Soera 28 – Al-Qasas  – Het Verhaal – القصص

bismillah ir rahman ir rahim

طسم 1

Taa-Sien-Miem.

تِلْكَ آيَاتُ الْكِتَابِ الْمُبِينِ 2

Dit zijn de Verzen van het duidelijke Boek.

نَتْلُو عَلَيْكَ مِن نَّبَإِ مُوسَىٰ وَفِرْعَوْنَ بِالْحَقِّ لِقَوْمٍ يُؤْمِنُونَ 3

Wij dragen jou (een deel) van het verhaal van Moesa en de farao naar waarheid voor, voor een volk dat gelooft.

إِنَّ فِرْعَوْنَ عَلَا فِي الْأَرْضِ وَجَعَلَ أَهْلَهَا شِيَعًا يَسْتَضْعِفُ طَائِفَةً مِّنْهُمْ يُذَبِّحُ أَبْنَاءَهُمْ وَيَسْتَحْيِي نِسَاءَهُمْ ۚ إِنَّهُ كَانَ مِنَ الْمُفْسِدِينَ 4

Voorwaar, de farao heeft zich hoogmoedig opgesteld op aarde en hij splitste haar mensen in groepen op (die elkaar bestreden). Hij onderdrukte een groep onder hen, slachtte hun zonen af en liet hun vrouwen in leven. Voorwaar, hij behoorde tot de verderfzaaiers.

وَنُرِيدُ أَن نَّمُنَّ عَلَى الَّذِينَ اسْتُضْعِفُوا فِي الْأَرْضِ وَنَجْعَلَهُمْ أَئِمَّةً وَنَجْعَلَهُمُ الْوَارِثِينَ 5

En Wij wilden degenen die op de aarde onderdrukt werden Onze Gunsten schenken en hen tot leiders maken en hen tot erfgenamen maken.

وَنُمَكِّنَ لَهُمْ فِي الْأَرْضِ وَنُرِيَ فِرْعَوْنَ وَهَامَانَ وَجُنُودَهُمَا مِنْهُم مَّا كَانُوا يَحْذَرُونَ 6

En (Wij wilden) hen op de aarde vestigen en de farao, Haamaan en hun legers datgene van hen (d.w.z. van het onderdrukte volk) laten zien waar zij voor vreesden.

وَأَوْحَيْنَا إِلَىٰ أُمِّ مُوسَىٰ أَنْ أَرْضِعِيهِ ۖ فَإِذَا خِفْتِ عَلَيْهِ فَأَلْقِيهِ فِي الْيَمِّ وَلَا تَخَافِي وَلَا تَحْزَنِي ۖ إِنَّا رَادُّوهُ إِلَيْكِ وَجَاعِلُوهُ مِنَ الْمُرْسَلِينَ 7

En Wij openbaarden aan (d.w.z. inspireerden) de moeder van Moesa (het volgende): “Zoog hem, maar wanneer jij voor hem (d.w.z. voor Moesa) vreest, werp hem dan in de zee en vrees niet en treur niet. Voorwaar, Wij zullen hem naar jou terugbrengen en hem tot (één van) de Boodschappers maken.”

فَالْتَقَطَهُ آلُ فِرْعَوْنَ لِيَكُونَ لَهُمْ عَدُوًّا وَحَزَنًا ۗ إِنَّ فِرْعَوْنَ وَهَامَانَ وَجُنُودَهُمَا كَانُوا خَاطِئِينَ 8

Vervolgens werd hij door de volgelingen van de farao (uit het water) geschept, opdat hij (uiteindelijk) een vijand en een (bron van) verdriet voor hen zou zijn. Voorwaar, de farao, Haamaan en hun legers waren zondaren.

وَقَالَتِ امْرَأَتُ فِرْعَوْنَ قُرَّتُ عَيْنٍ لِّي وَلَكَ ۖ لَا تَقْتُلُوهُ عَسَىٰ أَن يَنفَعَنَا أَوْ نَتَّخِذَهُ وَلَدًا وَهُمْ لَا يَشْعُرُونَ 9

En de vrouw van de farao zei: “(Dit kind zal) een verkoeling voor mijn en jouw oog zijn (d.w.z. een genot). Dood hem niet, wellicht dat hij ons zal baten of dat wij hem als kind zullen nemen.” En zij beseften niet (dat dit kind het einde van de farao zou inluiden).

وَأَصْبَحَ فُؤَادُ أُمِّ مُوسَىٰ فَارِغًا ۖ إِن كَادَتْ لَتُبْدِي بِهِ لَوْلَا أَن رَّبَطْنَا عَلَىٰ قَلْبِهَا لِتَكُونَ مِنَ الْمُؤْمِنِينَ 10

En het hart van de moeder van Moesa werd leeg (gemaakt van alle zorgen, behalve haar zorgen over Moesa). Zij had (het geheim over) hem (Moesa) bijna onthuld als Wij haar hart niet hadden versterkt, zodat zij tot de gelovigen zou behoren.

وَقَالَتْ لِأُخْتِهِ قُصِّيهِ ۖ فَبَصُرَتْ بِهِ عَن جُنُبٍ وَهُمْ لَا يَشْعُرُونَ 11

En zij zei tegen zijn zus (d.w.z. tegen de zus van Moesa): “Volg hem”, waarna zij hem van een afstand observeerde terwijl zij (dit) niet beseften.

وَحَرَّمْنَا عَلَيْهِ الْمَرَاضِعَ مِن قَبْلُ فَقَالَتْ هَلْ أَدُلُّكُمْ عَلَىٰ أَهْلِ بَيْتٍ يَكْفُلُونَهُ لَكُمْ وَهُمْ لَهُ نَاصِحُونَ 12

En Wij hebben voorheen de zoogmoeders voor hem verboden gemaakt (d.w.z. dat Wij Moesa als zuigeling de borstvoeding van andere vrouwen lieten weigeren). Toen zei zij (d.w.z. zijn zus): “Zal ik jullie een huishouden laten zien dat voor jullie de zorg voor hem op zich kan nemen en dat jullie (wat dit betreft) kan adviseren?”

فَرَدَدْنَاهُ إِلَىٰ أُمِّهِ كَيْ تَقَرَّ عَيْنُهَا وَلَا تَحْزَنَ وَلِتَعْلَمَ أَنَّ وَعْدَ اللَّهِ حَقٌّ وَلَٰكِنَّ أَكْثَرَهُمْ لَا يَعْلَمُونَ 13

En zo brachten Wij hem (d.w.z. Moesa) terug naar zijn moeder, waardoor haar oog afkoelde (d.w.z. waardoor zij gerustgesteld werd) en zij (hierdoor) niet meer verdrietig was, en opdat zij zou weten dat de Belofte van Allah Waarheid is. Maar de meesten van hen weten (het) niet.

