Soera 27 – An-Naml – De Mieren – النّمل

bismillah ir rahman ir rahim

طس ۚ تِلْكَ آيَاتُ الْقُرْآنِ وَكِتَابٍ مُّبِينٍ 1

Taa-Sien. Dit zijn de Verzen van de Koran en (de Verzen van) een duidelijk Boek.

هُدًى وَبُشْرَىٰ لِلْمُؤْمِنِينَ 2

Een Leiding en verheugende Tijding voor de gelovigen.

الَّذِينَ يُقِيمُونَ الصَّلَاةَ وَيُؤْتُونَ الزَّكَاةَ وَهُم بِالْآخِرَةِ هُمْ يُوقِنُونَ 3

Degenen die het gebed onderhouden, de Zakaat afdragen en degenen die overtuigd zijn van het Hiernamaals.

إِنَّ الَّذِينَ لَا يُؤْمِنُونَ بِالْآخِرَةِ زَيَّنَّا لَهُمْ أَعْمَالَهُمْ فَهُمْ يَعْمَهُونَ 4

Voorwaar, degenen die niet in het Hiernamaals geloven, voor hen hebben Wij hun daden schoonschijnend gemaakt, zodat hun verwarring groter wordt.

أُولَٰئِكَ الَّذِينَ لَهُمْ سُوءُ الْعَذَابِ وَهُمْ فِي الْآخِرَةِ هُمُ الْأَخْسَرُونَ 5

Zij zijn degenen voor wie er de verschrikkelijke Bestraffing is. En zij behoren in het Hiernamaals tot de grootste verliezers.

وَإِنَّكَ لَتُلَقَّى الْقُرْآنَ مِن لَّدُنْ حَكِيمٍ عَلِيمٍ 6

En voorwaar, jij (o Mohammed) ontvangt de Koran zeker van de Zijde van de Alwijze, de Alwetende.

إِذْ قَالَ مُوسَىٰ لِأَهْلِهِ إِنِّي آنَسْتُ نَارًا سَآتِيكُم مِّنْهَا بِخَبَرٍ أَوْ آتِيكُم بِشِهَابٍ قَبَسٍ لَّعَلَّكُمْ تَصْطَلُونَ 7

(Gedenk) toen Moesa tegen zijn gezin zei: “Voorwaar, ik zie een vuur. Ik zal jullie daar een bericht over brengen of een vuurvlam daarvandaan meenemen, opdat jullie jezelf (daarmee) opwarmen.”

فَلَمَّا جَاءَهَا نُودِيَ أَن بُورِكَ مَن فِي النَّارِ وَمَنْ حَوْلَهَا وَسُبْحَانَ اللَّهِ رَبِّ الْعَالَمِينَ 8

Maar toen hij daar (d.w.z. bij het vuur) aankwam, werd er naar hem geroepen: “Gezegend is degene die zich in (de buurt van) het vuur bevindt, en degene die zich hieromheen bevindt. En Verheven is Allah, de Heer van de werelden.

يَا مُوسَىٰ إِنَّهُ أَنَا اللَّهُ الْعَزِيزُ الْحَكِيمُ 9

O Moesa, waarlijk, Ik ben het, Allah, de Almachtige, de Alwijze.

وَأَلْقِ عَصَاكَ ۚ فَلَمَّا رَآهَا تَهْتَزُّ كَأَنَّهَا جَانٌّ وَلَّىٰ مُدْبِرًا وَلَمْ يُعَقِّبْ ۚ يَا مُوسَىٰ لَا تَخَفْ إِنِّي لَا يَخَافُ لَدَيَّ الْمُرْسَلُونَ 10

En werp jouw staf.” Maar toen hij deze (d.w.z. de staf) zag bewegen alsof het een slang was, wendde hij zich (ernaartoe) met zijn rug (d.w.z. dat hij op de vlucht sloeg) en keek niet achterom. (Allah zei:) “O Moesa, vrees niet, waarlijk, de Boodschappers hoeven bij Mij geen angst te kennen.

إِلَّا مَن ظَلَمَ ثُمَّ بَدَّلَ حُسْنًا بَعْدَ سُوءٍ فَإِنِّي غَفُورٌ رَّحِيمٌ 11

Behalve degene die onrecht heeft gepleegd. (En) wie vervolgens het slechte voor het goede verruilt, waarlijk, Ik ben dan Meest Vergevingsgezind, Meest Genadevol.

وَأَدْخِلْ يَدَكَ فِي جَيْبِكَ تَخْرُجْ بَيْضَاءَ مِنْ غَيْرِ سُوءٍ ۖ فِي تِسْعِ آيَاتٍ إِلَىٰ فِرْعَوْنَ وَقَوْمِهِ ۚ إِنَّهُمْ كَانُوا قَوْمًا فَاسِقِينَ 12

En stop jouw hand in jouw zij. Het zal wit (en stralend) tevoorschijn komen, zonder kwaal. (Dit is) één van de negen tekenen (waarmee jij) naar de farao en zijn volk (wordt gestuurd). Voorwaar, zij waren een verdorven volk.”

فَلَمَّا جَاءَتْهُمْ آيَاتُنَا مُبْصِرَةً قَالُوا هَٰذَا سِحْرٌ مُّبِينٌ 13

Maar toen Onze zichtbare tekenen tot hen kwamen, zeiden zij: “Dit is duidelijke tovenarij.”

