Soera 29 – Al-Ankabut – De Spin – العنكبوت

bismillah ir rahman ir rahim

الم 1

Alif-Laam-Miem.

أَحَسِبَ النَّاسُ أَن يُتْرَكُوا أَن يَقُولُوا آمَنَّا وَهُمْ لَا يُفْتَنُونَ 2

Denken de mensen (werkelijk) dat zij met rust zullen worden gelaten, als zij zeggen: “Wij geloven”, en dat zij niet beproefd zullen worden?

وَلَقَدْ فَتَنَّا الَّذِينَ مِن قَبْلِهِمْ ۖ فَلَيَعْلَمَنَّ اللَّهُ الَّذِينَ صَدَقُوا وَلَيَعْلَمَنَّ الْكَاذِبِينَ 3

En voorzeker, Wij hebben degenen vóór hen beproefd. En Allah zal zeker degenen die oprecht zijn tonen en Hij zal zeker de leugenaars tonen.

أَمْ حَسِبَ الَّذِينَ يَعْمَلُونَ السَّيِّئَاتِ أَن يَسْبِقُونَا ۚ سَاءَ مَا يَحْكُمُونَ 4

Of denken degenen die slechte daden verrichten dat zij een voorsprong op Ons hebben (d.w.z. dat zij aan Onze Bestraffing zullen ontsnappen)? Slecht is wat zij oordelen.

مَن كَانَ يَرْجُو لِقَاءَ اللَّهِ فَإِنَّ أَجَلَ اللَّهِ لَآتٍ ۚ وَهُوَ السَّمِيعُ الْعَلِيمُ 5

Wie op de Ontmoeting met Allah hoopt, voorwaar, het (vastgestelde) Tijdstip van Allah zal zeker komen. En Hij is de Alhorende, de Alwetende.

وَمَن جَاهَدَ فَإِنَّمَا يُجَاهِدُ لِنَفْسِهِ ۚ إِنَّ اللَّهَ لَغَنِيٌّ عَنِ الْعَالَمِينَ 6

En wie (op de Weg van Allah) strijdt, strijdt slechts voor zichzelf. Voorwaar, Allah heeft zeker geen behoefte aan de werelden.

وَالَّذِينَ آمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ لَنُكَفِّرَنَّ عَنْهُمْ سَيِّئَاتِهِمْ وَلَنَجْزِيَنَّهُمْ أَحْسَنَ الَّذِي كَانُوا يَعْمَلُونَ 7

En degenen die geloven en goede daden verrichten, Wij zullen hun slechte daden zeker kwijtschelden. En Wij zullen hen zeker belonen voor het goede wat zij deden.

وَوَصَّيْنَا الْإِنسَانَ بِوَالِدَيْهِ حُسْنًا ۖ وَإِن جَاهَدَاكَ لِتُشْرِكَ بِي مَا لَيْسَ لَكَ بِهِ عِلْمٌ فَلَا تُطِعْهُمَا ۚ إِلَيَّ مَرْجِعُكُمْ فَأُنَبِّئُكُم بِمَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَ 8

En Wij hebben de mens opgedragen om goed te zijn voor zijn ouders. En als zij er bij jou op aandringen dat jij deelgenoten aan Mij toekent, waar jij geen kennis over hebt, gehoorzaam hun dan niet. Tot Mij zullen jullie terugkeren en Ik zal jullie dan berichten over dat wat jullie deden.

وَالَّذِينَ آمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ لَنُدْخِلَنَّهُمْ فِي الصَّالِحِينَ 9

En degenen die geloven en goede daden verrichten, zullen Wij zeker (het Paradijs) doen binnentreden in (het bijzijn van) de rechtschapenen.

وَمِنَ النَّاسِ مَن يَقُولُ آمَنَّا بِاللَّهِ فَإِذَا أُوذِيَ فِي اللَّهِ جَعَلَ فِتْنَةَ النَّاسِ كَعَذَابِ اللَّهِ وَلَئِن جَاءَ نَصْرٌ مِّن رَّبِّكَ لَيَقُولُنَّ إِنَّا كُنَّا مَعَكُمْ ۚ أَوَلَيْسَ اللَّهُ بِأَعْلَمَ بِمَا فِي صُدُورِ الْعَالَمِينَ 10

En onder de mensen zijn er (sommigen) die zeggen: “Wij geloven in Allah.” Maar als hem schade wordt berokkend, omwille van Allah, beschouwt hij de beproeving van de mensen als de Bestraffing van Allah. En wanneer de Overwinning van jouw Heer komt, zullen zij (d.w.z. de hypocrieten) zeker zeggen: “Voorwaar, wij waren met jullie (d.w.z. wij hielpen jullie).” Is Allah niet beter op de hoogte van dat wat er zich in de borsten van de werelden (d.w.z. van de mensen en de djinns) bevindt?