وَلَمَّا بَلَغَ أَشُدَّهُ وَاسْتَوَىٰ آتَيْنَاهُ حُكْمًا وَعِلْمًا ۚ وَكَذَٰلِكَ نَجْزِي الْمُحْسِنِينَ 14

En toen hij (Moesa) zijn volle kracht had bereikt (d.w.z. fysiek en mentaal rijp was) en volgroeid was, gaven Wij hem wijsheid en kennis. En zo belonen Wij de weldoeners.

وَدَخَلَ الْمَدِينَةَ عَلَىٰ حِينِ غَفْلَةٍ مِّنْ أَهْلِهَا فَوَجَدَ فِيهَا رَجُلَيْنِ يَقْتَتِلَانِ هَٰذَا مِن شِيعَتِهِ وَهَٰذَا مِنْ عَدُوِّهِ ۖ فَاسْتَغَاثَهُ الَّذِي مِن شِيعَتِهِ عَلَى الَّذِي مِنْ عَدُوِّهِ فَوَكَزَهُ مُوسَىٰ فَقَضَىٰ عَلَيْهِ ۖ قَالَ هَٰذَا مِنْ عَمَلِ الشَّيْطَانِ ۖ إِنَّهُ عَدُوٌّ مُّضِلٌّ مُّبِينٌ 15

En hij (Moesa) ging de stad (voorzichtig) binnen op een moment dat de inwoners hiervan onachtzaam waren. En hij trof daar twee vechtende mannen aan, de één (was) van zijn groep (d.w.z. dat hij tot de kinderen van Israël behoorde) en de ander (behoorde tot de groep) van zijn vijand. Degene van zijn (eigen) groep vroeg hem om hulp tegen zijn vijand. Toen sloeg Moesa hem (d.w.z. de vijand) met zijn vuist en doodde hem. Hij (Moesa) zei: “Dit behoort tot het werk van de satan. Voorwaar, hij is een duidelijke, misleidende vijand.”

قَالَ رَبِّ إِنِّي ظَلَمْتُ نَفْسِي فَاغْفِرْ لِي فَغَفَرَ لَهُ ۚ إِنَّهُ هُوَ الْغَفُورُ الرَّحِيمُ 16

Hij zei: “Mijn Heer, waarlijk, ik heb mijzelf onrecht aangedaan, dus vergeef mij.” Daarop vergaf Hij hem. Voorwaar, Hij is de Meest Vergevingsgezinde, de Meest Genadevolle.

قَالَ رَبِّ بِمَا أَنْعَمْتَ عَلَيَّ فَلَنْ أَكُونَ ظَهِيرًا لِّلْمُجْرِمِينَ 17

Hij zei: “Mijn Heer, door de gunst die U mij heeft geschonken zal ik geen helper (meer) zijn voor de misdadigers.”

فَأَصْبَحَ فِي الْمَدِينَةِ خَائِفًا يَتَرَقَّبُ فَإِذَا الَّذِي اسْتَنصَرَهُ بِالْأَمْسِ يَسْتَصْرِخُهُ ۚ قَالَ لَهُ مُوسَىٰ إِنَّكَ لَغَوِيٌّ مُّبِينٌ 18

Vervolgens begon hij angstig rond te kijken in de stad. Toen vroeg degene die hem de vorige dag om zijn hulp had gevraagd, hem (weer) om hulp. Moesa zei (toen) tegen hem: “Voorwaar, jij bent zeker een duidelijke misleider.”

فَلَمَّا أَنْ أَرَادَ أَن يَبْطِشَ بِالَّذِي هُوَ عَدُوٌّ لَّهُمَا قَالَ يَا مُوسَىٰ أَتُرِيدُ أَن تَقْتُلَنِي كَمَا قَتَلْتَ نَفْسًا بِالْأَمْسِ ۖ إِن تُرِيدُ إِلَّا أَن تَكُونَ جَبَّارًا فِي الْأَرْضِ وَمَا تُرِيدُ أَن تَكُونَ مِنَ الْمُصْلِحِينَ 19

Toen hij (Moesa) degene wilde grijpen die een vijand van hen beiden was, zei hij (d.w.z. de man): “O Moesa, ben jij van plan om mij te doden, zoals jij de dag ervoor ook een ziel hebt gedood? Jij wenst slechts een tiran op aarde te zijn en jij wenst niet te behoren tot de verbeteraars.”

وَجَاءَ رَجُلٌ مِّنْ أَقْصَى الْمَدِينَةِ يَسْعَىٰ قَالَ يَا مُوسَىٰ إِنَّ الْمَلَأَ يَأْتَمِرُونَ بِكَ لِيَقْتُلُوكَ فَاخْرُجْ إِنِّي لَكَ مِنَ النَّاصِحِينَ 20

En er kwam een man vanuit het verste gedeelte van de stad aanrennen, zeggende: “O Moesa, waarlijk, de vooraanstaanden zweren samen om jou te doden, vertrek daarom. Waarlijk, ik behoor voor jou tot de raadgevers.”

فَخَرَجَ مِنْهَا خَائِفًا يَتَرَقَّبُ ۖ قَالَ رَبِّ نَجِّنِي مِنَ الْقَوْمِ الظَّالِمِينَ 21

Toen vertrok hij (Moesa) daarvandaan (d.w.z. uit de stad) terwijl hij angstig rondkeek. Hij zei: “Mijn Heer, red mij van het onrechtvaardige volk.”

وَلَمَّا تَوَجَّهَ تِلْقَاءَ مَدْيَنَ قَالَ عَسَىٰ رَبِّي أَن يَهْدِيَنِي سَوَاءَ السَّبِيلِ 22

En toen hij de richting van (de stad) Madyan op ging, zei hij: “Wellicht zal mijn Heer mij naar de rechte Weg leiden.”

وَلَمَّا وَرَدَ مَاءَ مَدْيَنَ وَجَدَ عَلَيْهِ أُمَّةً مِّنَ النَّاسِ يَسْقُونَ وَوَجَدَ مِن دُونِهِمُ امْرَأَتَيْنِ تَذُودَانِ ۖ قَالَ مَا خَطْبُكُمَا ۖ قَالَتَا لَا نَسْقِي حَتَّىٰ يُصْدِرَ الرِّعَاءُ ۖ وَأَبُونَا شَيْخٌ كَبِيرٌ 23

En toen hij bij het water van (de stad) Madyan aankwam, trof hij daar een groep mensen aan die (hun vee) te drinken gaf. En naast hen trof hij twee vrouwen aan die (hun vee) tegenhielden. Hij (Moesa) zei: “Wat is jullie verhaal?” Zij zeiden: “Wij kunnen (ons vee) niet laten drinken totdat de herders (hun vee) weghalen. En onze vader is een zeer oude man (die zelf niet in staat is om het vee te drinken te geven).”

