Soera 26 – Ash-Shu-ara – De Dichters – الشّعراء

bismillah ir rahman ir rahim

طسم 1

Taa-Sien-Miem.

تِلْكَ آيَاتُ الْكِتَابِ الْمُبِينِ 2

Dit zijn de Verzen van het duidelijke Boek.

لَعَلَّكَ بَاخِعٌ نَّفْسَكَ أَلَّا يَكُونُوا مُؤْمِنِينَ 3

Wellicht zul jij (o Mohammed) jezelf (door verdriet) vernietigen, omdat zij geen gelovigen zijn.

إِن نَّشَأْ نُنَزِّلْ عَلَيْهِم مِّنَ السَّمَاءِ آيَةً فَظَلَّتْ أَعْنَاقُهُمْ لَهَا خَاضِعِينَ 4

Als Wij zouden willen, dan hadden Wij een teken uit de hemel op hen neergezonden, waarvoor hun nekken in staat van nederigheid zouden blijven (d.w.z. een teken waar zij direct in zouden geloven).

وَمَا يَأْتِيهِم مِّن ذِكْرٍ مِّنَ الرَّحْمَٰنِ مُحْدَثٍ إِلَّا كَانُوا عَنْهُ مُعْرِضِينَ 5

En er is geen Vermaning van de Meest Barmhartige als een Openbaring tot hen gekomen, of zij hebben zich ervan afgewend.

فَقَدْ كَذَّبُوا فَسَيَأْتِيهِمْ أَنبَاءُ مَا كَانُوا بِهِ يَسْتَهْزِئُونَ 6

En voorzeker, zij verloochenden (de Koran), maar de berichten waarmee zij spotten zullen hen bereiken.

أَوَلَمْ يَرَوْا إِلَى الْأَرْضِ كَمْ أَنبَتْنَا فِيهَا مِن كُلِّ زَوْجٍ كَرِيمٍ 7

Hebben zij de aarde dan niet gezien, (en) hoeveel van allerlei goede soorten (gewassen) Wij daarop (d.w.z. op de aarde) hebben laten groeien?

إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَةً ۖ وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُم مُّؤْمِنِينَ 8

Voorwaar, daarin bevindt zich zeker een teken, maar de meesten van hen waren geen gelovigen.

وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ الْعَزِيزُ الرَّحِيمُ 9

En voorwaar, jouw Heer, Hij is zeker de Almachtige, de Meest Genadevolle.

وَإِذْ نَادَىٰ رَبُّكَ مُوسَىٰ أَنِ ائْتِ الْقَوْمَ الظَّالِمِينَ 10

En (gedenk) toen jouw Heer Moesa riep (zeggende): “Ga naar het onrechtvaardige volk.

قَوْمَ فِرْعَوْنَ ۚ أَلَا يَتَّقُونَ 11

Het volk van de farao, zullen zij (Allah) dan niet vrezen?”

قَالَ رَبِّ إِنِّي أَخَافُ أَن يُكَذِّبُونِ 12

Hij (Moesa) zei: “O mijn Heer, waarlijk, ik vrees dat zij mij zullen verloochenen.

وَيَضِيقُ صَدْرِي وَلَا يَنطَلِقُ لِسَانِي فَأَرْسِلْ إِلَىٰ هَارُونَ 13

En (dat) mijn borst vernauwd raakt en (dat) mijn tong niet (duidelijk) zal spreken. Stuur daarom (iemand) naar Haaroen (zodat hij mij kan vergezellen).

وَلَهُمْ عَلَيَّ ذَنبٌ فَأَخَافُ أَن يَقْتُلُونِ 14

En zij houden mij verantwoordelijk voor een misdaad. En ik vrees dat zij mij zullen doden.”

قَالَ كَلَّا ۖ فَاذْهَبَا بِآيَاتِنَا ۖ إِنَّا مَعَكُم مُّسْتَمِعُونَ 15

Hij (Allah) zei: “Nee! Dus ga beiden (naar hen toe) met Onze Tekenen. Voorwaar, Wij luisteren met jullie mee (naar alles wat zij zeggen).

فَأْتِيَا فِرْعَوْنَ فَقُولَا إِنَّا رَسُولُ رَبِّ الْعَالَمِينَ 16

Ga dus beiden naar de farao, (en) zeg dan: “Voorwaar, wij zijn de Boodschappers van de Heer van de werelden.

أَنْ أَرْسِلْ مَعَنَا بَنِي إِسْرَائِيلَ 17

Stuur (daarom) de kinderen van Israël met ons mee.””

قَالَ أَلَمْ نُرَبِّكَ فِينَا وَلِيدًا وَلَبِثْتَ فِينَا مِنْ عُمُرِكَ سِنِينَ 18

Hij (de farao) zei (tegen Moesa): “Hebben wij jou niet als kind te midden van ons grootgebracht? En jij verbleef (vele) jaren van jouw leven onder ons.

وَفَعَلْتَ فَعْلَتَكَ الَّتِي فَعَلْتَ وَأَنتَ مِنَ الْكَافِرِينَ 19

En jij verrichtte jouw (slechte) daad, die jij verrichtte (d.w.z. het doden van een onschuldige man) en jij was één van de ondankbaren (jegens ons).”

قَالَ فَعَلْتُهَا إِذًا وَأَنَا مِنَ الضَّالِّينَ 20

Hij (Moesa) zei: “Ik heb het toen (inderdaad) gedaan terwijl ik behoorde tot de dwalenden (d.w.z. terwijl ik onwetend was over mijn Heer en Zijn Boodschap).

فَفَرَرْتُ مِنكُمْ لَمَّا خِفْتُكُمْ فَوَهَبَ لِي رَبِّي حُكْمًا وَجَعَلَنِي مِنَ الْمُرْسَلِينَ 21

Vervolgens sloeg ik op de vlucht voor jullie, toen ik jullie vreesde. Maar mijn Heer heeft mij Wijsheid geschonken en Hij maakte mij tot (één van) de Boodschappers.

وَتِلْكَ نِعْمَةٌ تَمُنُّهَا عَلَيَّ أَنْ عَبَّدتَّ بَنِي إِسْرَائِيلَ 22

En dit was de gunst die jij mij schonk, dat jij de kinderen van Israël tot slaven hebt gemaakt (en mij niet).”

