Soera 27 – An-Naml – De Mieren – النّمل

Deze soera in de nieuwe Koran omgeving lezen? Ja, graag
bismillah ir rahman ir rahim

طسٓۚ تِلۡكَ ءَايَٰتُ ٱلۡقُرۡءَانِ وَكِتَابٖ مُّبِينٍ 1

Tha, Sīn. Dit zijn Verzen van de Koran, het duidelijke Boek.

هُدٗى وَبُشۡرَىٰ لِلۡمُؤۡمِنِينَ 2

Als Leiding en goed nieuws voor de gelovigen.

ٱلَّذِينَ يُقِيمُونَ ٱلصَّلَوٰةَ وَيُؤۡتُونَ ٱلزَّكَوٰةَ وَهُم بِٱلۡأٓخِرَةِ هُمۡ يُوقِنُونَ 3

Degenen die perfect hun gebeden verrichten en Zakat geven en die met zekerheid in het Hiernamaals geloven.

إِنَّ ٱلَّذِينَ لَا يُؤۡمِنُونَ بِٱلۡأٓخِرَةِ زَيَّنَّا لَهُمۡ أَعۡمَٰلَهُمۡ فَهُمۡ يَعۡمَهُونَ 4

Waarlijk, degenen die niet in het Hiernamaals geloven, doen Wij hun daden schoon toeschijnen, daarop verkeren zij rusteloos in een dwaling.

أُوْلَـٰٓئِكَ ٱلَّذِينَ لَهُمۡ سُوٓءُ ٱلۡعَذَابِ وَهُمۡ فِي ٱلۡأٓخِرَةِ هُمُ ٱلۡأَخۡسَرُونَ 5

Dat zijn degenen voor wie er een kwade bestraffing zal zijn. En in het Hiernamaals zullen zij de grootste verliezers zijn.

وَإِنَّكَ لَتُلَقَّى ٱلۡقُرۡءَانَ مِن لَّدُنۡ حَكِيمٍ عَلِيمٍ 6

En waarlijk, jij ontvangt de Koran van de Ene, Alwijze, Alwetende.

إِذۡ قَالَ مُوسَىٰ لِأَهۡلِهِۦٓ إِنِّيٓ ءَانَسۡتُ نَارٗا سَـَٔاتِيكُم مِّنۡهَا بِخَبَرٍ أَوۡ ءَاتِيكُم بِشِهَابٖ قَبَسٖ لَّعَلَّكُمۡ تَصۡطَلُونَ 7

(Gedenk) toen Mozes tegen zijn familie zei: “Waarlijk! Ik zie in de verte een vuur. Ik zal jullie er snel over berichten of ik zal jullie een brandende tak brengen, dat jullie jezelf kunnen verwarmen.”

فَلَمَّا جَآءَهَا نُودِيَ أَنۢ بُورِكَ مَن فِي ٱلنَّارِ وَمَنۡ حَوۡلَهَا وَسُبۡحَٰنَ ٱللَّهِ رَبِّ ٱلۡعَٰلَمِينَ 8

Maar toen hij tot het kwam, werd hij geroepen: “Gezegend is hij (Mozes) die op de plaats van het vuur is, en wie daarbij staat! En verheerlijkt is Allah, de Heer der Werelden.

يَٰمُوسَىٰٓ إِنَّهُۥٓ أَنَا ٱللَّهُ ٱلۡعَزِيزُ ٱلۡحَكِيمُ 9

O Mozes! Waarlijk! Ik ben het, Allah, de Almachtige, de Alwijze.

وَأَلۡقِ عَصَاكَۚ فَلَمَّا رَءَاهَا تَهۡتَزُّ كَأَنَّهَا جَآنّٞ وَلَّىٰ مُدۡبِرٗا وَلَمۡ يُعَقِّبۡۚ يَٰمُوسَىٰ لَا تَخَفۡ إِنِّي لَا يَخَافُ لَدَيَّ ٱلۡمُرۡسَلُونَ 10

Gooi je stok neer!” Maar toen hij het als een slang zag bewegen, keerde hij haastig en keek niet om. (Allah zei:) “O Mozes! Vrees niet, waarlijk! De Boodschappers vrezen Mijn aanwezigheid niet.”

إِلَّا مَن ظَلَمَ ثُمَّ بَدَّلَ حُسۡنَۢا بَعۡدَ سُوٓءٖ فَإِنِّي غَفُورٞ رَّحِيمٞ 11

En hij die gezondigd heeft en daarna het kwade in het goede heeft veranderd, dan waarlijk, Ik ben Vergevingsgezind, Genadevol.

وَأَدۡخِلۡ يَدَكَ فِي جَيۡبِكَ تَخۡرُجۡ بَيۡضَآءَ مِنۡ غَيۡرِ سُوٓءٖۖ فِي تِسۡعِ ءَايَٰتٍ إِلَىٰ فِرۡعَوۡنَ وَقَوۡمِهِۦٓۚ إِنَّهُمۡ كَانُواْ قَوۡمٗا فَٰسِقِينَ 12

En stop je hand in je boezem, het komt er wit uit zonder dat het gekwetst is. (Dit behoort) tot de negen wonderen (die je) naar de Farao en zijn volk (zult meenemen), zij zijn mensen die verdorven zijn.”

فَلَمَّا جَآءَتۡهُمۡ ءَايَٰتُنَا مُبۡصِرَةٗ قَالُواْ هَٰذَا سِحۡرٞ مُّبِينٞ 13

Maar als Onze Tekenen ter verduidelijking tot hen komen, zeggen zij: “Dit is duidelijke toverkunst.”

