah is Almachtig, de Bezitter van Vergelding.

إِنَّ اللَّهَ لَا يَخْفَىٰ عَلَيْهِ شَيْءٌ فِي الْأَرْضِ وَلَا فِي السَّمَاءِ 5

Waarlijk, voor Allah is niets op de aarde of in de hemel verborgen.

هُوَ الَّذِي يُصَوِّرُكُمْ فِي الْأَرْحَامِ كَيْفَ يَشَاءُ ۚ لَا إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ الْعَزِيزُ الْحَكِيمُ 6

Hij is Degene Die jullie vormt in de baarmoeders, zoals Hij wil. Er is geen god dan Hij, de Almachtige, de Alwijze.

هُوَ الَّذِي أَنزَلَ عَلَيْكَ الْكِتَابَ مِنْهُ آيَاتٌ مُّحْكَمَاتٌ هُنَّ أُمُّ الْكِتَابِ وَأُخَرُ مُتَشَابِهَاتٌ ۖ فَأَمَّا الَّذِينَ فِي قُلُوبِهِمْ زَيْغٌ فَيَتَّبِعُونَ مَا تَشَابَهَ مِنْهُ ابْتِغَاءَ الْفِتْنَةِ وَابْتِغَاءَ تَأْوِيلِهِ ۗ وَمَا يَعْلَمُ تَأْوِيلَهُ إِلَّا اللَّهُ ۗ وَالرَّاسِخُونَ فِي الْعِلْمِ يَقُولُونَ آمَنَّا بِهِ كُلٌّ مِّنْ عِندِ رَبِّنَا ۗ وَمَا يَذَّكَّرُ إِلَّا أُولُو الْأَلْبَابِ 7

Hij is Degene Die het Boek aan jou (o Mohammed) heeft neergezonden. Daarin staan Verzen die eenduidig zijn en die (tevens) de basis van het Boek zijn. En (daarin staan) andere (Verzen) die meerduidig zijn. Wat betreft degenen met een afwijking in hun harten: zij volgen daarvan datgene wat meerduidig is, strevende naar verwarring (bij de mensen) en strevende naar verdraaiing (van de betekenissen). Maar niemand kent de ware betekenis ervan, behalve Allah. En degenen die verankerd zijn in kennis zeggen: “Wij geloven erin. Het geheel is (tot ons gekomen) van onze Heer.” En het zijn slechts de bezitters van verstand die er lering uit trekken.

رَبَّنَا لَا تُزِغْ قُلُوبَنَا بَعْدَ إِذْ هَدَيْتَنَا وَهَبْ لَنَا مِن لَّدُنكَ رَحْمَةً ۚ إِنَّكَ أَنتَ الْوَهَّابُ 8

(Zij zeggen:) “Onze Heer, laat onze harten niet afwijken (van de Waarheid) nadat U ons heeft geleid, en schenk ons van Uw Zijde Genade. Waarlijk, U bent de Schenker.

رَبَّنَا إِنَّكَ جَامِعُ النَّاسِ لِيَوْمٍ لَّا رَيْبَ فِيهِ ۚ إِنَّ اللَّهَ لَا يُخْلِفُ الْمِيعَادَ 9

Onze Heer, waarlijk, U bent Degene Die de mensen verzamelt op de Dag waarover geen twijfel bestaat. Waarlijk, Allah verbreekt de Belofte niet.”

إِنَّ الَّذِينَ كَفَرُوا لَن تُغْنِيَ عَنْهُمْ أَمْوَالُهُمْ وَلَا أَوْلَادُهُم مِّنَ اللَّهِ شَيْئًا ۖ وَأُولَٰئِكَ هُمْ وَقُودُ النَّارِ 10

Waarlijk, degenen die niet geloven ondervinden bij Allah geen enkele baat van hun bezittingen, noch van hun kinderen. En zij zullen als brandstof dienen voor het Vuur.

كَدَأْبِ آلِ فِرْعَوْنَ وَالَّذِينَ مِن قَبْلِهِمْ ۚ كَذَّبُوا بِآيَاتِنَا فَأَخَذَهُمُ اللَّهُ بِذُنُوبِهِمْ ۗ وَاللَّهُ شَدِيدُ الْعِقَابِ 11

Evenals de handelwijze van de volgelingen van de farao, en van degenen vóór hen. Zij verloochenden Onze Tekenen, dus greep Allah hen vanwege hun zonden. En Allah is Hard in de bestraffing.

قُل لِّلَّذِينَ كَفَرُوا سَتُغْلَبُونَ وَتُحْشَرُونَ إِلَىٰ جَهَنَّمَ ۚ وَبِئْسَ الْمِهَادُ 12

Zeg (o Mohammed) tegen degenen die niet geloven: “Jullie zullen worden overwonnen en verzameld worden naar de Hel, en dit is de slechtste Verblijfplaats.”

قَدْ كَانَ لَكُمْ آيَةٌ فِي فِئَتَيْنِ الْتَقَتَا ۖ فِئَةٌ تُقَاتِلُ فِي سَبِيلِ اللَّهِ وَأُخْرَىٰ كَافِرَةٌ يَرَوْنَهُم مِّثْلَيْهِمْ رَأْيَ الْعَيْنِ ۚ وَاللَّهُ يُؤَيِّدُ بِنَصْرِهِ مَن يَشَاءُ ۗ إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَعِبْرَةً لِّأُولِي الْأَبْصَارِ 13

Voorzeker, er is reeds een teken tot jullie gekomen in de twee groepen die elkaar troffen. De ene groep streed op de Weg van Allah, en de andere (groep) was ongelovig. Zij (de gelovigen) zagen hen (de ongelovigen) met hun eigen ogen dubbel in aantal (terwijl de ongelovigen in werkelijkheid met drie keer zoveel waren). En Allah steunt met Zijn Overwinning wie Hij wil. Voorwaar, daarin bevindt zich zeker een lering voor de bezitters van inzicht.

زُيِّنَ لِلنَّاسِ حُبُّ الشَّهَوَاتِ مِنَ النِّسَاءِ وَالْبَنِينَ وَالْقَنَاطِيرِ الْمُقَنطَرَةِ مِنَ الذَّهَبِ وَالْفِضَّةِ وَالْخَيْلِ الْمُسَوَّمَةِ وَالْأَنْعَامِ وَالْحَرْثِ ۗ ذَٰلِكَ مَتَاعُ الْحَيَاةِ الدُّنْيَا ۖ وَاللَّهُ عِندَهُ حُسْنُ الْمَآبِ 14

Voor de mensen is de liefde voor begeerlijke zaken schoonschijnend gemaakt, waaronder de vrouwen, kinderen, grote hoeveelheden goud en zilver, sierlijke paarden, vee en akker. Dat is de genieting van het wereldse leven en bij Allah is de beste Terugkeer.

قُلْ أَؤُنَبِّئُكُم بِخَيْرٍ مِّن ذَٰلِكُمْ ۚ لِلَّذِينَ اتَّقَوْا عِندَ رَبِّهِمْ جَنَّاتٌ تَجْرِي مِن تَحْتِهَا الْأَنْهَارُ خَالِدِينَ فِيهَا وَأَزْوَاجٌ مُّطَهَّرَةٌ وَرِضْوَانٌ مِّنَ اللَّهِ ۗ وَاللَّهُ بَصِيرٌ بِالْعِبَادِ 15

Zeg (o Mohammed): “Zal ik jullie berichten over datgene wat beter is dan dat? Voor degenen die (Allah) vrezen zijn er Tuinen bij hun Heer, waaronder rivieren stromen. Voor eeuwig (vertoeven zij) daarin en (voor hen zijn daarin) gereinigde echtgenotes en het Welbehagen van Allah. En Allah is Alziend over de dienaren.”

الَّذِينَ يَقُولُونَ رَبَّنَا إِنَّنَا آمَنَّا فَاغْفِرْ لَنَا ذُنُوبَنَا وَقِنَا عَذَابَ النَّارِ 16

Degenen die zeggen: “Onze Heer, waarlijk, wij hebben geloofd, dus vergeef ons onze zonden en red ons van de bestraffing van het Vuur.”

الصَّابِرِينَ وَالصَّادِقِينَ وَالْقَانِتِينَ وَالْمُنفِقِينَ وَالْمُسْتَغْفِرِينَ بِالْأَسْحَارِ 17

(Zij zijn) de geduldigen, de waarachtigen, degenen die gehoorzamen, de uitgevers en degenen die om vergeving vragen in het laatste deel van de nacht.

شَهِدَ اللَّهُ أَنَّهُ لَا إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ وَالْمَلَائِكَةُ وَأُولُو الْعِلْمِ قَائِمًا بِالْقِسْطِ ۚ لَا إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ الْعَزِيزُ الْحَكِيمُ 18

Allah getuigt dat er geen god is dan Hij en (ook) de Engelen en de bezitters van kennis (getuigen hiervan). Hij onderhoudt met rechtvaardigheid. Er is geen god dan Hij, de Almachtige, de Alwijze.

إِنَّ الدِّينَ عِندَ اللَّهِ الْإِسْلَامُ ۗ وَمَا اخْتَلَفَ الَّذِينَ أُوتُوا الْكِتَابَ إِلَّا مِن بَعْدِ مَا جَاءَهُمُ الْعِلْمُ بَغْيًا بَيْنَهُمْ ۗ وَمَن يَكْفُرْ بِآيَاتِ اللَّهِ فَإِنَّ اللَّهَ سَرِيعُ الْحِسَابِ 19

Waarlijk, de godsdienst bij Allah is de Islam. En degenen aan wie het Boek was gegeven, verschilden hier niet over (van mening), totdat de kennis tot hen kwam. (Dit) uit onderlinge afgunst. En wie de Tekenen van Allah verloochent; waarlijk, Allah is Snel in de Verrekening.

فَإِنْ حَاجُّوكَ فَقُلْ أَسْلَمْتُ وَجْهِيَ لِلَّهِ وَمَنِ اتَّبَعَنِ ۗ وَقُل لِّلَّذِينَ أُوتُوا الْكِتَابَ وَالْأُمِّيِّينَ أَأَسْلَمْتُمْ ۚ فَإِنْ أَسْلَمُوا فَقَدِ اهْتَدَوا ۖ وَّإِن تَوَلَّوْا فَإِنَّمَا عَلَيْكَ الْبَلَاغُ ۗ وَاللَّهُ بَصِيرٌ بِالْعِبَادِ 20

En wanneer zij met jou (o Mohammed) redetwisten, zeg dan: “Ik heb mijn gezicht overgegeven (d.w.z. ik heb mij zuiver toegewijd) aan Allah, evenals degenen die mij volgen.’’ En zeg tegen degenen aan wie het Boek is gegeven en tegen de analfabeten: “Geven jullie je over (aan Allah)?’’ En als zij zich overgeven, dan zijn zij zeker geleid. En als zij zich afwenden, dan rust op jou slechts (de plicht tot) de verkondiging. En Allah is Alziend over de dienaren.

إِنَّ الَّذِينَ يَكْفُرُونَ بِآيَاتِ اللَّهِ وَيَقْتُلُونَ النَّبِيِّينَ بِغَيْرِ حَقٍّ وَيَقْتُلُونَ الَّذِينَ يَأْمُرُونَ بِالْقِسْطِ مِنَ النَّاسِ فَبَشِّرْهُم بِعَذَابٍ أَلِيمٍ 21

Voorwaar, degenen die de Tekenen van Allah verloochenen en de Profeten onrechtmatig doden, en (ook) degenen doden die de mensen rechtvaardigheid bevelen, kondig hun een pijnlijke Bestraffing aan.

أُولَٰئِكَ الَّذِينَ حَبِطَتْ أَعْمَالُهُمْ فِي الدُّنْيَا وَالْآخِرَةِ وَمَا لَهُم مِّن نَّاصِرِينَ 22

Zij zijn degenen van wie de daden in deze wereld en in het Hiernamaals verloren zullen gaan en zij zullen geen helpers hebben.

أَلَمْ تَرَ إِلَى الَّذِينَ أُوتُوا نَصِيبًا مِّنَ الْكِتَابِ يُدْعَوْنَ إِلَىٰ كِتَابِ اللَّهِ لِيَحْكُمَ بَيْنَهُمْ ثُمَّ يَتَوَلَّىٰ فَرِيقٌ مِّنْهُمْ وَهُم مُّعْرِضُونَ 23

Heb jij degenen niet gezien aan wie een deel van het Boek is gegeven? Zij worden uitgenodigd naar het Boek van Allah, om tussen hen te oordelen. Vervolgens wendt een groep van hen zich af, in staat van afkeer.

ذَٰلِكَ بِأَنَّهُمْ قَالُوا لَن تَمَسَّنَا النَّارُ إِلَّا أَيَّامًا مَّعْدُودَاتٍ ۖ وَغَرَّهُمْ فِي دِينِهِم مَّا كَانُوا يَفْتَرُونَ 24

Dit is omdat zij zeggen: “Het Vuur zal ons niet aanraken, behalve voor een beperkt aantal dagen.” En zij zijn misleid in hun godsdienst door wat zij verzonnen.

فَكَيْفَ إِذَا جَمَعْنَاهُمْ لِيَوْمٍ لَّا رَيْبَ فِيهِ وَوُفِّيَتْ كُلُّ نَفْسٍ مَّا كَسَبَتْ وَهُمْ لَا يُظْلَمُونَ 25

Hoe zal het zijn wanneer Wij hen verzamelen op de Dag waarover geen twijfel bestaat, en iedere ziel zal volledig beloond worden voor dat wat zij heeft verworven? En er zal hun geen onrecht worden aangedaan.

قُلِ اللَّهُمَّ مَالِكَ الْمُلْكِ تُؤْتِي الْمُلْكَ مَن تَشَاءُ وَتَنزِعُ الْمُلْكَ مِمَّن تَشَاءُ وَتُعِزُّ مَن تَشَاءُ وَتُذِلُّ مَن تَشَاءُ ۖ بِيَدِكَ الْخَيْرُ ۖ إِنَّكَ عَلَىٰ كُلِّ شَيْءٍ قَدِيرٌ 26

Zeg (o Mohammed): “O Allah, de Bezitter van het Koningschap, U geeft het koningschap aan wie U wilt, en U ontneemt het koningschap van wie U wilt. En U eert wie U wilt, en U vernedert wie U wilt, in Uw Hand ligt het goede. Voorwaar, U bent tot alles in staat.

تُولِجُ اللَّيْلَ فِي النَّهَارِ وَتُولِجُ النَّهَارَ فِي اللَّيْلِ ۖ وَتُخْرِجُ الْحَيَّ مِنَ الْمَيِّتِ وَتُخْرِجُ الْمَيِّتَ مِنَ الْحَيِّ ۖ وَتَرْزُقُ مَن تَشَاءُ بِغَيْرِ حِسَابٍ 27

U doet de nacht overgaan in de dag, en U doet de dag overgaan in de nacht en U brengt de levende voort uit de dode en U brengt de dode voort uit de levende, en U voorziet wie U wilt zonder enige beperking.”