قَالَ فِرْعَوْنُ وَمَا رَبُّ الْعَالَمِينَ 23

De farao zei: “En wie is de Heer van de werelden?”

قَالَ رَبُّ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ وَمَا بَيْنَهُمَا ۖ إِن كُنتُم مُّوقِنِينَ 24

Hij (Moesa) zei: “De Heer van de hemelen en de aarde en datgene wat zich daartussen bevindt, indien jullie overtuigd zijn.”

قَالَ لِمَنْ حَوْلَهُ أَلَا تَسْتَمِعُونَ 25

Hij (de farao) zei tegen degenen om hem heen: “Luisteren jullie (dan) niet (naar het waanzinnige dat hij zegt)?”

قَالَ رَبُّكُمْ وَرَبُّ آبَائِكُمُ الْأَوَّلِينَ 26

Hij (Moesa) zei: “Jullie Heer, en de Heer van jullie vroegere voorvaderen.”

قَالَ إِنَّ رَسُولَكُمُ الَّذِي أُرْسِلَ إِلَيْكُمْ لَمَجْنُونٌ 27

Hij (de farao) zei: “Waarlijk, jullie Boodschapper die naar jullie is gestuurd, is zeker een bezetene.”

قَالَ رَبُّ الْمَشْرِقِ وَالْمَغْرِبِ وَمَا بَيْنَهُمَا ۖ إِن كُنتُمْ تَعْقِلُونَ 28

Hij (Moesa) zei: “De Heer van het oosten en het westen en datgene wat zich daartussen bevindt, indien jullie nadenken.”

قَالَ لَئِنِ اتَّخَذْتَ إِلَٰهًا غَيْرِي لَأَجْعَلَنَّكَ مِنَ الْمَسْجُونِينَ 29

Hij (de farao) zei: “Als jij een andere god dan mij neemt, dan zal ik jou zeker tot de gevangenen laten behoren.”

قَالَ أَوَلَوْ جِئْتُكَ بِشَيْءٍ مُّبِينٍ 30

Hij (Moesa) zei: “Zelfs als ik met een duidelijk iets bij jou kom?”

قَالَ فَأْتِ بِهِ إِن كُنتَ مِنَ الصَّادِقِينَ 31

Hij (de farao) zei: “Kom er dan mee, als jij tot de waarachtigen behoort.”

فَأَلْقَىٰ عَصَاهُ فَإِذَا هِيَ ثُعْبَانٌ مُّبِينٌ 32

Toen wierp hij (d.w.z. Moesa) zijn staf, waarna deze een duidelijke slang werd.

وَنَزَعَ يَدَهُ فَإِذَا هِيَ بَيْضَاءُ لِلنَّاظِرِينَ 33

En hij haalde zijn hand tevoorschijn, waarna deze wit werd voor de toeschouwers.

قَالَ لِلْمَلَإِ حَوْلَهُ إِنَّ هَٰذَا لَسَاحِرٌ عَلِيمٌ 34

Hij (de farao) zei tegen de vooraanstaanden om hem heen: “Voorwaar, dit is zeker een bedreven tovenaar.

يُرِيدُ أَن يُخْرِجَكُم مِّنْ أَرْضِكُم بِسِحْرِهِ فَمَاذَا تَأْمُرُونَ 35

Hij wil jullie uit jullie land verdrijven met zijn tovenarij. Wat bevelen jullie (mij) aan?”

قَالُوا أَرْجِهْ وَأَخَاهُ وَابْعَثْ فِي الْمَدَائِنِ حَاشِرِينَ 36

Zij zeiden: “Geef hem en zijn broer uitstel, en stuur de mensen naar de steden om (de tovenaars) te verzamelen.

يَأْتُوكَ بِكُلِّ سَحَّارٍ عَلِيمٍ 37

Zodat zij alle bedreven tovenaars naar jou toe zullen brengen.”

فَجُمِعَ السَّحَرَةُ لِمِيقَاتِ يَوْمٍ مَّعْلُومٍ 38

Toen verzamelden de tovenaars zich op een afgesproken tijdstip, op een bekende dag.

وَقِيلَ لِلنَّاسِ هَلْ أَنتُم مُّجْتَمِعُونَ 39

En er werd tegen de mensen gezegd: “Zullen jullie je verzamelen?

لَعَلَّنَا نَتَّبِعُ السَّحَرَةَ إِن كَانُوا هُمُ الْغَالِبِينَ 40

Opdat wij de tovenaars zullen volgen, als zij de overwinnaars zijn.”

فَلَمَّا جَاءَ السَّحَرَةُ قَالُوا لِفِرْعَوْنَ أَئِنَّ لَنَا لَأَجْرًا إِن كُنَّا نَحْنُ الْغَالِبِينَ 41

Toen de tovenaars kwamen, zeiden zij tegen de farao: “Zal er zeker een beloning voor ons zijn, als wij de overwinnaars zijn?”

قَالَ نَعَمْ وَإِنَّكُمْ إِذًا لَّمِنَ الْمُقَرَّبِينَ 42

Hij zei: “Ja, en waarlijk, jullie zullen dan zeker tot de nabijen behoren.”

قَالَ لَهُم مُّوسَىٰ أَلْقُوا مَا أَنتُم مُّلْقُونَ 43

Moesa zei tegen hen: “Werp datgene wat jullie willen werpen.”

فَأَلْقَوْا حِبَالَهُمْ وَعِصِيَّهُمْ وَقَالُوا بِعِزَّةِ فِرْعَوْنَ إِنَّا لَنَحْنُ الْغَالِبُونَ 44

Toen wierpen zij hun touwen en hun stokken en zeiden: “Bij de cIzzah van de farao, waarlijk, wij zullen zeker de overwinnaars zijn.”

فَأَلْقَىٰ مُوسَىٰ عَصَاهُ فَإِذَا هِيَ تَلْقَفُ مَا يَأْفِكُونَ 45

Toen wierp Moesa zijn staf, waarna deze alles opslokte wat zij aan leugens (d.w.z. aan tovenarij) hadden gemaakt.

فَأُلْقِيَ السَّحَرَةُ سَاجِدِينَ 46

En de tovenaars wierpen zich ter aarde.

قَالُوا آمَنَّا بِرَبِّ الْعَالَمِينَ 47

Zij zeiden: “Wij geloven in de Heer van de werelden.

رَبِّ مُوسَىٰ وَهَارُونَ 48

De Heer van Moesa en Haaroen.”