وَلَيَعْلَمَنَّ اللَّهُ الَّذِينَ آمَنُوا وَلَيَعْلَمَنَّ الْمُنَافِقِينَ 11

En Allah zal zeker degenen die geloven tonen en Hij zal zeker de hypocrieten tonen.

وَقَالَ الَّذِينَ كَفَرُوا لِلَّذِينَ آمَنُوا اتَّبِعُوا سَبِيلَنَا وَلْنَحْمِلْ خَطَايَاكُمْ وَمَا هُم بِحَامِلِينَ مِنْ خَطَايَاهُم مِّن شَيْءٍ ۖ إِنَّهُمْ لَكَاذِبُونَ 12

En degenen die niet geloven zeiden tegen degenen die geloven: “Volg onze weg en wij zullen (dan) zeker jullie zonden dragen.” Maar zij zullen nooit iets van hun zonden dragen. Voorwaar, zij zijn zeker leugenaars.

وَلَيَحْمِلُنَّ أَثْقَالَهُمْ وَأَثْقَالًا مَّعَ أَثْقَالِهِمْ ۖ وَلَيُسْأَلُنَّ يَوْمَ الْقِيَامَةِ عَمَّا كَانُوا يَفْتَرُونَ 13

En zij zullen zeker hun (eigen) lasten en (andere) lasten naast hun (eigen) lasten dragen. En zij zullen op de Dag der Opstanding zeker ondervraagd worden over dat wat zij verzonnen.

وَلَقَدْ أَرْسَلْنَا نُوحًا إِلَىٰ قَوْمِهِ فَلَبِثَ فِيهِمْ أَلْفَ سَنَةٍ إِلَّا خَمْسِينَ عَامًا فَأَخَذَهُمُ الطُّوفَانُ وَهُمْ ظَالِمُونَ 14

En voorzeker, Wij hebben Noeh naar zijn volk gestuurd en hij verbleef duizend jaar onder hen, op vijftig jaar na. Toen werden zij getroffen door de zondvloed, terwijl zij onrechtplegers waren.

فَأَنجَيْنَاهُ وَأَصْحَابَ السَّفِينَةِ وَجَعَلْنَاهَا آيَةً لِّلْعَالَمِينَ 15

Toen redden Wij hem en de mensen van het schip. En zo maakten Wij dit als een teken voor de werelden.

وَإِبْرَاهِيمَ إِذْ قَالَ لِقَوْمِهِ اعْبُدُوا اللَّهَ وَاتَّقُوهُ ۖ ذَٰلِكُمْ خَيْرٌ لَّكُمْ إِن كُنتُمْ تَعْلَمُونَ 16

En (gedenk) toen Ibraahiem tegen zijn volk zei: “Aanbid Allah en vrees Hem. Dat is beter voor jullie, als jullie (het maar) wisten.

إِنَّمَا تَعْبُدُونَ مِن دُونِ اللَّهِ أَوْثَانًا وَتَخْلُقُونَ إِفْكًا ۚ إِنَّ الَّذِينَ تَعْبُدُونَ مِن دُونِ اللَّهِ لَا يَمْلِكُونَ لَكُمْ رِزْقًا فَابْتَغُوا عِندَ اللَّهِ الرِّزْقَ وَاعْبُدُوهُ وَاشْكُرُوا لَهُ ۖ إِلَيْهِ تُرْجَعُونَ 17

Jullie aanbidden naast Allah slechts afgodsbeelden en (wat) jullie maken (aan afgodsbeelden zijn slechts) leugens. Waarlijk, degenen die jullie naast Allah aanbidden zijn niet in staat om jullie van levensonderhoud te voorzien. Zoek dus (jullie) levensonderhoud bij Allah, en aanbid Hem, en wees Hem dankbaar. Tot Hem zullen jullie terugkeren.

وَإِن تُكَذِّبُوا فَقَدْ كَذَّبَ أُمَمٌ مِّن قَبْلِكُمْ ۖ وَمَا عَلَى الرَّسُولِ إِلَّا الْبَلَاغُ الْمُبِينُ 18

En als jullie (de Boodschapper Mohammed) verloochenen, voorzeker, vóór jullie hebben (andere) gemeenschappen ook (hun Boodschappers) verloochend. En op de Boodschapper rust slechts (de plicht tot) de duidelijke verkondiging.”

أَوَلَمْ يَرَوْا كَيْفَ يُبْدِئُ اللَّهُ الْخَلْقَ ثُمَّ يُعِيدُهُ ۚ إِنَّ ذَٰلِكَ عَلَى اللَّهِ يَسِيرٌ 19

Zien zij (dan) niet hoe Allah de schepping begint en deze vervolgens (na de dood) herhaalt? Voorwaar, dit is gemakkelijk voor Allah.