وَجَحَدُواْ بِهَا وَٱسۡتَيۡقَنَتۡهَآ أَنفُسُهُمۡ ظُلۡمٗا وَعُلُوّٗاۚ فَٱنظُرۡ كَيۡفَ كَانَ عَٰقِبَةُ ٱلۡمُفۡسِدِينَ 14

En zij verloochenden hen valselijk en hooghartig, hoewel zij zelf ervan overtuigd waren. Zie dus wat het einde van de verderfzaaiers was!

وَلَقَدۡ ءَاتَيۡنَا دَاوُۥدَ وَسُلَيۡمَٰنَ عِلۡمٗاۖ وَقَالَا ٱلۡحَمۡدُ لِلَّهِ ٱلَّذِي فَضَّلَنَا عَلَىٰ كَثِيرٖ مِّنۡ عِبَادِهِ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ 15

En voorzeker, Wij gaven Dawoed en Soeleiman kennis en beiden zeiden: “Alle lofprijzing en dank behoort aan Allah, Die aan ons de voorkeur boven velen van Zijn gelovige slaven heeft gegeven!”

وَوَرِثَ سُلَيۡمَٰنُ دَاوُۥدَۖ وَقَالَ يَـٰٓأَيُّهَا ٱلنَّاسُ عُلِّمۡنَا مَنطِقَ ٱلطَّيۡرِ وَأُوتِينَا مِن كُلِّ شَيۡءٍۖ إِنَّ هَٰذَا لَهُوَ ٱلۡفَضۡلُ ٱلۡمُبِينُ 16

En Soeleiman beërfde (de kennis van) Dawoed. Hij zei: “O mensheid! Ons is de taal van de vogels geleerd, en wij hebben allerlei zaken gekregen. Dit is echt een duidelijke gunst.”

وَحُشِرَ لِسُلَيۡمَٰنَ جُنُودُهُۥ مِنَ ٱلۡجِنِّ وَٱلۡإِنسِ وَٱلطَّيۡرِ فَهُمۡ يُوزَعُونَ 17

En voor Soeleiman werden zijn troepen van Djinn en mensen en vogels verzameld en zij werden allen in rijen opgesteld.

حَتَّىٰٓ إِذَآ أَتَوۡاْ عَلَىٰ وَادِ ٱلنَّمۡلِ قَالَتۡ نَمۡلَةٞ يَـٰٓأَيُّهَا ٱلنَّمۡلُ ٱدۡخُلُواْ مَسَٰكِنَكُمۡ لَا يَحۡطِمَنَّكُمۡ سُلَيۡمَٰنُ وَجُنُودُهُۥ وَهُمۡ لَا يَشۡعُرُونَ 18

Totdat zij bij het dal van de mieren kwamen, en één van de mieren zei: “O mieren! Ga jullie huizen binnen opdat Soeleymaan en zijn leger jullie niet verpletteren (onder de voet lopen) terwijl zij het niet beseffen.”

فَتَبَسَّمَ ضَاحِكٗا مِّن قَوۡلِهَا وَقَالَ رَبِّ أَوۡزِعۡنِيٓ أَنۡ أَشۡكُرَ نِعۡمَتَكَ ٱلَّتِيٓ أَنۡعَمۡتَ عَلَيَّ وَعَلَىٰ وَٰلِدَيَّ وَأَنۡ أَعۡمَلَ صَٰلِحٗا تَرۡضَىٰهُ وَأَدۡخِلۡنِي بِرَحۡمَتِكَ فِي عِبَادِكَ ٱلصَّـٰلِحِينَ 19

Dus hij (Soeleiman) glimlachte om haar woorden en zei: “Mijn Heer! Maak mij dankbaar voor Uw gunst, die U mij en mijn ouders schonk en doe mij goede daden verrichten die Uw genoegen hebben. En voeg mij door Uw genade toe aan Uw rechtgeleide slaven.”

وَتَفَقَّدَ ٱلطَّيۡرَ فَقَالَ مَالِيَ لَآ أَرَى ٱلۡهُدۡهُدَ أَمۡ كَانَ مِنَ ٱلۡغَآئِبِينَ 20

Hij inspecteerde (de afdeling van) de vogels en zei: “Hoe komt het dat ik de (fladderende) hop niet zie? Of behoort hij tot de afwezigen?

لَأُعَذِّبَنَّهُۥ عَذَابٗا شَدِيدًا أَوۡ لَأَاْذۡبَحَنَّهُۥٓ أَوۡ لَيَأۡتِيَنِّي بِسُلۡطَٰنٖ مُّبِينٖ 21

Ik zal hem zeker met een zware straf bestraffen (door hem de veren uit te trekken) of hem slachten, tenzij hij een duidelijke (en overtuigende) reden heeft (voor zijn afwezigheid).”

فَمَكَثَ غَيۡرَ بَعِيدٖ فَقَالَ أَحَطتُ بِمَا لَمۡ تُحِطۡ بِهِۦ وَجِئۡتُكَ مِن سَبَإِۭ بِنَبَإٖ يَقِينٍ 22

Maar de hop bleef niet lang weg en zei (in alle bescheidenheid): “Ik ben iets te weten gekomen wat jij nog niet weet: ik kom van Saba`, (een koninkrijk in Jemen) naar jou toe met overtuigende berichten.

إِنِّي وَجَدتُّ ٱمۡرَأَةٗ تَمۡلِكُهُمۡ وَأُوتِيَتۡ مِن كُلِّ شَيۡءٖ وَلَهَا عَرۡشٌ عَظِيمٞ 23

Ik vond daar een vrouw (de koningin van Saba’) die over hen heerste, en zij beschikt over alle zaken en zij heeft een grote troon.