لَّا يَتَّخِذِ الْمُؤْمِنُونَ الْكَافِرِينَ أَوْلِيَاءَ مِن دُونِ الْمُؤْمِنِينَ ۖ وَمَن يَفْعَلْ ذَٰلِكَ فَلَيْسَ مِنَ اللَّهِ فِي شَيْءٍ إِلَّا أَن تَتَّقُوا مِنْهُمْ تُقَاةً ۗ وَيُحَذِّرُكُمُ اللَّهُ نَفْسَهُ ۗ وَإِلَى اللَّهِ الْمَصِيرُ 28

Laat de gelovigen de ongelovigen niet als Awliyaa’ nemen in plaats van de gelovigen. En degene die dat doet, heeft niets van doen met Allah, behalve wanneer jullie hen (d.w.z. de ongelovigen) ernstig vrezen. En Allah waarschuwt jullie voor Zichzelf, en tot Allah is de Terugkeer.

قُلْ إِن تُخْفُوا مَا فِي صُدُورِكُمْ أَوْ تُبْدُوهُ يَعْلَمْهُ اللَّهُ ۗ وَيَعْلَمُ مَا فِي السَّمَاوَاتِ وَمَا فِي الْأَرْضِ ۗ وَاللَّهُ عَلَىٰ كُلِّ شَيْءٍ قَدِيرٌ 29

Zeg (o Mohammed): “(Ongeacht) of jullie verbergen wat zich in jullie borsten bevindt of het (juist) tonen, Allah weet ervan. En Hij is op de hoogte van datgene wat zich in de hemelen en datgene wat zich op de aarde bevindt. En Allah is tot alles in staat.”

يَوْمَ تَجِدُ كُلُّ نَفْسٍ مَّا عَمِلَتْ مِنْ خَيْرٍ مُّحْضَرًا وَمَا عَمِلَتْ مِن سُوءٍ تَوَدُّ لَوْ أَنَّ بَيْنَهَا وَبَيْنَهُ أَمَدًا بَعِيدًا ۗ وَيُحَذِّرُكُمُ اللَّهُ نَفْسَهُ ۗ وَاللَّهُ رَءُوفٌ بِالْعِبَادِ 30

Op de Dag waarop iedere ziel zal aantreffen wat zij aan goeds heeft gedaan. En wat zij aan slechts heeft gedaan, daarvan wenst zij dat er tussen haar en deze (d.w.z. de slechte daden) een grote afstand zal zijn. En Allah waarschuwt jullie voor Zichzelf en Allah is Meest Zachtaardig voor de dienaren.

قُلْ إِن كُنتُمْ تُحِبُّونَ اللَّهَ فَاتَّبِعُونِي يُحْبِبْكُمُ اللَّهُ وَيَغْفِرْ لَكُمْ ذُنُوبَكُمْ ۗ وَاللَّهُ غَفُورٌ رَّحِيمٌ 31

Zeg (o Mohammed): “Als jullie (werkelijk) van Allah houden, volg mij dan; Allah zal (dan) van jullie houden en jullie zonden vergeven. En Allah is Meest Vergevingsgezind, Meest Genadevol.”

قُلْ أَطِيعُوا اللَّهَ وَالرَّسُولَ ۖ فَإِن تَوَلَّوْا فَإِنَّ اللَّهَ لَا يُحِبُّ الْكَافِرِينَ 32

Zeg (o Mohammed): “Gehoorzaam Allah en de Boodschapper”, maar als zij zich afwenden, waarlijk, Allah houdt niet van de ongelovigen.

إِنَّ اللَّهَ اصْطَفَىٰ آدَمَ وَنُوحًا وَآلَ إِبْرَاهِيمَ وَآلَ عِمْرَانَ عَلَى الْعَالَمِينَ 33

Waarlijk, Allah verkoos Adam, Noeh (Noach), de familie van Ibraahiem en de familie van cImraan boven de wereldbewoners.

ذُرِّيَّةً بَعْضُهَا مِن بَعْضٍ ۗ وَاللَّهُ سَمِيعٌ عَلِيمٌ 34

(Zij zijn) nakomelingen; de één (komt voort) uit de ander, en Allah is Alhorend, Alwetend.

إِذْ قَالَتِ امْرَأَتُ عِمْرَانَ رَبِّ إِنِّي نَذَرْتُ لَكَ مَا فِي بَطْنِي مُحَرَّرًا فَتَقَبَّلْ مِنِّي ۖ إِنَّكَ أَنتَ السَّمِيعُ الْعَلِيمُ 35

(Gedenk) toen de vrouw van cImraan zei: “O mijn Heer, voorwaar, ik draag datgene wat ik in mijn buik heb aan U op om U te dienen. Aanvaard dit dan van mij. Voorwaar, U bent de Alhorende, de Alwetende.”

فَلَمَّا وَضَعَتْهَا قَالَتْ رَبِّ إِنِّي وَضَعْتُهَا أُنثَىٰ وَاللَّهُ أَعْلَمُ بِمَا وَضَعَتْ وَلَيْسَ الذَّكَرُ كَالْأُنثَىٰ ۖ وَإِنِّي سَمَّيْتُهَا مَرْيَمَ وَإِنِّي أُعِيذُهَا بِكَ وَذُرِّيَّتَهَا مِنَ الشَّيْطَانِ الرَّجِيمِ 36

Toen zij geboorte gaf aan haar, zei zij: “O mijn Heer, voorwaar, ik heb een meisje gebaard”, en Allah is beter op de hoogte van wat zij heeft gebaard. “En de man is niet hetzelfde als de vrouw. En voorwaar, ik heb haar Maryam genoemd, en voorwaar, ik zoek toevlucht bij U voor haar en haar nakomelingen tegen de verdreven satan.”

فَتَقَبَّلَهَا رَبُّهَا بِقَبُولٍ حَسَنٍ وَأَنبَتَهَا نَبَاتًا حَسَنًا وَكَفَّلَهَا زَكَرِيَّا ۖ كُلَّمَا دَخَلَ عَلَيْهَا زَكَرِيَّا الْمِحْرَابَ وَجَدَ عِندَهَا رِزْقًا ۖ قَالَ يَا مَرْيَمُ أَنَّىٰ لَكِ هَٰذَا ۖ قَالَتْ هُوَ مِنْ عِندِ اللَّهِ ۖ إِنَّ اللَّهَ يَرْزُقُ مَن يَشَاءُ بِغَيْرِ حِسَابٍ 37

Zo aanvaardde haar Heer haar met de goede aanvaarding. Hij liet haar vervolgens op een goede wijze opgroeien en bracht haar onder de hoede van Zakariyyaa (Zacharias). Telkens wanneer Zakariyyaa bij haar (in) de gebedsplaats binnentrad, trof hij levensonderhoud bij haar aan. Hij zei: “O Maryam, waar heb jij dit vandaan?” Zij zei: “Het is afkomstig van Allah. Waarlijk, Allah voorziet wie Hij wil zonder beperking.”

هُنَالِكَ دَعَا زَكَرِيَّا رَبَّهُ ۖ قَالَ رَبِّ هَبْ لِي مِن لَّدُنكَ ذُرِّيَّةً طَيِّبَةً ۖ إِنَّكَ سَمِيعُ الدُّعَاءِ 38

Op dat moment riep Zakariyyaa zijn Heer aan, hij zei: “Mijn Heer, schenk mij van Uw Zijde een goed nageslacht. Waarlijk, U bent Degene Die de smeekbede verhoort.’’

فَنَادَتْهُ الْمَلَائِكَةُ وَهُوَ قَائِمٌ يُصَلِّي فِي الْمِحْرَابِ أَنَّ اللَّهَ يُبَشِّرُكَ بِيَحْيَىٰ مُصَدِّقًا بِكَلِمَةٍ مِّنَ اللَّهِ وَسَيِّدًا وَحَصُورًا وَنَبِيًّا مِّنَ الصَّالِحِينَ 39

Toen riepen de Engelen hem, terwijl hij in de gebedsplaats stond te bidden: “Waarlijk, Allah verblijdt jou met Yahya (Johannes), (die) gelooft in het Woord van Allah (d.w.z. in cIesa), en (die) nobel is, zich onthoudt (van gemeenschap met vrouwen) en een Profeet is die tot de rechtschapenen behoort.”

قَالَ رَبِّ أَنَّىٰ يَكُونُ لِي غُلَامٌ وَقَدْ بَلَغَنِيَ الْكِبَرُ وَامْرَأَتِي عَاقِرٌ ۖ قَالَ كَذَٰلِكَ اللَّهُ يَفْعَلُ مَا يَشَاءُ 40

Hij (Zakariyyaa) zei: “O mijn Heer, hoe kan ik een zoon krijgen, terwijl ik zeker op leeftijd ben en mijn vrouw onvruchtbaar is?” Hij (Allah) zei: “Zo doet Allah wat Hij wil.’’

قَالَ رَبِّ اجْعَل لِّي آيَةً ۖ قَالَ آيَتُكَ أَلَّا تُكَلِّمَ النَّاسَ ثَلَاثَةَ أَيَّامٍ إِلَّا رَمْزًا ۗ وَاذْكُر رَّبَّكَ كَثِيرًا وَسَبِّحْ بِالْعَشِيِّ وَالْإِبْكَارِ 41

Hij zei (vervolgens): “O mijn Heer, geef mij een teken.” Hij (Allah) zei: “Jouw teken is dat jij voor (de duur van) drie dagen niet zult praten met de mensen, behalve door middel van gebaren. En gedenk jouw Heer veelvuldig en verheerlijk Hem in de avond en de ochtend.”

وَإِذْ قَالَتِ الْمَلَائِكَةُ يَا مَرْيَمُ إِنَّ اللَّهَ اصْطَفَاكِ وَطَهَّرَكِ وَاصْطَفَاكِ عَلَىٰ نِسَاءِ الْعَالَمِينَ 42

En (gedenk) toen de Engelen zeiden: “O Maryam, voorwaar, Allah heeft jou bevoorrecht, jou gereinigd en jou verkozen boven de vrouwen van de werelden.

يَا مَرْيَمُ اقْنُتِي لِرَبِّكِ وَاسْجُدِي وَارْكَعِي مَعَ الرَّاكِعِينَ 43

O Maryam, gehoorzaam jouw Heer en kniel neer en buig met degenen die buigen.”

ذَٰلِكَ مِنْ أَنبَاءِ الْغَيْبِ نُوحِيهِ إِلَيْكَ ۚ وَمَا كُنتَ لَدَيْهِمْ إِذْ يُلْقُونَ أَقْلَامَهُمْ أَيُّهُمْ يَكْفُلُ مَرْيَمَ وَمَا كُنتَ لَدَيْهِمْ إِذْ يَخْتَصِمُونَ 44

Dit behoort tot de berichten van het onwaarneembare die Wij aan jou (o Mohammed) openbaren. En jij was niet met hen toen zij hun pennen wierpen (om te verloten en) om (zo) te bepalen wie de zorg voor Maryam op zich zou nemen. En jij was niet met hen toen zij (hierover) redetwistten.

إِذْ قَالَتِ الْمَلَائِكَةُ يَا مَرْيَمُ إِنَّ اللَّهَ يُبَشِّرُكِ بِكَلِمَةٍ مِّنْهُ اسْمُهُ الْمَسِيحُ عِيسَى ابْنُ مَرْيَمَ وَجِيهًا فِي الدُّنْيَا وَالْآخِرَةِ وَمِنَ الْمُقَرَّبِينَ 45

(Gedenk) toen de Engelen zeiden: “O Maryam, waarlijk, Allah verblijdt jou met een Woord (afkomstig) van Hem, genaamd de Messias cIesa, de zoon van Maryam. En hij zal in de wereld en in het Hiernamaals geëerd zijn en hij behoort tot degenen die dicht bij (Allah) staan.

وَيُكَلِّمُ النَّاسَ فِي الْمَهْدِ وَكَهْلًا وَمِنَ الصَّالِحِينَ 46

En hij spreekt tot de mensen vanuit zijn wieg en op een oude leeftijd, en hij behoort tot de rechtschapenen.”

قَالَتْ رَبِّ أَنَّىٰ يَكُونُ لِي وَلَدٌ وَلَمْ يَمْسَسْنِي بَشَرٌ ۖ قَالَ كَذَٰلِكِ اللَّهُ يَخْلُقُ مَا يَشَاءُ ۚ إِذَا قَضَىٰ أَمْرًا فَإِنَّمَا يَقُولُ لَهُ كُن فَيَكُونُ 47

Zij zei: “Mijn Heer, hoe kan ik een kind krijgen terwijl ik niet aangeraakt ben door een mens?” Hij zei: “Zo zal het zijn, Allah schept wat Hij wil. Wanneer Hij een zaak heeft bepaald, zegt Hij er slechts tegen: “Wees”, en het is.”

وَيُعَلِّمُهُ الْكِتَابَ وَالْحِكْمَةَ وَالتَّوْرَاةَ وَالْإِنجِيلَ 48

En Hij (Allah) onderwijst hem (cIesa) het Boek, de Wijsheid, de Thora en het Evangelie.

وَرَسُولًا إِلَىٰ بَنِي إِسْرَائِيلَ أَنِّي قَدْ جِئْتُكُم بِآيَةٍ مِّن رَّبِّكُمْ ۖ أَنِّي أَخْلُقُ لَكُم مِّنَ الطِّينِ كَهَيْئَةِ الطَّيْرِ فَأَنفُخُ فِيهِ فَيَكُونُ طَيْرًا بِإِذْنِ اللَّهِ ۖ وَأُبْرِئُ الْأَكْمَهَ وَالْأَبْرَصَ وَأُحْيِي الْمَوْتَىٰ بِإِذْنِ اللَّهِ ۖ وَأُنَبِّئُكُم بِمَا تَأْكُلُونَ وَمَا تَدَّخِرُونَ فِي بُيُوتِكُمْ ۚ إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَةً لَّكُمْ إِن كُنتُم مُّؤْمِنِينَ 49

En (hij is) als Boodschapper (gestuurd) naar de kinderen van Israël (zeggende): “Waarlijk, ik ben zeker tot jullie gekomen met een teken van jullie Heer, ik maak voor jullie uit klei iets dat op een vogel lijkt. Vervolgens blaas ik erin, waarna met de Toestemming van Allah een (echte) vogel ontstaat. En ik genees de blinden en degenen die lijden aan vitiligo, en ik breng de doden tot leven met de Toestemming van Allah. En ik bericht jullie over wat jullie eten en wat jullie opbergen in jullie huizen. Voorwaar, daarin bevindt zich zeker een teken voor jullie, als jullie gelovigen zijn.

وَمُصَدِّقًا لِّمَا بَيْنَ يَدَيَّ مِنَ التَّوْرَاةِ وَلِأُحِلَّ لَكُم بَعْضَ الَّذِي حُرِّمَ عَلَيْكُمْ ۚ وَجِئْتُكُم بِآيَةٍ مِّن رَّبِّكُمْ فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطِيعُونِ 50

En (ik ben gekomen) ter bevestiging van datgene wat er vóór mij was (geopenbaard) van de Thora, en opdat ik voor jullie sommige zaken toesta die (voorheen) voor jullie verboden waren. En ik ben tot jullie gekomen met een teken van jullie Heer, vrees daarom Allah en gehoorzaam mij.

إِنَّ اللَّهَ رَبِّي وَرَبُّكُمْ فَاعْبُدُوهُ ۗ هَٰذَا صِرَاطٌ مُّسْتَقِيمٌ 51

Waarlijk, Allah is mijn Heer en jullie Heer, dus aanbid Hem, dit is een recht Pad.”