قُلْ سِيرُوا فِي الْأَرْضِ فَانظُرُوا كَيْفَ بَدَأَ الْخَلْقَ ۚ ثُمَّ اللَّهُ يُنشِئُ النَّشْأَةَ الْآخِرَةَ ۚ إِنَّ اللَّهَ عَلَىٰ كُلِّ شَيْءٍ قَدِيرٌ 20

Zeg: “Trek rond op aarde en zie hoe (Allah) de schepping begint, vervolgens doet Allah deze schepping in het Hiernamaals (opnieuw) ontstaan. Voorwaar, Allah is tot alles in staat.”

يُعَذِّبُ مَن يَشَاءُ وَيَرْحَمُ مَن يَشَاءُ ۖ وَإِلَيْهِ تُقْلَبُونَ 21

Hij bestraft wie Hij wil en Hij begenadigt wie Hij wil, en tot Hem zullen jullie terugkeren.

وَمَا أَنتُم بِمُعْجِزِينَ فِي الْأَرْضِ وَلَا فِي السَّمَاءِ ۖ وَمَا لَكُم مِّن دُونِ اللَّهِ مِن وَلِيٍّ وَلَا نَصِيرٍ 22

En jullie zullen er niet aan (d.w.z. aan Zijn Bestraffing) kunnen ontsnappen op aarde, en ook niet in de hemel. En naast Allah hebben jullie geen beschermer en geen helper.

وَالَّذِينَ كَفَرُوا بِآيَاتِ اللَّهِ وَلِقَائِهِ أُولَٰئِكَ يَئِسُوا مِن رَّحْمَتِي وَأُولَٰئِكَ لَهُمْ عَذَابٌ أَلِيمٌ 23

En degenen die niet geloven in de Tekenen van Allah en de Ontmoeting met Hem, zij hopen niet (meer) op Mijn Genade (wanneer zij de Bestraffing aanschouwen). En voor hen is er een pijnlijke Bestraffing.

فَمَا كَانَ جَوَابَ قَوْمِهِ إِلَّا أَن قَالُوا اقْتُلُوهُ أَوْ حَرِّقُوهُ فَأَنجَاهُ اللَّهُ مِنَ النَّارِ ۚ إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَاتٍ لِّقَوْمٍ يُؤْمِنُونَ 24

En het antwoord van zijn volk was slechts dat zij zeiden: “Dood hem, of verbrand hem.” Toen redde Allah hem van het vuur. Waarlijk, hierin bevinden zich zeker tekenen voor een volk dat gelooft.

وَقَالَ إِنَّمَا اتَّخَذْتُم مِّن دُونِ اللَّهِ أَوْثَانًا مَّوَدَّةَ بَيْنِكُمْ فِي الْحَيَاةِ الدُّنْيَا ۖ ثُمَّ يَوْمَ الْقِيَامَةِ يَكْفُرُ بَعْضُكُم بِبَعْضٍ وَيَلْعَنُ بَعْضُكُم بَعْضًا وَمَأْوَاكُمُ النَّارُ وَمَا لَكُم مِّن نَّاصِرِينَ 25

En hij (Ibraahiem) zei: “Jullie hebben naast Allah slechts afgodsbeelden (ter aanbidding) aangenomen. De genegenheid tussen jullie (omwille van deze afgodsbeelden) is (slechts) in dit wereldse leven. Vervolgens zullen jullie elkaar op de Dag des Oordeels verloochenen en elkaar vervloeken. En jullie verblijfplaats zal het Vuur zijn en jullie zullen geen helpers hebben.”

فَآمَنَ لَهُ لُوطٌ ۘ وَقَالَ إِنِّي مُهَاجِرٌ إِلَىٰ رَبِّي ۖ إِنَّهُ هُوَ الْعَزِيزُ الْحَكِيمُ 26

En Loet geloofde hem (Ibraahiem) en hij (Ibraahiem) zei: “Waarlijk, ik zal omwille van mijn Heer emigreren. Waarlijk, Hij is de Almachtige, de Alwijze.”

وَوَهَبْنَا لَهُ إِسْحَاقَ وَيَعْقُوبَ وَجَعَلْنَا فِي ذُرِّيَّتِهِ النُّبُوَّةَ وَالْكِتَابَ وَآتَيْنَاهُ أَجْرَهُ فِي الدُّنْيَا ۖ وَإِنَّهُ فِي الْآخِرَةِ لَمِنَ الصَّالِحِينَ 27

En Wij begunstigden hem met Ishaaq en Yacqoeb. En Wij hebben onder zijn nageslacht het Profeetschap en het Boek aangesteld en Wij gaven hem zijn beloning in deze wereld. En waarlijk, in het Hiernamaals zal hij zeker tot de rechtschapenen behoren.