قَالَ آمَنتُمْ لَهُ قَبْلَ أَنْ آذَنَ لَكُمْ ۖ إِنَّهُ لَكَبِيرُكُمُ الَّذِي عَلَّمَكُمُ السِّحْرَ فَلَسَوْفَ تَعْلَمُونَ ۚ لَأُقَطِّعَنَّ أَيْدِيَكُمْ وَأَرْجُلَكُم مِّنْ خِلَافٍ وَلَأُصَلِّبَنَّكُمْ أَجْمَعِينَ 49

Hij (de farao) zei: “Hebben jullie in hem geloofd, voordat ik jullie daarvoor toestemming heb gegeven? Voorwaar, hij is zeker jullie grote (leider), die jullie tovenarij heeft onderwezen. Jullie zullen het zeker spoedig weten. Ik zal zeker jullie handen en voeten aan weerszijden afhakken en ik zal jullie zeker allen kruisigen.”

قَالُوا لَا ضَيْرَ ۖ إِنَّا إِلَىٰ رَبِّنَا مُنقَلِبُونَ 50

Zij zeiden: “Geen kwaad, waarlijk, wij keren terug naar onze Heer.

إِنَّا نَطْمَعُ أَن يَغْفِرَ لَنَا رَبُّنَا خَطَايَانَا أَن كُنَّا أَوَّلَ الْمُؤْمِنِينَ 51

Voorwaar, wij verlangen dat onze Heer ons onze fouten vergeeft, omdat wij de eerste van de gelovigen waren.”

وَأَوْحَيْنَا إِلَىٰ مُوسَىٰ أَنْ أَسْرِ بِعِبَادِي إِنَّكُم مُّتَّبَعُونَ 52

En Wij openbaarden aan Moesa: “Reis (’s nachts) met Mijn dienaren, waarlijk, jullie zullen gevolgd worden.”

فَأَرْسَلَ فِرْعَوْنُ فِي الْمَدَائِنِ حَاشِرِينَ 53

Toen stuurde de farao (zijn mensen) naar de steden om (het leger) te verzamelen.

إِنَّ هَٰؤُلَاءِ لَشِرْذِمَةٌ قَلِيلُونَ 54

(Zeggende:) “Voorwaar, dit is zeker maar een kleine (en zwakke) groep.

وَإِنَّهُمْ لَنَا لَغَائِظُونَ 55

En voorwaar, zij hebben ons zeker woedend gemaakt.

وَإِنَّا لَجَمِيعٌ حَاذِرُونَ 56

En voorwaar, wij zijn zeker allemaal voorbereid (op de strijd).”

فَأَخْرَجْنَاهُم مِّن جَنَّاتٍ وَعُيُونٍ 57

Dus verdreven Wij hen uit de tuinen en (water) bronnen.

وَكُنُوزٍ وَمَقَامٍ كَرِيمٍ 58

En schatten en een edele plaats.

كَذَٰلِكَ وَأَوْرَثْنَاهَا بَنِي إِسْرَائِيلَ 59

En zo lieten Wij de kinderen van Israël het erven.

فَأَتْبَعُوهُم مُّشْرِقِينَ 60

Dus volgden zij hen bij zonsopgang.

فَلَمَّا تَرَاءَى الْجَمْعَانِ قَالَ أَصْحَابُ مُوسَىٰ إِنَّا لَمُدْرَكُونَ 61

Toen de twee groepen elkaar zagen, zeiden de mensen van Moesa: “Voorwaar, wij zullen zeker ingehaald worden.”

قَالَ كَلَّا ۖ إِنَّ مَعِيَ رَبِّي سَيَهْدِينِ 62

Hij (Moesa) zei: “Nee! Waarlijk, mijn Heer is met mij. Hij zal mij leiden.”

فَأَوْحَيْنَا إِلَىٰ مُوسَىٰ أَنِ اضْرِب بِّعَصَاكَ الْبَحْرَ ۖ فَانفَلَقَ فَكَانَ كُلُّ فِرْقٍ كَالطَّوْدِ الْعَظِيمِ 63

Toen openbaarden Wij aan Moesa: “Sla de zee met jouw staf.” En het (d.w.z. de zee) spleet. En elk deel (van het zeewater) werd als een geweldige berg.

وَأَزْلَفْنَا ثَمَّ الْآخَرِينَ 64

En vervolgens brachten Wij de anderen (d.w.z. de farao en zijn volgelingen) nabij.

وَأَنجَيْنَا مُوسَىٰ وَمَن مَّعَهُ أَجْمَعِينَ 65

En Wij redden Moesa en al degenen (die) met hem (waren).

ثُمَّ أَغْرَقْنَا الْآخَرِينَ 66

Vervolgens verdronken Wij de anderen (d.w.z. de farao en zijn volgelingen).

إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَةً ۖ وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُم مُّؤْمِنِينَ 67

Voorwaar, daarin bevindt zich zeker een teken, en de meesten van hen waren geen gelovigen.

وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ الْعَزِيزُ الرَّحِيمُ 68

En voorwaar, jouw Heer, Hij is zeker de Almachtige, de Meest Genadevolle.

وَاتْلُ عَلَيْهِمْ نَبَأَ إِبْرَاهِيمَ 69

En draag aan hen het verhaal van Ibraahiem voor.

إِذْ قَالَ لِأَبِيهِ وَقَوْمِهِ مَا تَعْبُدُونَ 70

Toen hij tegen zijn vader en zijn volk zei: “Wat aanbidden jullie?”

قَالُوا نَعْبُدُ أَصْنَامًا فَنَظَلُّ لَهَا عَاكِفِينَ 71

Zij zeiden: “Wij aanbidden afgodsbeelden en wij zullen aan hen toegewijd blijven.”

قَالَ هَلْ يَسْمَعُونَكُمْ إِذْ تَدْعُونَ 72

Hij zei: “Horen zij jullie wanneer jullie hen aanroepen?

أَوْ يَنفَعُونَكُمْ أَوْ يَضُرُّونَ 73

Of baten zij jullie of schaden zij (jullie)?”

قَالُوا بَلْ وَجَدْنَا آبَاءَنَا كَذَٰلِكَ يَفْعَلُونَ 74

Zij zeiden: “Nee! (Maar) wij troffen onze voorvaderen aan die het op deze wijze deden.”