وَجَحَدُوا بِهَا وَاسْتَيْقَنَتْهَا أَنفُسُهُمْ ظُلْمًا وَعُلُوًّا ۚ فَانظُرْ كَيْفَ كَانَ عَاقِبَةُ الْمُفْسِدِينَ 14

En zij ontkenden deze (tekenen) onrechtmatig en uit arrogantie, hoewel zij zelf overtuigd waren (van de waarheid ervan). Zie dan hoe het einde van de verderfzaaiers was.

وَلَقَدْ آتَيْنَا دَاوُودَ وَسُلَيْمَانَ عِلْمًا ۖ وَقَالَا الْحَمْدُ لِلَّهِ الَّذِي فَضَّلَنَا عَلَىٰ كَثِيرٍ مِّنْ عِبَادِهِ الْمُؤْمِنِينَ 15

En voorzeker, Wij gaven Daawoed en Soelaymaan kennis, en zij zeiden (beiden): “(Alle) lof zij Allah, Degene Die ons heeft verkozen boven vele (anderen) van Zijn gelovige dienaren.”

وَوَرِثَ سُلَيْمَانُ دَاوُودَ ۖ وَقَالَ يَا أَيُّهَا النَّاسُ عُلِّمْنَا مَنطِقَ الطَّيْرِ وَأُوتِينَا مِن كُلِّ شَيْءٍ ۖ إِنَّ هَٰذَا لَهُوَ الْفَضْلُ الْمُبِينُ 16

En Soelaymaan erfde (de kennis en het koningschap van) Daawoed. En hij zei: “O mensen, ons is de taal van de vogels onderwezen en ons is van alles gegeven. Waarlijk, dit is zeker een duidelijke gunst.”

وَحُشِرَ لِسُلَيْمَانَ جُنُودُهُ مِنَ الْجِنِّ وَالْإِنسِ وَالطَّيْرِ فَهُمْ يُوزَعُونَ 17

En voor Soelaymaan werden zijn legers van de djinns, de mensen en de vogels verzameld, die vervolgens (steeds) werden tegengehouden (totdat het hele leger klaar was om te vertrekken).

حَتَّىٰ إِذَا أَتَوْا عَلَىٰ وَادِ النَّمْلِ قَالَتْ نَمْلَةٌ يَا أَيُّهَا النَّمْلُ ادْخُلُوا مَسَاكِنَكُمْ لَا يَحْطِمَنَّكُمْ سُلَيْمَانُ وَجُنُودُهُ وَهُمْ لَا يَشْعُرُونَ 18

(Zij marcheerden) totdat zij aankwamen bij de vallei van de mieren. Toen zei een mier: “O mieren, treed jullie woningen binnen, zodat Soelaymaan en zijn legers jullie niet zullen verpletteren, terwijl zij (dit) niet beseffen.”

فَتَبَسَّمَ ضَاحِكًا مِّن قَوْلِهَا وَقَالَ رَبِّ أَوْزِعْنِي أَنْ أَشْكُرَ نِعْمَتَكَ الَّتِي أَنْعَمْتَ عَلَيَّ وَعَلَىٰ وَالِدَيَّ وَأَنْ أَعْمَلَ صَالِحًا تَرْضَاهُ وَأَدْخِلْنِي بِرَحْمَتِكَ فِي عِبَادِكَ الصَّالِحِينَ 19

Hierna glimlachte hij (Soelaymaan) om haar woorden en zei: “Mijn Heer, stel mij in staat om dankbaar te zijn voor Uw Gunst die U mij en mijn ouders heeft geschonken en om goede daden te verrichten die U welgevallig zijn. En laat mij door middel van Uw Genade behoren tot Uw rechtschapen dienaren.”

وَتَفَقَّدَ الطَّيْرَ فَقَالَ مَا لِيَ لَا أَرَى الْهُدْهُدَ أَمْ كَانَ مِنَ الْغَائِبِينَ 20

En hij (Soelaymaan) observeerde de vogels en zei: “Waarom zie ik de hop niet? Of behoort hij tot de afwezigen?

لَأُعَذِّبَنَّهُ عَذَابًا شَدِيدًا أَوْ لَأَذْبَحَنَّهُ أَوْ لَيَأْتِيَنِّي بِسُلْطَانٍ مُّبِينٍ 21

Ik zal hem zeker straffen met een harde bestraffing, of ik zal hem zeker afslachten, tenzij hij met een duidelijk bewijs naar mij komt.”

فَمَكَثَ غَيْرَ بَعِيدٍ فَقَالَ أَحَطتُ بِمَا لَمْ تُحِطْ بِهِ وَجِئْتُكَ مِن سَبَإٍ بِنَبَإٍ يَقِينٍ 22

Maar hij (Soelaymaan) bleef niet lang wachten (voordat de hop verscheen). Hij (d.w.z. de hop) zei vervolgens: “Ik heb iets opgevangen wat jij niet weet. En ik ben vanuit Saba’ (d.w.z. Sheba) tot jou gekomen met een zeker bericht.

إِنِّي وَجَدتُّ امْرَأَةً تَمْلِكُهُمْ وَأُوتِيَتْ مِن كُلِّ شَيْءٍ وَلَهَا عَرْشٌ عَظِيمٌ 23

Voorwaar, ik trof (daar) een vrouw aan die over hen heerst en haar is van alles gegeven. En zij heeft een geweldige troon.