وَلُوطًا إِذْ قَالَ لِقَوْمِهِ إِنَّكُمْ لَتَأْتُونَ الْفَاحِشَةَ مَا سَبَقَكُم بِهَا مِنْ أَحَدٍ مِّنَ الْعَالَمِينَ 28

En (gedenk) toen Loet tegen zijn volk zei: “Waarlijk, jullie plegen zeker een verdorvenheid die nog nooit iemand van de werelden vóór jullie heeft begaan.

أَئِنَّكُمْ لَتَأْتُونَ الرِّجَالَ وَتَقْطَعُونَ السَّبِيلَ وَتَأْتُونَ فِي نَادِيكُمُ الْمُنكَرَ ۖ فَمَا كَانَ جَوَابَ قَوْمِهِ إِلَّا أَن قَالُوا ائْتِنَا بِعَذَابِ اللَّهِ إِن كُنتَ مِنَ الصَّادِقِينَ 29

Voorwaar, jullie benaderen de mannen (voor het hebben van geslachtsgemeenschap) en versperren de wegen (d.w.z. dat jullie de reizigers tot sodomie dwingen) en praktiseren het slechte tijdens jullie ontmoetingen.” En het antwoord van zijn volk was slechts dat zij zeiden: “Doe ons een Bestraffing van Allah toekomen, als jij tot de waarachtigen behoort.”

قَالَ رَبِّ انصُرْنِي عَلَى الْقَوْمِ الْمُفْسِدِينَ 30

Hij zei: “O mijn Heer, help mij tegen het volk van de verderfzaaiers.”

وَلَمَّا جَاءَتْ رُسُلُنَا إِبْرَاهِيمَ بِالْبُشْرَىٰ قَالُوا إِنَّا مُهْلِكُو أَهْلِ هَٰذِهِ الْقَرْيَةِ ۖ إِنَّ أَهْلَهَا كَانُوا ظَالِمِينَ 31

En toen Onze Gezanten (d.w.z. de Engelen) naar Ibraahiem kwamen met de verheugende tijding, zeiden zij: “Voorwaar, wij zullen de inwoners van deze stad (d.w.z. de stad van Loet) vernietigen. Waarlijk, de inwoners hiervan waren onrechtplegers.”

قَالَ إِنَّ فِيهَا لُوطًا ۚ قَالُوا نَحْنُ أَعْلَمُ بِمَن فِيهَا ۖ لَنُنَجِّيَنَّهُ وَأَهْلَهُ إِلَّا امْرَأَتَهُ كَانَتْ مِنَ الْغَابِرِينَ 32

Hij (Ibraahiem) zei: “Voorwaar, Loet is daar (ook).” Zij zeiden: “Wij weten (het best) wie daar is. Wij zullen hem en zijn familie zeker redden, behalve zijn vrouw. Zij behoort tot de achterblijvers (voor wie de bestraffing is bestemd).”

وَلَمَّا أَن جَاءَتْ رُسُلُنَا لُوطًا سِيءَ بِهِمْ وَضَاقَ بِهِمْ ذَرْعًا وَقَالُوا لَا تَخَفْ وَلَا تَحْزَنْ ۖ إِنَّا مُنَجُّوكَ وَأَهْلَكَ إِلَّا امْرَأَتَكَ كَانَتْ مِنَ الْغَابِرِينَ 33

En toen Onze Gezanten (d.w.z. de Engelen) naar Loet kwamen, was hij bedroefd om hun (komst) en werd de last te zwaar voor hem. Zij zeiden: “Vrees niet en treur niet. Voorwaar, Wij zullen jou en jouw familie redden, behalve jouw vrouw. Zij behoort (ook) tot de achterblijvers (voor wie de bestraffing is bestemd).

إِنَّا مُنزِلُونَ عَلَىٰ أَهْلِ هَٰذِهِ الْقَرْيَةِ رِجْزًا مِّنَ السَّمَاءِ بِمَا كَانُوا يَفْسُقُونَ 34

Voorwaar, Wij laten een bestraffing vanuit de hemel op de inwoners van deze stad neerdalen, vanwege het verderf dat zij zaaiden.”

وَلَقَد تَّرَكْنَا مِنْهَا آيَةً بَيِّنَةً لِّقَوْمٍ يَعْقِلُونَ 35

En voorzeker, Wij hebben daarvan duidelijke tekenen achtergelaten voor een volk dat begrijpt.