وَجَدتُّهَا وَقَوۡمَهَا يَسۡجُدُونَ لِلشَّمۡسِ مِن دُونِ ٱللَّهِ وَزَيَّنَ لَهُمُ ٱلشَّيۡطَٰنُ أَعۡمَٰلَهُمۡ فَصَدَّهُمۡ عَنِ ٱلسَّبِيلِ فَهُمۡ لَا يَهۡتَدُونَ 24

Ik ontdekte dat zij en haar volk de zon aanbidden in plaats van Allah, en dat Sheitan hun daden schoon doet toeschijnen en hen afleidt van (Allah’s) Weg zodat zij geen Leiding hebben.

أَلَّاۤ يَسۡجُدُواْۤ لِلَّهِ ٱلَّذِي يُخۡرِجُ ٱلۡخَبۡءَ فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِ وَيَعۡلَمُ مَا تُخۡفُونَ وَمَا تُعۡلِنُونَ 25

Zodat zij Allah niet aanbidden. Degene Die voortbrengt wat in de hemelen en de aarde verborgen is, en weet wat jullie verbergen en openbaar maken.

ٱللَّهُ لَآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ رَبُّ ٱلۡعَرۡشِ ٱلۡعَظِيمِ۩ 26

Allah, er is geen god dan Hij, de Heer van de Verheven Troon!

۞قَالَ سَنَنظُرُ أَصَدَقۡتَ أَمۡ كُنتَ مِنَ ٱلۡكَٰذِبِينَ 27

(Soeleiman) zei: “Wij zullen zien of jij de waarheid spreekt of dat jij (een) van de leugenaars bent.

ٱذۡهَب بِّكِتَٰبِي هَٰذَا فَأَلۡقِهۡ إِلَيۡهِمۡ ثُمَّ تَوَلَّ عَنۡهُمۡ فَٱنظُرۡ مَاذَا يَرۡجِعُونَ 28

Ga heen met een brief van mij en geef het aan hen; trek je dan van hen terug en zie wat voor (antwoord) zij aan mij teruggeven.”

قَالَتۡ يَـٰٓأَيُّهَا ٱلۡمَلَؤُاْ إِنِّيٓ أُلۡقِيَ إِلَيَّ كِتَٰبٞ كَرِيمٌ 29

Zij zei: “O leiders! Waarlijk! Hier is een edele brief aan mij afgegeven,

إِنَّهُۥ مِن سُلَيۡمَٰنَ وَإِنَّهُۥ بِسۡمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحۡمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ 30

Waarlijk! Het is van Soeleiman en waarlijk! Er (staat): “In de naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle;

أَلَّا تَعۡلُواْ عَلَيَّ وَأۡتُونِي مُسۡلِمِينَ 31

Wees niet minachtend over mij, maar kom tot mij als moslims.”

قَالَتۡ يَـٰٓأَيُّهَا ٱلۡمَلَؤُاْ أَفۡتُونِي فِيٓ أَمۡرِي مَا كُنتُ قَاطِعَةً أَمۡرًا حَتَّىٰ تَشۡهَدُونِ 32

Zij zei: “O leiders! Adviseer mij in deze zaak van mij. Ik wil niet besluiten tot jullie er mee instemmen.”

قَالُواْ نَحۡنُ أُوْلُواْ قُوَّةٖ وَأُوْلُواْ بَأۡسٖ شَدِيدٖ وَٱلۡأَمۡرُ إِلَيۡكِ فَٱنظُرِي مَاذَا تَأۡمُرِينَ 33

Zij zeiden: “Wij hebben veel macht en grote kwaliteiten voor de oorlog, maar jij bent het die het bevel moet voeren, denk dus na wat je zult bevelen.”

قَالَتۡ إِنَّ ٱلۡمُلُوكَ إِذَا دَخَلُواْ قَرۡيَةً أَفۡسَدُوهَا وَجَعَلُوٓاْ أَعِزَّةَ أَهۡلِهَآ أَذِلَّةٗۚ وَكَذَٰلِكَ يَفۡعَلُونَ 34

Zij zei: “Waarlijk! Koningen plunderen een stad als zij die binnentreden en verlagen de eerbaarsten onder haar volk. En dat doen zij ook.

وَإِنِّي مُرۡسِلَةٌ إِلَيۡهِم بِهَدِيَّةٖ فَنَاظِرَةُۢ بِمَ يَرۡجِعُ ٱلۡمُرۡسَلُونَ 35

Maar waarlijk! Ik ga hem een geschenk sturen en zal dan zien met wat voor (antwoord) de afgevaardigden terugkeren.”

فَلَمَّا جَآءَ سُلَيۡمَٰنَ قَالَ أَتُمِدُّونَنِ بِمَالٖ فَمَآ ءَاتَىٰنِۦَ ٱللَّهُ خَيۡرٞ مِّمَّآ ءَاتَىٰكُمۚ بَلۡ أَنتُم بِهَدِيَّتِكُمۡ تَفۡرَحُونَ 36

Dus toen (de gezant met het geschenk) bij Soeleiman kwam, zei hij: “Schenk jij mij rijkdommen? Wat Allah mij heeft gegeven is beter dan wat Hij jullie heeft gegeven! Nee, jullie verheugen je over jullie geschenk.

ٱرۡجِعۡ إِلَيۡهِمۡ فَلَنَأۡتِيَنَّهُم بِجُنُودٖ لَّا قِبَلَ لَهُم بِهَا وَلَنُخۡرِجَنَّهُم مِّنۡهَآ أَذِلَّةٗ وَهُمۡ صَٰغِرُونَ 37

Keer naar hen terug. Wij zullen zeker tot hen komen met legers die zij niet kunnen weerstaan. En wij zullen hen zeker daaruit (de stad) verdrijven, in ongenade en zij zullen vernederd worden.”