فَسَقَىٰ لَهُمَا ثُمَّ تَوَلَّىٰ إِلَى الظِّلِّ فَقَالَ رَبِّ إِنِّي لِمَا أَنزَلْتَ إِلَيَّ مِنْ خَيْرٍ فَقِيرٌ 24

Toen gaf hij (Moesa) hun (d.w.z. het vee) te drinken en wendde zich vervolgens naar de schaduw en zei: “Mijn Heer, waarlijk, ik ben behoeftig aan dat wat U van het goede naar mij neerzendt.”

فَجَاءَتْهُ إِحْدَاهُمَا تَمْشِي عَلَى اسْتِحْيَاءٍ قَالَتْ إِنَّ أَبِي يَدْعُوكَ لِيَجْزِيَكَ أَجْرَ مَا سَقَيْتَ لَنَا ۚ فَلَمَّا جَاءَهُ وَقَصَّ عَلَيْهِ الْقَصَصَ قَالَ لَا تَخَفْ ۖ نَجَوْتَ مِنَ الْقَوْمِ الظَّالِمِينَ 25

Vervolgens kwam één van hen (d.w.z. één van de twee vrouwen) schaamtevol naar hem toe lopen. Zij zei: “Waarlijk, mijn vader nodigt jou uit om jou te belonen, omdat jij voor ons (ons vee) te drinken hebt gegeven.” Toen hij (Moesa) daarna bij hem (d.w.z. bij de vader) kwam en het verhaal aan hem vertelde, zei hij: “Vrees niet. Jij bent gered van het onrechtvaardige volk.”

قَالَتْ إِحْدَاهُمَا يَا أَبَتِ اسْتَأْجِرْهُ ۖ إِنَّ خَيْرَ مَنِ اسْتَأْجَرْتَ الْقَوِيُّ الْأَمِينُ 26

Eén van hen (d.w.z. één van de twee vrouwen) zei: “O vader, neem hem in dienst. Voorwaar, de beste (persoon) die u in dienst kunt nemen is degene die sterk en betrouwbaar is.”

قَالَ إِنِّي أُرِيدُ أَنْ أُنكِحَكَ إِحْدَى ابْنَتَيَّ هَاتَيْنِ عَلَىٰ أَن تَأْجُرَنِي ثَمَانِيَ حِجَجٍ ۖ فَإِنْ أَتْمَمْتَ عَشْرًا فَمِنْ عِندِكَ ۖ وَمَا أُرِيدُ أَنْ أَشُقَّ عَلَيْكَ ۚ سَتَجِدُنِي إِن شَاءَ اللَّهُ مِنَ الصَّالِحِينَ 27

Hij zei: “Voorwaar, ik wil jou aan één van mijn twee dochters huwen, op voorwaarde dat jij acht jaar voor mij zult werken. Maar als jij tien jaar voltooit, dan is het (een gunst) van jou. Maar ik wil jou niet tot last zijn. Als Allah het wil, zul jij mij aantreffen als één van de rechtschapenen.”

قَالَ ذَٰلِكَ بَيْنِي وَبَيْنَكَ ۖ أَيَّمَا الْأَجَلَيْنِ قَضَيْتُ فَلَا عُدْوَانَ عَلَيَّ ۖ وَاللَّهُ عَلَىٰ مَا نَقُولُ وَكِيلٌ 28

Hij (Moesa) zei: “Dat is iets tussen jou en mij. Welke van de twee termijnen ik ook aanhoud, je kunt mij niets aanrekenen. En Allah is Getuige van wat wij zeggen.”

فَلَمَّا قَضَىٰ مُوسَى الْأَجَلَ وَسَارَ بِأَهْلِهِ آنَسَ مِن جَانِبِ الطُّورِ نَارًا قَالَ لِأَهْلِهِ امْكُثُوا إِنِّي آنَسْتُ نَارًا لَّعَلِّي آتِيكُم مِّنْهَا بِخَبَرٍ أَوْ جَذْوَةٍ مِّنَ النَّارِ لَعَلَّكُمْ تَصْطَلُونَ 29

Toen Moesa de termijn had volbracht en met zijn familie vertrok, zag hij een vuur aan de kant van de (berg) Toer. Hij zei tegen zijn familie: “Wacht, voorwaar, ik zie een vuur. Wellicht kan ik jullie daar een bericht over brengen, of een vuurvlam (daarvandaan meenemen), opdat jullie jezelf (daarmee) opwarmen.”

فَلَمَّا أَتَاهَا نُودِيَ مِن شَاطِئِ الْوَادِ الْأَيْمَنِ فِي الْبُقْعَةِ الْمُبَارَكَةِ مِنَ الشَّجَرَةِ أَن يَا مُوسَىٰ إِنِّي أَنَا اللَّهُ رَبُّ الْعَالَمِينَ 30

Toen hij hierbij (d.w.z. bij het vuur) aankwam, werd hij aan de rechterzijde van de vallei, vanuit de gezegende plek van de boom, geroepen. (Allah zei:) “O Moesa, waarlijk, Ik ben Allah, de Heer van de werelden.

وَأَنْ أَلْقِ عَصَاكَ ۖ فَلَمَّا رَآهَا تَهْتَزُّ كَأَنَّهَا جَانٌّ وَلَّىٰ مُدْبِرًا وَلَمْ يُعَقِّبْ ۚ يَا مُوسَىٰ أَقْبِلْ وَلَا تَخَفْ ۖ إِنَّكَ مِنَ الْآمِنِينَ 31

En werp jouw staf.” Maar toen hij deze (d.w.z. de staf) zag bewegen alsof het een slang was, wendde hij zich (ernaartoe) met zijn rug (d.w.z. dat hij op de vlucht sloeg) en keek niet achterom. (Allah zei:) “O Moesa, kom terug en vrees niet. Voorwaar, jij behoort tot degenen die veilig zijn.

اسْلُكْ يَدَكَ فِي جَيْبِكَ تَخْرُجْ بَيْضَاءَ مِنْ غَيْرِ سُوءٍ وَاضْمُمْ إِلَيْكَ جَنَاحَكَ مِنَ الرَّهْبِ ۖ فَذَانِكَ بُرْهَانَانِ مِن رَّبِّكَ إِلَىٰ فِرْعَوْنَ وَمَلَئِهِ ۚ إِنَّهُمْ كَانُوا قَوْمًا فَاسِقِينَ 32

Plaats jouw hand in jouw zij. Het zal wit (en stralend) tevoorschijn komen, zonder kwaal. En druk jouw arm tegen jouw zij aan.” Dit zijn twee Bewijzen van jouw Heer aan de farao en zijn vooraanstaanden. Voorwaar, zij zijn een verdorven volk.

