Soera 28 – Al-Qasas  – Het Verhaal – القصص

Deze soera in de nieuwe Koran omgeving lezen? Ja, graag
bismillah ir rahman ir rahim

طسٓمٓ 1

Tha, Sīn, Mīm.

تِلۡكَ ءَايَٰتُ ٱلۡكِتَٰبِ ٱلۡمُبِينِ 2

Dit zijn de Verzen van het duidelijke Boek.

نَتۡلُواْ عَلَيۡكَ مِن نَّبَإِ مُوسَىٰ وَفِرۡعَوۡنَ بِٱلۡحَقِّ لِقَوۡمٖ يُؤۡمِنُونَ 3

Wij reciteren voor jullie in waarheid de geschiedenissen van Mozes en Farao, voor een volk dat gelooft.

إِنَّ فِرۡعَوۡنَ عَلَا فِي ٱلۡأَرۡضِ وَجَعَلَ أَهۡلَهَا شِيَعٗا يَسۡتَضۡعِفُ طَآئِفَةٗ مِّنۡهُمۡ يُذَبِّحُ أَبۡنَآءَهُمۡ وَيَسۡتَحۡيِۦ نِسَآءَهُمۡۚ إِنَّهُۥ كَانَ مِنَ ٱلۡمُفۡسِدِينَ 4

Waarlijk, Farao verhief zichzelf in het land en maakte zijn mensen tot sekten. Hij onderdrukte een groep onder hen: hun zonen dodend, en hij liet hun vrouwen leven. Waarlijk, hij behoorde tot de verderfzaaiers.

وَنُرِيدُ أَن نَّمُنَّ عَلَى ٱلَّذِينَ ٱسۡتُضۡعِفُواْ فِي ٱلۡأَرۡضِ وَنَجۡعَلَهُمۡ أَئِمَّةٗ وَنَجۡعَلَهُمُ ٱلۡوَٰرِثِينَ 5

En Wij wensten een gunst te geven aan degenen die onderdrukt waren in het land. En Wij maakten hen tot heersers en Wij maakten hen tot erfgenamen.

وَنُمَكِّنَ لَهُمۡ فِي ٱلۡأَرۡضِ وَنُرِيَ فِرۡعَوۡنَ وَهَٰمَٰنَ وَجُنُودَهُمَا مِنۡهُم مَّا كَانُواْ يَحۡذَرُونَ 6

En Wij vestigden hen op aarde en Wij toonden Farao en Hanan en hun troepen onder hen dat waar zij bevreesd voor waren.

وَأَوۡحَيۡنَآ إِلَىٰٓ أُمِّ مُوسَىٰٓ أَنۡ أَرۡضِعِيهِۖ فَإِذَا خِفۡتِ عَلَيۡهِ فَأَلۡقِيهِ فِي ٱلۡيَمِّ وَلَا تَخَافِي وَلَا تَحۡزَنِيٓۖ إِنَّا رَآدُّوهُ إِلَيۡكِ وَجَاعِلُوهُ مِنَ ٱلۡمُرۡسَلِينَ 7

En Wij inspireerden aan de moeder van Mozes: “Zoog hem (Mozes), maar als je voor hem vreest, geef hem dan aan de rivier en vrees niet, noch wees bedroefd. Waarlijk! Wij zullen hem naar jou terugbrengen en zullen hem tot één van (Onze) Boodschappers maken.”

فَٱلۡتَقَطَهُۥٓ ءَالُ فِرۡعَوۡنَ لِيَكُونَ لَهُمۡ عَدُوّٗا وَحَزَنًاۗ إِنَّ فِرۡعَوۡنَ وَهَٰمَٰنَ وَجُنُودَهُمَا كَانُواْ خَٰطِـِٔينَ 8

Toen pikten de mensen van Farao hem op (uit de rivier), zodat hij voor hen een vijand zou worden en hen verdriet zou bezorgen. Waarlijk! Farao, Hanan en hun legers waren zondaren.

وَقَالَتِ ٱمۡرَأَتُ فِرۡعَوۡنَ قُرَّتُ عَيۡنٖ لِّي وَلَكَۖ لَا تَقۡتُلُوهُ عَسَىٰٓ أَن يَنفَعَنَآ أَوۡ نَتَّخِذَهُۥ وَلَدٗا وَهُمۡ لَا يَشۡعُرُونَ 9

En de vrouw van Farao zei: “Hij is een genot voor het oog van mij en jou. Doodt hem niet, misschien zal hij ons nog tot nut zijn, of kunnen wij hem als een zoon adopteren.” En zij voorzagen niet.

وَأَصۡبَحَ فُؤَادُ أُمِّ مُوسَىٰ فَٰرِغًاۖ إِن كَادَتۡ لَتُبۡدِي بِهِۦ لَوۡلَآ أَن رَّبَطۡنَا عَلَىٰ قَلۡبِهَا لِتَكُونَ مِنَ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ 10

En het hart van de moeder van Mozes werd leeg. Zij was de onthulling daarvan nabij, hadden Wij haar hart niet versterkt zodat zij één van de gelovigen behoorde.

وَقَالَتۡ لِأُخۡتِهِۦ قُصِّيهِۖ فَبَصُرَتۡ بِهِۦ عَن جُنُبٖ وَهُمۡ لَا يَشۡعُرُونَ 11

En zij zei tegen zijn (Mozes’) zuster: “Volg hem.” Dus keek zij van een verre plaats in het geheim toe, terwijl zij dat niet beseften.

۞وَحَرَّمۡنَا عَلَيۡهِ ٱلۡمَرَاضِعَ مِن قَبۡلُ فَقَالَتۡ هَلۡ أَدُلُّكُمۡ عَلَىٰٓ أَهۡلِ بَيۡتٖ يَكۡفُلُونَهُۥ لَكُمۡ وَهُمۡ لَهُۥ نَٰصِحُونَ 12

En Wij hebben hem daarvόόr zoogmoeders verboden. Tot zij (zijn zuster) zei (tegen de familie van Farao): “Zal ik u een huishouden wijzen dat hem voor u zal opvoeden en trouw voor hem zal zorgen op de goede manier?”

فَرَدَدۡنَٰهُ إِلَىٰٓ أُمِّهِۦ كَيۡ تَقَرَّ عَيۡنُهَا وَلَا تَحۡزَنَ وَلِتَعۡلَمَ أَنَّ وَعۡدَ ٱللَّهِ حَقّٞ وَلَٰكِنَّ أَكۡثَرَهُمۡ لَا يَعۡلَمُونَ 13

Zo brachten Wij hem weer bij zijn moeder, opdat haar oog verkoeld werd, en dat zij niet zou treuren, en opdat zij wist dat de belofte van Allah waar is. Maar de meesten van hen weten niet.