وَإِلَىٰ مَدْيَنَ أَخَاهُمْ شُعَيْبًا فَقَالَ يَا قَوْمِ اعْبُدُوا اللَّهَ وَارْجُوا الْيَوْمَ الْآخِرَ وَلَا تَعْثَوْا فِي الْأَرْضِ مُفْسِدِينَ 36

En tot (het volk van) Madyan (zonden Wij) hun broeder Shoecayb. En hij zei: “O mijn volk, aanbid Allah, en hoop op (de beloning van) de Laatste Dag en trek niet als verderfzaaiers rond op aarde.”

فَكَذَّبُوهُ فَأَخَذَتْهُمُ الرَّجْفَةُ فَأَصْبَحُوا فِي دَارِهِمْ جَاثِمِينَ 37

Maar zij verloochenden hem, daarom werden zij getroffen door de aardbeving, waarna zij uitgestrekt in hun huizen op de grond lagen.

وَعَادًا وَثَمُودَ وَقَد تَّبَيَّنَ لَكُم مِّن مَّسَاكِنِهِمْ ۖ وَزَيَّنَ لَهُمُ الشَّيْطَانُ أَعْمَالَهُمْ فَصَدَّهُمْ عَنِ السَّبِيلِ وَكَانُوا مُسْتَبْصِرِينَ 38

En (het volk van) cAad en Thamoed. En voorzeker het (d.w.z. hun vernietiging) werd voor jullie duidelijk (gemaakt) door hun (vernietigde) woonplaatsen. En de satan heeft hun daden schoonschijnend voor hen gemaakt en hield hen van de (rechte) Weg af. Terwijl zij degenen waren met inzicht.

وَقَارُونَ وَفِرْعَوْنَ وَهَامَانَ ۖ وَلَقَدْ جَاءَهُم مُّوسَىٰ بِالْبَيِّنَاتِ فَاسْتَكْبَرُوا فِي الْأَرْضِ وَمَا كَانُوا سَابِقِينَ 39

En (gedenk) Qaaroen en de farao en Haamaan. En voorzeker, Moesa kwam met duidelijke Bewijzen tot hen. Maar zij stelden zich op aarde hoogmoedig op. Toch konden zij Ons niet voorbijstreven (d.w.z. aan Onze Bestraffing ontsnappen).

فَكُلًّا أَخَذْنَا بِذَنبِهِ ۖ فَمِنْهُم مَّنْ أَرْسَلْنَا عَلَيْهِ حَاصِبًا وَمِنْهُم مَّنْ أَخَذَتْهُ الصَّيْحَةُ وَمِنْهُم مَّنْ خَسَفْنَا بِهِ الْأَرْضَ وَمِنْهُم مَّنْ أَغْرَقْنَا ۚ وَمَا كَانَ اللَّهُ لِيَظْلِمَهُمْ وَلَٰكِن كَانُوا أَنفُسَهُمْ يَظْلِمُونَ 40

Dus grepen Wij eenieder (van hen) vanwege zijn zonde. Onder hen waren er (sommigen) op wie Wij stenen (uit de hemel) afstuurden. En onder hen waren er (sommigen) die Wij met de (afschuwelijke) schreeuw troffen. En onder hen waren er (sommigen) die Wij in de aarde lieten wegzakken. En onder hen waren er (sommigen) die Wij verdronken. En het was niet Allah die hun onrecht aandeed, maar zij deden zichzelf onrecht aan.

مَثَلُ الَّذِينَ اتَّخَذُوا مِن دُونِ اللَّهِ أَوْلِيَاءَ كَمَثَلِ الْعَنكَبُوتِ اتَّخَذَتْ بَيْتًا ۖ وَإِنَّ أَوْهَنَ الْبُيُوتِ لَبَيْتُ الْعَنكَبُوتِ ۖ لَوْ كَانُوا يَعْلَمُونَ 41

En de gelijkenis van degenen die naast Allah beschermers nemen, is als de gelijkenis van een spin die een huis (voor zichzelf) bouwt (d.w.z. een web maakt). Maar waarlijk, het zwakste huis is zeker het huis van een spin, als zij (het maar) wisten.

إِنَّ اللَّهَ يَعْلَمُ مَا يَدْعُونَ مِن دُونِهِ مِن شَيْءٍ ۚ وَهُوَ الْعَزِيزُ الْحَكِيمُ 42

Waarlijk, Allah weet wat voor iets zij naast Hem aanroepen. En Hij is de Almachtige, de Alwijze.

وَتِلْكَ الْأَمْثَالُ نَضْرِبُهَا لِلنَّاسِ ۖ وَمَا يَعْقِلُهَا إِلَّا الْعَالِمُونَ 43

En zo stellen Wij de voorbeelden voor de mensen. En niemand begrijpt het, behalve degenen die over kennis beschikken.