وَجَدتُّهَا وَقَوْمَهَا يَسْجُدُونَ لِلشَّمْسِ مِن دُونِ اللَّهِ وَزَيَّنَ لَهُمُ الشَّيْطَانُ أَعْمَالَهُمْ فَصَدَّهُمْ عَنِ السَّبِيلِ فَهُمْ لَا يَهْتَدُونَ 24

Ik trof haar en haar volk neerknielend aan voor de zon in plaats van voor Allah. En de satan heeft hun daden schoonschijnend voor hen gemaakt. En hij heeft hen van de Weg (van Allah) afgehouden, dus zijn zij niet recht geleid.”

أَلَّا يَسْجُدُوا لِلَّهِ الَّذِي يُخْرِجُ الْخَبْءَ فِي السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ وَيَعْلَمُ مَا تُخْفُونَ وَمَا تُعْلِنُونَ 25

Knielen zij niet neer voor Allah, Degene Die het verborgene in de hemelen en de aarde naar buiten brengt en (Degene) Die weet wat jullie verbergen en wat jullie tonen?

اللَّهُ لَا إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ رَبُّ الْعَرْشِ الْعَظِيمِ ۩ 26

Allah, er is geen god dan Hij, de Heer van de geweldige Troon.

قَالَ سَنَنظُرُ أَصَدَقْتَ أَمْ كُنتَ مِنَ الْكَاذِبِينَ 27

Hij (Soelaymaan) zei (tegen de hop): “Wij zullen zien of jij waarachtig bent of dat jij tot de leugenaars behoort.

اذْهَب بِّكِتَابِي هَٰذَا فَأَلْقِهْ إِلَيْهِمْ ثُمَّ تَوَلَّ عَنْهُمْ فَانظُرْ مَاذَا يَرْجِعُونَ 28

Ga met deze brief van mij en werp het vervolgens naar hen toe. Wend je daarna van hen af en kijk dan hoe zij (hierop) reageren.”

قَالَتْ يَا أَيُّهَا الْمَلَأُ إِنِّي أُلْقِيَ إِلَيَّ كِتَابٌ كَرِيمٌ 29

Zij (de koningin van Sheba) zei: “O vooraanstaanden, naar mij is waarlijk een edele brief geworpen.

إِنَّهُ مِن سُلَيْمَانَ وَإِنَّهُ بِسْمِ اللَّهِ الرَّحْمَٰنِ الرَّحِيمِ 30

Voorwaar, het (d.w.z. de brief) is van Soelaymaan. En voorwaar, het is in de Naam van Allah, de Meest Barmhartige, de Meest Genadevolle.

أَلَّا تَعْلُوا عَلَيَّ وَأْتُونِي مُسْلِمِينَ 31

Wees niet hoogmoedig tegenover mij, en kom tot mij als moslims.”

قَالَتْ يَا أَيُّهَا الْمَلَأُ أَفْتُونِي فِي أَمْرِي مَا كُنتُ قَاطِعَةً أَمْرًا حَتَّىٰ تَشْهَدُونِ 32

Zij (de koningin van Sheba) zei: “O vooraanstaanden, adviseer mij in mijn zaak. Ik zal over geen enkele zaak beslissen, totdat jullie (hiervan) getuigen (en mij hierover adviseren).”

قَالُوا نَحْنُ أُولُو قُوَّةٍ وَأُولُو بَأْسٍ شَدِيدٍ وَالْأَمْرُ إِلَيْكِ فَانظُرِي مَاذَا تَأْمُرِينَ 33

Zij zeiden: “Wij zijn de bezitters van kracht en de bezitters van sterke macht. En de zaak is aan jou, dus zie maar wat jij (ons) wilt bevelen.”

قَالَتْ إِنَّ الْمُلُوكَ إِذَا دَخَلُوا قَرْيَةً أَفْسَدُوهَا وَجَعَلُوا أَعِزَّةَ أَهْلِهَا أَذِلَّةً ۖ وَكَذَٰلِكَ يَفْعَلُونَ 34

Zij zei: “Waarlijk, wanneer de koningen een stad binnentreden, zaaien zij verderf daarin en vernederen zij de belangrijkste inwoners daarvan. En zo handelen zij.

وَإِنِّي مُرْسِلَةٌ إِلَيْهِم بِهَدِيَّةٍ فَنَاظِرَةٌ بِمَ يَرْجِعُ الْمُرْسَلُونَ 35

Maar waarlijk, ik zal een geschenk naar hen sturen en vervolgens kijken waarmee de boodschappers (die wij hebben gestuurd) zullen terugkeren.”

فَلَمَّا جَاءَ سُلَيْمَانَ قَالَ أَتُمِدُّونَنِ بِمَالٍ فَمَا آتَانِيَ اللَّهُ خَيْرٌ مِّمَّا آتَاكُم بَلْ أَنتُم بِهَدِيَّتِكُمْ تَفْرَحُونَ 36

En toen hij (d.w.z. de boodschapper) bij Soelaymaan aankwam, zei hij: “Voorzien jullie mij van bezit? Wat Allah mij heeft gegeven is beter dan wat Hij jullie heeft gegeven. Welnee! Jullie zijn blij met jullie geschenk.

ارْجِعْ إِلَيْهِمْ فَلَنَأْتِيَنَّهُم بِجُنُودٍ لَّا قِبَلَ لَهُم بِهَا وَلَنُخْرِجَنَّهُم مِّنْهَا أَذِلَّةً وَهُمْ صَاغِرُونَ 37

Keer terug naar hen. Wij zullen zeker met legers tot hen komen die zij niet aankunnen. En wij zullen hen zeker vernederd eruit (d.w.z. uit hun land) verdrijven, en zij zullen gekleineerd worden.”