وَلَمَّا بَلَغَ أَشُدَّهُۥ وَٱسۡتَوَىٰٓ ءَاتَيۡنَٰهُ حُكۡمٗا وَعِلۡمٗاۚ وَكَذَٰلِكَ نَجۡزِي ٱلۡمُحۡسِنِينَ 14

En toen hij zijn volle kracht had bereikt en volgroeid was, gaven Wij hem wijsheid en religieuze kennis. En zo belonen Wij de weldoeners.

وَدَخَلَ ٱلۡمَدِينَةَ عَلَىٰ حِينِ غَفۡلَةٖ مِّنۡ أَهۡلِهَا فَوَجَدَ فِيهَا رَجُلَيۡنِ يَقۡتَتِلَانِ هَٰذَا مِن شِيعَتِهِۦ وَهَٰذَا مِنۡ عَدُوِّهِۦۖ فَٱسۡتَغَٰثَهُ ٱلَّذِي مِن شِيعَتِهِۦ عَلَى ٱلَّذِي مِنۡ عَدُوِّهِۦ فَوَكَزَهُۥ مُوسَىٰ فَقَضَىٰ عَلَيۡهِۖ قَالَ هَٰذَا مِنۡ عَمَلِ ٱلشَّيۡطَٰنِۖ إِنَّهُۥ عَدُوّٞ مُّضِلّٞ مُّبِينٞ 15

En hij trad de stad binnen op een tijd dat haar volk nog niet bewust was en hij kwam twee mannen tegen die vochten: de één van zijn groep ( de Kinderen van Israël) en de andere van zijn vijand (de mensen van Farao). De man van zijn groep vroeg hem om hulp tegen de vijand, dus sloeg Mozes hem met zijn vuist en doodde hem (per ongeluk). Hij zei: “Dit is een daad van Sheitan, waarlijk hij is een duidelijke misleidende vijand.”

قَالَ رَبِّ إِنِّي ظَلَمۡتُ نَفۡسِي فَٱغۡفِرۡ لِي فَغَفَرَ لَهُۥٓۚ إِنَّهُۥ هُوَ ٱلۡغَفُورُ ٱلرَّحِيمُ 16

Hij zei: “Mijn Heer! Waarlijk, ik heb mijzelf onrecht aangedaan, vergeef mij dus. Toen vergaf Hij het hem. Waarlijk, Hij is de Vergevingsgezinde de Genadevolle.

قَالَ رَبِّ بِمَآ أَنۡعَمۡتَ عَلَيَّ فَلَنۡ أَكُونَ ظَهِيرٗا لِّلۡمُجۡرِمِينَ 17

Hij zei: “Mijn Heer! Voor datgene waarvoor U mij gunsten heeft verleend, zal ik nooit meer een helper van de misdadigers zijn.”

فَأَصۡبَحَ فِي ٱلۡمَدِينَةِ خَآئِفٗا يَتَرَقَّبُ فَإِذَا ٱلَّذِي ٱسۡتَنصَرَهُۥ بِٱلۡأَمۡسِ يَسۡتَصۡرِخُهُۥۚ قَالَ لَهُۥ مُوسَىٰٓ إِنَّكَ لَغَوِيّٞ مُّبِينٞ 18

Toen werd hij bang in de stad" en was op zijn hoede, toen zie, de man die de vorige dag zijn hulp had gevraagd hem (opnieuw) om hulp vroeg. Mozes zei tegen hem: “Waarlijk, jij bent een duidelijk dwalende!”

فَلَمَّآ أَنۡ أَرَادَ أَن يَبۡطِشَ بِٱلَّذِي هُوَ عَدُوّٞ لَّهُمَا قَالَ يَٰمُوسَىٰٓ أَتُرِيدُ أَن تَقۡتُلَنِي كَمَا قَتَلۡتَ نَفۡسَۢا بِٱلۡأَمۡسِۖ إِن تُرِيدُ إِلَّآ أَن تَكُونَ جَبَّارٗا فِي ٱلۡأَرۡضِ وَمَا تُرِيدُ أَن تَكُونَ مِنَ ٱلۡمُصۡلِحِينَ 19

Maar toen hij besloot om de man, die een vijand voor hen beiden was te grijpen, zei de man: “O Mozes! Is het jouw bedoeling om mij te doden zoals je gisteren een man gedood hebt? Je doel is niets anders dan een tiran in het land te worden en je wilt geen vredestichter zijn.”

وَجَآءَ رَجُلٞ مِّنۡ أَقۡصَا ٱلۡمَدِينَةِ يَسۡعَىٰ قَالَ يَٰمُوسَىٰٓ إِنَّ ٱلۡمَلَأَ يَأۡتَمِرُونَ بِكَ لِيَقۡتُلُوكَ فَٱخۡرُجۡ إِنِّي لَكَ مِنَ ٱلنَّـٰصِحِينَ 20

En er kwam een man aanrennen uit de verste hoek van de stad. Hij zei: “O Mozes! Waarlijk, de leiders beraadslagen om je te doden, ontsnap dus. Waarlijk, ik ben één van degenen die jou oprecht advies geven.”

فَخَرَجَ مِنۡهَا خَآئِفٗا يَتَرَقَّبُۖ قَالَ رَبِّ نَجِّنِي مِنَ ٱلۡقَوۡمِ ٱلظَّـٰلِمِينَ 21

Dus ontsnapte hij daar vandaan, vrezend en op zijn hoede. Hij zei: “Mijn Heer! Red mij van het volk dat onrechtvaardig is!”

وَلَمَّا تَوَجَّهَ تِلۡقَآءَ مَدۡيَنَ قَالَ عَسَىٰ رَبِّيٓ أَن يَهۡدِيَنِي سَوَآءَ ٱلسَّبِيلِ 22

En toen hij in de richting van Median ging, zei hij: “Het kan zijn dat mijn Heer mij op de rechte weg leidt.”

وَلَمَّا وَرَدَ مَآءَ مَدۡيَنَ وَجَدَ عَلَيۡهِ أُمَّةٗ مِّنَ ٱلنَّاسِ يَسۡقُونَ وَوَجَدَ مِن دُونِهِمُ ٱمۡرَأَتَيۡنِ تَذُودَانِۖ قَالَ مَا خَطۡبُكُمَاۖ قَالَتَا لَا نَسۡقِي حَتَّىٰ يُصۡدِرَ ٱلرِّعَآءُۖ وَأَبُونَا شَيۡخٞ كَبِيرٞ 23

En toen hij bij het water van Median aankwam, zag hij daar een groep mannen die (hun kudde) drenkten, en naast hen vond hij twee vrouwen die (hun kudde) tegenhielden. Hij zei: “Wat scheelt jullie?” Zij zeiden: “Wij kunnen (onze kudde) niet drenken tot de schaapherders (hun kudde) meenemen. En onze vader is een erg oude man.”