قَالَ رَبِّ إِنِّي قَتَلْتُ مِنْهُمْ نَفْسًا فَأَخَافُ أَن يَقْتُلُونِ 33

Hij (Moesa) zei: “O mijn Heer, waarlijk, ik heb een ziel (d.w.z. een persoon) van hen gedood en ik vrees dat zij mij zullen doden.

وَأَخِي هَارُونُ هُوَ أَفْصَحُ مِنِّي لِسَانًا فَأَرْسِلْهُ مَعِيَ رِدْءًا يُصَدِّقُنِي ۖ إِنِّي أَخَافُ أَن يُكَذِّبُونِ 34

En mijn broer Haaroen is meer bespraakt dan ik, stuur hem daarom met mij mee als helper om mij in het gelijk te stellen. Voorwaar, ik vrees dat zij mij zullen verloochenen.”

قَالَ سَنَشُدُّ عَضُدَكَ بِأَخِيكَ وَنَجْعَلُ لَكُمَا سُلْطَانًا فَلَا يَصِلُونَ إِلَيْكُمَا ۚ بِآيَاتِنَا أَنتُمَا وَمَنِ اتَّبَعَكُمَا الْغَالِبُونَ 35

Hij (Allah) zei: “Wij zullen jou middels jouw broer versterken en jullie beiden (Ons) Bewijs geven, zodat zij jullie niets kunnen maken. Door Onze Tekenen zullen jullie beiden, en degenen die jullie volgen, de overwinnaars zijn.”

فَلَمَّا جَاءَهُم مُّوسَىٰ بِآيَاتِنَا بَيِّنَاتٍ قَالُوا مَا هَٰذَا إِلَّا سِحْرٌ مُّفْتَرًى وَمَا سَمِعْنَا بِهَٰذَا فِي آبَائِنَا الْأَوَّلِينَ 36

Toen Moesa daarna met Onze duidelijke Tekenen tot hen kwam, zeiden zij: “Dit is niets anders dan verzonnen tovenarij, en nog nooit hebben wij zoiets van onze vroegere voorvaderen gehoord.”

وَقَالَ مُوسَىٰ رَبِّي أَعْلَمُ بِمَن جَاءَ بِالْهُدَىٰ مِنْ عِندِهِ وَمَن تَكُونُ لَهُ عَاقِبَةُ الدَّارِ ۖ إِنَّهُ لَا يُفْلِحُ الظَّالِمُونَ 37

En Moesa zei: “Mijn Heer weet beter wie met de Leiding van Hem is gekomen en voor wie er een (gelukkig) Einde in het Hiernamaals zal zijn. Voorwaar, de onrechtplegers zullen nooit succesvol zijn.”

وَقَالَ فِرْعَوْنُ يَا أَيُّهَا الْمَلَأُ مَا عَلِمْتُ لَكُم مِّنْ إِلَٰهٍ غَيْرِي فَأَوْقِدْ لِي يَا هَامَانُ عَلَى الطِّينِ فَاجْعَل لِّي صَرْحًا لَّعَلِّي أَطَّلِعُ إِلَىٰ إِلَٰهِ مُوسَىٰ وَإِنِّي لَأَظُنُّهُ مِنَ الْكَاذِبِينَ 38

En de farao zei: “O vooraanstaanden, ik ken voor jullie geen andere god dan ik. O Haamaan, ontsteek voor mij (een vuur) boven de klei (om bakstenen te bakken) en maak voor mij een (hoog) paleis. Wellicht ben ik (dan) in staat de God van Moesa te zien. Al denk ik waarlijk dat hij (Moesa) tot de leugenaars behoort.”

وَاسْتَكْبَرَ هُوَ وَجُنُودُهُ فِي الْأَرْضِ بِغَيْرِ الْحَقِّ وَظَنُّوا أَنَّهُمْ إِلَيْنَا لَا يُرْجَعُونَ 39

En hij (de farao) en zijn legers hebben zich onterecht hoogmoedig opgesteld op aarde en zij dachten dat zij niet tot Ons zouden terugkeren.

فَأَخَذْنَاهُ وَجُنُودَهُ فَنَبَذْنَاهُمْ فِي الْيَمِّ ۖ فَانظُرْ كَيْفَ كَانَ عَاقِبَةُ الظَّالِمِينَ 40

Dus grepen Wij hem en zijn legers en Wij wierpen hen (allen) in de zee. Zie dan hoe het einde van de onrechtplegers was.

وَجَعَلْنَاهُمْ أَئِمَّةً يَدْعُونَ إِلَى النَّارِ ۖ وَيَوْمَ الْقِيَامَةِ لَا يُنصَرُونَ 41

En Wij maakten hen (tot) leiders die tot het Vuur oproepen. En op de Dag der Opstanding zullen zij niet geholpen worden.

وَأَتْبَعْنَاهُمْ فِي هَٰذِهِ الدُّنْيَا لَعْنَةً ۖ وَيَوْمَ الْقِيَامَةِ هُم مِّنَ الْمَقْبُوحِينَ 42

En Wij achtervolgden hen met een vloek in deze wereld. En op de Dag der Opstanding zullen zij tot de verachtelijke (mensen) behoren.

وَلَقَدْ آتَيْنَا مُوسَى الْكِتَابَ مِن بَعْدِ مَا أَهْلَكْنَا الْقُرُونَ الْأُولَىٰ بَصَائِرَ لِلنَّاسِ وَهُدًى وَرَحْمَةً لَّعَلَّهُمْ يَتَذَكَّرُونَ 43

En voorzeker, Wij gaven Moesa het Boek (d.w.z. de Thora) nadat Wij de eerste generaties hadden vernietigd. (Dit) als een Verlichting voor de mensen en als Leiding en Genade, opdat zij er lering uit zullen trekken.

وَمَا كُنتَ بِجَانِبِ الْغَرْبِيِّ إِذْ قَضَيْنَا إِلَىٰ مُوسَى الْأَمْرَ وَمَا كُنتَ مِنَ الشَّاهِدِينَ 44

En jij (o Mohammed) was niet (aanwezig) aan de westelijke kant (van de berg Toer) toen Wij Moesa het Bevel oplegden. En jij behoorde niet tot de getuigen.