فَلَمَّا أَحَسَّ عِيسَىٰ مِنْهُمُ الْكُفْرَ قَالَ مَنْ أَنصَارِي إِلَى اللَّهِ ۖ قَالَ الْحَوَارِيُّونَ نَحْنُ أَنصَارُ اللَّهِ آمَنَّا بِاللَّهِ وَاشْهَدْ بِأَنَّا مُسْلِمُونَ 52

Toen cIesa ongeloof bij hen opmerkte, zei hij: “Wie zijn mijn helpers in (de Zaak van) Allah?” De Hawaariyyoen (d.w.z. zijn discipelen) zeiden: “Wij zijn de Helpers van Allah, wij geloven in Allah en getuig (o cIesa) dat wij waarlijk moslims zijn.

رَبَّنَا آمَنَّا بِمَا أَنزَلْتَ وَاتَّبَعْنَا الرَّسُولَ فَاكْتُبْنَا مَعَ الشَّاهِدِينَ 53

Onze Heer, wij geloven in wat U heeft neergezonden, en wij volgen de Boodschapper, dus voeg onze namen toe aan de getuigen.”

وَمَكَرُوا وَمَكَرَ اللَّهُ ۖ وَاللَّهُ خَيْرُ الْمَاكِرِينَ 54

En zij beraamden listen en Allah maakte plannen. En Allah is de Beste in het maken van plannen.

إِذْ قَالَ اللَّهُ يَا عِيسَىٰ إِنِّي مُتَوَفِّيكَ وَرَافِعُكَ إِلَيَّ وَمُطَهِّرُكَ مِنَ الَّذِينَ كَفَرُوا وَجَاعِلُ الَّذِينَ اتَّبَعُوكَ فَوْقَ الَّذِينَ كَفَرُوا إِلَىٰ يَوْمِ الْقِيَامَةِ ۖ ثُمَّ إِلَيَّ مَرْجِعُكُمْ فَأَحْكُمُ بَيْنَكُمْ فِيمَا كُنتُمْ فِيهِ تَخْتَلِفُونَ 55

En (gedenk) toen Allah zei: “O cIesa, waarlijk, Ik zal jou weghalen (van de aarde), jou naar Mij doen opstijgen en jou reinigen van degenen die niet geloven. En Ik zal degenen die jou volgen plaatsen boven degenen die niet geloven, tot aan de Dag der Opstanding. Daarna zullen jullie tot Mij terugkeren en dan zal Ik tussen jullie oordelen over datgene waarover jullie (van mening) verschilden.

فَأَمَّا الَّذِينَ كَفَرُوا فَأُعَذِّبُهُمْ عَذَابًا شَدِيدًا فِي الدُّنْيَا وَالْآخِرَةِ وَمَا لَهُم مِّن نَّاصِرِينَ 56

En wat betreft degenen die niet geloven: Ik zal hen in de wereld en in het Hiernamaals met een harde bestraffing straffen, en zij zullen geen helpers hebben.

وَأَمَّا الَّذِينَ آمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ فَيُوَفِّيهِمْ أُجُورَهُمْ ۗ وَاللَّهُ لَا يُحِبُّ الظَّالِمِينَ 57

En wat betreft degenen die geloven en goede daden verrichten, Hij (Allah) zal hen (hiervoor) volledig belonen. En Allah houdt niet van de onrechtplegers.”

ذَٰلِكَ نَتْلُوهُ عَلَيْكَ مِنَ الْآيَاتِ وَالذِّكْرِ الْحَكِيمِ 58

Dit is wat Wij aan jou voordragen van de Verzen en de wijze Vermaning.

إِنَّ مَثَلَ عِيسَىٰ عِندَ اللَّهِ كَمَثَلِ آدَمَ ۖ خَلَقَهُ مِن تُرَابٍ ثُمَّ قَالَ لَهُ كُن فَيَكُونُ 59

Voorwaar, de gelijkenis van (de schepping van) cIesa is bij Allah net zoals de gelijkenis van (de schepping van) Adam. Hij schiep hem uit aarde en zei vervolgens tegen hem: “Wees”, en hij was (er).

الْحَقُّ مِن رَّبِّكَ فَلَا تَكُن مِّنَ الْمُمْتَرِينَ 60

(Dit is) de Waarheid van jouw Heer, dus behoor niet tot de twijfelaars.

فَمَنْ حَاجَّكَ فِيهِ مِن بَعْدِ مَا جَاءَكَ مِنَ الْعِلْمِ فَقُلْ تَعَالَوْا نَدْعُ أَبْنَاءَنَا وَأَبْنَاءَكُمْ وَنِسَاءَنَا وَنِسَاءَكُمْ وَأَنفُسَنَا وَأَنفُسَكُمْ ثُمَّ نَبْتَهِلْ فَنَجْعَل لَّعْنَتَ اللَّهِ عَلَى الْكَاذِبِينَ 61

En wie met jou (o Mohammed) redetwist over hem (cIesa) nadat de Kennis tot jou is gekomen, zeg dan: “Kom, laten wij onze kinderen en jullie kinderen, onze vrouwen en jullie vrouwen en onszelf en julliezelf (bij elkaar) roepen en elkaar verwensen en de Vloek van Allah afroepen over de leugenaars.”

إِنَّ هَٰذَا لَهُوَ الْقَصَصُ الْحَقُّ ۚ وَمَا مِنْ إِلَٰهٍ إِلَّا اللَّهُ ۚ وَإِنَّ اللَّهَ لَهُوَ الْعَزِيزُ الْحَكِيمُ 62

Voorwaar, dit is het ware verhaal (van cIesa), en er is geen god dan Allah. En voorwaar, Allah, Hij is zeker de Almachtige, de Alwijze.

فَإِن تَوَلَّوْا فَإِنَّ اللَّهَ عَلِيمٌ بِالْمُفْسِدِينَ 63

Als zij zich dan afwenden, waarlijk, Allah is Alwetend over de verderfzaaiers.

قُلْ يَا أَهْلَ الْكِتَابِ تَعَالَوْا إِلَىٰ كَلِمَةٍ سَوَاءٍ بَيْنَنَا وَبَيْنَكُمْ أَلَّا نَعْبُدَ إِلَّا اللَّهَ وَلَا نُشْرِكَ بِهِ شَيْئًا وَلَا يَتَّخِذَ بَعْضُنَا بَعْضًا أَرْبَابًا مِّن دُونِ اللَّهِ ۚ فَإِن تَوَلَّوْا فَقُولُوا اشْهَدُوا بِأَنَّا مُسْلِمُونَ 64

Zeg (o Mohammed): “O lieden van het Boek, kom tot een rechtvaardig woord tussen ons en jullie; dat wij naast Allah niemand aanbidden en dat wij niets als deelgenoot aan Hem toekennen en dat wij elkaar niet als goden (ter aanbidding) aannemen naast Allah.” Als zij zich dan afwenden, zeg dan: “Getuig dat wij waarlijk moslims zijn.”

يَا أَهْلَ الْكِتَابِ لِمَ تُحَاجُّونَ فِي إِبْرَاهِيمَ وَمَا أُنزِلَتِ التَّوْرَاةُ وَالْإِنجِيلُ إِلَّا مِن بَعْدِهِ ۚ أَفَلَا تَعْقِلُونَ 65

O lieden van het Boek, waarom redetwisten jullie over Ibraahiem, terwijl de Thora en het Evangelie pas na hem zijn neergezonden? Denken jullie dan niet na?

هَا أَنتُمْ هَٰؤُلَاءِ حَاجَجْتُمْ فِيمَا لَكُم بِهِ عِلْمٌ فَلِمَ تُحَاجُّونَ فِيمَا لَيْسَ لَكُم بِهِ عِلْمٌ ۚ وَاللَّهُ يَعْلَمُ وَأَنتُمْ لَا تَعْلَمُونَ 66

Jullie zijn degenen die redetwisten over datgene waar jullie kennis over hebben. Waarom redetwisten jullie dan over iets waar jullie geen kennis over hebben? En Allah weet, en jullie weten niet.

مَا كَانَ إِبْرَاهِيمُ يَهُودِيًّا وَلَا نَصْرَانِيًّا وَلَٰكِن كَانَ حَنِيفًا مُّسْلِمًا وَمَا كَانَ مِنَ الْمُشْرِكِينَ 67

Ibraahiem was geen jood, noch christen, maar hij was Hanief, (en) moslim. En hij behoorde niet tot de veelgodenaanbidders.

إِنَّ أَوْلَى النَّاسِ بِإِبْرَاهِيمَ لَلَّذِينَ اتَّبَعُوهُ وَهَٰذَا النَّبِيُّ وَالَّذِينَ آمَنُوا ۗ وَاللَّهُ وَلِيُّ الْمُؤْمِنِينَ 68

Waarlijk, de mensen die het dichtst bij Ibraahiem staan, zijn degenen die hem en deze Profeet volgen en degenen die geloven. En Allah is de Beschermer van de gelovigen.

وَدَّت طَّائِفَةٌ مِّنْ أَهْلِ الْكِتَابِ لَوْ يُضِلُّونَكُمْ وَمَا يُضِلُّونَ إِلَّا أَنفُسَهُمْ وَمَا يَشْعُرُونَ 69

Een groep van de lieden van het Boek wenst jullie te laten afdwalen, maar zij zullen enkel zichzelf laten afdwalen. En zij beseffen (het) niet.

يَا أَهْلَ الْكِتَابِ لِمَ تَكْفُرُونَ بِآيَاتِ اللَّهِ وَأَنتُمْ تَشْهَدُونَ 70

O lieden van het Boek, waarom verloochenen jullie de Tekenen van Allah, terwijl jullie (hiervan) getuigen?

يَا أَهْلَ الْكِتَابِ لِمَ تَلْبِسُونَ الْحَقَّ بِالْبَاطِلِ وَتَكْتُمُونَ الْحَقَّ وَأَنتُمْ تَعْلَمُونَ 71

O lieden van het Boek, waarom vermengen jullie de Waarheid met de valsheid en houden jullie de Waarheid verborgen, terwijl jullie (het) weten?

وَقَالَت طَّائِفَةٌ مِّنْ أَهْلِ الْكِتَابِ آمِنُوا بِالَّذِي أُنزِلَ عَلَى الَّذِينَ آمَنُوا وَجْهَ النَّهَارِ وَاكْفُرُوا آخِرَهُ لَعَلَّهُمْ يَرْجِعُونَ 72

En een groep onder de lieden van het Boek zei: “Geloof in datgene wat aan het begin van de dag aan degenen die geloven is neergezonden, en verloochen (het) aan het einde ervan, opdat zij zullen terugkeren.”

وَلَا تُؤْمِنُوا إِلَّا لِمَن تَبِعَ دِينَكُمْ قُلْ إِنَّ الْهُدَىٰ هُدَى اللَّهِ أَن يُؤْتَىٰ أَحَدٌ مِّثْلَ مَا أُوتِيتُمْ أَوْ يُحَاجُّوكُمْ عِندَ رَبِّكُمْ ۗ قُلْ إِنَّ الْفَضْلَ بِيَدِ اللَّهِ يُؤْتِيهِ مَن يَشَاءُ ۗ وَاللَّهُ وَاسِعٌ عَلِيمٌ 73

(Ook zeiden zij:) “En geloof niemand, behalve degenen die jullie godsdienst volgen.” Zeg (o Mohammed): “Waarlijk, de (echte) Leiding is de Leiding van Allah.” (Zij zeiden:) “(Geloof niet) dat iemand het soortgelijke (aan kennis) is gegeven als wat aan jullie is gegeven, of dat zij het als bewijs tegen jullie zullen aanvoeren bij jullie Heer.” Zeg (o Mohammed): “Waarlijk, de Gunst ligt in de Hand van Allah. Die schenkt Hij aan wie Hij wil. En Allah is Alomvattend, Alwetend.”

يَخْتَصُّ بِرَحْمَتِهِ مَن يَشَاءُ ۗ وَاللَّهُ ذُو الْفَضْلِ الْعَظِيمِ 74

Hij kiest voor Zijn Genade uit wie Hij wil en Allah is de Bezitter van de grandioze Gunst.

وَمِنْ أَهْلِ الْكِتَابِ مَنْ إِن تَأْمَنْهُ بِقِنطَارٍ يُؤَدِّهِ إِلَيْكَ وَمِنْهُم مَّنْ إِن تَأْمَنْهُ بِدِينَارٍ لَّا يُؤَدِّهِ إِلَيْكَ إِلَّا مَا دُمْتَ عَلَيْهِ قَائِمًا ۗ ذَٰلِكَ بِأَنَّهُمْ قَالُوا لَيْسَ عَلَيْنَا فِي الْأُمِّيِّينَ سَبِيلٌ وَيَقُولُونَ عَلَى اللَّهِ الْكَذِبَ وَهُمْ يَعْلَمُونَ 75

En onder de lieden van het Boek bevindt zich degene die wanneer hem een Qintaar wordt toevertrouwd, deze aan jou teruggeeft. En onder hen bevindt zich degene die wanneer hem een zilveren muntstuk wordt toevertrouwd, dit niet aan jou teruggeeft, tenzij je er voortdurend op aandringt. Dit is omdat zij zeggen: “Er treft ons geen blaam wat de analfabeten betreft (om die te bedriegen en te bestelen).” En zij vertellen leugens over Allah, terwijl zij (het) weten.

بَلَىٰ مَنْ أَوْفَىٰ بِعَهْدِهِ وَاتَّقَىٰ فَإِنَّ اللَّهَ يُحِبُّ الْمُتَّقِينَ 76

Welzeker! Wie zijn belofte nakomt en (Allah) vreest, voorwaar, Allah houdt van de godsvruchtigen.

إِنَّ الَّذِينَ يَشْتَرُونَ بِعَهْدِ اللَّهِ وَأَيْمَانِهِمْ ثَمَنًا قَلِيلًا أُولَٰئِكَ لَا خَلَاقَ لَهُمْ فِي الْآخِرَةِ وَلَا يُكَلِّمُهُمُ اللَّهُ وَلَا يَنظُرُ إِلَيْهِمْ يَوْمَ الْقِيَامَةِ وَلَا يُزَكِّيهِمْ وَلَهُمْ عَذَابٌ أَلِيمٌ 77

Voorwaar, degenen die de Belofte van Allah en hun (afgelegde) eden inruilen tegen een geringe prijs, zullen geen aandeel hebben in het Hiernamaals. En Allah zal niet tegen hen spreken, noch zal Hij naar hen kijken op de Dag der Opstanding. En Hij zal hen niet reinigen, en voor hen is er een pijnlijke Bestraffing.

وَإِنَّ مِنْهُمْ لَفَرِيقًا يَلْوُونَ أَلْسِنَتَهُم بِالْكِتَابِ لِتَحْسَبُوهُ مِنَ الْكِتَابِ وَمَا هُوَ مِنَ الْكِتَابِ وَيَقُولُونَ هُوَ مِنْ عِندِ اللَّهِ وَمَا هُوَ مِنْ عِندِ اللَّهِ وَيَقُولُونَ عَلَى اللَّهِ الْكَذِبَ وَهُمْ يَعْلَمُونَ 78

En waarlijk, onder hen is er een groep die het Boek met haar tong verdraait, opdat jullie zullen vermoeden dat het (onderdeel) van het Boek is, terwijl het niet van het Boek is. En zij zeggen: “Dit is afkomstig van Allah”, terwijl het niet van Allah is. En zij vertellen leugens over Allah, terwijl zij (het) weten.