فَسَقَىٰ لَهُمَا ثُمَّ تَوَلَّىٰٓ إِلَى ٱلظِّلِّ فَقَالَ رَبِّ إِنِّي لِمَآ أَنزَلۡتَ إِلَيَّ مِنۡ خَيۡرٖ فَقِيرٞ 24

Dus drenkte hij (hun kudde) voor hen, toen keerde hij in de schaduw terug en zei: “Mijn Heer! Waarlijk ik heb behoefte aan al het goede wat U mij geeft!”

فَجَآءَتۡهُ إِحۡدَىٰهُمَا تَمۡشِي عَلَى ٱسۡتِحۡيَآءٖ قَالَتۡ إِنَّ أَبِي يَدۡعُوكَ لِيَجۡزِيَكَ أَجۡرَ مَا سَقَيۡتَ لَنَاۚ فَلَمَّا جَآءَهُۥ وَقَصَّ عَلَيۡهِ ٱلۡقَصَصَ قَالَ لَا تَخَفۡۖ نَجَوۡتَ مِنَ ٱلۡقَوۡمِ ٱلظَّـٰلِمِينَ 25

Toen kwam één van de twee vrouwen verlegen naar hem toe lopen. Zij zei: “Waarlijk, mijn vader roept u zodat hij u kan belonen voor het drenken (van onze kudde) voor ons.” Toen hij dus tot hem kwam en hem het verhaal vertelde, zei hij: “Vrees niet. Jij bent ontsnapt van het volk dat onrechtvaardig is.”

قَالَتۡ إِحۡدَىٰهُمَا يَـٰٓأَبَتِ ٱسۡتَـٔۡجِرۡهُۖ إِنَّ خَيۡرَ مَنِ ٱسۡتَـٔۡجَرۡتَ ٱلۡقَوِيُّ ٱلۡأَمِينُ 26

En één (van de twee vrouwen) "zei tegen hem: “O mijn vader! Huur hem! Waarlijk, de beste mannen die je kunt huren zijn de sterke, de betrouwbare.”

قَالَ إِنِّيٓ أُرِيدُ أَنۡ أُنكِحَكَ إِحۡدَى ٱبۡنَتَيَّ هَٰتَيۡنِ عَلَىٰٓ أَن تَأۡجُرَنِي ثَمَٰنِيَ حِجَجٖۖ فَإِنۡ أَتۡمَمۡتَ عَشۡرٗا فَمِنۡ عِندِكَۖ وَمَآ أُرِيدُ أَنۡ أَشُقَّ عَلَيۡكَۚ سَتَجِدُنِيٓ إِن شَآءَ ٱللَّهُ مِنَ ٱلصَّـٰلِحِينَ 27

Hij zei: “Ik ben van plan om één van deze twee dochters aan jou uit te huwelijken, op voorwaarde dat jij mij acht jaren zal dienen, maar als je tien jaren vervult dan zal dat (een gunst) van jou zijn. Ik ben niet van plan het je moeilijk te maken. Als Allah het wil zal je ontdekken dat ik één van de rechtvaardigen ben.”

قَالَ ذَٰلِكَ بَيۡنِي وَبَيۡنَكَۖ أَيَّمَا ٱلۡأَجَلَيۡنِ قَضَيۡتُ فَلَا عُدۡوَٰنَ عَلَيَّۖ وَٱللَّهُ عَلَىٰ مَا نَقُولُ وَكِيلٞ 28

Hij (Mozes) zei: “Dat is dan tussen ons geregeld, welke van de twee termijnen ik ook vervul, laat er geen onvrede tegen mij zijn en Allah is Getuige van wat wij zeggen.”

۞فَلَمَّا قَضَىٰ مُوسَى ٱلۡأَجَلَ وَسَارَ بِأَهۡلِهِۦٓ ءَانَسَ مِن جَانِبِ ٱلطُّورِ نَارٗاۖ قَالَ لِأَهۡلِهِ ٱمۡكُثُوٓاْ إِنِّيٓ ءَانَسۡتُ نَارٗا لَّعَلِّيٓ ءَاتِيكُم مِّنۡهَا بِخَبَرٍ أَوۡ جَذۡوَةٖ مِّنَ ٱلنَّارِ لَعَلَّكُمۡ تَصۡطَلُونَ 29

Toen Mozes de termijn had vervuld, en met zijn familie rondreisde, zag hij een vuur in de richting van de (berg) Toer. Hij zei tegen zijn familie: “Wacht, ik heb een vuur gezien; misschien kan ik jullie daarover nieuws brengen of een brandende tak, dat jullie jezelf mogen verwarmen.”

فَلَمَّآ أَتَىٰهَا نُودِيَ مِن شَٰطِيِٕ ٱلۡوَادِ ٱلۡأَيۡمَنِ فِي ٱلۡبُقۡعَةِ ٱلۡمُبَٰرَكَةِ مِنَ ٱلشَّجَرَةِ أَن يَٰمُوسَىٰٓ إِنِّيٓ أَنَا ٱللَّهُ رَبُّ ٱلۡعَٰلَمِينَ 30

Maar toen hij (het vuur) bereikte, werd hij van de rechterkant van het dal geroepen, op de gezegende plaats van de boom: “O Mozes! Waarlijk! Ik ben Allah, de Heer der Werelden!

وَأَنۡ أَلۡقِ عَصَاكَۚ فَلَمَّا رَءَاهَا تَهۡتَزُّ كَأَنَّهَا جَآنّٞ وَلَّىٰ مُدۡبِرٗا وَلَمۡ يُعَقِّبۡۚ يَٰمُوسَىٰٓ أَقۡبِلۡ وَلَا تَخَفۡۖ إِنَّكَ مِنَ ٱلۡأٓمِنِينَ 31

En gooi je stok!” Maar toen hij het als een slang zag bewegen, keerde hij zich haastig om en keek niet om. (Er werd gezegd): “O Mozes! Kom nabij en vrees niet. Waarlijk, jij bent één van degenen die veilig zijn.

ٱسۡلُكۡ يَدَكَ فِي جَيۡبِكَ تَخۡرُجۡ بَيۡضَآءَ مِنۡ غَيۡرِ سُوٓءٖ وَٱضۡمُمۡ إِلَيۡكَ جَنَاحَكَ مِنَ ٱلرَّهۡبِۖ فَذَٰنِكَ بُرۡهَٰنَانِ مِن رَّبِّكَ إِلَىٰ فِرۡعَوۡنَ وَمَلَإِيْهِۦٓۚ إِنَّهُمۡ كَانُواْ قَوۡمٗا فَٰسِقِينَ 32

Stop je hand in je boezem, het zal wit worden zonder ziek te zijn. en trek je hand dicht tegen je aan om vrij van vrees te zijn, dit zijn twee Tekenen van jouw Heer tegen de Farao en zijn leiders. Waarlijk, zij zijn het volk dat verdorven is.”

