Soera 25 – Al-Furqan  – Het Reddend Onderscheidingsmiddel – الفرقان

bismillah ir rahman ir rahim

تَبَارَكَ الَّذِي نَزَّلَ الْفُرْقَانَ عَلَىٰ عَبْدِهِ لِيَكُونَ لِلْعَالَمِينَ نَذِيرًا 1

Gezegend zij Hij die het reddend onderscheidingsmiddel tot Zijn dienaar heeft neergezonden, opdat hij voor de wereldbewoners een waarschuwer zou zijn,

الَّذِي لَهُ مُلْكُ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ وَلَمْ يَتَّخِذْ وَلَدًا وَلَمْ يَكُن لَّهُ شَرِيكٌ فِي الْمُلْكِ وَخَلَقَ كُلَّ شَيْءٍ فَقَدَّرَهُ تَقْدِيرًا 2

Hij die de heerschappij over de hemelen en de aarde heeft, die zich geen kind genomen heeft, die geen metgezel in de heerschappij heeft en die alles geschapen en nauwkeurig geordend heeft.

وَاتَّخَذُوا مِن دُونِهِ آلِهَةً لَّا يَخْلُقُونَ شَيْئًا وَهُمْ يُخْلَقُونَ وَلَا يَمْلِكُونَ لِأَنفُسِهِمْ ضَرًّا وَلَا نَفْعًا وَلَا يَمْلِكُونَ مَوْتًا وَلَا حَيَاةً وَلَا نُشُورًا 3

Maar zij hebben zich in plaats van Hem goden genomen die zelf geschapen zijn, maar niets kunnen scheppen en die geen macht hebben om voor zichzelf tot nut of tot schade te zijn en die geen macht hebben over dood en leven, noch over herrijzenis.

وَقَالَ الَّذِينَ كَفَرُوا إِنْ هَٰذَا إِلَّا إِفْكٌ افْتَرَاهُ وَأَعَانَهُ عَلَيْهِ قَوْمٌ آخَرُونَ ۖ فَقَدْ جَاءُوا ظُلْمًا وَزُورًا 4

Zij die ongelovig zijn zeggen: "Dit is slechts laster die hij verzonnen heeft en waarbij andere mensen hem geholpen hebben." Zo begaan zij onrecht en onwaarheid.

وَقَالُوا أَسَاطِيرُ الْأَوَّلِينَ اكْتَتَبَهَا فَهِيَ تُمْلَىٰ عَلَيْهِ بُكْرَةً وَأَصِيلًا 5

En zij zeggen: "Fabels van hen die er eertijds waren die hij zich heeft laten opschrijven; zij worden hem \'s ochtends en \'s avonds gedicteerd.

قُلْ أَنزَلَهُ الَّذِي يَعْلَمُ السِّرَّ فِي السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ ۚ إِنَّهُ كَانَ غَفُورًا رَّحِيمًا 6

Zeg: "Hij die kent wat in de hemelen en op de aarde geheim is heeft het neergezonden; Hij is vergevend en barmhartig."

وَقَالُوا مَالِ هَٰذَا الرَّسُولِ يَأْكُلُ الطَّعَامَ وَيَمْشِي فِي الْأَسْوَاقِ ۙ لَوْلَا أُنزِلَ إِلَيْهِ مَلَكٌ فَيَكُونَ مَعَهُ نَذِيرًا 7

En zij zeggen: "Hoe komt het dat deze gezant voedsel eet en op de markten rondloopt? Had er dan niet een engel naar hem neergezonden kunnen worden om samen met hem een waarschuwer te zijn?

أَوْ يُلْقَىٰ إِلَيْهِ كَنزٌ أَوْ تَكُونُ لَهُ جَنَّةٌ يَأْكُلُ مِنْهَا ۚ وَقَالَ الظَّالِمُونَ إِن تَتَّبِعُونَ إِلَّا رَجُلًا مَّسْحُورًا 8

Of als er hem maar een schat toegeworpen was of als hij maar een tuin had gehad waarvan hij kon eten!" En de onrechtplegers zeggen: "Jullie volgen slechts een man die betoverd is."

انظُرْ كَيْفَ ضَرَبُوا لَكَ الْأَمْثَالَ فَضَلُّوا فَلَا يَسْتَطِيعُونَ سَبِيلًا 9

Kijk hoe zij voor jou vergelijkingen maken; zij dwalen en kunnen dus geen weg meer vinden.