وَلَٰكِنَّا أَنشَأْنَا قُرُونًا فَتَطَاوَلَ عَلَيْهِمُ الْعُمُرُ ۚ وَمَا كُنتَ ثَاوِيًا فِي أَهْلِ مَدْيَنَ تَتْلُو عَلَيْهِمْ آيَاتِنَا وَلَٰكِنَّا كُنَّا مُرْسِلِينَ 45

Maar Wij schiepen (daarna) generaties waar een lange tijd overheen is gegaan (waarna zij ongelovig werden). En jij (o Mohammed) verbleef niet onder het volk van Madyan om Onze Verzen aan hen voor te dragen. Maar Wij zijn Degenen Die (Boodschappers) stuurden.

وَمَا كُنتَ بِجَانِبِ الطُّورِ إِذْ نَادَيْنَا وَلَٰكِن رَّحْمَةً مِّن رَّبِّكَ لِتُنذِرَ قَوْمًا مَّا أَتَاهُم مِّن نَّذِيرٍ مِّن قَبْلِكَ لَعَلَّهُمْ يَتَذَكَّرُونَ 46

En jij (o Mohammed) was niet (aanwezig) aan de zijkant van de (berg) Toer toen Wij (Moesa) riepen. Maar (het was) een Genade van jouw Heer om een volk te waarschuwen waarnaar vóór jou geen waarschuwer is gekomen, opdat zij er lering uit zullen trekken.

وَلَوْلَا أَن تُصِيبَهُم مُّصِيبَةٌ بِمَا قَدَّمَتْ أَيْدِيهِمْ فَيَقُولُوا رَبَّنَا لَوْلَا أَرْسَلْتَ إِلَيْنَا رَسُولًا فَنَتَّبِعَ آيَاتِكَ وَنَكُونَ مِنَ الْمُؤْمِنِينَ 47

En wanneer een ramp hen treft vanwege dat wat hun handen hebben voortgebracht, dan zeggen zij: “Onze Heer, waarom heeft U geen Boodschapper naar ons gestuurd? Dan zouden wij Uw Verzen hebben gevolgd en tot de gelovigen behoren.”

فَلَمَّا جَاءَهُمُ الْحَقُّ مِنْ عِندِنَا قَالُوا لَوْلَا أُوتِيَ مِثْلَ مَا أُوتِيَ مُوسَىٰ ۚ أَوَلَمْ يَكْفُرُوا بِمَا أُوتِيَ مُوسَىٰ مِن قَبْلُ ۖ قَالُوا سِحْرَانِ تَظَاهَرَا وَقَالُوا إِنَّا بِكُلٍّ كَافِرُونَ 48

Maar toen de Waarheid van Ons tot hen kwam, zeiden zij: “Waarom is hem (Mohammed) niet hetzelfde gegeven als datgene wat er aan Moesa is gegeven?” Verloochenden zij (dan) niet datgene wat er voorheen aan Moesa was gegeven? Zij zeiden: “(De Thora en de Koran zijn) twee tovenarijen die elkaar ondersteunen.” En zij zeiden: “Voorwaar, wij geloven in geen van beide.”

قُلْ فَأْتُوا بِكِتَابٍ مِّنْ عِندِ اللَّهِ هُوَ أَهْدَىٰ مِنْهُمَا أَتَّبِعْهُ إِن كُنتُمْ صَادِقِينَ 49

Zeg (o Mohammed): “Kom dan met een Boek van Allah dat een betere Leiding bevat dan deze twee (d.w.z. dan de Thora en de Koran), (en) dat ik kan volgen, als jullie waarachtig zijn.”

فَإِن لَّمْ يَسْتَجِيبُوا لَكَ فَاعْلَمْ أَنَّمَا يَتَّبِعُونَ أَهْوَاءَهُمْ ۚ وَمَنْ أَضَلُّ مِمَّنِ اتَّبَعَ هَوَاهُ بِغَيْرِ هُدًى مِّنَ اللَّهِ ۚ إِنَّ اللَّهَ لَا يَهْدِي الْقَوْمَ الظَّالِمِينَ 50

En als zij geen gehoor geven aan jou, weet dan dat zij slechts hun begeerten volgen. En wie is er verder afgedwaald dan degene die zijn begeerten volgt zonder enige Leiding van Allah? Voorwaar, Allah leidt het onrechtvaardige volk niet.

وَلَقَدْ وَصَّلْنَا لَهُمُ الْقَوْلَ لَعَلَّهُمْ يَتَذَكَّرُونَ 51

En voorzeker, Wij brachten hun het Woord (d.w.z. de Koran), opdat zij er lering uit zullen trekken.

الَّذِينَ آتَيْنَاهُمُ الْكِتَابَ مِن قَبْلِهِ هُم بِهِ يُؤْمِنُونَ 52

Degenen aan wie Wij het Boek daarvóór (d.w.z. vóór de Koran) hebben gegeven, zij geloven erin.

وَإِذَا يُتْلَىٰ عَلَيْهِمْ قَالُوا آمَنَّا بِهِ إِنَّهُ الْحَقُّ مِن رَّبِّنَا إِنَّا كُنَّا مِن قَبْلِهِ مُسْلِمِينَ 53

En wanneer het (d.w.z. de Koran) aan hen wordt voorgedragen, zeggen zij: “Wij geloven erin. Waarlijk, het is de Waarheid van onze Heer. Voorwaar, wij waren hiervóór al moslims (d.w.z. wij geloofden hier al eerder in).”

أُولَٰئِكَ يُؤْتَوْنَ أَجْرَهُم مَّرَّتَيْنِ بِمَا صَبَرُوا وَيَدْرَءُونَ بِالْحَسَنَةِ السَّيِّئَةَ وَمِمَّا رَزَقْنَاهُمْ يُنفِقُونَ 54

Zij zijn degenen aan wie hun beloning twee keer wordt gegeven, omdat zij geduldig waren en het slechte met het goede weren, en omdat zij uitgeven van datgene waarmee Wij hen hebben voorzien.

وَإِذَا سَمِعُوا اللَّغْوَ أَعْرَضُوا عَنْهُ وَقَالُوا لَنَا أَعْمَالُنَا وَلَكُمْ أَعْمَالُكُمْ سَلَامٌ عَلَيْكُمْ لَا نَبْتَغِي الْجَاهِلِينَ 55

En wanneer zij nutteloos gepraat horen, wenden zij zich ervan af en zeggen zij: “Voor ons onze daden en voor jullie jullie daden. Salaamoen cAleykoem (vrede zij met jullie), wij streven niet naar (geredetwist met) de onwetenden.”

إِنَّكَ لَا تَهْدِي مَنْ أَحْبَبْتَ وَلَٰكِنَّ اللَّهَ يَهْدِي مَن يَشَاءُ ۚ وَهُوَ أَعْلَمُ بِالْمُهْتَدِينَ 56

Voorwaar, jij (o Mohammed) leidt niet degene die jij liefhebt, maar Allah leidt wie Hij wil. En Hij weet het beste wie de recht geleiden zijn.