خَلَقَ اللَّهُ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضَ بِالْحَقِّ ۚ إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَةً لِّلْمُؤْمِنِينَ 44

Allah heeft de hemelen en de aarde naar waarheid geschapen. Voorwaar, daarin bevindt zich zeker een teken voor de gelovigen.

اتْلُ مَا أُوحِيَ إِلَيْكَ مِنَ الْكِتَابِ وَأَقِمِ الصَّلَاةَ ۖ إِنَّ الصَّلَاةَ تَنْهَىٰ عَنِ الْفَحْشَاءِ وَالْمُنكَرِ ۗ وَلَذِكْرُ اللَّهِ أَكْبَرُ ۗ وَاللَّهُ يَعْلَمُ مَا تَصْنَعُونَ 45

Draag voor wat aan jou (o Mohammed) is geopenbaard van het Boek, en onderhoud het gebed. Waarlijk, het gebed houdt af van de verdorvenheid en het slechte. En het gedenken van Allah is zeker het grootst. En Allah weet wat jullie doen.

وَلَا تُجَادِلُوا أَهْلَ الْكِتَابِ إِلَّا بِالَّتِي هِيَ أَحْسَنُ إِلَّا الَّذِينَ ظَلَمُوا مِنْهُمْ ۖ وَقُولُوا آمَنَّا بِالَّذِي أُنزِلَ إِلَيْنَا وَأُنزِلَ إِلَيْكُمْ وَإِلَٰهُنَا وَإِلَٰهُكُمْ وَاحِدٌ وَنَحْنُ لَهُ مُسْلِمُونَ 46

En redetwist niet met de lieden van het Boek, behalve op een goede wijze, tenzij het degenen onder hen (betreft) die onrecht plegen. En zeg (tegen hen): “Wij geloven in datgene wat er aan ons is neergezonden en (in datgene wat er) aan jullie is neergezonden, en onze God en jullie God is één. En aan Hem geven wij ons over.”

وَكَذَٰلِكَ أَنزَلْنَا إِلَيْكَ الْكِتَابَ ۚ فَالَّذِينَ آتَيْنَاهُمُ الْكِتَابَ يُؤْمِنُونَ بِهِ ۖ وَمِنْ هَٰؤُلَاءِ مَن يُؤْمِنُ بِهِ ۚ وَمَا يَجْحَدُ بِآيَاتِنَا إِلَّا الْكَافِرُونَ 47

En zo hebben Wij aan jou het Boek neergezonden. En degenen aan wie Wij het Boek hebben gegeven (d.w.z. de lieden van het Boek) geloven daarin. En onder hen zijn er sommigen die daarin (d.w.z. in jouw Boek) geloven. En niemand ontkent Onze Verzen, behalve de ongelovigen.

وَمَا كُنتَ تَتْلُو مِن قَبْلِهِ مِن كِتَابٍ وَلَا تَخُطُّهُ بِيَمِينِكَ ۖ إِذًا لَّارْتَابَ الْمُبْطِلُونَ 48

En jij (o Mohammed) droeg hiervóór (d.w.z. vóór de Koran) geen (enkel) boek (aan hen) voor, noch schreef jij het (d.w.z. een of ander boek) met jouw rechterhand. In dat geval zouden degenen van wie de daden teniet zijn gedaan (doordat zij valse goden aanroepen) zeker in twijfel hebben verkeerd.

بَلْ هُوَ آيَاتٌ بَيِّنَاتٌ فِي صُدُورِ الَّذِينَ أُوتُوا الْعِلْمَ ۚ وَمَا يَجْحَدُ بِآيَاتِنَا إِلَّا الظَّالِمُونَ 49

Welnee! Het zijn duidelijke Verzen in de borsten van degenen aan wie de kennis is gegeven. En niemand ontkent Onze Verzen, behalve de onrechtplegers.

وَقَالُوا لَوْلَا أُنزِلَ عَلَيْهِ آيَاتٌ مِّن رَّبِّهِ ۖ قُلْ إِنَّمَا الْآيَاتُ عِندَ اللَّهِ وَإِنَّمَا أَنَا نَذِيرٌ مُّبِينٌ 50

En zij zeiden: “Werden er maar tekenen van zijn Heer aan hem neergezonden.” Zeg: “De tekenen zijn slechts bij Allah en ik ben slechts een duidelijke waarschuwer.”