تَبَارَكَ الَّذِي إِن شَاءَ جَعَلَ لَكَ خَيْرًا مِّن ذَٰلِكَ جَنَّاتٍ تَجْرِي مِن تَحْتِهَا الْأَنْهَارُ وَيَجْعَل لَّكَ قُصُورًا 10

Gezegend zij Hij die, als Hij het wil, aan jou iets beters dan dit kan geven: tuinen waar de rivieren onderdoor stromen en kastelen kan Hij jou geven.

بَلْ كَذَّبُوا بِالسَّاعَةِ ۖ وَأَعْتَدْنَا لِمَن كَذَّبَ بِالسَّاعَةِ سَعِيرًا 11

Ja zeker, zij loochenen het uur, maar Wij hebben voor hen die het uur loochenen een vuurgloed klaargemaakt.

إِذَا رَأَتْهُم مِّن مَّكَانٍ بَعِيدٍ سَمِعُوا لَهَا تَغَيُّظًا وَزَفِيرًا 12

Wanneer hij hen uit de verte te zien krijgt, horen zij al zijn gegrom en gesteun.

وَإِذَا أُلْقُوا مِنْهَا مَكَانًا ضَيِّقًا مُّقَرَّنِينَ دَعَوْا هُنَالِكَ ثُبُورًا 13

En wanneer zij er aaneengeketend uit geworpen worden naar een enge plaats dan roepen zij daar ach en wee.

لَّا تَدْعُوا الْيَوْمَ ثُبُورًا وَاحِدًا وَادْعُوا ثُبُورًا كَثِيرًا 14

"Roept vandaag niet één keer ach en wee maar roept vaak ach en wee."

قُلْ أَذَٰلِكَ خَيْرٌ أَمْ جَنَّةُ الْخُلْدِ الَّتِي وُعِدَ الْمُتَّقُونَ ۚ كَانَتْ لَهُمْ جَزَاءً وَمَصِيرًا 15

Zeg: "Is dat beter of de tuin van het eeuwige leven die aan de godvrezenden is toegezegd en die voor hen een beloning en een bestemming is?

لَّهُمْ فِيهَا مَا يَشَاءُونَ خَالِدِينَ ۚ كَانَ عَلَىٰ رَبِّكَ وَعْدًا مَّسْئُولًا 16

Zij hebben daarin wat zij willen, terwijl zij er altijd blijven. Dat is een opeisbare toezegging waartoe jouw Heer verplicht is."

وَيَوْمَ يَحْشُرُهُمْ وَمَا يَعْبُدُونَ مِن دُونِ اللَّهِ فَيَقُولُ أَأَنتُمْ أَضْلَلْتُمْ عِبَادِي هَٰؤُلَاءِ أَمْ هُمْ ضَلُّوا السَّبِيلَ 17

En op de dag dat Hij hen en wat zij in plaats van Allah dienen verzamelt en dan zegt: "Hebben jullie deze dienaren van Mij tot dwaling gebracht of zijn zij zelf van de weg afgedwaald?",

قَالُوا سُبْحَانَكَ مَا كَانَ يَنبَغِي لَنَا أَن نَّتَّخِذَ مِن دُونِكَ مِنْ أَوْلِيَاءَ وَلَٰكِن مَّتَّعْتَهُمْ وَآبَاءَهُمْ حَتَّىٰ نَسُوا الذِّكْرَ وَكَانُوا قَوْمًا بُورًا 18

zeggen zij: "U zij geprezen! Het paste ons niet dat wij ons in plaats van U beschermheren hebben genomen, maar U hebt hen en hun vaderen laten genieten totdat zij de vermaning vergaten en verloren mensen geworden zijn."

فَقَدْ كَذَّبُوكُم بِمَا تَقُولُونَ فَمَا تَسْتَطِيعُونَ صَرْفًا وَلَا نَصْرًا ۚ وَمَن يَظْلِم مِّنكُمْ نُذِقْهُ عَذَابًا كَبِيرًا 19

Zij hebben jullie dus over wat jullie zeiden van leugens beticht. Jullie kunnen het niet afwenden en geen hulp krijgen en wie van jullie onrecht pleegt laten wij een grote straf proeven.

وَمَا أَرْسَلْنَا قَبْلَكَ مِنَ الْمُرْسَلِينَ إِلَّا إِنَّهُمْ لَيَأْكُلُونَ الطَّعَامَ وَيَمْشُونَ فِي الْأَسْوَاقِ ۗ وَجَعَلْنَا بَعْضَكُمْ لِبَعْضٍ فِتْنَةً أَتَصْبِرُونَ ۗ وَكَانَ رَبُّكَ بَصِيرًا 20

Wij hebben voor jouw tijd alleen maar gezondenen gezonden die voedsel aten en op de markten rondliepen. En Wij hebben sommigen van jullie tot een verzoeking voor anderen gemaakt [om te zien] of jullie geduldig kunnen volharden; jouw Heer is doorziend.