قَالَ يَـٰٓأَيُّهَا ٱلۡمَلَؤُاْ أَيُّكُمۡ يَأۡتِينِي بِعَرۡشِهَا قَبۡلَ أَن يَأۡتُونِي مُسۡلِمِينَ 38

Hij zei: “O leiders! Wie van jullie kan mij haar troon brengen voordat zij tot mij komen en zichzelf in gehoorzaamheid overgeven?”

قَالَ عِفۡرِيتٞ مِّنَ ٱلۡجِنِّ أَنَا۠ ءَاتِيكَ بِهِۦ قَبۡلَ أَن تَقُومَ مِن مَّقَامِكَۖ وَإِنِّي عَلَيۡهِ لَقَوِيٌّ أَمِينٞ 39

Een ‘Ifriet (de sterkste) van onder de Djinn zei: “Ik zal hem tot jou brengen, voordat jij van jouw plaats opstaat. Want waarlijk, ik ben zeker sterk en betrouwbaar voor die taak.”

قَالَ ٱلَّذِي عِندَهُۥ عِلۡمٞ مِّنَ ٱلۡكِتَٰبِ أَنَا۠ ءَاتِيكَ بِهِۦ قَبۡلَ أَن يَرۡتَدَّ إِلَيۡكَ طَرۡفُكَۚ فَلَمَّا رَءَاهُ مُسۡتَقِرًّا عِندَهُۥ قَالَ هَٰذَا مِن فَضۡلِ رَبِّي لِيَبۡلُوَنِيٓ ءَأَشۡكُرُ أَمۡ أَكۡفُرُۖ وَمَن شَكَرَ فَإِنَّمَا يَشۡكُرُ لِنَفۡسِهِۦۖ وَمَن كَفَرَ فَإِنَّ رَبِّي غَنِيّٞ كَرِيمٞ 40

(Maar dit was niet snel genoeg volgens Soeleiman waarop) degene met kennis van de Schrift zei: “Ik zal hem in een oogwenk naar jou toebrengen.” En toen (Soeleiman) het vόόr zich geplaatst zag, zei hij: “Dit is door de gunst van mijn Heer, om mij te beproeven of ik dankbaar of ondankbaar ben! En iedereen die dankbaar is, waarlijk, zijn dankbaarheid is voor zichzelf. En iedereen die ondankbaar is, voorwaar, mijn Heer is Behoefteloos, Edel.”

قَالَ نَكِّرُواْ لَهَا عَرۡشَهَا نَنظُرۡ أَتَهۡتَدِيٓ أَمۡ تَكُونُ مِنَ ٱلَّذِينَ لَا يَهۡتَدُونَ 41

Hij (Soeleiman) zei: “Maak haar troon onherkenbaar voor haar zodat wij kunnen zien of zij geleid wordt of dat ze één van degenen zal zijn die niet geleid is.”

فَلَمَّا جَآءَتۡ قِيلَ أَهَٰكَذَا عَرۡشُكِۖ قَالَتۡ كَأَنَّهُۥ هُوَۚ وَأُوتِينَا ٱلۡعِلۡمَ مِن قَبۡلِهَا وَكُنَّا مُسۡلِمِينَ 42

Toen zij dus kwam werd er (tegen haar) gezegd: “Lijkt uw troon hierop?” Zij zei: “(Het is) alsof het hetzelfde is.” En (Soeleiman zei): “Kennis was ons gegeven vóór haar en wij waren aan Allah onderworpen.”

وَصَدَّهَا مَا كَانَت تَّعۡبُدُ مِن دُونِ ٱللَّهِۖ إِنَّهَا كَانَتۡ مِن قَوۡمٖ كَٰفِرِينَ 43

En dat wat zij gewend was naast Allah te aanbidden heeft haar weerhouden, want zij was van het ongelovige volk.

قِيلَ لَهَا ٱدۡخُلِي ٱلصَّرۡحَۖ فَلَمَّا رَأَتۡهُ حَسِبَتۡهُ لُجَّةٗ وَكَشَفَتۡ عَن سَاقَيۡهَاۚ قَالَ إِنَّهُۥ صَرۡحٞ مُّمَرَّدٞ مِّن قَوَارِيرَۗ قَالَتۡ رَبِّ إِنِّي ظَلَمۡتُ نَفۡسِي وَأَسۡلَمۡتُ مَعَ سُلَيۡمَٰنَ لِلَّهِ رَبِّ ٱلۡعَٰلَمِينَ 44

Er werd tot haar gezegd: “Treed het paleis binnen.” Toen zij het zag, dacht zij dat het een vijver was en zij maakte haar benen bloot, Soeleiman zei: “Het is een paleis dat betegeld is met glas. Zij zei: “Mijn Heer! Waarlijk, ik heb mijzelf onrecht aangedaan en ik onderwerp mij, gezamenlijk met Soeleiman aan Allah, de Heer der Werelden”.

وَلَقَدۡ أَرۡسَلۡنَآ إِلَىٰ ثَمُودَ أَخَاهُمۡ صَٰلِحًا أَنِ ٱعۡبُدُواْ ٱللَّهَ فَإِذَا هُمۡ فَرِيقَانِ يَخۡتَصِمُونَ 45

En voorwaar, Wij hebben aan de Thamoed hun broeder Saleh gestuurd, zeggende: “Aanbidt Allah.” Dan zie! Zij werden twee groepen die met elkaar redewistten.