أَوَلَمْ يَكْفِهِمْ أَنَّا أَنزَلْنَا عَلَيْكَ الْكِتَابَ يُتْلَىٰ عَلَيْهِمْ ۚ إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَرَحْمَةً وَذِكْرَىٰ لِقَوْمٍ يُؤْمِنُونَ 51

Is het niet voldoende voor hen dat Wij het Boek (d.w.z. de Koran) aan jou (o Mohammed) hebben neergezonden, dat aan hen wordt voorgedragen? Voorwaar, daarin bevindt zich zeker Genade en een Herinnering voor een volk dat gelooft.

قُلْ كَفَىٰ بِاللَّهِ بَيْنِي وَبَيْنَكُمْ شَهِيدًا ۖ يَعْلَمُ مَا فِي السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ ۗ وَالَّذِينَ آمَنُوا بِالْبَاطِلِ وَكَفَرُوا بِاللَّهِ أُولَٰئِكَ هُمُ الْخَاسِرُونَ 52

Zeg (o Mohammed): “Allah volstaat als Getuige tussen mij en jullie.” Hij is op de hoogte van datgene wat zich in de hemelen en op de aarde bevindt. En degenen die geloven in de valsheid en Allah verloochenen, zij zijn de verliezers.

وَيَسْتَعْجِلُونَكَ بِالْعَذَابِ ۚ وَلَوْلَا أَجَلٌ مُّسَمًّى لَّجَاءَهُمُ الْعَذَابُ وَلَيَأْتِيَنَّهُم بَغْتَةً وَهُمْ لَا يَشْعُرُونَ 53

En zij vragen jou om de bestraffing te bespoedigen. En was het niet vanwege een vastgesteld tijdstip, dan zou de bestraffing zeker tot hen zijn gekomen. En het zal zeker onverwachts tot hen komen, terwijl zij (dit) niet beseffen.

يَسْتَعْجِلُونَكَ بِالْعَذَابِ وَإِنَّ جَهَنَّمَ لَمُحِيطَةٌ بِالْكَافِرِينَ 54

Zij vragen jou om de bestraffing te bespoedigen. En waarlijk, de Hel omsingelt zeker de ongelovigen.

يَوْمَ يَغْشَاهُمُ الْعَذَابُ مِن فَوْقِهِمْ وَمِن تَحْتِ أَرْجُلِهِمْ وَيَقُولُ ذُوقُوا مَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَ 55

Op de Dag waarop de Bestraffing hen zal bedekken van boven hen en van onder hun voeten. En Hij (Allah) zal zeggen: “Proef dat wat jullie deden.”

يَا عِبَادِيَ الَّذِينَ آمَنُوا إِنَّ أَرْضِي وَاسِعَةٌ فَإِيَّايَ فَاعْبُدُونِ 56

O Mijn dienaren die geloven, voorwaar, Mijn aarde is ruim. Dus aanbid alleen Mij.

كُلُّ نَفْسٍ ذَائِقَةُ الْمَوْتِ ۖ ثُمَّ إِلَيْنَا تُرْجَعُونَ 57

Iedere ziel zal de dood proeven. Vervolgens zullen jullie tot Ons terugkeren.

وَالَّذِينَ آمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ لَنُبَوِّئَنَّهُم مِّنَ الْجَنَّةِ غُرَفًا تَجْرِي مِن تَحْتِهَا الْأَنْهَارُ خَالِدِينَ فِيهَا ۚ نِعْمَ أَجْرُ الْعَامِلِينَ 58

En degenen die geloven en goede daden verrichten, zullen Wij in het Paradijs zeker verheven Kamers (als Verblijfplaatsen) schenken, waaronder rivieren stromen. Voor eeuwig (vertoeven zij) daarin. Hoe geweldig is de Beloning voor degenen die (goed) doen.

الَّذِينَ صَبَرُوا وَعَلَىٰ رَبِّهِمْ يَتَوَكَّلُونَ 59

(Zij zijn) degenen die geduldig zijn en in hun Heer stellen zij hun vertrouwen.

وَكَأَيِّن مِّن دَابَّةٍ لَّا تَحْمِلُ رِزْقَهَا اللَّهُ يَرْزُقُهَا وَإِيَّاكُمْ ۚ وَهُوَ السَّمِيعُ الْعَلِيمُ 60

En hoeveel schepsels (die zich op aarde voortbewegen) zijn er die (de verantwoordelijkheid om in) hun levensonderhoud (te kunnen voorzien) niet kunnen dragen? Allah voorziet hen en jullie. En Hij is de Alhorende, de Alwetende.

وَلَئِن سَأَلْتَهُم مَّنْ خَلَقَ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضَ وَسَخَّرَ الشَّمْسَ وَالْقَمَرَ لَيَقُولُنَّ اللَّهُ ۖ فَأَنَّىٰ يُؤْفَكُونَ 61

En als jij hun vraagt Wie de hemelen en de aarde heeft geschapen en de zon en de maan dienstbaar maakte, dan zullen zij zeker zeggen: “Allah.” Dus hoe kunnen zij zo afgedwaald zijn (van Zijn aanbidding)?