وَقَالَ الَّذِينَ لَا يَرْجُونَ لِقَاءَنَا لَوْلَا أُنزِلَ عَلَيْنَا الْمَلَائِكَةُ أَوْ نَرَىٰ رَبَّنَا ۗ لَقَدِ اسْتَكْبَرُوا فِي أَنفُسِهِمْ وَعَتَوْا عُتُوًّا كَبِيرًا 21

En zij die niet hopen op de ontmoeting met Ons zeggen: "Hadden dan de engelen niet tot ons neergezonden kunnen worden? Of zagen wij onze Heer maar!" Zij zijn ingebeeld en hebben grote minachting.

يَوْمَ يَرَوْنَ الْمَلَائِكَةَ لَا بُشْرَىٰ يَوْمَئِذٍ لِّلْمُجْرِمِينَ وَيَقُولُونَ حِجْرًا مَّحْجُورًا 22

Op de dag dat zij de engelen zien, op die dag is er geen goed nieuws voor de boosdoeners en zij zullen zeggen: "Dat is volstrekt ontoelaatbaar!"

وَقَدِمْنَا إِلَىٰ مَا عَمِلُوا مِنْ عَمَلٍ فَجَعَلْنَاهُ هَبَاءً مَّنثُورًا 23

En Wij wenden Ons tot de daden die zij gedaan hebben en maken ze tot verstrooid stof.

أَصْحَابُ الْجَنَّةِ يَوْمَئِذٍ خَيْرٌ مُّسْتَقَرًّا وَأَحْسَنُ مَقِيلًا 24

Zij die in de tuin thuishoren hebben op die dag een betere verblijfplaats en een mooiere rustplaats.

وَيَوْمَ تَشَقَّقُ السَّمَاءُ بِالْغَمَامِ وَنُزِّلَ الْمَلَائِكَةُ تَنزِيلًا 25

En op de dag dat de hemel in wolken uiteensplijt en de engelen werkelijk neergezonden worden,

الْمُلْكُ يَوْمَئِذٍ الْحَقُّ لِلرَّحْمَٰنِ ۚ وَكَانَ يَوْمًا عَلَى الْكَافِرِينَ عَسِيرًا 26

op die dag heeft de Erbarmer de ware heerschappij; het is een dag die voor de ongelovigen moeilijk is.

وَيَوْمَ يَعَضُّ الظَّالِمُ عَلَىٰ يَدَيْهِ يَقُولُ يَا لَيْتَنِي اتَّخَذْتُ مَعَ الرَّسُولِ سَبِيلًا 27

En op de dag dat de onrechtvaardige op zijn handen bijt, terwijl hij zegt: "Was ik maar samen met de gezant op weg gegaan.

يَا وَيْلَتَىٰ لَيْتَنِي لَمْ أَتَّخِذْ فُلَانًا خَلِيلًا 28

Wee mij, had ik die en die maar niet als vriend genomen.

لَّقَدْ أَضَلَّنِي عَنِ الذِّكْرِ بَعْدَ إِذْ جَاءَنِي ۗ وَكَانَ الشَّيْطَانُ لِلْإِنسَانِ خَذُولًا 29

Hij heeft mij van de vermaning laten afdwalen." De satan is namelijk iemand die de mens in de steek laat.

وَقَالَ الرَّسُولُ يَا رَبِّ إِنَّ قَوْمِي اتَّخَذُوا هَٰذَا الْقُرْآنَ مَهْجُورًا 30

En de gezant zegt: "Mijn Heer, mijn volk houdt deze Koran voor iets wat gemeden moet worden."

وَكَذَٰلِكَ جَعَلْنَا لِكُلِّ نَبِيٍّ عَدُوًّا مِّنَ الْمُجْرِمِينَ ۗ وَكَفَىٰ بِرَبِّكَ هَادِيًا وَنَصِيرًا 31

En zo hebben Wij voor elke profeet een vijand uit de boosdoeners gemaakt, maar jouw Heer is goed genoeg als leider en helper.

وَقَالَ الَّذِينَ كَفَرُوا لَوْلَا نُزِّلَ عَلَيْهِ الْقُرْآنُ جُمْلَةً وَاحِدَةً ۚ كَذَٰلِكَ لِنُثَبِّتَ بِهِ فُؤَادَكَ ۖ وَرَتَّلْنَاهُ تَرْتِيلًا 32

En zij die ongelovig zijn zeggen: "Had de Koran niet als één geheel tot hem neergezonden kunnen worden?" Het is zoals het is, opdat Wij jouw hart versterken en Wij hebben hem achtereenvolgens voorgedragen.