قَالَ رَبِّ إِنِّي قَتَلۡتُ مِنۡهُمۡ نَفۡسٗا فَأَخَافُ أَن يَقۡتُلُونِ 33

Hij zei: “Mijn Heer! Ik heb een man van hen gedood, dus ik ben bang dat zij mij zullen doden.

وَأَخِي هَٰرُونُ هُوَ أَفۡصَحُ مِنِّي لِسَانٗا فَأَرۡسِلۡهُ مَعِيَ رِدۡءٗا يُصَدِّقُنِيٓۖ إِنِّيٓ أَخَافُ أَن يُكَذِّبُونِ 34

En mijn broeder Haaron kan beter spreken dan ik, stuur hem dus als helper met mij mee om mij zelfvertrouwen te geven. Waarlijk! Ik vrees dat zij mij zullen verloochenen.”

قَالَ سَنَشُدُّ عَضُدَكَ بِأَخِيكَ وَنَجۡعَلُ لَكُمَا سُلۡطَٰنٗا فَلَا يَصِلُونَ إِلَيۡكُمَا بِـَٔايَٰتِنَآۚ أَنتُمَا وَمَنِ ٱتَّبَعَكُمَا ٱلۡغَٰلِبُونَ 35

Allah zei: “Wij zullen jou versterken met je broer versterken en Wij zullen jullie beiden kracht geven, dus zullen zij niet in staat zijn jullie te kwetsen. Met Onze Tekenen zullen zowel jullie twee als degenen die jullie volgen overwinnaars zijn.”

فَلَمَّا جَآءَهُم مُّوسَىٰ بِـَٔايَٰتِنَا بَيِّنَٰتٖ قَالُواْ مَا هَٰذَآ إِلَّا سِحۡرٞ مُّفۡتَرٗى وَمَا سَمِعۡنَا بِهَٰذَا فِيٓ ءَابَآئِنَا ٱلۡأَوَّلِينَ 36

Toen Mozes tot hen kwam met Onze duidelijke Tekenen zeiden zij: “Dit is niets anders dan bedachte toverkunsten. Hier hebben wij van onze voorvaderen nog nooit van gehoord.”

وَقَالَ مُوسَىٰ رَبِّيٓ أَعۡلَمُ بِمَن جَآءَ بِٱلۡهُدَىٰ مِنۡ عِندِهِۦ وَمَن تَكُونُ لَهُۥ عَٰقِبَةُ ٱلدَّارِۚ إِنَّهُۥ لَا يُفۡلِحُ ٱلظَّـٰلِمُونَ 37

Mozes zei: “Mijn Heer weet het beste wie met leiding van Hem kwam, en voor wie (het Paradijs) het einde van het huis (van deze wereld) is. Waarlijk, de onrechtvaardigen zullen niet welslagen.”

وَقَالَ فِرۡعَوۡنُ يَـٰٓأَيُّهَا ٱلۡمَلَأُ مَا عَلِمۡتُ لَكُم مِّنۡ إِلَٰهٍ غَيۡرِي فَأَوۡقِدۡ لِي يَٰهَٰمَٰنُ عَلَى ٱلطِّينِ فَٱجۡعَل لِّي صَرۡحٗا لَّعَلِّيٓ أَطَّلِعُ إِلَىٰٓ إِلَٰهِ مُوسَىٰ وَإِنِّي لَأَظُنُّهُۥ مِنَ ٱلۡكَٰذِبِينَ 38

Farao zei: “O leiders! Ik weet geen andere god dan ikzelf voor jullie. Steek dus voor mij een vuur aan, O Haman, om (stenen van) klei te bakken en bouw een toren voor mij, zodat ik kan opklimmen naar de God van Mozes. Waarlijk, ik denk dat hij (Mozes) één van de leugenaars is.”

وَٱسۡتَكۡبَرَ هُوَ وَجُنُودُهُۥ فِي ٱلۡأَرۡضِ بِغَيۡرِ ٱلۡحَقِّ وَظَنُّوٓاْ أَنَّهُمۡ إِلَيۡنَا لَا يُرۡجَعُونَ 39

En hij en zijn leger waren hoogmoedig in het land, zonder daartoe recht te hebben en zij dachten dat zij nooit tot Ons zouden terugkeren.

فَأَخَذۡنَٰهُ وَجُنُودَهُۥ فَنَبَذۡنَٰهُمۡ فِي ٱلۡيَمِّۖ فَٱنظُرۡ كَيۡفَ كَانَ عَٰقِبَةُ ٱلظَّـٰلِمِينَ 40

Dus grepen Wij hem en zijn leger en Wij gooiden hen allen in de zee. Zie hoe het einde was van de onrechtvaardigen.

وَجَعَلۡنَٰهُمۡ أَئِمَّةٗ يَدۡعُونَ إِلَى ٱلنَّارِۖ وَيَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ لَا يُنصَرُونَ 41

En Wij maakten hen tot leiders, uitnodigend naar het Vuur en op de Dag der Opstanding zullen zij niet geholpen worden.

وَأَتۡبَعۡنَٰهُمۡ فِي هَٰذِهِ ٱلدُّنۡيَا لَعۡنَةٗۖ وَيَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ هُم مِّنَ ٱلۡمَقۡبُوحِينَ 42

En Wij lieten een vloek hen op deze wereld volgen en op de Dag der Opstanding zullen zij onder de verachten zijn.

وَلَقَدۡ ءَاتَيۡنَا مُوسَى ٱلۡكِتَٰبَ مِنۢ بَعۡدِ مَآ أَهۡلَكۡنَا ٱلۡقُرُونَ ٱلۡأُولَىٰ بَصَآئِرَ لِلنَّاسِ وَهُدٗى وَرَحۡمَةٗ لَّعَلَّهُمۡ يَتَذَكَّرُونَ 43

En voorwaar Wij gaven aan Mozes het Boek, nadat Wij de oude generatie vernietigd hadden, als een verlichting voor de mensheid en een Leiding en een Genade. Hopelijk zullen zij zich laten vermanen.

وَمَا كُنتَ بِجَانِبِ ٱلۡغَرۡبِيِّ إِذۡ قَضَيۡنَآ إِلَىٰ مُوسَى ٱلۡأَمۡرَ وَمَا كُنتَ مِنَ ٱلشَّـٰهِدِينَ 44

En jij (O Mohammed) was niet" aan de westelijke kant (van de Berg) Thoer, toen Wij aan Mozes de Geboden duidelijk maakten, en jij was niet onder de aanwezigen.