قَالَ يَٰقَوۡمِ لِمَ تَسۡتَعۡجِلُونَ بِٱلسَّيِّئَةِ قَبۡلَ ٱلۡحَسَنَةِۖ لَوۡلَا تَسۡتَغۡفِرُونَ ٱللَّهَ لَعَلَّكُمۡ تُرۡحَمُونَ 46

Hij zei: “O mijn volk! Waarom proberen jullie het slechte te bespoedigen vóór het goede? Waarom zoeken jullie niet de Vergiffenis van Allah. Hopelijk worden jullie begenadigd.”

قَالُواْ ٱطَّيَّرۡنَا بِكَ وَبِمَن مَّعَكَۚ قَالَ طَـٰٓئِرُكُمۡ عِندَ ٱللَّهِۖ بَلۡ أَنتُمۡ قَوۡمٞ تُفۡتَنُونَ 47

Zij zeiden: “Wij voorspellen slechte voortekenen voor jouw en degenen met jou.” Hij zei: “Jullie slechte voortekenen zijn bij Allah; nee, maar jullie zijn een volk dat beproefd wordt.”

وَكَانَ فِي ٱلۡمَدِينَةِ تِسۡعَةُ رَهۡطٖ يُفۡسِدُونَ فِي ٱلۡأَرۡضِ وَلَا يُصۡلِحُونَ 48

En er waren negen mannen in de stad, die in het land verderf zaaiden en die zich niet wensten te beteren.

قَالُواْ تَقَاسَمُواْ بِٱللَّهِ لَنُبَيِّتَنَّهُۥ وَأَهۡلَهُۥ ثُمَّ لَنَقُولَنَّ لِوَلِيِّهِۦ مَا شَهِدۡنَا مَهۡلِكَ أَهۡلِهِۦ وَإِنَّا لَصَٰدِقُونَ 49

Zij zeiden: “Zweer onder elkaar bij Allah dat wij een geheime nachtelijke aanval doen tegen hem (Shalih) en zijn familie; en daarna zullen wij zeker tegen zijn naaste verwanten zeggen: “Wij waren geen getuigen van de vernietiging van zijn familie en waarlijk, wij vertellen de waarheid.”

وَمَكَرُواْ مَكۡرٗا وَمَكَرۡنَا مَكۡرٗا وَهُمۡ لَا يَشۡعُرُونَ 50

Dus smeden zij een plan en Wij hebben een plan gesmeed terwijl zij het niet beseften.

فَٱنظُرۡ كَيۡفَ كَانَ عَٰقِبَةُ مَكۡرِهِمۡ أَنَّا دَمَّرۡنَٰهُمۡ وَقَوۡمَهُمۡ أَجۡمَعِينَ 51

Zie dan hoe het einde van hun plan was! Waarlijk! Wij hebben hen en hun volk vernietigd, allen tezamen.

فَتِلۡكَ بُيُوتُهُمۡ خَاوِيَةَۢ بِمَا ظَلَمُوٓاْۚ إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَأٓيَةٗ لِّقَوۡمٖ يَعۡلَمُونَ 52

Dat zijn nu hun huizen, tot ruїnes geworden, want zij zondigden. Waarlijk, in dit is zeker een Teken voor een volk dat weet.

وَأَنجَيۡنَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَكَانُواْ يَتَّقُونَ 53

En Wij redden degenen die geloofden, en die Allah vreesden en gehoorzaamden.

وَلُوطًا إِذۡ قَالَ لِقَوۡمِهِۦٓ أَتَأۡتُونَ ٱلۡفَٰحِشَةَ وَأَنتُمۡ تُبۡصِرُونَ 54

(Denk terug aan) Loeth die tegen zijn volk zei: “Plegen jullie gruwelijkheden, terwijl jullie het gadeslaan?

أَئِنَّكُمۡ لَتَأۡتُونَ ٱلرِّجَالَ شَهۡوَةٗ مِّن دُونِ ٱلنِّسَآءِۚ بَلۡ أَنتُمۡ قَوۡمٞ تَجۡهَلُونَ 55

Benaderen jullie met jullie lusten liever mannen dan vrouwen? Jullie zijn beslist een onwetend volk.” ۞

۞فَمَا كَانَ جَوَابَ قَوۡمِهِۦٓ إِلَّآ أَن قَالُوٓاْ أَخۡرِجُوٓاْ ءَالَ لُوطٖ مِّن قَرۡيَتِكُمۡۖ إِنَّهُمۡ أُنَاسٞ يَتَطَهَّرُونَ 56

Er werd hem door zijn volk enkel het volgende als antwoord gegeven: “Verjaag de familie van Loeth uit jullie stad. Want waarlijk, het zijn mensen die zich reinigen en zuiver wensen te zijn.”

فَأَنجَيۡنَٰهُ وَأَهۡلَهُۥٓ إِلَّا ٱمۡرَأَتَهُۥ قَدَّرۡنَٰهَا مِنَ ٱلۡغَٰبِرِينَ 57

Toen redden Wij hem en zijn familie, behalve zijn vrouw. Wij bepaalden dat zij één van degenen moest zijn die achterbleven.

وَأَمۡطَرۡنَا عَلَيۡهِم مَّطَرٗاۖ فَسَآءَ مَطَرُ ٱلۡمُنذَرِينَ 58

En Wij lieten een (vulkanische) regen op hen vallen. Slecht was die regen voor degenen die gewaarschuwd waren.