قَالَ أَفَرَأَيْتُم مَّا كُنتُمْ تَعْبُدُونَ 75

Hij zei: “Hebben jullie gezien wat jullie aanbaden?

أَنتُمْ وَآبَاؤُكُمُ الْأَقْدَمُونَ 76

Jullie en jullie vroegere voorvaderen?

فَإِنَّهُمْ عَدُوٌّ لِّي إِلَّا رَبَّ الْعَالَمِينَ 77

Waarlijk, zij zijn vijanden van mij, behalve de Heer van de werelden.

الَّذِي خَلَقَنِي فَهُوَ يَهْدِينِ 78

Degene Die mij heeft geschapen en Hij is Degene Die mij leidt.

وَالَّذِي هُوَ يُطْعِمُنِي وَيَسْقِينِ 79

En Degene Die mij voedt en mij te drinken geeft.

وَإِذَا مَرِضْتُ فَهُوَ يَشْفِينِ 80

En wanneer ik ziek word, dan is Hij Degene Die mij geneest.

وَالَّذِي يُمِيتُنِي ثُمَّ يُحْيِينِ 81

En (Hij is) Degene Die mij doet sterven en mij vervolgens (opnieuw) tot leven brengt.

وَالَّذِي أَطْمَعُ أَن يَغْفِرَ لِي خَطِيئَتِي يَوْمَ الدِّينِ 82

En Degene van Wie ik verlang dat Hij mijn zonden vergeeft op de Dag van de Vergelding.

رَبِّ هَبْ لِي حُكْمًا وَأَلْحِقْنِي بِالصَّالِحِينَ 83

Mijn Heer, schenk mij wijsheid en verenig mij met de rechtschapenen.

وَاجْعَل لِّي لِسَانَ صِدْقٍ فِي الْآخِرِينَ 84

En maak voor mij een waarachtige tong (d.w.z. geef mij een goede reputatie) onder de latere (generaties).

وَاجْعَلْنِي مِن وَرَثَةِ جَنَّةِ النَّعِيمِ 85

En maak mij tot één van de erfgenamen van de Tuin van Genot.

وَاغْفِرْ لِأَبِي إِنَّهُ كَانَ مِنَ الضَّالِّينَ 86

En vergeef mijn vader, waarlijk, hij behoorde tot de dwalenden.

وَلَا تُخْزِنِي يَوْمَ يُبْعَثُونَ 87

En breng mij niet te schande op de Dag waarop zij opgewekt zullen worden.

يَوْمَ لَا يَنفَعُ مَالٌ وَلَا بَنُونَ 88

De Dag waarop bezit, noch kinderen kunnen baten.

إِلَّا مَنْ أَتَى اللَّهَ بِقَلْبٍ سَلِيمٍ 89

Behalve degene die bij Allah komt met een zuiver hart.”

وَأُزْلِفَتِ الْجَنَّةُ لِلْمُتَّقِينَ 90

En het Paradijs zal dichterbij gebracht worden voor de godsvruchtigen.

وَبُرِّزَتِ الْجَحِيمُ لِلْغَاوِينَ 91

En het Hellevuur zal in het (volledige) zicht van de dwalenden worden gebracht.

وَقِيلَ لَهُمْ أَيْنَ مَا كُنتُمْ تَعْبُدُونَ 92

En er wordt tegen hen gezegd: “Waar is datgene wat jullie aanbaden?

مِن دُونِ اللَّهِ هَلْ يَنصُرُونَكُمْ أَوْ يَنتَصِرُونَ 93

Naast Allah? Kunnen zij jullie helpen, of zichzelf helpen?”

فَكُبْكِبُوا فِيهَا هُمْ وَالْغَاوُونَ 94

Vervolgens zullen zij op hun gezichten daarin (d.w.z. in de Hel) worden geworpen, zij en de dwalenden.

وَجُنُودُ إِبْلِيسَ أَجْمَعُونَ 95

En de legers van Iblies (de satan) tezamen.

قَالُوا وَهُمْ فِيهَا يَخْتَصِمُونَ 96

Zij zullen zeggen, terwijl zij daarin aan het redetwisten zijn.

تَاللَّهِ إِن كُنَّا لَفِي ضَلَالٍ مُّبِينٍ 97

“Bij Allah! Wij verkeerden zeker in duidelijke dwaling.

إِذْ نُسَوِّيكُم بِرَبِّ الْعَالَمِينَ 98

Toen wij jullie (valse goden) gelijkstelden aan de Heer van de werelden.

وَمَا أَضَلَّنَا إِلَّا الْمُجْرِمُونَ 99

En niemand heeft ons doen afdwalen, behalve de misdadigers.

فَمَا لَنَا مِن شَافِعِينَ 100

En voor ons zijn er geen bemiddelaars.

وَلَا صَدِيقٍ حَمِيمٍ 101

En (is er) geen naaste vriend (om ons te helpen).

فَلَوْ أَنَّ لَنَا كَرَّةً فَنَكُونَ مِنَ الْمُؤْمِنِينَ 102

En als wij nog maar één kans zouden hebben om terug te keren (naar het wereldse leven), dan zouden wij tot de gelovigen behoren.”

إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَةً ۖ وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُم مُّؤْمِنِينَ 103

Voorwaar, daarin bevindt zich zeker een teken, maar de meesten van hen waren geen gelovigen.

وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ الْعَزِيزُ الرَّحِيمُ 104

En voorwaar, jouw Heer, Hij is zeker de Almachtige, de Meest Genadevolle.

كَذَّبَتْ قَوْمُ نُوحٍ الْمُرْسَلِينَ 105

Het volk van Noeh verloochende de Boodschappers.

إِذْ قَالَ لَهُمْ أَخُوهُمْ نُوحٌ أَلَا تَتَّقُونَ 106

Toen hun broeder Noeh tegen hen zei: “Zullen jullie (Allah) niet vrezen?

إِنِّي لَكُمْ رَسُولٌ أَمِينٌ 107

Voorwaar, ik ben voor jullie een betrouwbare Boodschapper.

فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطِيعُونِ 108

Vrees daarom Allah en gehoorzaam mij.

وَمَا أَسْأَلُكُمْ عَلَيْهِ مِنْ أَجْرٍ ۖ إِنْ أَجْرِيَ إِلَّا عَلَىٰ رَبِّ الْعَالَمِينَ 109

En ik vraag jullie hier geen beloning voor (d.w.z. voor het verkondigen van de Boodschap). Mijn beloning ligt slechts bij de Heer van de werelden.

فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطِيعُونِ 110

Vrees daarom Allah en gehoorzaam mij.”

قَالُوا أَنُؤْمِنُ لَكَ وَاتَّبَعَكَ الْأَرْذَلُونَ 111

Zij zeiden: “Moeten wij in jou geloven, terwijl de allerlaagste (mensen) jou volgden?”

قَالَ وَمَا عِلْمِي بِمَا كَانُوا يَعْمَلُونَ 112

Hij zei: “En wat voor kennis heb ik over dat wat zij deden?

إِنْ حِسَابُهُمْ إِلَّا عَلَىٰ رَبِّي ۖ لَوْ تَشْعُرُونَ 113

Hun verrekening is slechts bij mijn Heer, als jullie (dit) maar beseffen.

وَمَا أَنَا بِطَارِدِ الْمُؤْمِنِينَ 114

En ik zal de gelovigen niet wegjagen.

إِنْ أَنَا إِلَّا نَذِيرٌ مُّبِينٌ 115

Ik ben slechts een duidelijke waarschuwer.”

قَالُوا لَئِن لَّمْ تَنتَهِ يَا نُوحُ لَتَكُونَنَّ مِنَ الْمَرْجُومِينَ 116

Zij zeiden: “O Noeh, als jij niet ophoudt, dan behoor jij zeker tot degenen die gestenigd worden.”

قَالَ رَبِّ إِنَّ قَوْمِي كَذَّبُونِ 117

Hij zei: “O mijn Heer, waarlijk, mijn volk heeft mij verloochend.

فَافْتَحْ بَيْنِي وَبَيْنَهُمْ فَتْحًا وَنَجِّنِي وَمَن مَّعِيَ مِنَ الْمُؤْمِنِينَ 118

Vel daarom een oordeel tussen mij en hen. En red mij en degenen met mij onder de gelovigen.”

فَأَنجَيْنَاهُ وَمَن مَّعَهُ فِي الْفُلْكِ الْمَشْحُونِ 119

Toen redden Wij hem en degenen (die zich samen) met hem in de (zwaar) beladen Ark (bevonden).

ثُمَّ أَغْرَقْنَا بَعْدُ الْبَاقِينَ 120

Vervolgens lieten Wij daarna de achterblijvers verdrinken.

إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَةً ۖ وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُم مُّؤْمِنِينَ 121

Voorwaar, daarin bevindt zich zeker een teken, maar de meesten van hen waren geen gelovigen.

وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ الْعَزِيزُ الرَّحِيمُ 122

En voorwaar, jouw Heer, Hij is zeker de Almachtige, de Meest Genadevolle.

كَذَّبَتْ عَادٌ الْمُرْسَلِينَ 123

(Het volk van) cAad verloochende de Boodschappers.

إِذْ قَالَ لَهُمْ أَخُوهُمْ هُودٌ أَلَا تَتَّقُونَ 124

Toen hun broeder Hoed tegen hen zei: “Zullen jullie (Allah) niet vrezen?

إِنِّي لَكُمْ رَسُولٌ أَمِينٌ 125

Voorwaar, ik ben voor jullie een betrouwbare Boodschapper.

فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطِيعُونِ 126

Vrees daarom Allah en gehoorzaam mij.

وَمَا أَسْأَلُكُمْ عَلَيْهِ مِنْ أَجْرٍ ۖ إِنْ أَجْرِيَ إِلَّا عَلَىٰ رَبِّ الْعَالَمِينَ 127

En ik vraag jullie hier geen beloning voor (d.w.z. voor het verkondigen van de Boodschap). Mijn beloning ligt slechts bij de Heer van de werelden.

أَتَبْنُونَ بِكُلِّ رِيعٍ آيَةً تَعْبَثُونَ 128

Bouwen jullie op elke hoge plaats (opvallende) gebouwen, zonder enig doel?

وَتَتَّخِذُونَ مَصَانِعَ لَعَلَّكُمْ تَخْلُدُونَ 129

En nemen jullie (voor jezelf indrukwekkende) bouwwerken, zodat jullie (daarin) voor eeuwig zullen verblijven?

وَإِذَا بَطَشْتُم بَطَشْتُمْ جَبَّارِينَ 130

En wanneer jullie (iemand) grijpen, grijpen jullie als tirannen.

فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطِيعُونِ 131

Vrees daarom Allah en gehoorzaam mij.

وَاتَّقُوا الَّذِي أَمَدَّكُم بِمَا تَعْلَمُونَ 132

En vrees Degene Die jullie versterkte met dat (d.w.z. alle zaken) wat jullie weten.

أَمَدَّكُم بِأَنْعَامٍ وَبَنِينَ 133

Hij versterkte jullie met vee en kinderen.

وَجَنَّاتٍ وَعُيُونٍ 134

En tuinen en (water)bronnen.

إِنِّي أَخَافُ عَلَيْكُمْ عَذَابَ يَوْمٍ عَظِيمٍ 135

Voorwaar, ik vrees de Bestraffing van de geweldige Dag (d.w.z. van de Dag des Oordeels) voor jullie.”

قَالُوا سَوَاءٌ عَلَيْنَا أَوَعَظْتَ أَمْ لَمْ تَكُن مِّنَ الْوَاعِظِينَ 136

Zij zeiden: “Het is voor ons hetzelfde of jij (nu wel) vermaant, of niet tot de vermaners behoort.

إِنْ هَٰذَا إِلَّا خُلُقُ الْأَوَّلِينَ 137

Dit is slechts het gedrag (en de gewoonte) van de mensen van vroeger.

وَمَا نَحْنُ بِمُعَذَّبِينَ 138

En wij zullen niet worden bestraft.”

فَكَذَّبُوهُ فَأَهْلَكْنَاهُمْ ۗ إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَةً ۖ وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُم مُّؤْمِنِينَ 139

Toen verloochenden zij hem, waarna Wij hen vernietigden. Voorwaar, daarin bevindt zich zeker een teken, maar de meesten van hen waren geen gelovigen.

وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ الْعَزِيزُ الرَّحِيمُ 140

En voorwaar, jouw Heer, Hij is zeker de Almachtige, de Meest Genadevolle.