وَلَٰكِنَّآ أَنشَأۡنَا قُرُونٗا فَتَطَاوَلَ عَلَيۡهِمُ ٱلۡعُمُرُۚ وَمَا كُنتَ ثَاوِيٗا فِيٓ أَهۡلِ مَدۡيَنَ تَتۡلُواْ عَلَيۡهِمۡ ءَايَٰتِنَا وَلَٰكِنَّا كُنَّا مُرۡسِلِينَ 45

Maar Wij schiepen nieuwe generaties en hun levens werden verlengd. En jij woonde niet bij de bewoners van Median, om Onze Verzen aan hen te reciteren. Maar Wij zijn het Die de (Boodschappers) zonden.

وَمَا كُنتَ بِجَانِبِ ٱلطُّورِ إِذۡ نَادَيۡنَا وَلَٰكِن رَّحۡمَةٗ مِّن رَّبِّكَ لِتُنذِرَ قَوۡمٗا مَّآ أَتَىٰهُم مِّن نَّذِيرٖ مِّن قَبۡلِكَ لَعَلَّهُمۡ يَتَذَكَّرُونَ 46

En jij stond niet aan de zijkant van Thoer, toen Wij riepen. Maar (jij bent gestuurd) als een Genade van jou Heer, om een volk, waarvoor geen waarschuwer vόόr jou is gekomen te waarschuwen. zodat zij een vermaning ontvangen.

وَلَوۡلَآ أَن تُصِيبَهُم مُّصِيبَةُۢ بِمَا قَدَّمَتۡ أَيۡدِيهِمۡ فَيَقُولُواْ رَبَّنَا لَوۡلَآ أَرۡسَلۡتَ إِلَيۡنَا رَسُولٗا فَنَتَّبِعَ ءَايَٰتِكَ وَنَكُونَ مِنَ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ 47

Opdat, wanneer een ramp door wat hun handen vooruit hebben gestuurd, hen treft, zij niet zouden zeggen: “Onze Heer! Waarom heeft U ons geen Boodschapper gestuurd? Wij zouden dan Uw Tekenen gevolgd hebben en zouden onder de gelovigen zijn.”

فَلَمَّا جَآءَهُمُ ٱلۡحَقُّ مِنۡ عِندِنَا قَالُواْ لَوۡلَآ أُوتِيَ مِثۡلَ مَآ أُوتِيَ مُوسَىٰٓۚ أَوَلَمۡ يَكۡفُرُواْ بِمَآ أُوتِيَ مُوسَىٰ مِن قَبۡلُۖ قَالُواْ سِحۡرَانِ تَظَٰهَرَا وَقَالُوٓاْ إِنَّا بِكُلّٖ كَٰفِرُونَ 48

Maar toen de Waarheid van Ons tot hen gekomen was, zeiden zij: “Waarom is hem (Mohammed) niet zoiets als Mozes gegeven?” Waren zij niet ongelovig in wat aan Mozes en de ouderen was gegeven? Zij zeiden: “Twee soorten toverkunsten elkaar helpend!” En zij zeiden: “Waarlijk! In beiden zijn wij ongelovigen.”

قُلۡ فَأۡتُواْ بِكِتَٰبٖ مِّنۡ عِندِ ٱللَّهِ هُوَ أَهۡدَىٰ مِنۡهُمَآ أَتَّبِعۡهُ إِن كُنتُمۡ صَٰدِقِينَ 49

Zeg: “Breng dan een Boek van Allah dat een betere Leiding geeft dan deze twee, zodat ik het kan volgen, als jullie waarachtigen zijn.”

فَإِن لَّمۡ يَسۡتَجِيبُواْ لَكَ فَٱعۡلَمۡ أَنَّمَا يَتَّبِعُونَ أَهۡوَآءَهُمۡۚ وَمَنۡ أَضَلُّ مِمَّنِ ٱتَّبَعَ هَوَىٰهُ بِغَيۡرِ هُدٗى مِّنَ ٱللَّهِۚ إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَهۡدِي ٱلۡقَوۡمَ ٱلظَّـٰلِمِينَ 50

Maar als zij jou niet antwoorden, weet dan dat zij slechts hun eigen lusten volgen. En wie dwaalt er meer af dan degenen die zijn eigen lusten volgt zonder Leiding van Allah? Waarlijk, Allah leidt geen volk dat onrechtvaardig is.

۞وَلَقَدۡ وَصَّلۡنَا لَهُمُ ٱلۡقَوۡلَ لَعَلَّهُمۡ يَتَذَكَّرُونَ 51

En voorwaar, nu hebben Wij openbaarden hun achtereenvolgens het Woord, hopelijk zullen zij zich laten vermanen.

ٱلَّذِينَ ءَاتَيۡنَٰهُمُ ٱلۡكِتَٰبَ مِن قَبۡلِهِۦ هُم بِهِۦ يُؤۡمِنُونَ 52

Degenen aan wie Wij het Boek hiervόόr hebben gegeven zij geloven daarin.

وَإِذَا يُتۡلَىٰ عَلَيۡهِمۡ قَالُوٓاْ ءَامَنَّا بِهِۦٓ إِنَّهُ ٱلۡحَقُّ مِن رَّبِّنَآ إِنَّا كُنَّا مِن قَبۡلِهِۦ مُسۡلِمِينَ 53

En als het voor hen gereciteerd wordt, zeggen zij: “Wij geloven erin. Waarlijk, het is de Waarheid van onze Heer. Voorwaar, wij behoorden al hiervoor tot degenen die zich aan Allah als moslims in de islam onderworpen hadden.”

أُوْلَـٰٓئِكَ يُؤۡتَوۡنَ أَجۡرَهُم مَّرَّتَيۡنِ بِمَا صَبَرُواْ وَيَدۡرَءُونَ بِٱلۡحَسَنَةِ ٱلسَّيِّئَةَ وَمِمَّا رَزَقۡنَٰهُمۡ يُنفِقُونَ 54

Diegenen zal tweemaal hun beloning geven worden, omdat zij geduldig waren en zij het kwade met het goede beantwoordden en datgene uitgaven waarmee Wij hen voorzien hebben.

وَإِذَا سَمِعُواْ ٱللَّغۡوَ أَعۡرَضُواْ عَنۡهُ وَقَالُواْ لَنَآ أَعۡمَٰلُنَا وَلَكُمۡ أَعۡمَٰلُكُمۡ سَلَٰمٌ عَلَيۡكُمۡ لَا نَبۡتَغِي ٱلۡجَٰهِلِينَ 55

En als zij nutteloze praat horen dan trekken zij zich daarvan terug en zeggen: “Voor ons, onze daden en voor jullie jullie daden. Vrede zij met jullie. Wij zoeken de onwetenden niet op.”

إِنَّكَ لَا تَهۡدِي مَنۡ أَحۡبَبۡتَ وَلَٰكِنَّ ٱللَّهَ يَهۡدِي مَن يَشَآءُۚ وَهُوَ أَعۡلَمُ بِٱلۡمُهۡتَدِينَ 56

Waarlijk! Jij leidt niet wie jij liefhebt, maar Allah Leidt wie Hij wil. En Hij kent degenen die geleid zijn het beste.