قُلِ ٱلۡحَمۡدُ لِلَّهِ وَسَلَٰمٌ عَلَىٰ عِبَادِهِ ٱلَّذِينَ ٱصۡطَفَىٰٓۗ ءَآللَّهُ خَيۡرٌ أَمَّا يُشۡرِكُونَ 59

Zeg (O Mohammed): “Geprezen en gedankt zij Allah en vrede voor Zijn slaven en degenen die Hij verkoos.” Is Allah beter of wat zij Hem aan deelgenoten toekennen?

أَمَّنۡ خَلَقَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضَ وَأَنزَلَ لَكُم مِّنَ ٱلسَّمَآءِ مَآءٗ فَأَنۢبَتۡنَا بِهِۦ حَدَآئِقَ ذَاتَ بَهۡجَةٖ مَّا كَانَ لَكُمۡ أَن تُنۢبِتُواْ شَجَرَهَآۗ أَءِلَٰهٞ مَّعَ ٱللَّهِۚ بَلۡ هُمۡ قَوۡمٞ يَعۡدِلُونَ 60

Is Hij niet (beter dan jullie goden) Die de hemelen en de aarde heeft geschapen en voor jullie water naar beneden stuurt uit de hemel, waardoor Wij prachtige tuinen laten groeien, vol schoonheid en vreugde? Jullie hebben niet de mogelijkheden om haar bomen te doen groeien. Is er een god naast Allah? Nee, maar zij zijn een volk dat het spoor bijster is.

أَمَّن جَعَلَ ٱلۡأَرۡضَ قَرَارٗا وَجَعَلَ خِلَٰلَهَآ أَنۡهَٰرٗا وَجَعَلَ لَهَا رَوَٰسِيَ وَجَعَلَ بَيۡنَ ٱلۡبَحۡرَيۡنِ حَاجِزًاۗ أَءِلَٰهٞ مَّعَ ٱللَّهِۚ بَلۡ أَكۡثَرُهُمۡ لَا يَعۡلَمُونَ 61

Hij Die de aarde als een stevige verblijfplaats heeft gemaakt en daardoor rivieren heeft getrokken. En ferme bergen geplaatst heeft, en een grens tussen de twee zeeën gevormd heeft. Is er een god naast Allah. Nee, maar de meesten van hen weten het niet.

أَمَّن يُجِيبُ ٱلۡمُضۡطَرَّ إِذَا دَعَاهُ وَيَكۡشِفُ ٱلسُّوٓءَ وَيَجۡعَلُكُمۡ خُلَفَآءَ ٱلۡأَرۡضِۗ أَءِلَٰهٞ مَّعَ ٱللَّهِۚ قَلِيلٗا مَّا تَذَكَّرُونَ 62

Is Hij niet (beter dan jullie goden) Die gehoor geeft aan de behoeftige (in nood), wanneer die Hem aanroept, en Die het kwaad (zoals ziekte, armoede of stress) bij jullie vandaan haalt, en (daarom heeft Hij van) jullie de erfgenamen van de aarde gemaakt, de ene generatie na de andere. Is er een (andere) god dan Allah (die daartoe in staat is? Jullie herinneren jullie maar weinig (van de Tekenen van Allah)!

أَمَّن يَهۡدِيكُمۡ فِي ظُلُمَٰتِ ٱلۡبَرِّ وَٱلۡبَحۡرِ وَمَن يُرۡسِلُ ٱلرِّيَٰحَ بُشۡرَۢا بَيۡنَ يَدَيۡ رَحۡمَتِهِۦٓۗ أَءِلَٰهٞ مَّعَ ٱللَّهِۚ تَعَٰلَى ٱللَّهُ عَمَّا يُشۡرِكُونَ 63

Is Hij niet (beter dan jullie goden) Die jullie in de duisternissen van het land en de zee leidt, en Die winden stuurt als koeriers van goed nieuws, die voor Zijn genade uitgaan? Is er een god naast Allah? Verheven is Allah boven alles wat zij als deelgenoten aan Hem toeschrijven!

أَمَّن يَبۡدَؤُاْ ٱلۡخَلۡقَ ثُمَّ يُعِيدُهُۥ وَمَن يَرۡزُقُكُم مِّنَ ٱلسَّمَآءِ وَٱلۡأَرۡضِۗ أَءِلَٰهٞ مَّعَ ٱللَّهِۚ قُلۡ هَاتُواْ بُرۡهَٰنَكُمۡ إِن كُنتُمۡ صَٰدِقِينَ 64

Is Hij niet (beter dan jullie zogenaamde goden) Die de schepping is begonnen en het daarna herhaald heeft, en Die jullie voorziet van wat in de hemel en op aarde is? Is er een god naast Allah? Zeg: “Geef jullie bewijzen als jullie waarachtig zijn.”

قُل لَّا يَعۡلَمُ مَن فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِ ٱلۡغَيۡبَ إِلَّا ٱللَّهُۚ وَمَا يَشۡعُرُونَ أَيَّانَ يُبۡعَثُونَ 65

Zeg: “Niemand in de hemelen en op de aarde kent het onzichtbare behalve Allah, noch kunnen zij voorzien wanneer zij zullen herrijzen.”

بَلِ ٱدَّـٰرَكَ عِلۡمُهُمۡ فِي ٱلۡأٓخِرَةِۚ بَلۡ هُمۡ فِي شَكّٖ مِّنۡهَاۖ بَلۡ هُم مِّنۡهَا عَمُونَ 66

Nee, zij hebben geen kennis van het Hiernamaals. Nee, zij twijfelen daarover. Nee, zij zijn daar zelfs blind voor.