وَلَا يَأْتُونَكَ بِمَثَلٍ إِلَّا جِئْنَاكَ بِالْحَقِّ وَأَحْسَنَ تَفْسِيرًا 33

En zij komen niet tot jou met een voorbeeld of Wij komen tot jou met de waarheid en een betere verklaring.

الَّذِينَ يُحْشَرُونَ عَلَىٰ وُجُوهِهِمْ إِلَىٰ جَهَنَّمَ أُولَٰئِكَ شَرٌّ مَّكَانًا وَأَضَلُّ سَبِيلًا 34

Zij die op hun gezichten [ter aarde geworpen] tot de hel verzameld zullen worden, zij zijn het die de slechtste plaats hebben en het verst afgedwaald zijn van de weg.

وَلَقَدْ آتَيْنَا مُوسَى الْكِتَابَ وَجَعَلْنَا مَعَهُ أَخَاهُ هَارُونَ وَزِيرًا 35

Wij hebben toch aan Moesa het boek gegeven en zijn broer Haroen met hem als medewerker aangesteld.

فَقُلْنَا اذْهَبَا إِلَى الْقَوْمِ الَّذِينَ كَذَّبُوا بِآيَاتِنَا فَدَمَّرْنَاهُمْ تَدْمِيرًا 36

En Wij zeiden: "Gaat heen naar de mensen die Onze tekenen loochenen." En Wij vernietigden hen toen geheel.

وَقَوْمَ نُوحٍ لَّمَّا كَذَّبُوا الرُّسُلَ أَغْرَقْنَاهُمْ وَجَعَلْنَاهُمْ لِلنَّاسِ آيَةً ۖ وَأَعْتَدْنَا لِلظَّالِمِينَ عَذَابًا أَلِيمًا 37

En de mensen van Noeh hebben Wij laten verdrinken, toen zij de gezanten van leugens betichtten en Wij hebben hen voor de mensen tot een teken gemaakt. En Wij hebben voor de onrechtplegers een pijnlijke bestraffing klaargemaakt.

وَعَادًا وَثَمُودَ وَأَصْحَابَ الرَّسِّ وَقُرُونًا بَيْنَ ذَٰلِكَ كَثِيرًا 38

Ook de \'Aad en de Thamoed en de mensen van de bron en veel generaties daartussen.

وَكُلًّا ضَرَبْنَا لَهُ الْأَمْثَالَ ۖ وَكُلًّا تَبَّرْنَا تَتْبِيرًا 39

En voor elk hebben Wij voorbeelden ter vergelijking gegeven en elk hebben Wij geheel vernietigd.

وَلَقَدْ أَتَوْا عَلَى الْقَرْيَةِ الَّتِي أُمْطِرَتْ مَطَرَ السَّوْءِ ۚ أَفَلَمْ يَكُونُوا يَرَوْنَهَا ۚ بَلْ كَانُوا لَا يَرْجُونَ نُشُورًا 40

Zij zijn toch bij de stad voorbij gekomen waarop de slechte regen geregend had; hebben zij haar dan niet gezien? Welnee, zij verwachten geen herrijzenis.

وَإِذَا رَأَوْكَ إِن يَتَّخِذُونَكَ إِلَّا هُزُوًا أَهَٰذَا الَّذِي بَعَثَ اللَّهُ رَسُولًا 41

En wanneer zij jou zien, drijven zij slechts de spot met jou: "Is dit hem die Allah als gezant heeft opgeroepen?

إِن كَادَ لَيُضِلُّنَا عَنْ آلِهَتِنَا لَوْلَا أَن صَبَرْنَا عَلَيْهَا ۚ وَسَوْفَ يَعْلَمُونَ حِينَ يَرَوْنَ الْعَذَابَ مَنْ أَضَلُّ سَبِيلًا 42

Bijna had hij ons van onze goden laten afdwalen, als wij niet aan hen vastgehouden hadden." Zij zullen, wanneer zij de bestraffing zien, wel weten wie er het verst afgedwaald is van de weg.

أَرَأَيْتَ مَنِ اتَّخَذَ إِلَٰهَهُ هَوَاهُ أَفَأَنتَ تَكُونُ عَلَيْهِ وَكِيلًا 43

Heb jij hem gezien die zijn grillen tot zijn Allah maakt? Ben jij over hem voogd?

أَمْ تَحْسَبُ أَنَّ أَكْثَرَهُمْ يَسْمَعُونَ أَوْ يَعْقِلُونَ ۚ إِنْ هُمْ إِلَّا كَالْأَنْعَامِ ۖ بَلْ هُمْ أَضَلُّ سَبِيلًا 44

Of denk jij dat de meesten van hen horen of verstand hebben? Zij zijn slechts als het vee. Ja zeker, zij zijn het verst afgedwaald van de weg.