وَقَالُوٓاْ إِن نَّتَّبِعِ ٱلۡهُدَىٰ مَعَكَ نُتَخَطَّفۡ مِنۡ أَرۡضِنَآۚ أَوَلَمۡ نُمَكِّن لَّهُمۡ حَرَمًا ءَامِنٗا يُجۡبَىٰٓ إِلَيۡهِ ثَمَرَٰتُ كُلِّ شَيۡءٖ رِّزۡقٗا مِّن لَّدُنَّا وَلَٰكِنَّ أَكۡثَرَهُمۡ لَا يَعۡلَمُونَ 57

En zij zeggen: “Als wij de Leiding met jou volgen, dan worden wij uit ons land verdreven.” Hebben Wij niet voor hen een veilig Heiligdom (Mekka) ingesteld, waarheen allerlei soorten fruit wordt gebracht – als een levensvoorziening van Onze Zijde, maar de meesten van hen weten niet.

وَكَمۡ أَهۡلَكۡنَا مِن قَرۡيَةِۭ بَطِرَتۡ مَعِيشَتَهَاۖ فَتِلۡكَ مَسَٰكِنُهُمۡ لَمۡ تُسۡكَن مِّنۢ بَعۡدِهِمۡ إِلَّا قَلِيلٗاۖ وَكُنَّا نَحۡنُ ٱلۡوَٰرِثِينَ 58

En hoeveel steden hebben Wij niet vernietigd, die overdeven met hun genietingen? En dat zijn hun woonplaatsen, waarin na hen nog maar weinig mensen woonden. En waarlijk! Wij zijn hun erfgenamen geworden.

وَمَا كَانَ رَبُّكَ مُهۡلِكَ ٱلۡقُرَىٰ حَتَّىٰ يَبۡعَثَ فِيٓ أُمِّهَا رَسُولٗا يَتۡلُواْ عَلَيۡهِمۡ ءَايَٰتِنَاۚ وَمَا كُنَّا مُهۡلِكِي ٱلۡقُرَىٰٓ إِلَّا وَأَهۡلُهَا ظَٰلِمُونَ 59

En jouw Heer was geen vernietiger van de steden, vόόrdat Hij tot hun hoofdstad een Boodschapper had gestuurd die hen Onze verzen reciteerde. En Wij waren geen vernietiger van de stad, tenzij de bevolking onrechtvaardig was.

وَمَآ أُوتِيتُم مِّن شَيۡءٖ فَمَتَٰعُ ٱلۡحَيَوٰةِ ٱلدُّنۡيَا وَزِينَتُهَاۚ وَمَا عِندَ ٱللَّهِ خَيۡرٞ وَأَبۡقَىٰٓۚ أَفَلَا تَعۡقِلُونَ 60

En wat jullie ook gegeven is: het is een vermaak van het leven van (deze) wereld en haar versiering, en dat wat bij Allah is, is beter en zal voor eeuwig blijven. Hebben jullie dan geen verstand?

أَفَمَن وَعَدۡنَٰهُ وَعۡدًا حَسَنٗا فَهُوَ لَٰقِيهِ كَمَن مَّتَّعۡنَٰهُ مَتَٰعَ ٱلۡحَيَوٰةِ ٱلدُّنۡيَا ثُمَّ هُوَ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ مِنَ ٱلۡمُحۡضَرِينَ 61

Is iemand aan wie Wij een uitmuntende belofte hebben gedaan, en die (de "vervulling) ervan krijgt, hetzelfde als iemand die Wij heben doen genieten van de genietingen van het wereldse leven en die dan op de Dag der Opstanding verkeren onder degenen die opgebracht zullen worden?

وَيَوۡمَ يُنَادِيهِمۡ فَيَقُولُ أَيۡنَ شُرَكَآءِيَ ٱلَّذِينَ كُنتُمۡ تَزۡعُمُونَ 62

En (gedenk) de Dag wanneer Hij hen zal roepen en zeggen: “Waar zijn Mijn (zogenaamde) deelgenoten, die jullie plachten toe te voegen?”

قَالَ ٱلَّذِينَ حَقَّ عَلَيۡهِمُ ٱلۡقَوۡلُ رَبَّنَا هَـٰٓؤُلَآءِ ٱلَّذِينَ أَغۡوَيۡنَآ أَغۡوَيۡنَٰهُمۡ كَمَا غَوَيۡنَاۖ تَبَرَّأۡنَآ إِلَيۡكَۖ مَا كَانُوٓاْ إِيَّانَا يَعۡبُدُونَ 63

Degenen voor wie het Woord bewaarheid wordt zullen zeggen: “Onze Heer! Dit zijn degenen die wij hebben laten dwalen. Wij hebben hen laten dwalen zoals wij zelf dwaalden. Wij verontschuldigen ons bij U. Wij waren het niet die zij aanbaden.”

وَقِيلَ ٱدۡعُواْ شُرَكَآءَكُمۡ فَدَعَوۡهُمۡ فَلَمۡ يَسۡتَجِيبُواْ لَهُمۡ وَرَأَوُاْ ٱلۡعَذَابَۚ لَوۡ أَنَّهُمۡ كَانُواْ يَهۡتَدُونَ 64

En er zal gezegd worden: “Roep jullie deelgenoten aan.” En zij zullen hen aanroepen, maar zij zullen hen niet beantwoorden en zij zullen de bestraffing zien. Hadden zij maar Leiding gevolgd!

وَيَوۡمَ يُنَادِيهِمۡ فَيَقُولُ مَاذَآ أَجَبۡتُمُ ٱلۡمُرۡسَلِينَ 65

En (gedenk) de Dag dat (Allah) hen zal roepen en zeggen: “Wat voor antwoord gaven jullie aan de Boodschappers?”

فَعَمِيَتۡ عَلَيۡهِمُ ٱلۡأَنۢبَآءُ يَوۡمَئِذٖ فَهُمۡ لَا يَتَسَآءَلُونَ 66

Dan zullen alle uitvluchten op die Dag verduisterd worden en zij zullen niet in staat zijn om het elkaar te vragen.

فَأَمَّا مَن تَابَ وَءَامَنَ وَعَمِلَ صَٰلِحٗا فَعَسَىٰٓ أَن يَكُونَ مِنَ ٱلۡمُفۡلِحِينَ 67

Maar voor degenen die berouw tonen, geloven en goede daden verrichten, die zullen dan onder degenen verkeren die zullen slagen.

وَرَبُّكَ يَخۡلُقُ مَا يَشَآءُ وَيَخۡتَارُۗ مَا كَانَ لَهُمُ ٱلۡخِيَرَةُۚ سُبۡحَٰنَ ٱللَّهِ وَتَعَٰلَىٰ عَمَّا يُشۡرِكُونَ 68

En jullie Heer schept wat Hij wil en Hij verkiest (wie Hij wil). Het is niet aan hen om te kiezen. Verheerlijkt is Allah en verheven boven alles wat zij aan deelgenoten (aan Hem) toekennen.