اللَّهُ يَبْسُطُ الرِّزْقَ لِمَن يَشَاءُ مِنْ عِبَادِهِ وَيَقْدِرُ لَهُ ۚ إِنَّ اللَّهَ بِكُلِّ شَيْءٍ عَلِيمٌ 62

Allah vermeerdert het levensonderhoud voor wie Hij wil van Zijn dienaren en Hij vermindert het (voor wie Hij wil). Waarlijk, Allah is op de hoogte van alles.

وَلَئِن سَأَلْتَهُم مَّن نَّزَّلَ مِنَ السَّمَاءِ مَاءً فَأَحْيَا بِهِ الْأَرْضَ مِن بَعْدِ مَوْتِهَا لَيَقُولُنَّ اللَّهُ ۚ قُلِ الْحَمْدُ لِلَّهِ ۚ بَلْ أَكْثَرُهُمْ لَا يَعْقِلُونَ 63

En als jij hun vraagt Wie (Degene is Die) water uit de hemel neerzond, waarmee Hij de aarde na haar dood tot leven bracht, dan zullen zij zeker zeggen: “Allah.” Zeg: “(Alle) lof zij Allah.” Welnee! De meesten van hen denken niet na.

وَمَا هَٰذِهِ الْحَيَاةُ الدُّنْيَا إِلَّا لَهْوٌ وَلَعِبٌ ۚ وَإِنَّ الدَّارَ الْآخِرَةَ لَهِيَ الْحَيَوَانُ ۚ لَوْ كَانُوا يَعْلَمُونَ 64

En dit wereldse leven is niets anders dan vermaak en spel. En voorwaar, het Huis van het Hiernamaals, dat is zeker het (eeuwige) leven. Als zij (het) maar wisten.

فَإِذَا رَكِبُوا فِي الْفُلْكِ دَعَوُا اللَّهَ مُخْلِصِينَ لَهُ الدِّينَ فَلَمَّا نَجَّاهُمْ إِلَى الْبَرِّ إِذَا هُمْ يُشْرِكُونَ 65

Wanneer zij dan aan boord gaan van het schip, roepen zij (alleen) Allah aan, terwijl zij hun godsdienst (zuiver) aan Hem toewijden. Maar wanneer Hij hen (vervolgens) veilig aan land brengt, kennen zij deelgenoten aan Hem toe.

لِيَكْفُرُوا بِمَا آتَيْنَاهُمْ وَلِيَتَمَتَّعُوا ۖ فَسَوْفَ يَعْلَمُونَ 66

Laat hen (maar) datgene wat Wij hun (aan gunsten) hebben gegeven verloochenen. En laat hen (maar) genieten (van hun verblijf in deze wereld), maar zij zullen het spoedig weten.

أَوَلَمْ يَرَوْا أَنَّا جَعَلْنَا حَرَمًا آمِنًا وَيُتَخَطَّفُ النَّاسُ مِنْ حَوْلِهِمْ ۚ أَفَبِالْبَاطِلِ يُؤْمِنُونَ وَبِنِعْمَةِ اللَّهِ يَكْفُرُونَ 67

Hebben zij dan niet gezien dat Wij hun woonplaats (d.w.z. Mekka) als verboden (gebied) hebben gemaakt (om daarin oorlog te voeren) en veilig (hebben gemaakt), terwijl de mensen om hen heen (d.w.z. buiten Mekka) worden gegrepen (d.w.z. een gevoel van onveiligheid ervaren)? Geloven zij dan in de valsheid en verloochenen zij de Gunst van Allah?

وَمَنْ أَظْلَمُ مِمَّنِ افْتَرَىٰ عَلَى اللَّهِ كَذِبًا أَوْ كَذَّبَ بِالْحَقِّ لَمَّا جَاءَهُ ۚ أَلَيْسَ فِي جَهَنَّمَ مَثْوًى لِّلْكَافِرِينَ 68

En wie is er onrechtvaardiger dan degene die een leugen over Allah verzint, of de Waarheid verloochent als deze tot hem komt? Is er in de Hel geen Verblijfplaats voor de ongelovigen?

وَالَّذِينَ جَاهَدُوا فِينَا لَنَهْدِيَنَّهُمْ سُبُلَنَا ۚ وَإِنَّ اللَّهَ لَمَعَ الْمُحْسِنِينَ 69

En degenen die strijden omwille van Ons, zullen Wij zeker leiden naar Onze Wegen. En waarlijk, Allah is zeker met de weldoeners.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Close