قَالَ يَا أَيُّهَا الْمَلَأُ أَيُّكُمْ يَأْتِينِي بِعَرْشِهَا قَبْلَ أَن يَأْتُونِي مُسْلِمِينَ 38

Hij zei: “O vooraanstaanden, wie van jullie brengt mij haar troon, voordat zij als moslims naar mij komen?”

قَالَ عِفْرِيتٌ مِّنَ الْجِنِّ أَنَا آتِيكَ بِهِ قَبْلَ أَن تَقُومَ مِن مَّقَامِكَ ۖ وَإِنِّي عَلَيْهِ لَقَوِيٌّ أَمِينٌ 39

Een cIfriet (d.w.z. een sterke djinn) onder de djinns zei: “Ik zal het (d.w.z. de troon) naar jou brengen, voordat jij opstaat van jouw zitplaats. En voorwaar, ik ben hier zeker toe in staat en betrouwbaar.”

قَالَ الَّذِي عِندَهُ عِلْمٌ مِّنَ الْكِتَابِ أَنَا آتِيكَ بِهِ قَبْلَ أَن يَرْتَدَّ إِلَيْكَ طَرْفُكَ ۚ فَلَمَّا رَآهُ مُسْتَقِرًّا عِندَهُ قَالَ هَٰذَا مِن فَضْلِ رَبِّي لِيَبْلُوَنِي أَأَشْكُرُ أَمْ أَكْفُرُ ۖ وَمَن شَكَرَ فَإِنَّمَا يَشْكُرُ لِنَفْسِهِ ۖ وَمَن كَفَرَ فَإِنَّ رَبِّي غَنِيٌّ كَرِيمٌ 40

Degene die kennis over het Boek had, zei: “Ik zal het (d.w.z. de troon) naar jou brengen, voordat jouw blik naar jou terugkeert (d.w.z. voordat jij het eindpunt van jouw zicht bereikt).” En toen hij (Soelaymaan) het voor zich zag staan, zei hij: “Dit is een Gunst van mijn Heer om mij te beproeven of ik dankbaar of ondankbaar zal zijn. En wie dankbaar is, is slechts dankbaar ten bate van zichzelf. En wie ondankbaar is, waarlijk, mijn Heer is Rijk (d.w.z. Vrij van alle behoeften), Meest Edel.”

قَالَ نَكِّرُوا لَهَا عَرْشَهَا نَنظُرْ أَتَهْتَدِي أَمْ تَكُونُ مِنَ الَّذِينَ لَا يَهْتَدُونَ 41

Hij zei: “Maak haar troon onherkenbaar voor haar. (En) laten wij (dan) kijken of zij wordt geleid (om haar troon te herkennen), of dat zij tot degenen zal behoren die niet geleid worden.”

فَلَمَّا جَاءَتْ قِيلَ أَهَٰكَذَا عَرْشُكِ ۖ قَالَتْ كَأَنَّهُ هُوَ ۚ وَأُوتِينَا الْعِلْمَ مِن قَبْلِهَا وَكُنَّا مُسْلِمِينَ 42

En toen zij kwam, werd er gezegd: “Ziet jouw troon er zo uit?” Zij zei: “Het is net alsof hij het is.” (En Soelaymaan zei:) “En ons is de kennis (over de Macht van Allah) eerder dan haar gegeven, en wij waren moslims.”

وَصَدَّهَا مَا كَانَت تَّعْبُدُ مِن دُونِ اللَّهِ ۖ إِنَّهَا كَانَتْ مِن قَوْمٍ كَافِرِينَ 43

En datgene wat zij naast Allah aanbad, hield haar af (van de Islam). Voorwaar, zij behoorde tot een ongelovig volk.

قِيلَ لَهَا ادْخُلِي الصَّرْحَ ۖ فَلَمَّا رَأَتْهُ حَسِبَتْهُ لُجَّةً وَكَشَفَتْ عَن سَاقَيْهَا ۚ قَالَ إِنَّهُ صَرْحٌ مُّمَرَّدٌ مِّن قَوَارِيرَ ۗ قَالَتْ رَبِّ إِنِّي ظَلَمْتُ نَفْسِي وَأَسْلَمْتُ مَعَ سُلَيْمَانَ لِلَّهِ رَبِّ الْعَالَمِينَ 44

Er werd (vervolgens) tegen haar gezegd: “Treed de (glazen) binnenplaats binnen.” En toen zij deze zag, dacht zij dat het water was en zij ontblootte haar onderbenen. Hij (Soelaymaan) zei: “Voorwaar, het is een binnenplaats gemaakt van glas.” Zij zei: “Mijn Heer, waarlijk, ik heb mijzelf onrecht aangedaan en ik heb mijzelf (samen) met Soelaymaan onderworpen aan Allah, de Heer van de werelden.”

وَلَقَدْ أَرْسَلْنَا إِلَىٰ ثَمُودَ أَخَاهُمْ صَالِحًا أَنِ اعْبُدُوا اللَّهَ فَإِذَا هُمْ فَرِيقَانِ يَخْتَصِمُونَ 45

En voorzeker, Wij stuurden naar (het volk van) Thamoed hun broeder Saalih (zeggende): “Aanbid Allah.” Waarop zij twee groepen werden die met elkaar redetwistten.