كَذَّبَتْ ثَمُودُ الْمُرْسَلِينَ 141

(Het volk van) Thamoed verloochende de Boodschappers.

إِذْ قَالَ لَهُمْ أَخُوهُمْ صَالِحٌ أَلَا تَتَّقُونَ 142

Toen hun broeder Saalih tegen hen zei: “Zullen jullie (Allah) niet vrezen?

إِنِّي لَكُمْ رَسُولٌ أَمِينٌ 143

Voorwaar, ik ben voor jullie een betrouwbare Boodschapper.

فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطِيعُونِ 144

Vrees daarom Allah en gehoorzaam mij.

وَمَا أَسْأَلُكُمْ عَلَيْهِ مِنْ أَجْرٍ ۖ إِنْ أَجْرِيَ إِلَّا عَلَىٰ رَبِّ الْعَالَمِينَ 145

En ik vraag jullie hier geen beloning voor (d.w.z. voor het verkondigen van de Boodschap). Mijn beloning ligt slechts bij de Heer van de werelden.

أَتُتْرَكُونَ فِي مَا هَاهُنَا آمِنِينَ 146

Worden jullie hierin (d.w.z. in deze wereld) met rust (en zonder enige vrees) gelaten?

فِي جَنَّاتٍ وَعُيُونٍ 147

(En) in tuinen en (water)bronnen.

وَزُرُوعٍ وَنَخْلٍ طَلْعُهَا هَضِيمٌ 148

En gewassen en dadelpalmen met (zacht) gerijpte kolven.

وَتَنْحِتُونَ مِنَ الْجِبَالِ بُيُوتًا فَارِهِينَ 149

En jullie houwen huizen uit de bergen met grote vaardigheid.

فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطِيعُونِ 150

Vrees daarom Allah en gehoorzaam mij.

وَلَا تُطِيعُوا أَمْرَ الْمُسْرِفِينَ 151

En gehoorzaam niet het bevel van de buitensporigen.

الَّذِينَ يُفْسِدُونَ فِي الْأَرْضِ وَلَا يُصْلِحُونَ 152

Degenen die verderf op aarde zaaien en geen goede daden verrichten.”

قَالُوا إِنَّمَا أَنتَ مِنَ الْمُسَحَّرِينَ 153

Zij zeiden: “Jij behoort slechts tot degenen die betoverd zijn.

مَا أَنتَ إِلَّا بَشَرٌ مِّثْلُنَا فَأْتِ بِآيَةٍ إِن كُنتَ مِنَ الصَّادِقِينَ 154

Jij bent slechts een mens net als wij. Kom dan met een teken als jij tot de waarachtigen behoort.”

قَالَ هَٰذِهِ نَاقَةٌ لَّهَا شِرْبٌ وَلَكُمْ شِرْبُ يَوْمٍ مَّعْلُومٍ 155

Hij zei: “Hier is een vrouwtjeskameel, die het recht heeft om (van dit water) te drinken en jullie hebben het recht om (hiervan) te drinken op een bepaalde dag.

وَلَا تَمَسُّوهَا بِسُوءٍ فَيَأْخُذَكُمْ عَذَابُ يَوْمٍ عَظِيمٍ 156

En doe haar geen kwaad, anders zullen jullie door de bestraffing van een geweldige dag worden getroffen.”

فَعَقَرُوهَا فَأَصْبَحُوا نَادِمِينَ 157

Toen slachtten zij haar en zij behoorden vervolgens tot degenen die spijt kregen.

فَأَخَذَهُمُ الْعَذَابُ ۗ إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَةً ۖ وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُم مُّؤْمِنِينَ 158

Toen werden zij getroffen door de bestraffing. Voorwaar, daarin bevindt zich zeker een teken, maar de meesten van hen waren geen gelovigen.

وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ الْعَزِيزُ الرَّحِيمُ 159

En voorwaar, jouw Heer, Hij is zeker de Almachtige, de Meest Genadevolle.

كَذَّبَتْ قَوْمُ لُوطٍ الْمُرْسَلِينَ 160

Het volk van Loet verloochende de Boodschappers.

إِذْ قَالَ لَهُمْ أَخُوهُمْ لُوطٌ أَلَا تَتَّقُونَ 161

Toen hun broeder Loet tegen hen zei: “Zullen jullie (Allah) niet vrezen?

إِنِّي لَكُمْ رَسُولٌ أَمِينٌ 162

Voorwaar, ik ben voor jullie een betrouwbare Boodschapper.

فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطِيعُونِ 163

Vrees daarom Allah en gehoorzaam mij.

وَمَا أَسْأَلُكُمْ عَلَيْهِ مِنْ أَجْرٍ ۖ إِنْ أَجْرِيَ إِلَّا عَلَىٰ رَبِّ الْعَالَمِينَ 164

En ik vraag jullie hier geen beloning voor (d.w.z. voor het verkondigen van de Boodschap). Mijn beloning ligt slechts bij de Heer van de werelden.

أَتَأْتُونَ الذُّكْرَانَ مِنَ الْعَالَمِينَ 165

Benaderen jullie de mannen van de werelden (voor het hebben van geslachtsgemeenschap)?

وَتَذَرُونَ مَا خَلَقَ لَكُمْ رَبُّكُم مِّنْ أَزْوَاجِكُم ۚ بَلْ أَنتُمْ قَوْمٌ عَادُونَ 166

En laten jullie wat jullie Heer voor jullie als echtgenotes geschapen heeft (links liggen)? Welnee! Jullie zijn een overtredend volk.”

قَالُوا لَئِن لَّمْ تَنتَهِ يَا لُوطُ لَتَكُونَنَّ مِنَ الْمُخْرَجِينَ 167

Zij zeiden: “Als jij niet ophoudt, o Loet, dan zul jij zeker tot degenen behoren die verdreven zullen worden.”

قَالَ إِنِّي لِعَمَلِكُم مِّنَ الْقَالِينَ 168

Hij zei: “Voorwaar, ik behoor tot degenen die jullie (slechte) daden (d.w.z. sodomie) verafschuwen.

رَبِّ نَجِّنِي وَأَهْلِي مِمَّا يَعْمَلُونَ 169

Mijn Heer, red mij en mijn familie van dat wat zij doen.”

فَنَجَّيْنَاهُ وَأَهْلَهُ أَجْمَعِينَ 170

Toen redden Wij hem en heel zijn familie.