وَقَالُوا إِن نَّتَّبِعِ الْهُدَىٰ مَعَكَ نُتَخَطَّفْ مِنْ أَرْضِنَا ۚ أَوَلَمْ نُمَكِّن لَّهُمْ حَرَمًا آمِنًا يُجْبَىٰ إِلَيْهِ ثَمَرَاتُ كُلِّ شَيْءٍ رِّزْقًا مِّن لَّدُنَّا وَلَٰكِنَّ أَكْثَرَهُمْ لَا يَعْلَمُونَ 57

En zij zeiden: “Als wij de Leiding met jou volgen, dan worden wij uit ons land weggegrepen.” Hebben Wij hen niet in staat gesteld om zich in een veilige gewijde plaats (d.w.z. in Mekka) te vestigen, waarnaar allerlei soorten vruchten worden gebracht als levensonderhoud van Onze Zijde? Maar de meesten van hen weten (het) niet.

وَكَمْ أَهْلَكْنَا مِن قَرْيَةٍ بَطِرَتْ مَعِيشَتَهَا ۖ فَتِلْكَ مَسَاكِنُهُمْ لَمْ تُسْكَن مِّن بَعْدِهِمْ إِلَّا قَلِيلًا ۖ وَكُنَّا نَحْنُ الْوَارِثِينَ 58

En hoeveel (inwoners) van de steden die ondankbaar waren voor hun leven hebben Wij vernietigd? Dat zijn hun woningen die na hen slechts door weinigen zijn bewoond. En Wij waren de Erfgenamen.

وَمَا كَانَ رَبُّكَ مُهْلِكَ الْقُرَىٰ حَتَّىٰ يَبْعَثَ فِي أُمِّهَا رَسُولًا يَتْلُو عَلَيْهِمْ آيَاتِنَا ۚ وَمَا كُنَّا مُهْلِكِي الْقُرَىٰ إِلَّا وَأَهْلُهَا ظَالِمُونَ 59

En jouw Heer zou geen van de steden vernietigen, totdat Hij naar de moeder daarvan (d.w.z. naar de meest grandioze stad) een Boodschapper heeft gezonden die Onze Verzen aan hen voordraagt. En Wij vernietigen geen van de steden, behalve als de inwoners ervan onrechtplegers zijn.

وَمَا أُوتِيتُم مِّن شَيْءٍ فَمَتَاعُ الْحَيَاةِ الدُّنْيَا وَزِينَتُهَا ۚ وَمَا عِندَ اللَّهِ خَيْرٌ وَأَبْقَىٰ ۚ أَفَلَا تَعْقِلُونَ 60

En wat jullie (ook) aan iets is gegeven, het is (slechts) een genieting van het wereldse leven en (één van) haar bekoringen. En wat zich bij Allah (aan Genietingen) bevindt, is beter en blijvender. Denken jullie dan niet na?

أَفَمَن وَعَدْنَاهُ وَعْدًا حَسَنًا فَهُوَ لَاقِيهِ كَمَن مَّتَّعْنَاهُ مَتَاعَ الْحَيَاةِ الدُّنْيَا ثُمَّ هُوَ يَوْمَ الْقِيَامَةِ مِنَ الْمُحْضَرِينَ 61

Is degene die Wij een goede Belofte (d.w.z. het Paradijs) hebben gedaan, (en) die hij (vervolgens) zal aantreffen, gelijk aan degene die Wij hebben laten genieten van de genieting van het wereldse leven en die vervolgens op de Dag der Opstanding zal behoren tot degenen die (in de Hel) verzameld zullen worden?

وَيَوْمَ يُنَادِيهِمْ فَيَقُولُ أَيْنَ شُرَكَائِيَ الَّذِينَ كُنتُمْ تَزْعُمُونَ 62

En (gedenk) de Dag waarop Hij hen zal roepen en zal zeggen: “Waar zijn Mijn (zogenaamde) deelgenoten waarvan jullie beweerden (dat zij goden waren naast Mij)?”

قَالَ الَّذِينَ حَقَّ عَلَيْهِمُ الْقَوْلُ رَبَّنَا هَٰؤُلَاءِ الَّذِينَ أَغْوَيْنَا أَغْوَيْنَاهُمْ كَمَا غَوَيْنَا ۖ تَبَرَّأْنَا إِلَيْكَ ۖ مَا كَانُوا إِيَّانَا يَعْبُدُونَ 63

Degenen (d.w.z. de satans) voor wie het Woord (d.w.z. de Bestraffing) is bepaald, zullen zeggen: “Onze Heer, dit zijn degenen die wij hebben doen afdwalen. Wij deden hen afdwalen zoals wij (ook) afgedwaald waren. Wij verklaren ons (hierbij) vrij bij U (van hun wandaden). Wij waren niet degenen die zij aanbaden.”

وَقِيلَ ادْعُوا شُرَكَاءَكُمْ فَدَعَوْهُمْ فَلَمْ يَسْتَجِيبُوا لَهُمْ وَرَأَوُا الْعَذَابَ ۚ لَوْ أَنَّهُمْ كَانُوا يَهْتَدُونَ 64

En er zal (tegen hen) worden gezegd: “Roep jullie deelgenoten aan.” Zij zullen hen dan aanroepen, maar zij zullen geen gehoor aan hen geven, en zij zullen de Bestraffing zien. Waren zij (in de wereld) maar (naar het rechte Pad) geleid.

وَيَوْمَ يُنَادِيهِمْ فَيَقُولُ مَاذَا أَجَبْتُمُ الْمُرْسَلِينَ 65

En (gedenk) de Dag waarop Hij hen zal roepen en zal zeggen: “Wat was het antwoord dat jullie aan de Boodschappers hebben gegeven?”

فَعَمِيَتْ عَلَيْهِمُ الْأَنبَاءُ يَوْمَئِذٍ فَهُمْ لَا يَتَسَاءَلُونَ 66

De berichten (d.w.z. de excuses die zij in het wereldse leven aanvoerden om niet te geloven) zullen op die Dag voor hen uitblijven en zij zullen elkaar geen vragen kunnen stellen.

فَأَمَّا مَن تَابَ وَآمَنَ وَعَمِلَ صَالِحًا فَعَسَىٰ أَن يَكُونَ مِنَ الْمُفْلِحِينَ 67

Maar wat betreft degene die berouw toont en gelooft en goede daden verricht, hij zal wellicht behoren tot degenen die succesvol zijn.