مَا كَانَ لِبَشَرٍ أَن يُؤْتِيَهُ اللَّهُ الْكِتَابَ وَالْحُكْمَ وَالنُّبُوَّةَ ثُمَّ يَقُولَ لِلنَّاسِ كُونُوا عِبَادًا لِّي مِن دُونِ اللَّهِ وَلَٰكِن كُونُوا رَبَّانِيِّينَ بِمَا كُنتُمْ تُعَلِّمُونَ الْكِتَابَ وَبِمَا كُنتُمْ تَدْرُسُونَ 79

Het schikt een mens niet aan wie Allah het Boek, al-Hoekm en het Profeetschap heeft gegeven om vervolgens tegen de mensen te zeggen: “Wees dienaren van mij in plaats van Allah.” Integendeel (hij zou juist zeggen): “Wees opvoeders, want jullie onderwijzen en bestuderen het Boek.”

وَلَا يَأْمُرَكُمْ أَن تَتَّخِذُوا الْمَلَائِكَةَ وَالنَّبِيِّينَ أَرْبَابًا ۗ أَيَأْمُرُكُم بِالْكُفْرِ بَعْدَ إِذْ أَنتُم مُّسْلِمُونَ 80

En hij beveelt jullie niet (om) de Engelen en de Profeten als goden te nemen. Zou hij jullie ongeloof bevelen, nadat jullie moslim zijn geworden?

وَإِذْ أَخَذَ اللَّهُ مِيثَاقَ النَّبِيِّينَ لَمَا آتَيْتُكُم مِّن كِتَابٍ وَحِكْمَةٍ ثُمَّ جَاءَكُمْ رَسُولٌ مُّصَدِّقٌ لِّمَا مَعَكُمْ لَتُؤْمِنُنَّ بِهِ وَلَتَنصُرُنَّهُ ۚ قَالَ أَأَقْرَرْتُمْ وَأَخَذْتُمْ عَلَىٰ ذَٰلِكُمْ إِصْرِي ۖ قَالُوا أَقْرَرْنَا ۚ قَالَ فَاشْهَدُوا وَأَنَا مَعَكُم مِّنَ الشَّاهِدِينَ 81

En (gedenk) toen Allah een Verbond met de Profeten sloot (zeggende): “Neem dat wat Ik jullie heb gegeven van het Boek en de Wijsheid. En als er vervolgens een Boodschapper tot jullie komt ter bevestiging van datgene wat met jullie is, zullen jullie zeker in hem geloven en hem zeker helpen.” Hij (Allah) zei: “Hebben jullie (dit) erkend en accepteren jullie Mijn Verbond?” Zij zeiden: “Wij erkennen.” Hij (Allah) zei: “Getuig dan, en Ik behoor met jullie tot degenen die getuigen.”

فَمَن تَوَلَّىٰ بَعْدَ ذَٰلِكَ فَأُولَٰئِكَ هُمُ الْفَاسِقُونَ 82

Wie zich hierna afwendt, waarlijk, zij zijn de verdorvenen.

أَفَغَيْرَ دِينِ اللَّهِ يَبْغُونَ وَلَهُ أَسْلَمَ مَن فِي السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ طَوْعًا وَكَرْهًا وَإِلَيْهِ يُرْجَعُونَ 83

Zouden zij een andere godsdienst dan die van Allah wensen, terwijl allen in de hemelen en op de aarde zich gewillig en ongewillig aan Hem hebben onderworpen? En tot Hem zullen zij terugkeren.

قُلْ آمَنَّا بِاللَّهِ وَمَا أُنزِلَ عَلَيْنَا وَمَا أُنزِلَ عَلَىٰ إِبْرَاهِيمَ وَإِسْمَاعِيلَ وَإِسْحَاقَ وَيَعْقُوبَ وَالْأَسْبَاطِ وَمَا أُوتِيَ مُوسَىٰ وَعِيسَىٰ وَالنَّبِيُّونَ مِن رَّبِّهِمْ لَا نُفَرِّقُ بَيْنَ أَحَدٍ مِّنْهُمْ وَنَحْنُ لَهُ مُسْلِمُونَ 84

Zeg (o Mohammed): “Wij geloven in Allah en in wat er aan ons is neergezonden, en in wat er aan Ibraahiem, Ismaaciel, Ishaaq, Yacqoeb en al-Asbaat is neergezonden, en in wat er aan Moesa en cIesa en de Profeten is gegeven door hun Heer. Wij maken geen onderscheid tussen hen. En aan Hem hebben wij ons overgegeven.”

وَمَن يَبْتَغِ غَيْرَ الْإِسْلَامِ دِينًا فَلَن يُقْبَلَ مِنْهُ وَهُوَ فِي الْآخِرَةِ مِنَ الْخَاسِرِينَ 85

En wie een andere godsdienst dan de Islam zoekt, het zal niet van hem geaccepteerd worden en hij behoort in het Hiernamaals tot de verliezers.

كَيْفَ يَهْدِي اللَّهُ قَوْمًا كَفَرُوا بَعْدَ إِيمَانِهِمْ وَشَهِدُوا أَنَّ الرَّسُولَ حَقٌّ وَجَاءَهُمُ الْبَيِّنَاتُ ۚ وَاللَّهُ لَا يَهْدِي الْقَوْمَ الظَّالِمِينَ 86

Hoe kan Allah een volk leiden dat ongelovig werd na geloofd te hebben en getuigde dat de Boodschapper de waarheid is en (nadat) de duidelijke Bewijzen tot hen waren gekomen? En Allah leidt het onrechtvaardige volk niet.

أُولَٰئِكَ جَزَاؤُهُمْ أَنَّ عَلَيْهِمْ لَعْنَةَ اللَّهِ وَالْمَلَائِكَةِ وَالنَّاسِ أَجْمَعِينَ 87

Hun vergelding is dat de Vloek van Allah, (en de vloek van) de Engelen en alle mensen op hen rust.

خَالِدِينَ فِيهَا لَا يُخَفَّفُ عَنْهُمُ الْعَذَابُ وَلَا هُمْ يُنظَرُونَ 88

Voor eeuwig (verblijven zij) daarin. De Bestraffing zal voor hen niet worden verlicht en er wordt hun geen uitstel verleend.

إِلَّا الَّذِينَ تَابُوا مِن بَعْدِ ذَٰلِكَ وَأَصْلَحُوا فَإِنَّ اللَّهَ غَفُورٌ رَّحِيمٌ 89

Behalve degenen die daarna berouw toonden en zich beteren. Waarlijk, Allah is Meest Vergevingsgezind, Meest Genadevol.

إِنَّ الَّذِينَ كَفَرُوا بَعْدَ إِيمَانِهِمْ ثُمَّ ازْدَادُوا كُفْرًا لَّن تُقْبَلَ تَوْبَتُهُمْ وَأُولَٰئِكَ هُمُ الضَّالُّونَ 90

Waarlijk, degenen die niet geloven na geloofd te hebben en vervolgens in ongeloof toenamen, hun berouw wordt niet aanvaard. En zij zijn de dwalenden.

إِنَّ الَّذِينَ كَفَرُوا وَمَاتُوا وَهُمْ كُفَّارٌ فَلَن يُقْبَلَ مِنْ أَحَدِهِم مِّلْءُ الْأَرْضِ ذَهَبًا وَلَوِ افْتَدَىٰ بِهِ ۗ أُولَٰئِكَ لَهُمْ عَذَابٌ أَلِيمٌ وَمَا لَهُم مِّن نَّاصِرِينَ 91

Waarlijk, degenen die niet geloven en als ongelovigen stierven, van geen van hen zal een aarde vol goud worden geaccepteerd, ook al zou hij zich hiermee willen vrijkopen. Voor hen is er een pijnlijke Bestraffing en zij zullen geen helpers hebben.

لَن تَنَالُوا الْبِرَّ حَتَّىٰ تُنفِقُوا مِمَّا تُحِبُّونَ ۚ وَمَا تُنفِقُوا مِن شَيْءٍ فَإِنَّ اللَّهَ بِهِ عَلِيمٌ 92

Jullie zullen het goede (d.w.z. het Paradijs) niet bereiken, totdat jullie uitgeven van datgene wat jullie liefhebben. En wat jullie ook van iets uitgeven, waarlijk, Allah is hiervan op de hoogte.

كُلُّ الطَّعَامِ كَانَ حِلًّا لِّبَنِي إِسْرَائِيلَ إِلَّا مَا حَرَّمَ إِسْرَائِيلُ عَلَىٰ نَفْسِهِ مِن قَبْلِ أَن تُنَزَّلَ التَّوْرَاةُ ۗ قُلْ فَأْتُوا بِالتَّوْرَاةِ فَاتْلُوهَا إِن كُنتُمْ صَادِقِينَ 93

Al het voedsel was toegestaan voor de kinderen van Israël, behalve datgene wat Israël, voordat de Thora werd neergezonden, voor zichzelf verbood. Zeg: “Breng de Thora, en draag het voor als jullie waarachtig zijn.”

فَمَنِ افْتَرَىٰ عَلَى اللَّهِ الْكَذِبَ مِن بَعْدِ ذَٰلِكَ فَأُولَٰئِكَ هُمُ الظَّالِمُونَ 94

En wie hierna nog leugens over Allah verzint, zij zijn dan de onrechtplegers.

قُلْ صَدَقَ اللَّهُ ۗ فَاتَّبِعُوا مِلَّةَ إِبْرَاهِيمَ حَنِيفًا وَمَا كَانَ مِنَ الْمُشْرِكِينَ 95

Zeg: “Allah heeft de Waarheid gesproken; volg dan de religie van Ibraahiem die Hanief was. En hij (Ibraahiem) behoorde niet tot de veelgodenaanbidders.”

إِنَّ أَوَّلَ بَيْتٍ وُضِعَ لِلنَّاسِ لَلَّذِي بِبَكَّةَ مُبَارَكًا وَهُدًى لِّلْعَالَمِينَ 96

Voorwaar, het eerste Huis dat (ter aanbidding) voor de mensen is gesticht, is dat in Bakkah (Mekka), als Zegening en Leiding voor de werelden.

فِيهِ آيَاتٌ بَيِّنَاتٌ مَّقَامُ إِبْرَاهِيمَ ۖ وَمَن دَخَلَهُ كَانَ آمِنًا ۗ وَلِلَّهِ عَلَى النَّاسِ حِجُّ الْبَيْتِ مَنِ اسْتَطَاعَ إِلَيْهِ سَبِيلًا ۚ وَمَن كَفَرَ فَإِنَّ اللَّهَ غَنِيٌّ عَنِ الْعَالَمِينَ 97

Daarin zijn duidelijke tekenen (zoals): de standplaats van Ibraahiem. En wie het (d.w.z. Mekka) binnentreedt, is veilig. En het is de mensen verplicht gesteld om voor Allah de hadj naar het Huis te verrichten, voor wie in staat is om daarnaartoe te gaan. Wat betreft degene die niet gelooft, voorwaar, Allah heeft geen behoefte aan de werelden.

قُلْ يَا أَهْلَ الْكِتَابِ لِمَ تَكْفُرُونَ بِآيَاتِ اللَّهِ وَاللَّهُ شَهِيدٌ عَلَىٰ مَا تَعْمَلُونَ 98

Zeg (o Mohammed): “O lieden van het Boek, waarom verloochenen jullie de Tekenen van Allah, terwijl Allah Getuige is van wat jullie doen?”

قُلْ يَا أَهْلَ الْكِتَابِ لِمَ تَصُدُّونَ عَن سَبِيلِ اللَّهِ مَنْ آمَنَ تَبْغُونَهَا عِوَجًا وَأَنتُمْ شُهَدَاءُ ۗ وَمَا اللَّهُ بِغَافِلٍ عَمَّا تَعْمَلُونَ 99

Zeg (o Mohammed): “O lieden van het Boek, waarom houden jullie degene die gelooft van de Weg van Allah af, ernaar strevend het (d.w.z. de Islam) te vervormen, terwijl jullie getuigen zijn? En Allah is Zich niet onbewust van wat jullie doen.”

يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا إِن تُطِيعُوا فَرِيقًا مِّنَ الَّذِينَ أُوتُوا الْكِتَابَ يَرُدُّوكُم بَعْدَ إِيمَانِكُمْ كَافِرِينَ 100

O jullie die geloven, als jullie gehoorzaam zijn aan een groep van degenen die het Boek is gegeven, dan laten zij jullie in ongeloof terugvallen nadat jullie geloofd hebben.

وَكَيْفَ تَكْفُرُونَ وَأَنتُمْ تُتْلَىٰ عَلَيْكُمْ آيَاتُ اللَّهِ وَفِيكُمْ رَسُولُهُ ۗ وَمَن يَعْتَصِم بِاللَّهِ فَقَدْ هُدِيَ إِلَىٰ صِرَاطٍ مُّسْتَقِيمٍ 101

En hoe kunnen jullie ongelovig zijn, terwijl de Verzen van Allah aan jullie worden voorgedragen en Zijn Boodschapper onder jullie is? En degene die zich vastklampt aan Allah zal zeker worden geleid naar een recht Pad.

يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا اتَّقُوا اللَّهَ حَقَّ تُقَاتِهِ وَلَا تَمُوتُنَّ إِلَّا وَأَنتُم مُّسْلِمُونَ 102

O jullie die geloven, vrees Allah, zoals Hij gevreesd moet worden. En sterf niet, behalve als moslims.

وَاعْتَصِمُوا بِحَبْلِ اللَّهِ جَمِيعًا وَلَا تَفَرَّقُوا ۚ وَاذْكُرُوا نِعْمَتَ اللَّهِ عَلَيْكُمْ إِذْ كُنتُمْ أَعْدَاءً فَأَلَّفَ بَيْنَ قُلُوبِكُمْ فَأَصْبَحْتُم بِنِعْمَتِهِ إِخْوَانًا وَكُنتُمْ عَلَىٰ شَفَا حُفْرَةٍ مِّنَ النَّارِ فَأَنقَذَكُم مِّنْهَا ۗ كَذَٰلِكَ يُبَيِّنُ اللَّهُ لَكُمْ آيَاتِهِ لَعَلَّكُمْ تَهْتَدُونَ 103

En houd jullie allen stevig vast aan het Koord van Allah en wees niet verdeeld. En gedenk de Gunst van Allah aan jullie, toen jullie vijanden (van elkaar) waren en Allah jullie harten nader tot elkaar bracht en jullie door Zijn Gunst broeders werden. En jullie bevonden je op de rand van de afgrond van het Vuur en Hij redde jullie daarvan. Zo maakt Allah Zijn Tekenen duidelijk voor jullie, opdat jullie geleid zullen worden.

وَلْتَكُن مِّنكُمْ أُمَّةٌ يَدْعُونَ إِلَى الْخَيْرِ وَيَأْمُرُونَ بِالْمَعْرُوفِ وَيَنْهَوْنَ عَنِ الْمُنكَرِ ۚ وَأُولَٰئِكَ هُمُ الْمُفْلِحُونَ 104

En laat een gemeenschap uit jullie voortkomen die naar het behoorlijke uitnodigt, het goede beveelt en het slechte verbiedt. En zij zijn degenen die succesvol zijn.