قَالَ يَا قَوْمِ لِمَ تَسْتَعْجِلُونَ بِالسَّيِّئَةِ قَبْلَ الْحَسَنَةِ ۖ لَوْلَا تَسْتَغْفِرُونَ اللَّهَ لَعَلَّكُمْ تُرْحَمُونَ 46

Hij zei: “O mijn volk, waarom vragen jullie om het slechte (d.w.z. de bestraffing) te bespoedigen vóór het goede (d.w.z. de Genade van Allah)? Vroegen jullie Allah maar om Zijn Vergiffenis, opdat jullie begenadigd zullen worden.”

قَالُوا اطَّيَّرْنَا بِكَ وَبِمَن مَّعَكَ ۚ قَالَ طَائِرُكُمْ عِندَ اللَّهِ ۖ بَلْ أَنتُمْ قَوْمٌ تُفْتَنُونَ 47

Zij zeiden: “Wij zien in jou en in degenen met jou een slecht voorteken.” Hij zei: “Jullie slechte voorteken bevindt zich bij Allah. Welnee! Jullie zijn een beproefd volk.”

وَكَانَ فِي الْمَدِينَةِ تِسْعَةُ رَهْطٍ يُفْسِدُونَ فِي الْأَرْضِ وَلَا يُصْلِحُونَ 48

En in de stad waren negen personen die verderf zaaiden op aarde en geen goede daden verrichtten.

قَالُوا تَقَاسَمُوا بِاللَّهِ لَنُبَيِّتَنَّهُ وَأَهْلَهُ ثُمَّ لَنَقُولَنَّ لِوَلِيِّهِ مَا شَهِدْنَا مَهْلِكَ أَهْلِهِ وَإِنَّا لَصَادِقُونَ 49

Zij zeiden: “Zweer onderling bij Allah dat wij tegen hem (d.w.z. tegen Saalih) en zijn familie zeker een list in de nacht zullen beramen. Vervolgens zullen wij zeker tegen zijn bloedverwanten zeggen: “Wij waren geen getuigen van de vernietiging van zijn familie. En voorwaar, wij zijn zeker waarachtig.””

وَمَكَرُوا مَكْرًا وَمَكَرْنَا مَكْرًا وَهُمْ لَا يَشْعُرُونَ 50

En zij beraamden listen en Wij maakten plannen, terwijl zij (dit) niet beseften.

فَانظُرْ كَيْفَ كَانَ عَاقِبَةُ مَكْرِهِمْ أَنَّا دَمَّرْنَاهُمْ وَقَوْمَهُمْ أَجْمَعِينَ 51

En zie (dan) hoe het einde van hun list was. Voorwaar, Wij hebben hen en hun volk allen vernietigd.

فَتِلْكَ بُيُوتُهُمْ خَاوِيَةً بِمَا ظَلَمُوا ۗ إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَةً لِّقَوْمٍ يَعْلَمُونَ 52

(En) dit zijn dan hun huizen; verlaten (achtergebleven) vanwege het onrecht dat zij pleegden. Voorwaar, daarin bevindt zich zeker een teken voor een volk dat weet.

وَأَنجَيْنَا الَّذِينَ آمَنُوا وَكَانُوا يَتَّقُونَ 53

En Wij hebben degenen die geloven en (Allah) vrezen gered.

وَلُوطًا إِذْ قَالَ لِقَوْمِهِ أَتَأْتُونَ الْفَاحِشَةَ وَأَنتُمْ تُبْصِرُونَ 54

En (gedenk) toen Loet tegen zijn volk zei: “Begaan jullie een verdorvenheid, terwijl jullie (het) weten?

أَئِنَّكُمْ لَتَأْتُونَ الرِّجَالَ شَهْوَةً مِّن دُونِ النِّسَاءِ ۚ بَلْ أَنتُمْ قَوْمٌ تَجْهَلُونَ 55

Benaderen jullie daadwerkelijk de mannen uit lust in plaats van de vrouwen? Nee! Jullie zijn een onwetend volk.”

فَمَا كَانَ جَوَابَ قَوْمِهِ إِلَّا أَن قَالُوا أَخْرِجُوا آلَ لُوطٍ مِّن قَرْيَتِكُمْ ۖ إِنَّهُمْ أُنَاسٌ يَتَطَهَّرُونَ 56

En het antwoord van zijn volk was slechts dat zij zeiden: “Verdrijf de familie van Loet uit jullie stad. Voorwaar, zij zijn mensen die zich reinigen.”

فَأَنجَيْنَاهُ وَأَهْلَهُ إِلَّا امْرَأَتَهُ قَدَّرْنَاهَا مِنَ الْغَابِرِينَ 57

Toen redden Wij hem en zijn familie, behalve zijn vrouw. Wij hebben voor haar bepaald dat zij tot de achterblijvers behoort.

وَأَمْطَرْنَا عَلَيْهِم مَّطَرًا ۖ فَسَاءَ مَطَرُ الْمُنذَرِينَ 58

En Wij deden een regen (van stenen) op hen neerdalen. En de regen voor de gewaarschuwden was afgrijselijk.

قُلِ الْحَمْدُ لِلَّهِ وَسَلَامٌ عَلَىٰ عِبَادِهِ الَّذِينَ اصْطَفَىٰ ۗ آللَّهُ خَيْرٌ أَمَّا يُشْرِكُونَ 59

Zeg (o Mohammed): “(Alle) lof zij Allah en vrede zij met Zijn dienaren die Hij heeft uitverkoren. Is Allah beter of (is) datgene wat zij (Hem) aan deelgenoten toekennen (beter)?”