وَرَبُّكَ يَخْلُقُ مَا يَشَاءُ وَيَخْتَارُ ۗ مَا كَانَ لَهُمُ الْخِيَرَةُ ۚ سُبْحَانَ اللَّهِ وَتَعَالَىٰ عَمَّا يُشْرِكُونَ 68

En jouw Heer schept wat Hij wil en kiest uit (wie Hij wil). Zij (d.w.z. de ongelovigen) hebben (daarin) geen keuze. Verheerlijkt en Verheven is Allah boven datgene wat zij (Hem) aan deelgenoten toekennen.

وَرَبُّكَ يَعْلَمُ مَا تُكِنُّ صُدُورُهُمْ وَمَا يُعْلِنُونَ 69

En jouw Heer weet wat hun borsten (d.w.z. hun harten) verbergen en wat zij openbaar maken.

وَهُوَ اللَّهُ لَا إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ ۖ لَهُ الْحَمْدُ فِي الْأُولَىٰ وَالْآخِرَةِ ۖ وَلَهُ الْحُكْمُ وَإِلَيْهِ تُرْجَعُونَ 70

En Hij is Allah, er is geen god dan Hij. Aan Hem behoort (alle) lof, in het eerste (d.w.z. in deze wereld) en in het Laatste (d.w.z. in het Hiernamaals) toe. En het Oordeel behoort aan Hem toe en tot Hem zullen jullie terugkeren.

قُلْ أَرَأَيْتُمْ إِن جَعَلَ اللَّهُ عَلَيْكُمُ اللَّيْلَ سَرْمَدًا إِلَىٰ يَوْمِ الْقِيَامَةِ مَنْ إِلَٰهٌ غَيْرُ اللَّهِ يَأْتِيكُم بِضِيَاءٍ ۖ أَفَلَا تَسْمَعُونَ 71

Zeg (o Mohammed): “Vertel mij, als Allah de nacht voor jullie zou laten voortduren tot aan de Dag der Opstanding, is er dan een god naast Allah die voor jullie met een licht kan komen? Luisteren jullie dan niet?”

قُلْ أَرَأَيْتُمْ إِن جَعَلَ اللَّهُ عَلَيْكُمُ النَّهَارَ سَرْمَدًا إِلَىٰ يَوْمِ الْقِيَامَةِ مَنْ إِلَٰهٌ غَيْرُ اللَّهِ يَأْتِيكُم بِلَيْلٍ تَسْكُنُونَ فِيهِ ۖ أَفَلَا تُبْصِرُونَ 72

Zeg (o Mohammed): “Vertel mij, als Allah de dag voor jullie zou laten voortduren tot aan de Dag der Opstanding, is er dan een god naast Allah die voor jullie met een nacht kan komen, waarin jullie je rust kunnen vinden? Zien jullie dan niet?”

وَمِن رَّحْمَتِهِ جَعَلَ لَكُمُ اللَّيْلَ وَالنَّهَارَ لِتَسْكُنُوا فِيهِ وَلِتَبْتَغُوا مِن فَضْلِهِ وَلَعَلَّكُمْ تَشْكُرُونَ 73

En het behoort tot Zijn Genade dat Hij de nacht en de dag voor jullie heeft gemaakt om daarin jullie rust te vinden en opdat jullie Zijn Gunst zullen zoeken, en opdat jullie dankbaar zullen zijn.

وَيَوْمَ يُنَادِيهِمْ فَيَقُولُ أَيْنَ شُرَكَائِيَ الَّذِينَ كُنتُمْ تَزْعُمُونَ 74

En (gedenk) de Dag waarop Hij hen zal roepen en zal zeggen: “Waar zijn Mijn (zogenaamde) deelgenoten waarvan jullie beweerden (dat zij goden waren naast Mij)?”

وَنَزَعْنَا مِن كُلِّ أُمَّةٍ شَهِيدًا فَقُلْنَا هَاتُوا بُرْهَانَكُمْ فَعَلِمُوا أَنَّ الْحَقَّ لِلَّهِ وَضَلَّ عَنْهُم مَّا كَانُوا يَفْتَرُونَ 75

En Wij brengen uit iedere gemeenschap een getuige (naar voren). Vervolgens zullen Wij zeggen: “Kom met jullie bewijzen.” Dan zullen zij weten dat de Waarheid aan Allah toebehoort. En datgene wat zij verzonnen, zal hen verlaten.

إِنَّ قَارُونَ كَانَ مِن قَوْمِ مُوسَىٰ فَبَغَىٰ عَلَيْهِمْ ۖ وَآتَيْنَاهُ مِنَ الْكُنُوزِ مَا إِنَّ مَفَاتِحَهُ لَتَنُوءُ بِالْعُصْبَةِ أُولِي الْقُوَّةِ إِذْ قَالَ لَهُ قَوْمُهُ لَا تَفْرَحْ ۖ إِنَّ اللَّهَ لَا يُحِبُّ الْفَرِحِينَ 76

Voorwaar, Qaaroen (Korach) behoorde tot het volk van Moesa, maar hij stelde zich hoogmoedig op tegenover hen. En Wij gaven hem van de schatten, waarvan de sleutels waarlijk gedragen moesten worden door een groep sterke mannen. (En gedenk) toen zijn volk tegen hem zei: “Wees niet (uit hoogmoed) blij (met jezelf). Voorwaar, Allah houdt niet van degenen die (uit hoogmoed) blij zijn (met zichzelf).

وَابْتَغِ فِيمَا آتَاكَ اللَّهُ الدَّارَ الْآخِرَةَ ۖ وَلَا تَنسَ نَصِيبَكَ مِنَ الدُّنْيَا ۖ وَأَحْسِن كَمَا أَحْسَنَ اللَّهُ إِلَيْكَ ۖ وَلَا تَبْغِ الْفَسَادَ فِي الْأَرْضِ ۖ إِنَّ اللَّهَ لَا يُحِبُّ الْمُفْسِدِينَ 77

En streef met datgene wat Allah jou heeft gegeven naar het Huis van het Hiernamaals, en vergeet jouw aandeel niet in deze wereld. En doe goed, zoals ook Allah Goed voor jou is geweest. En streef er niet naar om verderf op aarde te zaaien, waarlijk, Allah houdt niet van de verderfzaaiers.”

قَالَ إِنَّمَا أُوتِيتُهُ عَلَىٰ عِلْمٍ عِندِي ۚ أَوَلَمْ يَعْلَمْ أَنَّ اللَّهَ قَدْ أَهْلَكَ مِن قَبْلِهِ مِنَ الْقُرُونِ مَنْ هُوَ أَشَدُّ مِنْهُ قُوَّةً وَأَكْثَرُ جَمْعًا ۚ وَلَا يُسْأَلُ عَن ذُنُوبِهِمُ الْمُجْرِمُونَ 78

Hij (Qaaroen) zei: “Dit is mij slechts toegekomen vanwege de kennis die ik bezit.” Weet hij dan niet dat Allah vóór hem zeker generaties heeft vernietigd die veel sterker waren dan hij en (die) veel meer (bezittingen) vergaarden? En de misdadigers worden niet ondervraagd over hun zonden.