وَرَبُّكَ يَعۡلَمُ مَا تُكِنُّ صُدُورُهُمۡ وَمَا يُعۡلِنُونَ 69

En jouw Heer weet wat zij in hun harten verbergen en wat zij onthullen.

وَهُوَ ٱللَّهُ لَآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَۖ لَهُ ٱلۡحَمۡدُ فِي ٱلۡأُولَىٰ وَٱلۡأٓخِرَةِۖ وَلَهُ ٱلۡحُكۡمُ وَإِلَيۡهِ تُرۡجَعُونَ 70

En Hij is Allah, er is geen god dan Hij. Aan Hem behoort alle lof, op deze wereld en in het Hiernamaals. En aan Hem is het besluit en tot Hem zullen jullie (allen) terugkeren.

قُلۡ أَرَءَيۡتُمۡ إِن جَعَلَ ٱللَّهُ عَلَيۡكُمُ ٱلَّيۡلَ سَرۡمَدًا إِلَىٰ يَوۡمِ ٱلۡقِيَٰمَةِ مَنۡ إِلَٰهٌ غَيۡرُ ٱللَّهِ يَأۡتِيكُم بِضِيَآءٍۚ أَفَلَا تَسۡمَعُونَ 71

Zeg (O Mohammed): “Vertel mij! Als Allah voor jullie de nacht zou doen voortduren tot de Dag der Opstanding, welke god, anders dan Allah zou er zijn die jullie licht brengt?” Zullen jullie dan niet luisteren?”

قُلۡ أَرَءَيۡتُمۡ إِن جَعَلَ ٱللَّهُ عَلَيۡكُمُ ٱلنَّهَارَ سَرۡمَدًا إِلَىٰ يَوۡمِ ٱلۡقِيَٰمَةِ مَنۡ إِلَٰهٌ غَيۡرُ ٱللَّهِ يَأۡتِيكُم بِلَيۡلٖ تَسۡكُنُونَ فِيهِۚ أَفَلَا تُبۡصِرُونَ 72

Zeg: “Vertel mij! Als Allah voor jullie de dag zou doen voortduren tot de Dag der Opstanding, welke god anders dan Allah zou er zijn die jullie een nacht geeft om erin uit te rusten? Willen jullie het dan niet zien?

وَمِن رَّحۡمَتِهِۦ جَعَلَ لَكُمُ ٱلَّيۡلَ وَٱلنَّهَارَ لِتَسۡكُنُواْ فِيهِ وَلِتَبۡتَغُواْ مِن فَضۡلِهِۦ وَلَعَلَّكُمۡ تَشۡكُرُونَ 73

Het is door Zijn Genade dat Hij voor jullie de nacht en de dag heeft gemaakt, zodat jullie daarin mogen rusten en dat jullie Zijn overvloed mogen zoeken. Hopelijk zullen jullie dankbaar zijn.

وَيَوۡمَ يُنَادِيهِمۡ فَيَقُولُ أَيۡنَ شُرَكَآءِيَ ٱلَّذِينَ كُنتُمۡ تَزۡعُمُونَ 74

En (gedenk) de Dag waarop Hij hen zal roepen en zal zeggen: “Waar zijn Mijn (zogenaamde) deelgenoten, die jullie plachten toe te voegen?”

وَنَزَعۡنَا مِن كُلِّ أُمَّةٖ شَهِيدٗا فَقُلۡنَا هَاتُواْ بُرۡهَٰنَكُمۡ فَعَلِمُوٓاْ أَنَّ ٱلۡحَقَّ لِلَّهِ وَضَلَّ عَنۡهُم مَّا كَانُواْ يَفۡتَرُونَ 75

En Wij zullen uit elke natie een getuige (een Profeet) nemen en Wij zullen zeggen: “Geef je bewijs.” Dan zullen zij weten dat de Waarheid (alleen) bij Allah is en de leugens die zij verzonnen hadden zullen van hen verdwijnen.

۞إِنَّ قَٰرُونَ كَانَ مِن قَوۡمِ مُوسَىٰ فَبَغَىٰ عَلَيۡهِمۡۖ وَءَاتَيۡنَٰهُ مِنَ ٱلۡكُنُوزِ مَآ إِنَّ مَفَاتِحَهُۥ لَتَنُوٓأُ بِٱلۡعُصۡبَةِ أُوْلِي ٱلۡقُوَّةِ إِذۡ قَالَ لَهُۥ قَوۡمُهُۥ لَا تَفۡرَحۡۖ إِنَّ ٱللَّهَ لَا يُحِبُّ ٱلۡفَرِحِينَ 76

Waarlijk, Karoen behoorde tot het volk van Mozes, maar hij gedroeg zich onbeschaamd tegen hen. En Wij gaven hem zoveel schatten, dat hun sleutels met moeite door een groep sterke mannen gedragen zouden kunnen worden. (Gedenk) Toen zijn volk tegen hem zei: “Wees niet hoogmoedig, Allah houdt niet van de hoogmoedigen.”

وَٱبۡتَغِ فِيمَآ ءَاتَىٰكَ ٱللَّهُ ٱلدَّارَ ٱلۡأٓخِرَةَۖ وَلَا تَنسَ نَصِيبَكَ مِنَ ٱلدُّنۡيَاۖ وَأَحۡسِن كَمَآ أَحۡسَنَ ٱللَّهُ إِلَيۡكَۖ وَلَا تَبۡغِ ٱلۡفَسَادَ فِي ٱلۡأَرۡضِۖ إِنَّ ٱللَّهَ لَا يُحِبُّ ٱلۡمُفۡسِدِينَ 77

Zoek met datgene (welvaart) wat Allah jou gegeven heeft, het Huis van het Hiernamaals, en vergeet niet jou deel van wettig vermaak in deze wereld en doe goed zoals Allah goed voor jou doet, en zaai geen verderf in het land. Waarlijk, Allah houdt niet van de verderfzaaiers.”