أَمَّنْ خَلَقَ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضَ وَأَنزَلَ لَكُم مِّنَ السَّمَاءِ مَاءً فَأَنبَتْنَا بِهِ حَدَائِقَ ذَاتَ بَهْجَةٍ مَّا كَانَ لَكُمْ أَن تُنبِتُوا شَجَرَهَا ۗ أَإِلَٰهٌ مَّعَ اللَّهِ ۚ بَلْ هُمْ قَوْمٌ يَعْدِلُونَ 60

Of (is) Degene (beter) Die de hemelen en de aarde heeft geschapen en water voor jullie uit de hemel neerzond, waarmee Wij fraai uitziende tuinen voortbrachten, waarvan jullie niet eens in staat zijn om de bomen daarvan voort te brengen? Is er een god naast Allah? Welnee! Zij zijn een volk dat anderen (aan Hem) gelijkstelt.

أَمَّن جَعَلَ الْأَرْضَ قَرَارًا وَجَعَلَ خِلَالَهَا أَنْهَارًا وَجَعَلَ لَهَا رَوَاسِيَ وَجَعَلَ بَيْنَ الْبَحْرَيْنِ حَاجِزًا ۗ أَإِلَٰهٌ مَّعَ اللَّهِ ۚ بَلْ أَكْثَرُهُمْ لَا يَعْلَمُونَ 61

Of (is) Degene (beter) Die de aarde tot een verblijfplaats heeft gemaakt en er rivieren tussen heeft geplaatst, en stevige bergen op haar heeft geplaatst, en (Die) tussen de twee zeeën een barrière heeft gemaakt? Is er een god naast Allah? Welnee! De meesten van hen weten (het) niet.

أَمَّن يُجِيبُ الْمُضْطَرَّ إِذَا دَعَاهُ وَيَكْشِفُ السُّوءَ وَيَجْعَلُكُمْ خُلَفَاءَ الْأَرْضِ ۗ أَإِلَٰهٌ مَّعَ اللَّهِ ۚ قَلِيلًا مَّا تَذَكَّرُونَ 62

Of (is) Degene (beter) Die de noodlijdende (persoon) verhoort wanneer hij Hem aanroept en het slechte wegneemt, en jullie tot opvolgers op de aarde heeft aangesteld? Is er een god naast Allah? Jullie laten je weinig vermanen.

أَمَّن يَهْدِيكُمْ فِي ظُلُمَاتِ الْبَرِّ وَالْبَحْرِ وَمَن يُرْسِلُ الرِّيَاحَ بُشْرًا بَيْنَ يَدَيْ رَحْمَتِهِ ۗ أَإِلَٰهٌ مَّعَ اللَّهِ ۚ تَعَالَى اللَّهُ عَمَّا يُشْرِكُونَ 63

Of (is) Degene (beter) Die jullie leidt door de duisternissen van het land en van de zee? En Degene Die de winden stuurt als aankondiging van verheugende tijdingen, voorafgaand aan Zijn Genade (d.w.z. de regen)? Is er een god naast Allah? Verheven is Allah boven datgene wat zij (Hem) aan deelgenoten toekennen.

أَمَّن يَبْدَأُ الْخَلْقَ ثُمَّ يُعِيدُهُ وَمَن يَرْزُقُكُم مِّنَ السَّمَاءِ وَالْأَرْضِ ۗ أَإِلَٰهٌ مَّعَ اللَّهِ ۚ قُلْ هَاتُوا بُرْهَانَكُمْ إِن كُنتُمْ صَادِقِينَ 64

Of (is) Degene (beter) Die begint met de schepping en deze vervolgens (na de dood) herhaalt? En Wie voorziet jullie vanuit de hemel en de aarde? Is er een god naast Allah? Zeg (o Mohammed): “Breng jullie bewijzen als jullie waarachtig zijn.”

قُل لَّا يَعْلَمُ مَن فِي السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ الْغَيْبَ إِلَّا اللَّهُ ۚ وَمَا يَشْعُرُونَ أَيَّانَ يُبْعَثُونَ 65

Zeg (o Mohammed): “Niemand die zich in de hemelen of op de aarde bevindt, is op de hoogte van het onwaarneembare, behalve Allah. En zij beseffen niet wanneer zij opgewekt zullen worden.”

بَلِ ادَّارَكَ عِلْمُهُمْ فِي الْآخِرَةِ ۚ بَلْ هُمْ فِي شَكٍّ مِّنْهَا ۖ بَلْ هُم مِّنْهَا عَمُونَ 66

Nee! Hun kennis over het Hiernamaals stapelt zich op (d.w.z. dat zij daar slechts over aan het gissen zijn). Nee! Zij verkeren daarover in twijfel. Nee! Zij zijn (in werkelijkheid) blind daarvoor (d.w.z. voor het Hiernamaals).

وَقَالَ الَّذِينَ كَفَرُوا أَإِذَا كُنَّا تُرَابًا وَآبَاؤُنَا أَئِنَّا لَمُخْرَجُونَ 67

En degenen die niet geloven, zeiden: “Zullen wij en onze voorvaderen, wanneer wij aarde zijn geworden, daadwerkelijk (weer uit onze graven) worden opgewekt?