وَلَا تَكُونُوا كَالَّذِينَ تَفَرَّقُوا وَاخْتَلَفُوا مِن بَعْدِ مَا جَاءَهُمُ الْبَيِّنَاتُ ۚ وَأُولَٰئِكَ لَهُمْ عَذَابٌ عَظِيمٌ 105

En wees niet zoals degenen die uit elkaar zijn gegaan en (onderling) verdeeld raakten, nadat de duidelijke Bewijzen tot hen waren gekomen. En voor hen is er een geweldige Bestraffing.

يَوْمَ تَبْيَضُّ وُجُوهٌ وَتَسْوَدُّ وُجُوهٌ ۚ فَأَمَّا الَّذِينَ اسْوَدَّتْ وُجُوهُهُمْ أَكَفَرْتُم بَعْدَ إِيمَانِكُمْ فَذُوقُوا الْعَذَابَ بِمَا كُنتُمْ تَكْفُرُونَ 106

Op de Dag waarop (sommige) gezichten wit zullen worden en (andere) gezichten zwart. En wat betreft degenen van wie de gezichten zwart zijn geworden (tegen hen zal er gezegd worden): “Zijn jullie ongelovig geworden, nadat jullie gelovig waren? Proef dan de Bestraffing vanwege datgene wat jullie verloochenden.”

وَأَمَّا الَّذِينَ ابْيَضَّتْ وُجُوهُهُمْ فَفِي رَحْمَةِ اللَّهِ هُمْ فِيهَا خَالِدُونَ 107

En wat betreft degenen van wie de gezichten wit zijn geworden, zij bevinden zich in de Genade (d.w.z. in het Paradijs) van Allah. Zij vertoeven daarin voor eeuwig.

تِلْكَ آيَاتُ اللَّهِ نَتْلُوهَا عَلَيْكَ بِالْحَقِّ ۗ وَمَا اللَّهُ يُرِيدُ ظُلْمًا لِّلْعَالَمِينَ 108

Dit zijn de Verzen van Allah. Wij dragen deze naar Waarheid aan jou voor. En Allah wil geen onrecht voor de werelden.

وَلِلَّهِ مَا فِي السَّمَاوَاتِ وَمَا فِي الْأَرْضِ ۚ وَإِلَى اللَّهِ تُرْجَعُ الْأُمُورُ 109

En aan Allah behoort datgene wat zich in de hemelen en datgene wat zich op de aarde bevindt toe. En tot Allah keren (alle) zaken terug.

كُنتُمْ خَيْرَ أُمَّةٍ أُخْرِجَتْ لِلنَّاسِ تَأْمُرُونَ بِالْمَعْرُوفِ وَتَنْهَوْنَ عَنِ الْمُنكَرِ وَتُؤْمِنُونَ بِاللَّهِ ۗ وَلَوْ آمَنَ أَهْلُ الْكِتَابِ لَكَانَ خَيْرًا لَّهُم ۚ مِّنْهُمُ الْمُؤْمِنُونَ وَأَكْثَرُهُمُ الْفَاسِقُونَ 110

Jullie zijn de beste gemeenschap die uit de mensen is voortgebracht. Jullie bevelen het goede, verbieden het slechte en geloven in Allah. En als de lieden van het Boek hadden geloofd, dan was dit beter voor hen geweest. Onder hen zijn er gelovigen, maar de meesten van hen zijn de verdorvenen.

لَن يَضُرُّوكُمْ إِلَّا أَذًى ۖ وَإِن يُقَاتِلُوكُمْ يُوَلُّوكُمُ الْأَدْبَارَ ثُمَّ لَا يُنصَرُونَ 111

Zij zullen jullie geen schade berokkenen, behalve enig kwaad. En als zij jullie bestrijden, zullen zij jullie de rug toekeren (d.w.z. op de vlucht slaan), waarop zij niet geholpen zullen worden.

ضُرِبَتْ عَلَيْهِمُ الذِّلَّةُ أَيْنَ مَا ثُقِفُوا إِلَّا بِحَبْلٍ مِّنَ اللَّهِ وَحَبْلٍ مِّنَ النَّاسِ وَبَاءُوا بِغَضَبٍ مِّنَ اللَّهِ وَضُرِبَتْ عَلَيْهِمُ الْمَسْكَنَةُ ۚ ذَٰلِكَ بِأَنَّهُمْ كَانُوا يَكْفُرُونَ بِآيَاتِ اللَّهِ وَيَقْتُلُونَ الْأَنبِيَاءَ بِغَيْرِ حَقٍّ ۚ ذَٰلِكَ بِمَا عَصَوا وَّكَانُوا يَعْتَدُونَ 112

Zij werden bedolven onder vernedering, waar zij zich ook bevonden, behalve wanneer zij een Verbond (van bescherming) aangingen met Allah en een verbond met de mensen aangingen. En zij keerden terug (overladen) met de Woede van Allah en bedolven onder ellende. (En) dat was omdat zij niet geloofden in de Tekenen van Allah en zij de Profeten onrechtmatig doodden. Dat was omdat zij ongehoorzaam waren en de regels overtraden.

لَيْسُوا سَوَاءً ۗ مِّنْ أَهْلِ الْكِتَابِ أُمَّةٌ قَائِمَةٌ يَتْلُونَ آيَاتِ اللَّهِ آنَاءَ اللَّيْلِ وَهُمْ يَسْجُدُونَ 113

Zij (d.w.z. de lieden van het Boek) zijn niet gelijk aan elkaar. Onder de lieden van het Boek bevindt zich een standvastige gemeenschap die de Verzen van Allah in de nachtelijke uren reciteert, en (voor Hem) neerknielt.

يُؤْمِنُونَ بِاللَّهِ وَالْيَوْمِ الْآخِرِ وَيَأْمُرُونَ بِالْمَعْرُوفِ وَيَنْهَوْنَ عَنِ الْمُنكَرِ وَيُسَارِعُونَ فِي الْخَيْرَاتِ وَأُولَٰئِكَ مِنَ الصَّالِحِينَ 114

Zij geloven in Allah en de Laatste Dag en zij bevelen het goede en verbieden het slechte. En zij haasten zich in (het verrichten van) het goede en zij behoren tot de rechtschapenen.

وَمَا يَفْعَلُوا مِنْ خَيْرٍ فَلَن يُكْفَرُوهُ ۗ وَاللَّهُ عَلِيمٌ بِالْمُتَّقِينَ 115

En wat zij ook aan goeds verrichten, niets hiervan zal verworpen worden. En Allah is Alwetend over de godsvruchtigen.

إِنَّ الَّذِينَ كَفَرُوا لَن تُغْنِيَ عَنْهُمْ أَمْوَالُهُمْ وَلَا أَوْلَادُهُم مِّنَ اللَّهِ شَيْئًا ۖ وَأُولَٰئِكَ أَصْحَابُ النَّارِ ۚ هُمْ فِيهَا خَالِدُونَ 116

Waarlijk, degenen die niet geloven, ondervinden bij Allah geen enkele baat van hun bezittingen, noch van hun kinderen. En zij zijn de bewoners van het Vuur, zij verblijven daarin voor eeuwig.

مَثَلُ مَا يُنفِقُونَ فِي هَٰذِهِ الْحَيَاةِ الدُّنْيَا كَمَثَلِ رِيحٍ فِيهَا صِرٌّ أَصَابَتْ حَرْثَ قَوْمٍ ظَلَمُوا أَنفُسَهُمْ فَأَهْلَكَتْهُ ۚ وَمَا ظَلَمَهُمُ اللَّهُ وَلَٰكِنْ أَنفُسَهُمْ يَظْلِمُونَ 117

De gelijkenis van wat zij in dit wereldse leven uitgeven, is als de gelijkenis van een wind waarin een hevige kou is en die vervolgens de oogst van een volk treft dat zichzelf onrecht heeft aangedaan, en deze (oogst) vernietigt. En het is niet Allah Die hun onrecht heeft aangedaan, maar zij deden zichzelf onrecht aan.

يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا لَا تَتَّخِذُوا بِطَانَةً مِّن دُونِكُمْ لَا يَأْلُونَكُمْ خَبَالًا وَدُّوا مَا عَنِتُّمْ قَدْ بَدَتِ الْبَغْضَاءُ مِنْ أَفْوَاهِهِمْ وَمَا تُخْفِي صُدُورُهُمْ أَكْبَرُ ۚ قَدْ بَيَّنَّا لَكُمُ الْآيَاتِ ۖ إِن كُنتُمْ تَعْقِلُونَ 118

O jullie die geloven, neem buiten julliezelf geen vertrouwelingen. Zij zullen het niet nalaten om jullie schade te berokkenen en zij wensen dat jullie lijden. De vijandschap is via hun monden zichtbaar geworden, en wat hun borsten verbergen is nog erger. Voorzeker, Wij hebben de tekenen voor jullie duidelijk gemaakt, indien jullie nadenken.

هَا أَنتُمْ أُولَاءِ تُحِبُّونَهُمْ وَلَا يُحِبُّونَكُمْ وَتُؤْمِنُونَ بِالْكِتَابِ كُلِّهِ وَإِذَا لَقُوكُمْ قَالُوا آمَنَّا وَإِذَا خَلَوْا عَضُّوا عَلَيْكُمُ الْأَنَامِلَ مِنَ الْغَيْظِ ۚ قُلْ مُوتُوا بِغَيْظِكُمْ ۗ إِنَّ اللَّهَ عَلِيمٌ بِذَاتِ الصُّدُورِ 119

Zie daar! Jullie zijn degenen die van hen houden, terwijl zij niet van jullie houden. En jullie geloven in alle (hemelse) Boeken. En wanneer zij jullie ontmoeten, zeggen zij: “Wij geloven.” Maar wanneer zij alleen zijn, bijten zij uit woede richting jullie op de toppen van hun vingers. Zeg: “Sterf in jullie woede.” Voorwaar, Allah is op de hoogte van wat er zich in de borsten (d.w.z. in henzelf) voordoet.

إِن تَمْسَسْكُمْ حَسَنَةٌ تَسُؤْهُمْ وَإِن تُصِبْكُمْ سَيِّئَةٌ يَفْرَحُوا بِهَا ۖ وَإِن تَصْبِرُوا وَتَتَّقُوا لَا يَضُرُّكُمْ كَيْدُهُمْ شَيْئًا ۗ إِنَّ اللَّهَ بِمَا يَعْمَلُونَ مُحِيطٌ 120

Wanneer het goede jullie overkomt, treuren zij hierom. En wanneer het slechte jullie treft, zijn zij daarmee verblijd. Maar als jullie geduldig zijn en (Allah) vrezen, dan zal hun listigheid jullie geen enkele schade berokkenen. Waarlijk, Allah omvat (met Zijn Kennis) wat zij doen.

وَإِذْ غَدَوْتَ مِنْ أَهْلِكَ تُبَوِّئُ الْمُؤْمِنِينَ مَقَاعِدَ لِلْقِتَالِ ۗ وَاللَّهُ سَمِيعٌ عَلِيمٌ 121

En (gedenk) toen jij (o Mohammed) jouw gezin in de ochtend verliet om de gelovigen op hun posities te plaatsen voor de strijd. En Allah is Alhorend, Alwetend.

إِذْ هَمَّت طَّائِفَتَانِ مِنكُمْ أَن تَفْشَلَا وَاللَّهُ وَلِيُّهُمَا ۗ وَعَلَى اللَّهِ فَلْيَتَوَكَّلِ الْمُؤْمِنُونَ 122

En (gedenk) toen twee groepen van jullie dreigden te verzwakken, maar Allah was hun Beschermer. En laat de gelovigen hun vertrouwen in Allah stellen.

وَلَقَدْ نَصَرَكُمُ اللَّهُ بِبَدْرٍ وَأَنتُمْ أَذِلَّةٌ ۖ فَاتَّقُوا اللَّهَ لَعَلَّكُمْ تَشْكُرُونَ 123

En voorzeker, Allah heeft jullie de overwinning bij (de slag van) Badr bezorgd, terwijl jullie in de minderheid waren. Dus vrees Allah, opdat jullie dankbaar zullen zijn.

إِذْ تَقُولُ لِلْمُؤْمِنِينَ أَلَن يَكْفِيَكُمْ أَن يُمِدَّكُمْ رَبُّكُم بِثَلَاثَةِ آلَافٍ مِّنَ الْمَلَائِكَةِ مُنزَلِينَ 124

(Gedenk) toen jij (o Mohammed) tegen de gelovigen zei: “Is het niet voldoende voor jullie dat jullie Heer jullie versterkt met drieduizend neergezonden Engelen?”

بَلَىٰ ۚ إِن تَصْبِرُوا وَتَتَّقُوا وَيَأْتُوكُم مِّن فَوْرِهِمْ هَٰذَا يُمْدِدْكُمْ رَبُّكُم بِخَمْسَةِ آلَافٍ مِّنَ الْمَلَائِكَةِ مُسَوِّمِينَ 125

Welzeker! Wanneer jullie je geduldig opstellen en (Allah) vrezen, en de vijand op jullie afkomt, zal jullie Heer jullie versterken met vijfduizend Engelen die (herkenbare) tekenen dragen.

وَمَا جَعَلَهُ اللَّهُ إِلَّا بُشْرَىٰ لَكُمْ وَلِتَطْمَئِنَّ قُلُوبُكُم بِهِ ۗ وَمَا النَّصْرُ إِلَّا مِنْ عِندِ اللَّهِ الْعَزِيزِ الْحَكِيمِ 126

En Allah heeft dit slechts tot een verheugende tijding voor jullie gemaakt en om jullie harten daarmee tot rust te brengen. En er is geen overwinning behalve van Allah, de Almachtige, de Alwijze.

لِيَقْطَعَ طَرَفًا مِّنَ الَّذِينَ كَفَرُوا أَوْ يَكْبِتَهُمْ فَيَنقَلِبُوا خَائِبِينَ 127

Opdat Hij een deel van degenen die niet geloven, zal afsnijden (d.w.z. doden). Of hen blootstelt aan schande, zodat zij zich in vernedering terugtrekken.

لَيْسَ لَكَ مِنَ الْأَمْرِ شَيْءٌ أَوْ يَتُوبَ عَلَيْهِمْ أَوْ يُعَذِّبَهُمْ فَإِنَّهُمْ ظَالِمُونَ 128

Het is jouw zaak niet (o Mohammed) of Hij hun berouw aanvaardt of hen bestraft. Waarlijk, zij zijn onrechtplegers.

وَلِلَّهِ مَا فِي السَّمَاوَاتِ وَمَا فِي الْأَرْضِ ۚ يَغْفِرُ لِمَن يَشَاءُ وَيُعَذِّبُ مَن يَشَاءُ ۚ وَاللَّهُ غَفُورٌ رَّحِيمٌ 129

En aan Allah behoort datgene wat zich in de hemelen en datgene wat zich op de aarde bevindt toe. Hij vergeeft wie Hij wil en Hij bestraft wie Hij wil. En Allah is Meest Vergevingsgezind, Meest Genadevol.

يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا لَا تَأْكُلُوا الرِّبَا أَضْعَافًا مُّضَاعَفَةً ۖ وَاتَّقُوا اللَّهَ لَعَلَّكُمْ تُفْلِحُونَ 130

O jullie die geloven, nuttig geen verdubbelde en vermeerderde rente, en vrees Allah, opdat jullie succesvol zullen zijn.

وَاتَّقُوا النَّارَ الَّتِي أُعِدَّتْ لِلْكَافِرِينَ 131

En vrees het Vuur dat voor de ongelovigen is gereedgemaakt.