قَالَ إِنَّمَآ أُوتِيتُهُۥ عَلَىٰ عِلۡمٍ عِندِيٓۚ أَوَلَمۡ يَعۡلَمۡ أَنَّ ٱللَّهَ قَدۡ أَهۡلَكَ مِن قَبۡلِهِۦ مِنَ ٱلۡقُرُونِ مَنۡ هُوَ أَشَدُّ مِنۡهُ قُوَّةٗ وَأَكۡثَرُ جَمۡعٗاۚ وَلَا يُسۡـَٔلُ عَن ذُنُوبِهِمُ ٱلۡمُجۡرِمُونَ 78

Hij (Karoen) zei: “Dit is aan mij gegeven alleen vanwege de kennis die ik bezit.” Wist hij niet dat Allah vóór hem generaties mensen vernietigd heeft die sterker waren dan hij en meer (van rijkdom) verzameld hadden? Maar de misdadigers zullen niet over hun zonden gevraagd worden. (want Allah kent hun zonden al)

فَخَرَجَ عَلَىٰ قَوۡمِهِۦ فِي زِينَتِهِۦۖ قَالَ ٱلَّذِينَ يُرِيدُونَ ٱلۡحَيَوٰةَ ٱلدُّنۡيَا يَٰلَيۡتَ لَنَا مِثۡلَ مَآ أُوتِيَ قَٰرُونُ إِنَّهُۥ لَذُو حَظٍّ عَظِيمٖ 79

Zo ging hij zijn mensen voor in zijn prachtvertoon. Degenen die het leven van deze wereld wensten zeiden: “Ah, wij wensten dat wij het zo hadden als Karoen het gegeven is. Waarlijk! Hij is de bezitter van grote rijkdom.”

وَقَالَ ٱلَّذِينَ أُوتُواْ ٱلۡعِلۡمَ وَيۡلَكُمۡ ثَوَابُ ٱللَّهِ خَيۡرٞ لِّمَنۡ ءَامَنَ وَعَمِلَ صَٰلِحٗاۚ وَلَا يُلَقَّىٰهَآ إِلَّا ٱلصَّـٰبِرُونَ 80

Maar degenen die (religieuze) kennis was gegeven zeiden: “Wee voor jullie! De beloning van Allah is beter voor degenen die geloven en goede daden verrichten en dit zal niemand krijgen behalve degene die geduldig is.”

فَخَسَفۡنَا بِهِۦ وَبِدَارِهِ ٱلۡأَرۡضَ فَمَا كَانَ لَهُۥ مِن فِئَةٖ يَنصُرُونَهُۥ مِن دُونِ ٱللَّهِ وَمَا كَانَ مِنَ ٱلۡمُنتَصِرِينَ 81

Daarom deden Wij hem en zijn woonplaats in de aarde wegzinken. En hij had geen groep of partij om hem tegen Allah te helpen, noch kon hij zichzelf verdedigen.

وَأَصۡبَحَ ٱلَّذِينَ تَمَنَّوۡاْ مَكَانَهُۥ بِٱلۡأَمۡسِ يَقُولُونَ وَيۡكَأَنَّ ٱللَّهَ يَبۡسُطُ ٱلرِّزۡقَ لِمَن يَشَآءُ مِنۡ عِبَادِهِۦ وَيَقۡدِرُۖ لَوۡلَآ أَن مَّنَّ ٱللَّهُ عَلَيۡنَا لَخَسَفَ بِنَاۖ وَيۡكَأَنَّهُۥ لَا يُفۡلِحُ ٱلۡكَٰفِرُونَ 82

En degenen die een dag eerder (een positie als) zijn positie hadden gewenst begonnen te zeggen: “Weten jullie niet dat het Allah is Die de voorziening vergroot of verkleint voor wie Hij maar wil van Zijn slaven. Als Allah voor ons niet vrijgevig was, dan zou Hij ervoor kunnen zorgen dat wij ook in de aarde wegzinken. Weten jullie niet dat de ongelovigen nooit zullen slagen.”

تِلۡكَ ٱلدَّارُ ٱلۡأٓخِرَةُ نَجۡعَلُهَا لِلَّذِينَ لَا يُرِيدُونَ عُلُوّٗا فِي ٱلۡأَرۡضِ وَلَا فَسَادٗاۚ وَٱلۡعَٰقِبَةُ لِلۡمُتَّقِينَ 83

Dat Huis van het Hiernamaals schenken Wij aan degenen die niet hoogmoedig wensen te zijn op aarde en die geen verderf zaaien. En het goede einde is voor de godvrezenden.

مَن جَآءَ بِٱلۡحَسَنَةِ فَلَهُۥ خَيۡرٞ مِّنۡهَاۖ وَمَن جَآءَ بِٱلسَّيِّئَةِ فَلَا يُجۡزَى ٱلَّذِينَ عَمِلُواْ ٱلسَّيِّـَٔاتِ إِلَّا مَا كَانُواْ يَعۡمَلُونَ 84

Iedereen die het goede brengt zal daar beter van worden en iedereen die het slechte brengt: degenen die kwade daden verrichten worden slechts vergolden voor wat zij gedaan hebben.

إِنَّ ٱلَّذِي فَرَضَ عَلَيۡكَ ٱلۡقُرۡءَانَ لَرَآدُّكَ إِلَىٰ مَعَادٖۚ قُل رَّبِّيٓ أَعۡلَمُ مَن جَآءَ بِٱلۡهُدَىٰ وَمَنۡ هُوَ فِي ضَلَٰلٖ مُّبِينٖ 85

Waarlijk, Degene Die de Koran voor jou tot een verplichting heeft gemaakt, zal jou zeker terugbrengen naar de plaats van de terugkeer. Zeg: “Mijn Heer weet het beste wie met de Leiding is gekomen en wie degene is die in duidelijke dwaling verkeert.”

وَمَا كُنتَ تَرۡجُوٓاْ أَن يُلۡقَىٰٓ إِلَيۡكَ ٱلۡكِتَٰبُ إِلَّا رَحۡمَةٗ مِّن رَّبِّكَۖ فَلَا تَكُونَنَّ ظَهِيرٗا لِّلۡكَٰفِرِينَ 86

En jij had niet verwacht dat het Boek tot jou neergezonden zou worden, maar het is een Genade van jouw Heer. Wees dus nooit een medestander van de ongelovigen.

وَلَا يَصُدُّنَّكَ عَنۡ ءَايَٰتِ ٱللَّهِ بَعۡدَ إِذۡ أُنزِلَتۡ إِلَيۡكَۖ وَٱدۡعُ إِلَىٰ رَبِّكَۖ وَلَا تَكُونَنَّ مِنَ ٱلۡمُشۡرِكِينَ 87

En laat hen jou niet doen afkeren van (het prediken) van de Verzen van Allah, nadat zij aan jou neergezonden zijn en roep jouw Heer aan en behoor niet tot afgodendienaars.

وَلَا تَدۡعُ مَعَ ٱللَّهِ إِلَٰهًا ءَاخَرَۘ لَآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَۚ كُلُّ شَيۡءٍ هَالِكٌ إِلَّا وَجۡهَهُۥۚ لَهُ ٱلۡحُكۡمُ وَإِلَيۡهِ تُرۡجَعُونَ 88

En roep geen andere goden naast Allah aan. Er is geen god dan Hij. Alles zal verdwijnen behalve Zijn aangezicht. Bij Hem is het besluit en tot Hem zullen jullie (allen) terugkeren.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Close