لَقَدْ وُعِدْنَا هَٰذَا نَحْنُ وَآبَاؤُنَا مِن قَبْلُ إِنْ هَٰذَا إِلَّا أَسَاطِيرُ الْأَوَّلِينَ 68

Voorzeker, dit is ons en onze voorvaderen eerder beloofd. Dit zijn slechts mythen van de mensen van vroeger.”

قُلْ سِيرُوا فِي الْأَرْضِ فَانظُرُوا كَيْفَ كَانَ عَاقِبَةُ الْمُجْرِمِينَ 69

Zeg (o Mohammed): “Trek rond op aarde en zie dan hoe het einde van de misdadigers was.”

وَلَا تَحْزَنْ عَلَيْهِمْ وَلَا تَكُن فِي ضَيْقٍ مِّمَّا يَمْكُرُونَ 70

En treur niet om hen (d.w.z. om de veelgodenaanbidders) en voel je niet benauwd door wat zij aan listen beramen.

وَيَقُولُونَ مَتَىٰ هَٰذَا الْوَعْدُ إِن كُنتُمْ صَادِقِينَ 71

En zij zeggen: “Wanneer zal deze Belofte (d.w.z. het aanbreken van het Uur) plaatsvinden, als jullie waarachtig zijn?”

قُلْ عَسَىٰ أَن يَكُونَ رَدِفَ لَكُم بَعْضُ الَّذِي تَسْتَعْجِلُونَ 72

Zeg: “Wellicht is een deel van datgene wat jullie (willen) bespoedigen dicht bij jullie.”

وَإِنَّ رَبَّكَ لَذُو فَضْلٍ عَلَى النَّاسِ وَلَٰكِنَّ أَكْثَرَهُمْ لَا يَشْكُرُونَ 73

En voorwaar, jouw Heer is zeker de Bezitter van Gunst voor de mensen, maar de meesten van hen zijn niet dankbaar.

وَإِنَّ رَبَّكَ لَيَعْلَمُ مَا تُكِنُّ صُدُورُهُمْ وَمَا يُعْلِنُونَ 74

En voorwaar, jouw Heer is zeker op de hoogte van wat hun borsten verbergen en van wat zij tonen.

وَمَا مِنْ غَائِبَةٍ فِي السَّمَاءِ وَالْأَرْضِ إِلَّا فِي كِتَابٍ مُّبِينٍ 75

En er is niets wat verborgen is in de hemel en de aarde, of het staat in een duidelijk Boek (geschreven).

إِنَّ هَٰذَا الْقُرْآنَ يَقُصُّ عَلَىٰ بَنِي إِسْرَائِيلَ أَكْثَرَ الَّذِي هُمْ فِيهِ يَخْتَلِفُونَ 76

Voorwaar, deze Koran vertelt aan de kinderen van Israël het merendeel van datgene waarover zij (van mening) verschillen.

وَإِنَّهُ لَهُدًى وَرَحْمَةٌ لِّلْمُؤْمِنِينَ 77

En voorwaar, het is zeker een Leiding en Genade voor de gelovigen.

إِنَّ رَبَّكَ يَقْضِي بَيْنَهُم بِحُكْمِهِ ۚ وَهُوَ الْعَزِيزُ الْعَلِيمُ 78

Voorwaar, jouw Heer oordeelt tussen hen met Zijn Oordeel. En Hij is de Almachtige, de Alwetende.

فَتَوَكَّلْ عَلَى اللَّهِ ۖ إِنَّكَ عَلَى الْحَقِّ الْمُبِينِ 79

Stel je vertrouwen dus in Allah. Waarlijk, jij bevindt je op de duidelijke Waarheid.

إِنَّكَ لَا تُسْمِعُ الْمَوْتَىٰ وَلَا تُسْمِعُ الصُّمَّ الدُّعَاءَ إِذَا وَلَّوْا مُدْبِرِينَ 80

Voorwaar, jij kunt de doden (het geroep) niet laten horen, noch kun jij de doven het geroep laten horen wanneer zij zich met hun rug (naar jou) wenden (d.w.z. wanneer zij zich afwenden van het Bevel van Allah).

وَمَا أَنتَ بِهَادِي الْعُمْيِ عَن ضَلَالَتِهِمْ ۖ إِن تُسْمِعُ إِلَّا مَن يُؤْمِنُ بِآيَاتِنَا فَهُم مُّسْلِمُونَ 81

En jij kunt de blinden niet uit hun dwaling leiden. Jij kunt alleen degenen laten horen die in Onze Tekenen geloven. Zij (alleen) onderwerpen zich (en horen de Waarheid aan).

وَإِذَا وَقَعَ الْقَوْلُ عَلَيْهِمْ أَخْرَجْنَا لَهُمْ دَابَّةً مِّنَ الْأَرْضِ تُكَلِّمُهُمْ أَنَّ النَّاسَ كَانُوا بِآيَاتِنَا لَا يُوقِنُونَ 82

En zodra het Woord (d.w.z. de Bestraffing) voor hen is bepaald, zullen Wij voor hen een beest uit de aarde voortbrengen dat tot hen zal spreken (en zal zeggen) dat de mensen niet overtuigd waren van Onze Tekenen.

وَيَوْمَ نَحْشُرُ مِن كُلِّ أُمَّةٍ فَوْجًا مِّمَّن يُكَذِّبُ بِآيَاتِنَا فَهُمْ يُوزَعُونَ 83

En (gedenk) de Dag waarop Wij uit iedere gemeenschap een groep zullen verzamelen van degenen die Onze Tekenen verloochenden. Zij zullen dan (op die Dag bij elkaar) gedreven worden (om vervolgens gezamenlijk naar de Hel te worden geleid).