وَأَطِيعُوا اللَّهَ وَالرَّسُولَ لَعَلَّكُمْ تُرْحَمُونَ 132

En gehoorzaam Allah en de Boodschapper, opdat jullie begenadigd zullen worden.

وَسَارِعُوا إِلَىٰ مَغْفِرَةٍ مِّن رَّبِّكُمْ وَجَنَّةٍ عَرْضُهَا السَّمَاوَاتُ وَالْأَرْضُ أُعِدَّتْ لِلْمُتَّقِينَ 133

En haast jullie naar Vergiffenis van jullie Heer, en naar een Paradijs ter breedte van de hemelen en de aarde, gereedgemaakt voor de godsvruchtigen.

الَّذِينَ يُنفِقُونَ فِي السَّرَّاءِ وَالضَّرَّاءِ وَالْكَاظِمِينَ الْغَيْظَ وَالْعَافِينَ عَنِ النَّاسِ ۗ وَاللَّهُ يُحِبُّ الْمُحْسِنِينَ 134

Degenen die in voor- en tegenspoed uitgeven (op de Weg van Allah) en die hun woede inhouden en de mensen vergeven. En Allah houdt van de weldoeners.

وَالَّذِينَ إِذَا فَعَلُوا فَاحِشَةً أَوْ ظَلَمُوا أَنفُسَهُمْ ذَكَرُوا اللَّهَ فَاسْتَغْفَرُوا لِذُنُوبِهِمْ وَمَن يَغْفِرُ الذُّنُوبَ إِلَّا اللَّهُ وَلَمْ يُصِرُّوا عَلَىٰ مَا فَعَلُوا وَهُمْ يَعْلَمُونَ 135

En degenen die, wanneer zij een verdorvenheid begaan, of zichzelf onrecht aandoen, Allah gedenken en Hem om vergeving vragen voor hun zonden. En wie (anders), behalve Allah, kan de zonden vergeven? En zij volharden niet in wat zij deden, terwijl zij (het) weten.

أُولَٰئِكَ جَزَاؤُهُم مَّغْفِرَةٌ مِّن رَّبِّهِمْ وَجَنَّاتٌ تَجْرِي مِن تَحْتِهَا الْأَنْهَارُ خَالِدِينَ فِيهَا ۚ وَنِعْمَ أَجْرُ الْعَامِلِينَ 136

Zij zijn degenen van wie de Beloning de Vergiffenis van hun Heer is, en Tuinen waaronder rivieren stromen, voor eeuwig (vertoeven zij) daarin. Hoe geweldig is de Beloning voor degenen die (goed) doen.

قَدْ خَلَتْ مِن قَبْلِكُمْ سُنَنٌ فَسِيرُوا فِي الْأَرْضِ فَانظُرُوا كَيْفَ كَانَ عَاقِبَةُ الْمُكَذِّبِينَ 137

Voorzeker, er zijn gemeenschappen vóór jullie geweest. Trek daarom rond op aarde en zie hoe het einde van de verloochenaars was.

هَٰذَا بَيَانٌ لِّلنَّاسِ وَهُدًى وَمَوْعِظَةٌ لِّلْمُتَّقِينَ 138

Dit (d.w.z. de Koran) is een Verduidelijking voor de mensen, en een Leiding en Vermaning voor de godsvruchtigen.

وَلَا تَهِنُوا وَلَا تَحْزَنُوا وَأَنتُمُ الْأَعْلَوْنَ إِن كُنتُم مُّؤْمِنِينَ 139

En verzwak dus niet en treur niet. En jullie zijn de hoogsten als jullie gelovigen zijn.

إِن يَمْسَسْكُمْ قَرْحٌ فَقَدْ مَسَّ الْقَوْمَ قَرْحٌ مِّثْلُهُ ۚ وَتِلْكَ الْأَيَّامُ نُدَاوِلُهَا بَيْنَ النَّاسِ وَلِيَعْلَمَ اللَّهُ الَّذِينَ آمَنُوا وَيَتَّخِذَ مِنكُمْ شُهَدَاءَ ۗ وَاللَّهُ لَا يُحِبُّ الظَّالِمِينَ 140

Indien jullie gewond raken, wees er dan zeker van dat het volk (d.w.z. de tegenpartij) met een soortgelijke verwonding is getroffen. En zo wisselen Wij de dagen af onder de mensen, zodat Allah aantoont wie degenen zijn die geloven en van onder jullie martelaren (tot Zich) neemt. En Allah houdt niet van de onrechtplegers.

وَلِيُمَحِّصَ اللَّهُ الَّذِينَ آمَنُوا وَيَمْحَقَ الْكَافِرِينَ 141

En zodat Allah degenen die geloven zuivert en de ongelovigen vernietigt.

أَمْ حَسِبْتُمْ أَن تَدْخُلُوا الْجَنَّةَ وَلَمَّا يَعْلَمِ اللَّهُ الَّذِينَ جَاهَدُوا مِنكُمْ وَيَعْلَمَ الصَّابِرِينَ 142

Of denken jullie dat jullie het Paradijs zullen binnentreden zonder dat Allah aantoont wie degenen onder jullie zijn die (op Zijn Weg) strijden en aantoont wie de geduldigen zijn?

وَلَقَدْ كُنتُمْ تَمَنَّوْنَ الْمَوْتَ مِن قَبْلِ أَن تَلْقَوْهُ فَقَدْ رَأَيْتُمُوهُ وَأَنتُمْ تَنظُرُونَ 143

En voorzeker, jullie verlangden (voorheen) naar de dood (d.w.z. naar het martelaarschap), voordat jullie het tegenkwamen. Voorzeker, nu hebben jullie het met jullie eigen ogen kunnen zien.

وَمَا مُحَمَّدٌ إِلَّا رَسُولٌ قَدْ خَلَتْ مِن قَبْلِهِ الرُّسُلُ ۚ أَفَإِن مَّاتَ أَوْ قُتِلَ انقَلَبْتُمْ عَلَىٰ أَعْقَابِكُمْ ۚ وَمَن يَنقَلِبْ عَلَىٰ عَقِبَيْهِ فَلَن يَضُرَّ اللَّهَ شَيْئًا ۗ وَسَيَجْزِي اللَّهُ الشَّاكِرِينَ 144

En Mohammed is niet meer dan een Boodschapper. Vóór hem zijn zeker Boodschappers heengegaan. Als hij (eveneens) komt te sterven of gedood wordt, zouden jullie je dan op je hielen keren (d.w.z. het geloof de rug toekeren)? En wie zich op zijn hielen keert, zal Allah geen enkele schade berokkenen. En Allah zal de dankbaren belonen.

وَمَا كَانَ لِنَفْسٍ أَن تَمُوتَ إِلَّا بِإِذْنِ اللَّهِ كِتَابًا مُّؤَجَّلًا ۗ وَمَن يُرِدْ ثَوَابَ الدُّنْيَا نُؤْتِهِ مِنْهَا وَمَن يُرِدْ ثَوَابَ الْآخِرَةِ نُؤْتِهِ مِنْهَا ۚ وَسَنَجْزِي الشَّاكِرِينَ 145

En er is geen ziel die sterft, behalve met de Toestemming van Allah op een vastgesteld tijdstip. En wie de beloning van de wereld wenst, hem zullen Wij daarvan geven. En wie de Beloning van het Hiernamaals wenst, hem zullen Wij daarvan geven. En Wij zullen de dankbaren belonen.

وَكَأَيِّن مِّن نَّبِيٍّ قَاتَلَ مَعَهُ رِبِّيُّونَ كَثِيرٌ فَمَا وَهَنُوا لِمَا أَصَابَهُمْ فِي سَبِيلِ اللَّهِ وَمَا ضَعُفُوا وَمَا اسْتَكَانُوا ۗ وَاللَّهُ يُحِبُّ الصَّابِرِينَ 146

En hoeveel Profeten hebben (zij aan zij) met grote groepen gestreden? Maar zij raakten niet ontmoedigd vanwege datgene wat hun op de Weg van Allah overkwam, noch verzwakten zij, noch verlaagden zij zichzelf. En Allah houdt van de geduldigen.

وَمَا كَانَ قَوْلَهُمْ إِلَّا أَن قَالُوا رَبَّنَا اغْفِرْ لَنَا ذُنُوبَنَا وَإِسْرَافَنَا فِي أَمْرِنَا وَثَبِّتْ أَقْدَامَنَا وَانصُرْنَا عَلَى الْقَوْمِ الْكَافِرِينَ 147

En hun uitspraak was niets anders dan dat zij zeiden: “Onze Heer, vergeef ons onze zonden en onze overtredingen met betrekking tot onze zaak, en maak onze voeten standvastig en schenk ons een overwinning over het ongelovige volk.”

فَآتَاهُمُ اللَّهُ ثَوَابَ الدُّنْيَا وَحُسْنَ ثَوَابِ الْآخِرَةِ ۗ وَاللَّهُ يُحِبُّ الْمُحْسِنِينَ 148

Dus gaf Allah hun de beloning van de wereld en de beste Beloning van het Hiernamaals. En Allah houdt van de weldoeners.

يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا إِن تُطِيعُوا الَّذِينَ كَفَرُوا يَرُدُّوكُمْ عَلَىٰ أَعْقَابِكُمْ فَتَنقَلِبُوا خَاسِرِينَ 149

O jullie die geloven, als jullie degenen die niet geloven gehoorzamen, zullen zij jullie op je hielen doen keren (d.w.z. jullie het geloof de rug doen toekeren) en jullie zullen als verliezers terugkeren.

بَلِ اللَّهُ مَوْلَاكُمْ ۖ وَهُوَ خَيْرُ النَّاصِرِينَ 150

Welnee! Allah is jullie Beschermer en Hij is de Beste onder de helpers.

سَنُلْقِي فِي قُلُوبِ الَّذِينَ كَفَرُوا الرُّعْبَ بِمَا أَشْرَكُوا بِاللَّهِ مَا لَمْ يُنَزِّلْ بِهِ سُلْطَانًا ۖ وَمَأْوَاهُمُ النَّارُ ۚ وَبِئْسَ مَثْوَى الظَّالِمِينَ 151

Wij zullen intense angst in de harten van degenen die niet geloven werpen, omdat zij deelgenoten aan Allah toekenden, waarvoor Hij geen bewijs heeft neergezonden. En hun verblijfplaats zal het Vuur zijn. En slecht is de Verblijfplaats van de onrechtplegers.

وَلَقَدْ صَدَقَكُمُ اللَّهُ وَعْدَهُ إِذْ تَحُسُّونَهُم بِإِذْنِهِ ۖ حَتَّىٰ إِذَا فَشِلْتُمْ وَتَنَازَعْتُمْ فِي الْأَمْرِ وَعَصَيْتُم مِّن بَعْدِ مَا أَرَاكُم مَّا تُحِبُّونَ ۚ مِنكُم مَّن يُرِيدُ الدُّنْيَا وَمِنكُم مَّن يُرِيدُ الْآخِرَةَ ۚ ثُمَّ صَرَفَكُمْ عَنْهُمْ لِيَبْتَلِيَكُمْ ۖ وَلَقَدْ عَفَا عَنكُمْ ۗ وَاللَّهُ ذُو فَضْلٍ عَلَى الْمُؤْمِنِينَ 152

En voorzeker, Allah is zeker Zijn Belofte aan jullie nagekomen toen jullie hen (d.w.z. de vijanden) met Zijn Toestemming doodden, totdat (het moment kwam dat) jullie verzwakten en over de zaak redetwistten en ongehoorzaam werden, nadat Hij jullie had laten zien waar jullie van hielden (d.w.z. de buit). Onder jullie zijn er (sommigen) die de wereld willen, en onder jullie zijn er (sommigen) die het Hiernamaals willen. Vervolgens liet Hij jullie voor hen (d.w.z. voor de vijanden) vluchten om jullie te beproeven. En voorzeker, Hij heeft jullie vergeven. En Allah is Meest Genadig voor de gelovigen.

إِذْ تُصْعِدُونَ وَلَا تَلْوُونَ عَلَىٰ أَحَدٍ وَالرَّسُولُ يَدْعُوكُمْ فِي أُخْرَاكُمْ فَأَثَابَكُمْ غَمًّا بِغَمٍّ لِّكَيْلَا تَحْزَنُوا عَلَىٰ مَا فَاتَكُمْ وَلَا مَا أَصَابَكُمْ ۗ وَاللَّهُ خَبِيرٌ بِمَا تَعْمَلُونَ 153

(Gedenk) toen jullie vluchtten zonder ook maar een blik naar iemand te werpen, en de Boodschapper jullie vanuit de achterhoede terugriep. Daar trof Hij (Allah) jullie met (de ene) kwelling na (de andere) kwelling, als vergelding, om jullie te leren geen verdriet te hebben over wat aan jullie voorbij is gegaan of over wat jullie is overkomen. En Allah is op de hoogte van dat wat jullie (in het verborgene) doen.

ثُمَّ أَنزَلَ عَلَيْكُم مِّن بَعْدِ الْغَمِّ أَمَنَةً نُّعَاسًا يَغْشَىٰ طَائِفَةً مِّنكُمْ ۖ وَطَائِفَةٌ قَدْ أَهَمَّتْهُمْ أَنفُسُهُمْ يَظُنُّونَ بِاللَّهِ غَيْرَ الْحَقِّ ظَنَّ الْجَاهِلِيَّةِ ۖ يَقُولُونَ هَل لَّنَا مِنَ الْأَمْرِ مِن شَيْءٍ ۗ قُلْ إِنَّ الْأَمْرَ كُلَّهُ لِلَّهِ ۗ يُخْفُونَ فِي أَنفُسِهِم مَّا لَا يُبْدُونَ لَكَ ۖ يَقُولُونَ لَوْ كَانَ لَنَا مِنَ الْأَمْرِ شَيْءٌ مَّا قُتِلْنَا هَاهُنَا ۗ قُل لَّوْ كُنتُمْ فِي بُيُوتِكُمْ لَبَرَزَ الَّذِينَ كُتِبَ عَلَيْهِمُ الْقَتْلُ إِلَىٰ مَضَاجِعِهِمْ ۖ وَلِيَبْتَلِيَ اللَّهُ مَا فِي صُدُورِكُمْ وَلِيُمَحِّصَ مَا فِي قُلُوبِكُمْ ۗ وَاللَّهُ عَلِيمٌ بِذَاتِ الصُّدُورِ 154

Vervolgens zond Hij na de kwelling veiligheid voor jullie neer: (in de vorm van) sluimer die een groep van jullie overmande, terwijl een andere groep zeker alleen aan zichzelf dacht en valse vermoedens over Allah had: vermoedens van onwetendheid. Zij zeiden: “Hebben wij enige inbreng in de zaak?” Zeg (o Mohammed): “Voorwaar, de zaak behoort volledig aan Allah toe.” Zij verbergen in zichzelf wat zij niet aan jou openbaren. Zij zeggen: “Als wij enige inbreng hadden in de zaak, dan zou niemand van ons hier gedood worden.” Zeg: “Zelfs als jullie in jullie huizen waren gebleven, (dan nog) zouden degenen voor wie de dood voorgeschreven is hierdoor getroffen worden in hun (voorbeschikte) overlijdensplaatsen.” En hiermee beproeft Allah wat zich in jullie borsten (d.w.z. in julliezelf) bevindt, en Hij zuivert wat in jullie harten is. En Allah is op de hoogte van wat er zich in de borsten (d.w.z. in julliezelf) voordoet.