وَقَالَ ٱلَّذِينَ كَفَرُوٓاْ أَءِذَا كُنَّا تُرَٰبٗا وَءَابَآؤُنَآ أَئِنَّا لَمُخۡرَجُونَ 67

En degenen die niet geloven zeggen: “Als wij stof zijn geworden, wij en onze vaders, worden wij dan zeker opgewekt?

لَقَدۡ وُعِدۡنَا هَٰذَا نَحۡنُ وَءَابَآؤُنَا مِن قَبۡلُ إِنۡ هَٰذَآ إِلَّآ أَسَٰطِيرُ ٱلۡأَوَّلِينَ 68

Voorwaar, dit is ons en onze voorvaders vroeger beloofd. Waarlijk, dit zijn niets dan de verhalen van de vroegeren.”

قُلۡ سِيرُواْ فِي ٱلۡأَرۡضِ فَٱنظُرُواْ كَيۡفَ كَانَ عَٰقِبَةُ ٱلۡمُجۡرِمِينَ 69

Zeg (O Mohammed) tegen hen: “Reis over het land en zie hoe het einde van de misdadigers was.”

وَلَا تَحۡزَنۡ عَلَيۡهِمۡ وَلَا تَكُن فِي ضَيۡقٖ مِّمَّا يَمۡكُرُونَ 70

En wees niet bedroefd om hen, en wees ook niet bezorgd vanwege wat zij samenzweren.

وَيَقُولُونَ مَتَىٰ هَٰذَا ٱلۡوَعۡدُ إِن كُنتُمۡ صَٰدِقِينَ 71

En zij zeggen: “Wanneer (zal) deze belofte (vervuld worden), als jij waarachtig bent?”

قُلۡ عَسَىٰٓ أَن يَكُونَ رَدِفَ لَكُم بَعۡضُ ٱلَّذِي تَسۡتَعۡجِلُونَ 72

Zeg: “Misschien is dat wat jullie wensen te bespoedigen, bijna bij jullie zijn.”

وَإِنَّ رَبَّكَ لَذُو فَضۡلٍ عَلَى ٱلنَّاسِ وَلَٰكِنَّ أَكۡثَرَهُمۡ لَا يَشۡكُرُونَ 73

Waarlijk, jullie Heer is vol gunsten voor de mensheid, maar de meesten van hen danken Hem niet.

وَإِنَّ رَبَّكَ لَيَعۡلَمُ مَا تُكِنُّ صُدُورُهُمۡ وَمَا يُعۡلِنُونَ 74

En waarlijk, jullie Heer kent wat in hun harten verborgen is en wat zij openbaar maken.

وَمَا مِنۡ غَآئِبَةٖ فِي ٱلسَّمَآءِ وَٱلۡأَرۡضِ إِلَّا فِي كِتَٰبٖ مُّبِينٍ 75

En er is niets in de hemelen of op aarde verborgen, of het staat in een duidelijk Boek.

إِنَّ هَٰذَا ٱلۡقُرۡءَانَ يَقُصُّ عَلَىٰ بَنِيٓ إِسۡرَـٰٓءِيلَ أَكۡثَرَ ٱلَّذِي هُمۡ فِيهِ يَخۡتَلِفُونَ 76

Waarlijk, deze Koran vertelt aan de Kinderen van Israël waarover zij van mening verschillen.

وَإِنَّهُۥ لَهُدٗى وَرَحۡمَةٞ لِّلۡمُؤۡمِنِينَ 77

En waarlijk, het is een Leiding en een Genade voor de gelovigen.

إِنَّ رَبَّكَ يَقۡضِي بَيۡنَهُم بِحُكۡمِهِۦۚ وَهُوَ ٱلۡعَزِيزُ ٱلۡعَلِيمُ 78

Waarlijk, jouw Heer zal tussen hen beslissen aan de hand van Zijn Oordeel. En Hij is de Almachtige, de Alwetende.

فَتَوَكَّلۡ عَلَى ٱللَّهِۖ إِنَّكَ عَلَى ٱلۡحَقِّ ٱلۡمُبِينِ 79

Leg je vertrouwen in Allah; zeker, jij (O Mohammed) bent op (het Pad van) de duidelijke Waarheid.

إِنَّكَ لَا تُسۡمِعُ ٱلۡمَوۡتَىٰ وَلَا تُسۡمِعُ ٱلصُّمَّ ٱلدُّعَآءَ إِذَا وَلَّوۡاْ مُدۡبِرِينَ 80

Waarlijk, je kunt de doden niet laten horen noch kan je de doven de oproep laten horen, als zij hun rug toekeren.

وَمَآ أَنتَ بِهَٰدِي ٱلۡعُمۡيِ عَن ضَلَٰلَتِهِمۡۖ إِن تُسۡمِعُ إِلَّا مَن يُؤۡمِنُ بِـَٔايَٰتِنَا فَهُم مُّسۡلِمُونَ 81

Noch kan je de blinden uit hun zonden leiden, je kunt alleen degenen doen luisteren die in Onze Tekenen geloven, en degenen die zich onderworpen hebben.

۞وَإِذَا وَقَعَ ٱلۡقَوۡلُ عَلَيۡهِمۡ أَخۡرَجۡنَا لَهُمۡ دَآبَّةٗ مِّنَ ٱلۡأَرۡضِ تُكَلِّمُهُمۡ أَنَّ ٱلنَّاسَ كَانُواْ بِـَٔايَٰتِنَا لَا يُوقِنُونَ 82

En als het woord voor hen bewaarheid wordt, zullen Wij uit de aarde een beest voortbrengen dat tegen hen zal spreken want de" mensheid geloofde niet met zekerheid in Onze Tekenen.