حَتَّىٰ إِذَا جَاءُوا قَالَ أَكَذَّبْتُم بِآيَاتِي وَلَمْ تُحِيطُوا بِهَا عِلْمًا أَمَّاذَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَ 84

Totdat zij komen en Hij zal zeggen: “Hebben jullie Mijn Tekenen verloochend, terwijl jullie deze niet met kennis konden omvatten? Wat waren jullie dan (anders) aan het doen (als jullie niet bezig waren met het overpeinzen van deze Tekenen)?”

وَوَقَعَ الْقَوْلُ عَلَيْهِم بِمَا ظَلَمُوا فَهُمْ لَا يَنطِقُونَ 85

En het Woord (d.w.z. de Bestraffing) was voor hen bepaald vanwege het onrecht dat zij pleegden. (En) zij zullen dan niet in staat zijn om te spreken.

أَلَمْ يَرَوْا أَنَّا جَعَلْنَا اللَّيْلَ لِيَسْكُنُوا فِيهِ وَالنَّهَارَ مُبْصِرًا ۚ إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَاتٍ لِّقَوْمٍ يُؤْمِنُونَ 86

Hebben zij dan niet gezien dat Wij de nacht gemaakt hebben zodat zij daarin hun rust kunnen vinden, en de dag (gemaakt hebben) om daarin te kunnen zien? Voorwaar, hierin bevinden zich zeker tekenen voor een volk dat gelooft.

وَيَوْمَ يُنفَخُ فِي الصُّورِ فَفَزِعَ مَن فِي السَّمَاوَاتِ وَمَن فِي الْأَرْضِ إِلَّا مَن شَاءَ اللَّهُ ۚ وَكُلٌّ أَتَوْهُ دَاخِرِينَ 87

En (gedenk) de Dag waarop er op de Bazuin wordt geblazen en degenen die zich in de hemelen en degenen die zich op de aarde bevinden, opgeschrikt zullen worden. Behalve (voor) wie Allah (dit niet) wil. En zij zullen allen nederig tot Hem komen.

وَتَرَى الْجِبَالَ تَحْسَبُهَا جَامِدَةً وَهِيَ تَمُرُّ مَرَّ السَّحَابِ ۚ صُنْعَ اللَّهِ الَّذِي أَتْقَنَ كُلَّ شَيْءٍ ۚ إِنَّهُ خَبِيرٌ بِمَا تَفْعَلُونَ 88

En jij ziet de bergen en denkt dat deze stilstaan, terwijl deze (in werkelijkheid) voorbijgaan zoals de wolken voorbijgaan. (Dit is) het Werk van Allah, Degene Die alles heeft vervolmaakt. Voorwaar, Hij is op de hoogte van dat wat jullie (in het verborgene) doen.

مَن جَاءَ بِالْحَسَنَةِ فَلَهُ خَيْرٌ مِّنْهَا وَهُم مِّن فَزَعٍ يَوْمَئِذٍ آمِنُونَ 89

Wie met een goede daad komt, voor hem is er (iets) beters dan dat (aan beloning). En zij zullen veilig zijn voor de schrik van die Dag.

وَمَن جَاءَ بِالسَّيِّئَةِ فَكُبَّتْ وُجُوهُهُمْ فِي النَّارِ هَلْ تُجْزَوْنَ إِلَّا مَا كُنتُمْ تَعْمَلُونَ 90

En wie met een slechte daad komt, (zij) zullen dan op hun gezichten in het Vuur worden geworpen. (En er zal tegen hen gezegd worden:) “Worden jullie dan met iets anders vergolden dan dat wat jullie (aan daden) hebben verricht?”

إِنَّمَا أُمِرْتُ أَنْ أَعْبُدَ رَبَّ هَٰذِهِ الْبَلْدَةِ الَّذِي حَرَّمَهَا وَلَهُ كُلُّ شَيْءٍ ۖ وَأُمِرْتُ أَنْ أَكُونَ مِنَ الْمُسْلِمِينَ 91

Mij is slechts opgedragen om de Heer van dit land (d.w.z. van Mekka) te aanbidden. Degene Die het (d.w.z. Mekka) verboden (d.w.z. veilig) heeft verklaard, en (Degene) aan Wie alles toebehoort. En mij is opgedragen om tot de moslims te behoren.

وَأَنْ أَتْلُوَ الْقُرْآنَ ۖ فَمَنِ اهْتَدَىٰ فَإِنَّمَا يَهْتَدِي لِنَفْسِهِ ۖ وَمَن ضَلَّ فَقُلْ إِنَّمَا أَنَا مِنَ الْمُنذِرِينَ 92

En (mij is opgedragen) om de Koran te reciteren. Dus wie geleid wordt, wordt slechts geleid ten bate van zichzelf. En wie afdwaalt, zeg dan (tegen hem): “Ik behoor slechts tot de waarschuwers.”

وَقُلِ الْحَمْدُ لِلَّهِ سَيُرِيكُمْ آيَاتِهِ فَتَعْرِفُونَهَا ۚ وَمَا رَبُّكَ بِغَافِلٍ عَمَّا تَعْمَلُونَ 93

En zeg (o Mohammed): “(Alle) lof zij Allah. Hij zal jullie Zijn Tekenen tonen, opdat jullie deze zullen herkennen. En jouw Heer is Zich niet onbewust van wat jullie doen.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Close