إِنَّ الَّذِينَ تَوَلَّوْا مِنكُمْ يَوْمَ الْتَقَى الْجَمْعَانِ إِنَّمَا اسْتَزَلَّهُمُ الشَّيْطَانُ بِبَعْضِ مَا كَسَبُوا ۖ وَلَقَدْ عَفَا اللَّهُ عَنْهُمْ ۗ إِنَّ اللَّهَ غَفُورٌ حَلِيمٌ 155

Waarlijk, degenen onder jullie die zich terugtrokken op de dag (van de slag van Oehoed), waarop de twee groepen elkaar ontmoetten; het was slechts de satan die ervoor zorgde dat zij zich terugtrokken (van het slagveld) vanwege dat wat zij verwierven. En voorzeker, Allah heeft hen al vergeven. Voorwaar, Allah is Meest Vergevingsgezind, Meest Verdraagzaam.

يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا لَا تَكُونُوا كَالَّذِينَ كَفَرُوا وَقَالُوا لِإِخْوَانِهِمْ إِذَا ضَرَبُوا فِي الْأَرْضِ أَوْ كَانُوا غُزًّى لَّوْ كَانُوا عِندَنَا مَا مَاتُوا وَمَا قُتِلُوا لِيَجْعَلَ اللَّهُ ذَٰلِكَ حَسْرَةً فِي قُلُوبِهِمْ ۗ وَاللَّهُ يُحْيِي وَيُمِيتُ ۗ وَاللَّهُ بِمَا تَعْمَلُونَ بَصِيرٌ 156

O jullie die geloven, wees niet zoals degenen die niet geloven (d.w.z. de hypocrieten) en die tegen hun broeders zeggen, wanneer zij op aarde rondtrekken of eropuit trekken om te strijden: “Als zij bij ons waren gebleven, dan zouden zij niet sterven of gedood worden”, zodat Allah het tot een aanleiding voor verdriet in hun harten maakt. En Allah is Degene Die doet leven en sterven. En Allah is Alziend over wat jullie doen.

وَلَئِن قُتِلْتُمْ فِي سَبِيلِ اللَّهِ أَوْ مُتُّمْ لَمَغْفِرَةٌ مِّنَ اللَّهِ وَرَحْمَةٌ خَيْرٌ مِّمَّا يَجْمَعُونَ 157

En als jullie gedood worden of sterven op de Weg van Allah; de Vergiffenis en Genade van Allah zijn beter dan wat zij verzamelen (aan wereldse rijkdom).

وَلَئِن مُّتُّمْ أَوْ قُتِلْتُمْ لَإِلَى اللَّهِ تُحْشَرُونَ 158

En als jullie komen te sterven of gedood worden; jullie zullen zeker bij Allah worden verzameld.

فَبِمَا رَحْمَةٍ مِّنَ اللَّهِ لِنتَ لَهُمْ ۖ وَلَوْ كُنتَ فَظًّا غَلِيظَ الْقَلْبِ لَانفَضُّوا مِنْ حَوْلِكَ ۖ فَاعْفُ عَنْهُمْ وَاسْتَغْفِرْ لَهُمْ وَشَاوِرْهُمْ فِي الْأَمْرِ ۖ فَإِذَا عَزَمْتَ فَتَوَكَّلْ عَلَى اللَّهِ ۚ إِنَّ اللَّهَ يُحِبُّ الْمُتَوَكِّلِينَ 159

En het was dankzij de Genade van Allah dat jij zacht in de omgang was met hen. En als jij streng en hardvochtig was geweest, dan zouden zij rondom jou uiteengaan. Dus neem hen in genade aan en vraag (Allah) om vergiffenis voor hen. En raadpleeg hen over de zaak. Zodra jij dan een beslissing neemt, stel dan je vertrouwen in Allah. Waarlijk, Allah houdt van degenen die hun vertrouwen in Hem stellen.

إِن يَنصُرْكُمُ اللَّهُ فَلَا غَالِبَ لَكُمْ ۖ وَإِن يَخْذُلْكُمْ فَمَن ذَا الَّذِي يَنصُرُكُم مِّن بَعْدِهِ ۗ وَعَلَى اللَّهِ فَلْيَتَوَكَّلِ الْمُؤْمِنُونَ 160

Wanneer Allah jullie (aan een overwinning) helpt, kan niemand jullie verslaan. En als Hij jullie in de steek laat, wie is dan degene die jullie naast Hem nog kan helpen? En laat de gelovigen hun vertrouwen in Allah stellen.

وَمَا كَانَ لِنَبِيٍّ أَن يَغُلَّ ۚ وَمَن يَغْلُلْ يَأْتِ بِمَا غَلَّ يَوْمَ الْقِيَامَةِ ۚ ثُمَّ تُوَفَّىٰ كُلُّ نَفْسٍ مَّا كَسَبَتْ وَهُمْ لَا يُظْلَمُونَ 161

En het schikt een Profeet niet om zich een deel van de oorlogsbuit ten onrechte toe te eigenen. En wie zich ten onrechte een deel van de oorlogsbuit toeeigent, zal datgene wat hij zich heeft toegeëigend, op de Dag der Opstanding tevoorschijn moeten halen. Vervolgens zal iedere ziel volledig beloond worden voor dat wat zij heeft verworven, en er zal hun geen onrecht worden aangedaan.

أَفَمَنِ اتَّبَعَ رِضْوَانَ اللَّهِ كَمَن بَاءَ بِسَخَطٍ مِّنَ اللَّهِ وَمَأْوَاهُ جَهَنَّمُ ۚ وَبِئْسَ الْمَصِيرُ 162

Is degene die het Welbehagen van Allah zoekt gelijk aan degene die terugkeert (overladen) met de Woede van Allah? Zijn verblijfplaats is de Hel, en dit is de slechtste Eindbestemming.

هُمْ دَرَجَاتٌ عِندَ اللَّهِ ۗ وَاللَّهُ بَصِيرٌ بِمَا يَعْمَلُونَ 163

Zij hebben (verschillende) rangen bij Allah en Allah is Alziend over wat zij doen.

لَقَدْ مَنَّ اللَّهُ عَلَى الْمُؤْمِنِينَ إِذْ بَعَثَ فِيهِمْ رَسُولًا مِّنْ أَنفُسِهِمْ يَتْلُو عَلَيْهِمْ آيَاتِهِ وَيُزَكِّيهِمْ وَيُعَلِّمُهُمُ الْكِتَابَ وَالْحِكْمَةَ وَإِن كَانُوا مِن قَبْلُ لَفِي ضَلَالٍ مُّبِينٍ 164

Voorzeker, Allah heeft de gelovigen een grote gunst bewezen, toen Hij een Boodschapper uit hun midden naar hen zond, (een Boodschapper) die Zijn Verzen aan hen voordraagt, hen zuivert en hun het Boek (d.w.z. de Koran) en de Wijsheid onderwijst, terwijl zij voorheen in duidelijke dwaling verkeerden.

أَوَلَمَّا أَصَابَتْكُم مُّصِيبَةٌ قَدْ أَصَبْتُم مِّثْلَيْهَا قُلْتُمْ أَنَّىٰ هَٰذَا ۖ قُلْ هُوَ مِنْ عِندِ أَنفُسِكُمْ ۗ إِنَّ اللَّهَ عَلَىٰ كُلِّ شَيْءٍ قَدِيرٌ 165

En toen een ramp jullie trof, terwijl jullie (de vijand) zeker twee keer (zo hard) troffen, zeiden jullie: “Waar komt dit vandaan?” Zeg: “Het komt van julliezelf.” Waarlijk, Allah is tot alles in staat.

وَمَا أَصَابَكُمْ يَوْمَ الْتَقَى الْجَمْعَانِ فَبِإِذْنِ اللَّهِ وَلِيَعْلَمَ الْمُؤْمِنِينَ 166

En wat jullie overkwam op de dag waarop de twee groepen (bij de slag van Oehoed) elkaar ontmoetten, gebeurde met de Toestemming van Allah en zodat Hij kon aantonen wie de gelovigen zijn.

وَلِيَعْلَمَ الَّذِينَ نَافَقُوا ۚ وَقِيلَ لَهُمْ تَعَالَوْا قَاتِلُوا فِي سَبِيلِ اللَّهِ أَوِ ادْفَعُوا ۖ قَالُوا لَوْ نَعْلَمُ قِتَالًا لَّاتَّبَعْنَاكُمْ ۗ هُمْ لِلْكُفْرِ يَوْمَئِذٍ أَقْرَبُ مِنْهُمْ لِلْإِيمَانِ ۚ يَقُولُونَ بِأَفْوَاهِهِم مَّا لَيْسَ فِي قُلُوبِهِمْ ۗ وَاللَّهُ أَعْلَمُ بِمَا يَكْتُمُونَ 167

En om de hypocrieten bekend te maken, waartegen werd gezegd: “Kom en strijd op de Weg van Allah of verdedig (julliezelf).” Zij zeiden: “Als wij wisten dat er een strijd zou plaatsvinden, dan zouden wij jullie zeker volgen.” Zij stonden op die dag dichter bij ongeloof dan bij geloof. Zij zeiden met hun monden wat zich niet in hun harten bevond. En Allah is beter op de hoogte van wat zij verborgen houden.

الَّذِينَ قَالُوا لِإِخْوَانِهِمْ وَقَعَدُوا لَوْ أَطَاعُونَا مَا قُتِلُوا ۗ قُلْ فَادْرَءُوا عَنْ أَنفُسِكُمُ الْمَوْتَ إِن كُنتُمْ صَادِقِينَ 168

(Zij waren) degenen die, terwijl zij zelf (thuis) zaten, over hun (gedode) broeders zeiden: “Hadden zij maar naar ons geluisterd, dan waren zij niet gedood.” Zeg: “Houd de dood dan van julliezelf af, als jullie waarachtig zijn.”

وَلَا تَحْسَبَنَّ الَّذِينَ قُتِلُوا فِي سَبِيلِ اللَّهِ أَمْوَاتًا ۚ بَلْ أَحْيَاءٌ عِندَ رَبِّهِمْ يُرْزَقُونَ 169

En denk niet dat degenen die op de Weg van Allah zijn gedood niet meer in leven zijn. Welnee! Zij verkeren in levende staat bij hun Heer en worden (van levensonderhoud) voorzien.

فَرِحِينَ بِمَا آتَاهُمُ اللَّهُ مِن فَضْلِهِ وَيَسْتَبْشِرُونَ بِالَّذِينَ لَمْ يَلْحَقُوا بِهِم مِّنْ خَلْفِهِمْ أَلَّا خَوْفٌ عَلَيْهِمْ وَلَا هُمْ يَحْزَنُونَ 170

Zij zijn verblijd met datgene wat Allah hun van Zijn Gunst heeft gegeven en zij zijn verheugd dat degenen die zich nog niet bij hen hebben gevoegd (als martelaren), maar achter zijn gebleven, geen vrees noch treurnis zullen kennen.

يَسْتَبْشِرُونَ بِنِعْمَةٍ مِّنَ اللَّهِ وَفَضْلٍ وَأَنَّ اللَّهَ لَا يُضِيعُ أَجْرَ الْمُؤْمِنِينَ 171

Zij zijn verheugd met de Genieting van Allah en (Zijn) Gunst, en (met het feit) dat Allah de beloning van de gelovigen niet verloren doet gaan.

الَّذِينَ اسْتَجَابُوا لِلَّهِ وَالرَّسُولِ مِن بَعْدِ مَا أَصَابَهُمُ الْقَرْحُ ۚ لِلَّذِينَ أَحْسَنُوا مِنْهُمْ وَاتَّقَوْا أَجْرٌ عَظِيمٌ 172

Degenen die gehoor gaven aan (de oproep van) Allah en de Boodschapper, nadat zij gewond raakten; voor degenen onder hen die goed deden en (Allah) vreesden, is er een grandioze Beloning.

الَّذِينَ قَالَ لَهُمُ النَّاسُ إِنَّ النَّاسَ قَدْ جَمَعُوا لَكُمْ فَاخْشَوْهُمْ فَزَادَهُمْ إِيمَانًا وَقَالُوا حَسْبُنَا اللَّهُ وَنِعْمَ الْوَكِيلُ 173

Degenen (d.w.z. de gelovigen) tegen wie de mensen (d.w.z. de hypocrieten) zeiden: “Waarlijk, de mensen (d.w.z. de veelgodenaanbidders) hebben zich zeker (massaal) tegen jullie verzameld, vrees hen dus.” Maar dit vermeerderde (juist) hun geloof, en zij zeiden: “Allah is Voldoende voor ons, en Hij is de Beste Zaakwaarnemer.”

فَانقَلَبُوا بِنِعْمَةٍ مِّنَ اللَّهِ وَفَضْلٍ لَّمْ يَمْسَسْهُمْ سُوءٌ وَاتَّبَعُوا رِضْوَانَ اللَّهِ ۗ وَاللَّهُ ذُو فَضْلٍ عَظِيمٍ 174

Dus keerden zij terug met een Genieting en Gunst van Allah. Geen (enkel) kwaad trof hen en zij volgden het Welbehagen van Allah. En Allah is de Bezitter van de grandioze Gunst.

إِنَّمَا ذَٰلِكُمُ الشَّيْطَانُ يُخَوِّفُ أَوْلِيَاءَهُ فَلَا تَخَافُوهُمْ وَخَافُونِ إِن كُنتُم مُّؤْمِنِينَ 175

Het is slechts de satan die zijn helpers angst inboezemt, dus vrees hen niet, maar vrees Mij als jullie gelovigen zijn.

وَلَا يَحْزُنكَ الَّذِينَ يُسَارِعُونَ فِي الْكُفْرِ ۚ إِنَّهُمْ لَن يَضُرُّوا اللَّهَ شَيْئًا ۗ يُرِيدُ اللَّهُ أَلَّا يَجْعَلَ لَهُمْ حَظًّا فِي الْآخِرَةِ ۖ وَلَهُمْ عَذَابٌ عَظِيمٌ 176

En treur (o Mohammed) niet om degenen die zich naar het ongeloof haasten. Waarlijk, zij zullen Allah geen enkele schade berokkenen. Allah wil niet dat zij een aandeel hebben in het Hiernamaals. En voor hen is er een geweldige Bestraffing.

إِنَّ الَّذِينَ اشْتَرَوُا الْكُفْرَ بِالْإِيمَانِ لَن يَضُرُّوا اللَّهَ شَيْئًا وَلَهُمْ عَذَابٌ أَلِيمٌ 177

Voorwaar, degenen die geloof hebben ingeruild voor ongeloof, zullen Allah geen enkele schade berokkenen. En voor hen is er een pijnlijke Bestraffing.

وَلَا يَحْسَبَنَّ الَّذِينَ كَفَرُوا أَنَّمَا نُمْلِي لَهُمْ خَيْرٌ لِّأَنفُسِهِمْ ۚ إِنَّمَا نُمْلِي لَهُمْ لِيَزْدَادُوا إِثْمًا ۚ وَلَهُمْ عَذَابٌ مُّهِينٌ 178

En laat degenen die niet geloven niet denken dat het uitstel dat Wij hun geven (d.w.z. het uitstellen van de Bestraffing) goed voor hen is. Wij stellen de Bestraffing slechts uit zodat zij in zondigheid zullen toenemen. En voor hen is er een vernederende Bestraffing.