إِلَّا عَجُوزًا فِي الْغَابِرِينَ 171

Behalve een oude vrouw (d.w.z. de vrouw van Loet), die behoorde tot de achterblijvers.

ثُمَّ دَمَّرْنَا الْآخَرِينَ 172

Vervolgens vernietigden Wij de anderen.

وَأَمْطَرْنَا عَلَيْهِم مَّطَرًا ۖ فَسَاءَ مَطَرُ الْمُنذَرِينَ 173

En Wij deden een regen (van stenen) op hen neerdalen. En de regen voor de gewaarschuwden was afgrijselijk.

إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَةً ۖ وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُم مُّؤْمِنِينَ 174

Voorwaar, daarin bevindt zich zeker een teken, maar de meesten van hen waren geen gelovigen.

وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ الْعَزِيزُ الرَّحِيمُ 175

En voorwaar, jouw Heer, Hij is zeker de Almachtige, de Meest Genadevolle.

كَذَّبَ أَصْحَابُ الْأَيْكَةِ الْمُرْسَلِينَ 176

En de mensen van al-Aykah verloochenden de Boodschappers.

إِذْ قَالَ لَهُمْ شُعَيْبٌ أَلَا تَتَّقُونَ 177

Toen Shoecayb tegen hen zei: “Zullen jullie (Allah) niet vrezen?

إِنِّي لَكُمْ رَسُولٌ أَمِينٌ 178

Voorwaar, ik ben voor jullie een betrouwbare Boodschapper.

فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطِيعُونِ 179

Vrees daarom Allah en gehoorzaam mij.

وَمَا أَسْأَلُكُمْ عَلَيْهِ مِنْ أَجْرٍ ۖ إِنْ أَجْرِيَ إِلَّا عَلَىٰ رَبِّ الْعَالَمِينَ 180

En ik vraag jullie hier geen beloning voor (d.w.z. voor het verkondigen van de Boodschap). Mijn beloning ligt slechts bij de Heer van de werelden.

أَوْفُوا الْكَيْلَ وَلَا تَكُونُوا مِنَ الْمُخْسِرِينَ 181

En geef de volle maat en behoor niet tot degenen die verminderen (waar iemand recht op heeft).

وَزِنُوا بِالْقِسْطَاسِ الْمُسْتَقِيمِ 182

En weeg met de betrouwbare weegschaal.

وَلَا تَبْخَسُوا النَّاسَ أَشْيَاءَهُمْ وَلَا تَعْثَوْا فِي الْأَرْضِ مُفْسِدِينَ 183

En benadeel de mensen niet in hun zaken en trek niet als verderfzaaiers rond op aarde.

وَاتَّقُوا الَّذِي خَلَقَكُمْ وَالْجِبِلَّةَ الْأَوَّلِينَ 184

En vrees Degene Die jullie en de eerdere schepselen heeft geschapen.”

قَالُوا إِنَّمَا أَنتَ مِنَ الْمُسَحَّرِينَ 185

Zij zeiden: “Jij behoort slechts tot degenen die betoverd zijn.

وَمَا أَنتَ إِلَّا بَشَرٌ مِّثْلُنَا وَإِن نَّظُنُّكَ لَمِنَ الْكَاذِبِينَ 186

En jij bent slechts een mens net als wij. En wij denken dat jij zeker tot de leugenaars behoort.

فَأَسْقِطْ عَلَيْنَا كِسَفًا مِّنَ السَّمَاءِ إِن كُنتَ مِنَ الصَّادِقِينَ 187

Laat dan stukken (van de bestraffing) uit de hemel op ons neervallen, als jij tot de waarachtigen behoort.”

قَالَ رَبِّي أَعْلَمُ بِمَا تَعْمَلُونَ 188

Hij zei: “Mijn Heer is Alwetend over wat jullie doen.”

فَكَذَّبُوهُ فَأَخَذَهُمْ عَذَابُ يَوْمِ الظُّلَّةِ ۚ إِنَّهُ كَانَ عَذَابَ يَوْمٍ عَظِيمٍ 189

Maar zij verloochenden hem. Dus werden zij op de dag van de schaduw (d.w.z. de dag met een donkere wolk) getroffen door een bestraffing. Voorwaar, dat was de bestraffing van een geweldige dag.

إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَةً ۖ وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُم مُّؤْمِنِينَ 190

Voorwaar, daarin bevindt zich zeker een teken, maar de meesten van hen waren geen gelovigen.

وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ الْعَزِيزُ الرَّحِيمُ 191

En voorwaar, jouw Heer, Hij is zeker de Almachtige, de Meest Genadevolle.

وَإِنَّهُ لَتَنزِيلُ رَبِّ الْعَالَمِينَ 192

En voorwaar, het (d.w.z. de Koran) is zeker een Neerzending van de Heer van de werelden.

نَزَلَ بِهِ الرُّوحُ الْأَمِينُ 193

Waarmee de betrouwbare Roeh (d.w.z. Gabriël) neerdaalde.

عَلَىٰ قَلْبِكَ لِتَكُونَ مِنَ الْمُنذِرِينَ 194

Op jouw hart (o Mohammed), opdat jij tot de waarschuwers zult behoren.

بِلِسَانٍ عَرَبِيٍّ مُّبِينٍ 195

(Deze Koran is neergezonden) in een duidelijke Arabische taal.

وَإِنَّهُ لَفِي زُبُرِ الْأَوَّلِينَ 196

En voorwaar, het (d.w.z. de Koran en de Openbaring hiervan aan de Profeet Mohammed) staat zeker (aangekondigd) in de Geschriften van de eerdere generaties.

أَوَلَمْ يَكُن لَّهُمْ آيَةً أَن يَعْلَمَهُ عُلَمَاءُ بَنِي إِسْرَائِيلَ 197

Is het niet een teken voor hen dat de geleerden van de kinderen van Israël het (d.w.z. de komst van Mohammed en zijn gemeenschap) kenden?

وَلَوْ نَزَّلْنَاهُ عَلَىٰ بَعْضِ الْأَعْجَمِينَ 198

En (zelfs) als Wij het (d.w.z. deze Koran) aan sommigen van de niet-Arabieren hadden neergezonden.