فَخَرَجَ عَلَىٰ قَوْمِهِ فِي زِينَتِهِ ۖ قَالَ الَّذِينَ يُرِيدُونَ الْحَيَاةَ الدُّنْيَا يَا لَيْتَ لَنَا مِثْلَ مَا أُوتِيَ قَارُونُ إِنَّهُ لَذُو حَظٍّ عَظِيمٍ 79

Toen kwam hij op zijn volk af, in al zijn glorie. Degenen die het wereldse leven wensten, zeiden: “Waren wij maar in het bezit van hetzelfde als dat wat Qaaroen is gegeven. Waarlijk, hem is zeker een groot aandeel (van deze wereld) toegekomen.”

وَقَالَ الَّذِينَ أُوتُوا الْعِلْمَ وَيْلَكُمْ ثَوَابُ اللَّهِ خَيْرٌ لِّمَنْ آمَنَ وَعَمِلَ صَالِحًا وَلَا يُلَقَّاهَا إِلَّا الصَّابِرُونَ 80

En degenen aan wie (religieuze) kennis was gegeven, zeiden: “Wee jullie, de Beloning van Allah is beter voor degene die gelooft en goede daden verricht. En niemand komt daarvoor in aanmerking, behalve degenen die geduldig zijn.”

فَخَسَفْنَا بِهِ وَبِدَارِهِ الْأَرْضَ فَمَا كَانَ لَهُ مِن فِئَةٍ يَنصُرُونَهُ مِن دُونِ اللَّهِ وَمَا كَانَ مِنَ الْمُنتَصِرِينَ 81

En Wij lieten hem en zijn huis in de aarde wegzakken. (En) toen was er voor hem, naast Allah, geen groep die hem kon helpen, noch kon hij zichzelf helpen (tegen de Bestraffing van Allah).

وَأَصْبَحَ الَّذِينَ تَمَنَّوْا مَكَانَهُ بِالْأَمْسِ يَقُولُونَ وَيْكَأَنَّ اللَّهَ يَبْسُطُ الرِّزْقَ لِمَن يَشَاءُ مِنْ عِبَادِهِ وَيَقْدِرُ ۖ لَوْلَا أَن مَّنَّ اللَّهُ عَلَيْنَا لَخَسَفَ بِنَا ۖ وَيْكَأَنَّهُ لَا يُفْلِحُ الْكَافِرُونَ 82

En degenen die naar (een positie zoals) zijn positie van de dag ervoor verlangden, zeiden: “Voorwaar, zie jij niet dat Allah het levensonderhoud vermeerdert voor wie Hij wil van Zijn dienaren en vermindert (voor wie Hij wil)? Als Allah ons niet had begunstigd, dan had Hij ons zeker (ook in de aarde) laten wegzakken. Voorwaar, zie jij niet dat de ongelovigen nooit succesvol zullen zijn?”

تِلْكَ الدَّارُ الْآخِرَةُ نَجْعَلُهَا لِلَّذِينَ لَا يُرِيدُونَ عُلُوًّا فِي الْأَرْضِ وَلَا فَسَادًا ۚ وَالْعَاقِبَةُ لِلْمُتَّقِينَ 83

Dat is het Huis van het Hiernamaals (d.w.z. het Paradijs) dat Wij zullen toekennen aan degenen die zich niet hoogmoedig willen opstellen op aarde en (die er) geen verderf (op willen) zaaien. En het goede Einde is voor de godsvruchtigen.

مَن جَاءَ بِالْحَسَنَةِ فَلَهُ خَيْرٌ مِّنْهَا ۖ وَمَن جَاءَ بِالسَّيِّئَةِ فَلَا يُجْزَى الَّذِينَ عَمِلُوا السَّيِّئَاتِ إِلَّا مَا كَانُوا يَعْمَلُونَ 84

Wie met een goede daad komt, voor hem is er (iets) beters dan dat (aan Beloning). En wie met een slechte daad komt; zij die slechte daden verrichten worden dan slechts vergolden vanwege datgene wat zij deden.

إِنَّ الَّذِي فَرَضَ عَلَيْكَ الْقُرْآنَ لَرَادُّكَ إِلَىٰ مَعَادٍ ۚ قُل رَّبِّي أَعْلَمُ مَن جَاءَ بِالْهُدَىٰ وَمَنْ هُوَ فِي ضَلَالٍ مُّبِينٍ 85

Voorwaar, Degene Die jou (o Mohammed) de Koran heeft opgelegd, zal jou zeker terugvoeren naar de plaats van de Terugkeer. Zeg (o Mohammed): “Mijn Heer weet wie met de Leiding komt en wie in duidelijke dwaling verkeert.”

وَمَا كُنتَ تَرْجُو أَن يُلْقَىٰ إِلَيْكَ الْكِتَابُ إِلَّا رَحْمَةً مِّن رَّبِّكَ ۖ فَلَا تَكُونَنَّ ظَهِيرًا لِّلْكَافِرِينَ 86

En jij verwachtte niet dat het Boek naar jou geworpen (d.w.z. aan jou neergezonden) zou worden, maar het is (gebeurd) dankzij de Genade van jouw Heer. Wees daarom geen helper van de ongelovigen.

وَلَا يَصُدُّنَّكَ عَنْ آيَاتِ اللَّهِ بَعْدَ إِذْ أُنزِلَتْ إِلَيْكَ ۖ وَادْعُ إِلَىٰ رَبِّكَ ۖ وَلَا تَكُونَنَّ مِنَ الْمُشْرِكِينَ 87

En laat hen (d.w.z. de ongelovigen) jou (o Mohammed) niet afhouden van de Verzen van Allah, nadat deze aan jou zijn neergezonden. En nodig uit naar jouw Heer en behoor niet tot de veelgodenaanbidders.

وَلَا تَدْعُ مَعَ اللَّهِ إِلَٰهًا آخَرَ ۘ لَا إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ ۚ كُلُّ شَيْءٍ هَالِكٌ إِلَّا وَجْهَهُ ۚ لَهُ الْحُكْمُ وَإِلَيْهِ تُرْجَعُونَ 88

En roep naast Allah geen andere god aan. Er is geen god dan Hij. Alles zal vergaan, behalve Zijn Gezicht. Het Oordeel behoort toe aan Hem en tot Hem zullen jullie terugkeren.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Close