مَّا كَانَ اللَّهُ لِيَذَرَ الْمُؤْمِنِينَ عَلَىٰ مَا أَنتُمْ عَلَيْهِ حَتَّىٰ يَمِيزَ الْخَبِيثَ مِنَ الطَّيِّبِ ۗ وَمَا كَانَ اللَّهُ لِيُطْلِعَكُمْ عَلَى الْغَيْبِ وَلَٰكِنَّ اللَّهَ يَجْتَبِي مِن رُّسُلِهِ مَن يَشَاءُ ۖ فَآمِنُوا بِاللَّهِ وَرُسُلِهِ ۚ وَإِن تُؤْمِنُوا وَتَتَّقُوا فَلَكُمْ أَجْرٌ عَظِيمٌ 179

Allah zal de gelovigen niet in de toestand laten waarin jullie (nu) verkeren, totdat Hij het slechte van het goede onderscheidt. Noch zal Allah het onwaarneembare aan jullie openbaren, maar Allah verkiest van Zijn Boodschappers wie Hij wil. Dus geloof in Allah en Zijn Boodschappers. En als jullie geloven en (Allah) vrezen, dan is er voor jullie een grandioze Beloning.

وَلَا يَحْسَبَنَّ الَّذِينَ يَبْخَلُونَ بِمَا آتَاهُمُ اللَّهُ مِن فَضْلِهِ هُوَ خَيْرًا لَّهُم ۖ بَلْ هُوَ شَرٌّ لَّهُمْ ۖ سَيُطَوَّقُونَ مَا بَخِلُوا بِهِ يَوْمَ الْقِيَامَةِ ۗ وَلِلَّهِ مِيرَاثُ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ ۗ وَاللَّهُ بِمَا تَعْمَلُونَ خَبِيرٌ 180

En laat degenen die gierig zijn, met wat Allah hun van Zijn Gunst heeft gegeven, niet denken dat dit goed voor hen is. Welnee! Het is (juist) slecht voor hen. (Datgene) waar zij gierig mee waren, zal op de Dag der Opstanding als ketenen (strak) om hun nekken worden gespannen. En aan Allah (Alleen) behoort de erfenis van de hemelen en de aarde toe. En Allah is op de hoogte van dat wat jullie (in het verborgene) doen.

لَّقَدْ سَمِعَ اللَّهُ قَوْلَ الَّذِينَ قَالُوا إِنَّ اللَّهَ فَقِيرٌ وَنَحْنُ أَغْنِيَاءُ ۘ سَنَكْتُبُ مَا قَالُوا وَقَتْلَهُمُ الْأَنبِيَاءَ بِغَيْرِ حَقٍّ وَنَقُولُ ذُوقُوا عَذَابَ الْحَرِيقِ 181

Voorzeker, Allah heeft de uitspraak gehoord van degenen (d.w.z. de joden) die zeiden: “Waarlijk, Allah is arm en wij zijn rijk.” Wij zullen noteren wat zij gezegd hebben en (ook) dat zij de Profeten onrechtmatig hebben gedood, en Wij zullen zeggen: “Proef de brandende Bestraffing.”

ذَٰلِكَ بِمَا قَدَّمَتْ أَيْدِيكُمْ وَأَنَّ اللَّهَ لَيْسَ بِظَلَّامٍ لِّلْعَبِيدِ 182

Dat is vanwege dat wat jullie handen hebben voortgebracht. En voorwaar, Allah is niet onrechtvaardig tegenover de dienaren.

الَّذِينَ قَالُوا إِنَّ اللَّهَ عَهِدَ إِلَيْنَا أَلَّا نُؤْمِنَ لِرَسُولٍ حَتَّىٰ يَأْتِيَنَا بِقُرْبَانٍ تَأْكُلُهُ النَّارُ ۗ قُلْ قَدْ جَاءَكُمْ رُسُلٌ مِّن قَبْلِي بِالْبَيِّنَاتِ وَبِالَّذِي قُلْتُمْ فَلِمَ قَتَلْتُمُوهُمْ إِن كُنتُمْ صَادِقِينَ 183

Degenen (d.w.z. de joden) die zeiden: “Voorwaar, Allah heeft ons toegezegd dat wij in geen enkele Boodschapper hoeven te geloven, totdat Hij ons een offer schenkt dat (vanuit de hemel) door het vuur wordt verteerd.” Zeg: “Er zijn zeker vóór mij Boodschappers tot jullie gekomen met duidelijke Bewijzen, en (zelfs) met dat waarover jullie spreken. Als jullie waarachtig zijn, waarom hebben jullie hen dan gedood?”

فَإِن كَذَّبُوكَ فَقَدْ كُذِّبَ رُسُلٌ مِّن قَبْلِكَ جَاءُوا بِالْبَيِّنَاتِ وَالزُّبُرِ وَالْكِتَابِ الْمُنِيرِ 184

En als zij jou (o Mohammed) verloochenen, voorzeker, zij hebben de Boodschappers die vóór jou kwamen met duidelijke Bewijzen, en met de Geschriften en met het verlichte Boek, ook verloochend.

كُلُّ نَفْسٍ ذَائِقَةُ الْمَوْتِ ۗ وَإِنَّمَا تُوَفَّوْنَ أُجُورَكُمْ يَوْمَ الْقِيَامَةِ ۖ فَمَن زُحْزِحَ عَنِ النَّارِ وَأُدْخِلَ الْجَنَّةَ فَقَدْ فَازَ ۗ وَمَا الْحَيَاةُ الدُّنْيَا إِلَّا مَتَاعُ الْغُرُورِ 185

Iedere ziel zal de dood proeven. En alleen op de Dag der Opstanding zullen jullie je volledige beloning ontvangen. En wie van het Vuur wordt afgehouden en tot het Paradijs wordt toegelaten, heeft zeker gewonnen. En het wereldse leven is slechts een misleidende genieting.

لَتُبْلَوُنَّ فِي أَمْوَالِكُمْ وَأَنفُسِكُمْ وَلَتَسْمَعُنَّ مِنَ الَّذِينَ أُوتُوا الْكِتَابَ مِن قَبْلِكُمْ وَمِنَ الَّذِينَ أَشْرَكُوا أَذًى كَثِيرًا ۚ وَإِن تَصْبِرُوا وَتَتَّقُوا فَإِنَّ ذَٰلِكَ مِنْ عَزْمِ الْأُمُورِ 186

Jullie zullen zeker beproefd worden met jullie bezittingen en met julliezelf. En jullie zullen veel kwaads horen van degenen die het Boek vóór jullie hebben ontvangen, en van degenen die deelgenoten (aan Allah) toekennen. Maar als jullie geduldig zijn en (Allah) vrezen; dan behoort dat waarlijk tot de bepalende zaken (voor het geloof).

وَإِذْ أَخَذَ اللَّهُ مِيثَاقَ الَّذِينَ أُوتُوا الْكِتَابَ لَتُبَيِّنُنَّهُ لِلنَّاسِ وَلَا تَكْتُمُونَهُ فَنَبَذُوهُ وَرَاءَ ظُهُورِهِمْ وَاشْتَرَوْا بِهِ ثَمَنًا قَلِيلًا ۖ فَبِئْسَ مَا يَشْتَرُونَ 187

(En gedenk) toen Allah een Verbond aanging met degenen aan wie het Boek was gegeven, om het duidelijk te maken aan de mensen, en om het niet verborgen te houden. Maar zij wierpen het achter hun ruggen en ruilden het in tegen een geringe prijs. Slecht is datgene waarvoor zij het inruilden.

لَا تَحْسَبَنَّ الَّذِينَ يَفْرَحُونَ بِمَا أَتَوا وَّيُحِبُّونَ أَن يُحْمَدُوا بِمَا لَمْ يَفْعَلُوا فَلَا تَحْسَبَنَّهُم بِمَفَازَةٍ مِّنَ الْعَذَابِ ۖ وَلَهُمْ عَذَابٌ أَلِيمٌ 188

Denk niet dat degenen die verblijd zijn met wat zij hebben gedaan, en ervan houden om geprezen te worden voor iets wat zij niet hebben gedaan, denk niet dat zij gered zijn van de Bestraffing. En voor hen is er een pijnlijke Bestraffing.

وَلِلَّهِ مُلْكُ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ ۗ وَاللَّهُ عَلَىٰ كُلِّ شَيْءٍ قَدِيرٌ 189

En aan Allah behoort het Koningschap van de hemelen en de aarde toe. En Allah is tot alles in staat.

إِنَّ فِي خَلْقِ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ وَاخْتِلَافِ اللَّيْلِ وَالنَّهَارِ لَآيَاتٍ لِّأُولِي الْأَلْبَابِ 190

Voorwaar, in de schepping van de hemelen en de aarde en de afwisseling van de nacht en de dag bevinden zich zeker tekenen voor de bezitters van verstand.

الَّذِينَ يَذْكُرُونَ اللَّهَ قِيَامًا وَقُعُودًا وَعَلَىٰ جُنُوبِهِمْ وَيَتَفَكَّرُونَ فِي خَلْقِ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ رَبَّنَا مَا خَلَقْتَ هَٰذَا بَاطِلًا سُبْحَانَكَ فَقِنَا عَذَابَ النَّارِ 191

Degenen die Allah staand, zittend en op hun zij gedenken, en de schepping van de hemelen en de aarde overpeinzen (zeggende): “Onze Heer, U heeft dit (alles) niet zonder doel geschapen. Verheven bent U. Bescherm ons dan tegen de bestraffing van het Vuur.

رَبَّنَا إِنَّكَ مَن تُدْخِلِ النَّارَ فَقَدْ أَخْزَيْتَهُ ۖ وَمَا لِلظَّالِمِينَ مِنْ أَنصَارٍ 192

Onze Heer, waarlijk, degene die U tot het Vuur doet binnentreden, heeft U zeker te schande gebracht. En de onrechtplegers zullen geen helpers vinden.

رَّبَّنَا إِنَّنَا سَمِعْنَا مُنَادِيًا يُنَادِي لِلْإِيمَانِ أَنْ آمِنُوا بِرَبِّكُمْ فَآمَنَّا ۚ رَبَّنَا فَاغْفِرْ لَنَا ذُنُوبَنَا وَكَفِّرْ عَنَّا سَيِّئَاتِنَا وَتَوَفَّنَا مَعَ الْأَبْرَارِ 193

Onze Heer, voorwaar, wij hebben een oproeper (d.w.z. Mohammed) gehoord die oproept tot het geloof: “Geloof in jullie Heer.” En wij hebben geloofd. Onze Heer, vergeef ons onze zonden en scheld ons onze slechte daden kwijt en laat ons sterven met de weldoeners.

رَبَّنَا وَآتِنَا مَا وَعَدتَّنَا عَلَىٰ رُسُلِكَ وَلَا تُخْزِنَا يَوْمَ الْقِيَامَةِ ۗ إِنَّكَ لَا تُخْلِفُ الْمِيعَادَ 194

Onze Heer, schenk ons wat U ons heeft beloofd via Uw Boodschappers en breng ons niet te schande op de Dag der Opstanding. Voorwaar, U verbreekt Uw Belofte nooit.”

فَاسْتَجَابَ لَهُمْ رَبُّهُمْ أَنِّي لَا أُضِيعُ عَمَلَ عَامِلٍ مِّنكُم مِّن ذَكَرٍ أَوْ أُنثَىٰ ۖ بَعْضُكُم مِّن بَعْضٍ ۖ فَالَّذِينَ هَاجَرُوا وَأُخْرِجُوا مِن دِيَارِهِمْ وَأُوذُوا فِي سَبِيلِي وَقَاتَلُوا وَقُتِلُوا لَأُكَفِّرَنَّ عَنْهُمْ سَيِّئَاتِهِمْ وَلَأُدْخِلَنَّهُمْ جَنَّاتٍ تَجْرِي مِن تَحْتِهَا الْأَنْهَارُ ثَوَابًا مِّنْ عِندِ اللَّهِ ۗ وَاللَّهُ عِندَهُ حُسْنُ الثَّوَابِ 195

Dus gaf hun Heer gehoor aan hen (en Hij zei): “Nooit laat Ik het werk van iemand van jullie verloren gaan, of het nu een man of een vrouw betreft. Jullie komen uit elkaar voort. Degenen die dus emigreerden en uit hun huizen werden verdreven, en schade leden op Mijn Weg, en degenen die streden en gedood werden; Ik zal hen hun slechte daden zeker kwijtschelden en hen zeker toelaten tot Tuinen waaronder rivieren stromen. Een Beloning afkomstig van Allah. En bij Allah is de beste Beloning.”

لَا يَغُرَّنَّكَ تَقَلُّبُ الَّذِينَ كَفَرُوا فِي الْبِلَادِ 196

Laat het (weelderige) rondtrekken door het land, van degenen die niet geloven, jou niet misleiden.

مَتَاعٌ قَلِيلٌ ثُمَّ مَأْوَاهُمْ جَهَنَّمُ ۚ وَبِئْسَ الْمِهَادُ 197

(Dit is) een kortstondige genieting. Vervolgens is de Hel hun verblijfplaats. En dat is de slechtste Verblijfplaats.

لَٰكِنِ الَّذِينَ اتَّقَوْا رَبَّهُمْ لَهُمْ جَنَّاتٌ تَجْرِي مِن تَحْتِهَا الْأَنْهَارُ خَالِدِينَ فِيهَا نُزُلًا مِّنْ عِندِ اللَّهِ ۗ وَمَا عِندَ اللَّهِ خَيْرٌ لِّلْأَبْرَارِ 198

Maar voor degenen die hun Heer vrezen, zijn er Tuinen waaronder rivieren stromen. Voor eeuwig (vertoeven zij) daarin: een Genieting afkomstig van Allah. En wat bij Allah is, is het beste voor de weldoeners.

وَإِنَّ مِنْ أَهْلِ الْكِتَابِ لَمَن يُؤْمِنُ بِاللَّهِ وَمَا أُنزِلَ إِلَيْكُمْ وَمَا أُنزِلَ إِلَيْهِمْ خَاشِعِينَ لِلَّهِ لَا يَشْتَرُونَ بِآيَاتِ اللَّهِ ثَمَنًا قَلِيلًا ۗ أُولَٰئِكَ لَهُمْ أَجْرُهُمْ عِندَ رَبِّهِمْ ۗ إِنَّ اللَّهَ سَرِيعُ الْحِسَابِ 199

En voorwaar, onder de lieden van het Boek zijn er (sommigen) die in Allah geloven en (ook) in wat er aan jullie is neergezonden en in wat er aan hen is neergezonden, terwijl zij zich nederig opstellen tegenover Allah. Zij ruilen de Verzen van Allah niet in tegen een geringe prijs. Voor hen is hun beloning bij hun Heer. Voorwaar, Allah is Snel in de Verrekening.

يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا اصْبِرُوا وَصَابِرُوا وَرَابِطُوا وَاتَّقُوا اللَّهَ لَعَلَّكُمْ تُفْلِحُونَ 200

O jullie die geloven, wees geduldig en toon meer geduld (dan jullie vijand), en waak over jullie grondgebied (tegen de vijand) en vrees Allah, opdat jullie succesvol zullen zijn.

2 thoughts on “Soera 3 – Ali-Imran – Imrans Mensen – آل عمران”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Close