وَيَوۡمَ نَحۡشُرُ مِن كُلِّ أُمَّةٖ فَوۡجٗا مِّمَّن يُكَذِّبُ بِـَٔايَٰتِنَا فَهُمۡ يُوزَعُونَ 83

En (gedenk) op die Dag zullen Wij uit iedere gemeenschap een groep verzamelen van hen die onze Tekenen loochenden. Zij worden dan in rijen opgesteld.

حَتَّىٰٓ إِذَا جَآءُو قَالَ أَكَذَّبۡتُم بِـَٔايَٰتِي وَلَمۡ تُحِيطُواْ بِهَا عِلۡمًا أَمَّاذَا كُنتُمۡ تَعۡمَلُونَ 84

Totdat, wanneer zij aangekomen zijn Hij zal zeggen: “Hebben jullie Mijn Tekenen ontkend die jullie niet met kennis begrepen of wat wilden jullie (anders) doen?”

وَوَقَعَ ٱلۡقَوۡلُ عَلَيۡهِم بِمَا ظَلَمُواْ فَهُمۡ لَا يَنطِقُونَ 85

En het woord zal tegen hen vervuld worden, vanwege hetgeen zij verkeerd deden, en zij zullen niet in staat zijn te spreken.

أَلَمۡ يَرَوۡاْ أَنَّا جَعَلۡنَا ٱلَّيۡلَ لِيَسۡكُنُواْ فِيهِ وَٱلنَّهَارَ مُبۡصِرًاۚ إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَأٓيَٰتٖ لِّقَوۡمٖ يُؤۡمِنُونَ 86

Zien zij dan niet dat Wij de nacht hebben gemaakt om te rusten en de dag om licht te geven? Waarlijk, hierin zijn Tekenen voor de mensen die geloven.

وَيَوۡمَ يُنفَخُ فِي ٱلصُّورِ فَفَزِعَ مَن فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَمَن فِي ٱلۡأَرۡضِ إِلَّا مَن شَآءَ ٱللَّهُۚ وَكُلٌّ أَتَوۡهُ دَٰخِرِينَ 87

En (gedenk) de Dag waarop de trompet geblazen zal worden: wie er dan in de hemelen en op de aarde zijn zullen geschokt zijn behalve degene die Allah (wil uitzonderen). En allen zullen nederig tot Hem komen.

وَتَرَى ٱلۡجِبَالَ تَحۡسَبُهَا جَامِدَةٗ وَهِيَ تَمُرُّ مَرَّ ٱلسَّحَابِۚ صُنۡعَ ٱللَّهِ ٱلَّذِيٓ أَتۡقَنَ كُلَّ شَيۡءٍۚ إِنَّهُۥ خَبِيرُۢ بِمَا تَفۡعَلُونَ 88

En jij zal de bergen zien en denken dat zij vaststaan, maar zij zullen voorbijgaan zoals wolken. Het werk van Allah, Die alle zaken nauwkeurig geregeld heeft, waarlijk! Hij is welbekend met wat jullie doen.

مَن جَآءَ بِٱلۡحَسَنَةِ فَلَهُۥ خَيۡرٞ مِّنۡهَا وَهُم مِّن فَزَعٖ يَوۡمَئِذٍ ءَامِنُونَ 89

Iedereen die een goede daad meebrengt zal beter dan dat krijgen, en zij zullen op die Dag veilig zijn voor angst.

وَمَن جَآءَ بِٱلسَّيِّئَةِ فَكُبَّتۡ وُجُوهُهُمۡ فِي ٱلنَّارِ هَلۡ تُجۡزَوۡنَ إِلَّا مَا كُنتُمۡ تَعۡمَلُونَ 90

En iedereen die een kwade (daad) meebrengt zal op zijn gezicht in het Vuur geworpen worden. (En er zal tegen hen gezegd worden:) “Jij wordt slechts beloond voor hetgeen je hebt gedaan.”

إِنَّمَآ أُمِرۡتُ أَنۡ أَعۡبُدَ رَبَّ هَٰذِهِ ٱلۡبَلۡدَةِ ٱلَّذِي حَرَّمَهَا وَلَهُۥ كُلُّ شَيۡءٖۖ وَأُمِرۡتُ أَنۡ أَكُونَ مِنَ ٱلۡمُسۡلِمِينَ 91

Zeg (O Mohammed): “Het is mij bevolen slechts de Heer van deze stad (Mekka) te aanbidden, die Hij wijdde. En aan Hem behoren alle zaken, en het is mij bevolen om tot de moslims te behoren.

وَأَنۡ أَتۡلُوَاْ ٱلۡقُرۡءَانَۖ فَمَنِ ٱهۡتَدَىٰ فَإِنَّمَا يَهۡتَدِي لِنَفۡسِهِۦۖ وَمَن ضَلَّ فَقُلۡ إِنَّمَآ أَنَا۠ مِنَ ٱلۡمُنذِرِينَ 92

En om de Koran te reciteren. Hij die dan Leiding volgt, volgt die slechts voor zichzelf. En wie dan dwaalt, zeg: “Ik ben slechts één "van de Boodschappers.”

وَقُلِ ٱلۡحَمۡدُ لِلَّهِ سَيُرِيكُمۡ ءَايَٰتِهِۦ فَتَعۡرِفُونَهَاۚ وَمَا رَبُّكَ بِغَٰفِلٍ عَمَّا تَعۡمَلُونَ 93

En zeg: “Alle lofprijzing en dank is aan Allah. Hij zal jullie Zijn tekenen laten zien, en jullie zullen het herkennen. En jullie Heer is niet onachtzaam omtrent wat jullie doen.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Close