فَقَرَأَهُ عَلَيْهِم مَّا كَانُوا بِهِ مُؤْمِنِينَ 199

En hij het aan hen had voorgedragen, (dan) zouden zij er niet in hebben geloofd.

كَذَٰلِكَ سَلَكْنَاهُ فِي قُلُوبِ الْمُجْرِمِينَ 200

Zo laten Wij het (ongeloof) in de harten van de misdadigers doordringen.

لَا يُؤْمِنُونَ بِهِ حَتَّىٰ يَرَوُا الْعَذَابَ الْأَلِيمَ 201

Zij zullen er niet in geloven, totdat zij de pijnlijke Bestraffing zien.

فَيَأْتِيَهُم بَغْتَةً وَهُمْ لَا يَشْعُرُونَ 202

Het zal dan onverwachts tot hen komen, terwijl zij (dit) niet beseffen.

فَيَقُولُوا هَلْ نَحْنُ مُنظَرُونَ 203

Zij zullen dan zeggen: “Kan ons uitstel worden verleend?”

أَفَبِعَذَابِنَا يَسْتَعْجِلُونَ 204

Vragen zij dan om Onze Bestraffing (voor hen) te bespoedigen?

أَفَرَأَيْتَ إِن مَّتَّعْنَاهُمْ سِنِينَ 205

Vertel Mij dan, (wat voor baat zij er bij zouden hebben) als Wij hen jarenlang zouden laten genieten (in deze wereld)?

ثُمَّ جَاءَهُم مَّا كَانُوا يُوعَدُونَ 206

(En) daarna datgene wat hun (aan Bestraffing) is beloofd (alsnog) tot hen komt.

مَا أَغْنَىٰ عَنْهُم مَّا كَانُوا يُمَتَّعُونَ 207

Zij zullen (dan) geen profijt ondervinden van dat wat zij aan genietingen hadden.

وَمَا أَهْلَكْنَا مِن قَرْيَةٍ إِلَّا لَهَا مُنذِرُونَ 208

En Wij hebben geen stad vernietigd, of het had haar waarschuwers.

ذِكْرَىٰ وَمَا كُنَّا ظَالِمِينَ 209

(Als) een herinnering (voor hen). En Wij waren geen onrechtplegers.

وَمَا تَنَزَّلَتْ بِهِ الشَّيَاطِينُ 210

En de satans zijn er niet mee neergedaald (d.w.z. met de Koran).

وَمَا يَنبَغِي لَهُمْ وَمَا يَسْتَطِيعُونَ 211

En het is niet gepast voor hen en zij zijn daartoe niet in staat.

إِنَّهُمْ عَنِ السَّمْعِ لَمَعْزُولُونَ 212

Voorwaar, zij worden zeker afgehouden van het horen (ervan).

فَلَا تَدْعُ مَعَ اللَّهِ إِلَٰهًا آخَرَ فَتَكُونَ مِنَ الْمُعَذَّبِينَ 213

Roep dus geen andere god naast Allah aan, anders zul je behoren tot degenen die de Bestraffing zullen ondergaan.

وَأَنذِرْ عَشِيرَتَكَ الْأَقْرَبِينَ 214

En waarschuw jouw naaste verwanten (o Mohammed).

وَاخْفِضْ جَنَاحَكَ لِمَنِ اتَّبَعَكَ مِنَ الْمُؤْمِنِينَ 215

En verlaag jouw vleugels (d.w.z. wees zachtaardig) voor degenen die jou volgen onder de gelovigen.

فَإِنْ عَصَوْكَ فَقُلْ إِنِّي بَرِيءٌ مِّمَّا تَعْمَلُونَ 216

Maar als zij dan ongehoorzaam zijn aan jou, zeg dan: “Waarlijk, ik distantieer mij van dat wat jullie verrichten.”

وَتَوَكَّلْ عَلَى الْعَزِيزِ الرَّحِيمِ 217

En stel je vertrouwen in de Almachtige, de Meest Genadevolle.

الَّذِي يَرَاكَ حِينَ تَقُومُ 218

Degene Die jou ziet wanneer jij (op)staat (voor het nachtgebed).

وَتَقَلُّبَكَ فِي السَّاجِدِينَ 219

En jouw omwentelingen (ziet) onder de neerknielenden (d.w.z. jouw bewegingen in het gebed).

إِنَّهُ هُوَ السَّمِيعُ الْعَلِيمُ 220

Waarlijk, Hij is de Alhorende, de Alwetende.

هَلْ أُنَبِّئُكُمْ عَلَىٰ مَن تَنَزَّلُ الشَّيَاطِينُ 221

Zal Ik jullie berichten over (degene) op wie de satans neerdalen?

تَنَزَّلُ عَلَىٰ كُلِّ أَفَّاكٍ أَثِيمٍ 222

Zij dalen neer op elke leugenachtige zondaar.

يُلْقُونَ السَّمْعَ وَأَكْثَرُهُمْ كَاذِبُونَ 223

Zij (d.w.z. de satans) werpen wat zij hebben gehoord (aan gesprekken in de hemel naar hun helpers onder de mensen) en de meesten van hen zijn leugenaars.

وَالشُّعَرَاءُ يَتَّبِعُهُمُ الْغَاوُونَ 224

En de dichters worden gevolgd door de dwalenden.

أَلَمْ تَرَ أَنَّهُمْ فِي كُلِّ وَادٍ يَهِيمُونَ 225

Zie jij dan niet dat zij in iedere vallei ronddwalen (d.w.z. dat zij elk onderwerp aansnijden in hun gedichten en het niet schuwen om daarbij te liegen)?

وَأَنَّهُمْ يَقُولُونَ مَا لَا يَفْعَلُونَ 226

En dat zij zeggen wat zij niet doen.

إِلَّا الَّذِينَ آمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ وَذَكَرُوا اللَّهَ كَثِيرًا وَانتَصَرُوا مِن بَعْدِ مَا ظُلِمُوا ۗ وَسَيَعْلَمُ الَّذِينَ ظَلَمُوا أَيَّ مُنقَلَبٍ يَنقَلِبُونَ 227

Behalve degenen die geloven en goede daden verrichten, en Allah veelvuldig gedenken. En (zij) die (voor de Islam) opkomen (door de ongelovige dichters van repliek te dienen) nadat hun onrecht is aangedaan. En degenen die onrecht plegen, zullen weten naar welke (plaats van) Terugkeer zij zullen terugkeren.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Close