أَلَمْ تَرَ إِلَىٰ رَبِّكَ كَيْفَ مَدَّ الظِّلَّ وَلَوْ شَاءَ لَجَعَلَهُ سَاكِنًا ثُمَّ جَعَلْنَا الشَّمْسَ عَلَيْهِ دَلِيلًا 45

Heb jij niet gezien naar jouw Heer, hoe Hij de schaduw heeft uitgestrekt? En als Hij het gewild had, dan had Hij gemaakt dat hij stilstond. Vervolgens maken Wij de zon tot een aanwijzer ervoor.

ثُمَّ قَبَضْنَاهُ إِلَيْنَا قَبْضًا يَسِيرًا 46

Daarop trekken Wij hem langzamerhand naar Ons terug.

وَهُوَ الَّذِي جَعَلَ لَكُمُ اللَّيْلَ لِبَاسًا وَالنَّوْمَ سُبَاتًا وَجَعَلَ النَّهَارَ نُشُورًا 47

En Hij is het die voor jullie de nacht tot kleding en de slaap om uit te rusten gemaakt heeft en Hij heeft de dag gemaakt om op te staan.

وَهُوَ الَّذِي أَرْسَلَ الرِّيَاحَ بُشْرًا بَيْنَ يَدَيْ رَحْمَتِهِ ۚ وَأَنزَلْنَا مِنَ السَّمَاءِ مَاءً طَهُورًا 48

En Hij is het die de winden als verkondigers van goed nieuws voor Zijn barmhartigheid uit zendt. En Wij laten uit de hemel rein water neerdalen

لِّنُحْيِيَ بِهِ بَلْدَةً مَّيْتًا وَنُسْقِيَهُ مِمَّا خَلَقْنَا أَنْعَامًا وَأَنَاسِيَّ كَثِيرًا 49

om daarmee een dode streek tot leven te brengen en om daarmee veel van wat Wij geschapen hebben, vee en mensen, te drinken te geven.

وَلَقَدْ صَرَّفْنَاهُ بَيْنَهُمْ لِيَذَّكَّرُوا فَأَبَىٰ أَكْثَرُ النَّاسِ إِلَّا كُفُورًا 50

En Wij hebben het onder hen uiteengezet opdat zij vermaand zouden worden, maar de meeste mensen willen alleen maar ongelovig zijn.

وَلَوْ شِئْنَا لَبَعَثْنَا فِي كُلِّ قَرْيَةٍ نَّذِيرًا 51

En als Wij gewild hadden, dan hadden Wij in iedere stad een waarschuwer laten opstaan.

فَلَا تُطِعِ الْكَافِرِينَ وَجَاهِدْهُم بِهِ جِهَادًا كَبِيرًا 52

Gehoorzaam dan de ongelovigen niet, maar stel je tegen hen hevig te weer.

وَهُوَ الَّذِي مَرَجَ الْبَحْرَيْنِ هَٰذَا عَذْبٌ فُرَاتٌ وَهَٰذَا مِلْحٌ أُجَاجٌ وَجَعَلَ بَيْنَهُمَا بَرْزَخًا وَحِجْرًا مَّحْجُورًا 53

En Hij is het die de beide zeeën vrij heeft laten stromen, de een zoet en fris en de ander zout en pekelig en Hij heeft tussen beide een versperring gemaakt en een volstrekte ontoegankelijkheid.

وَهُوَ الَّذِي خَلَقَ مِنَ الْمَاءِ بَشَرًا فَجَعَلَهُ نَسَبًا وَصِهْرًا ۗ وَكَانَ رَبُّكَ قَدِيرًا 54

En Hij is het die uit water een mens geschapen heeft en hem dan gemaakt heeft tot bloed- en aanverwant; jouw Heer is vrijmachtig.

وَيَعْبُدُونَ مِن دُونِ اللَّهِ مَا لَا يَنفَعُهُمْ وَلَا يَضُرُّهُمْ ۗ وَكَانَ الْكَافِرُ عَلَىٰ رَبِّهِ ظَهِيرًا 55

En zij dienen in plaats van Allah iets wat hen niet nut en niet schaadt. En de ongelovige verleent hulp tegen zijn Heer.

وَمَا أَرْسَلْنَاكَ إِلَّا مُبَشِّرًا وَنَذِيرًا 56

Maar Wij hebben jou slechts als verkondiger en waarschuwer gezonden.

قُلْ مَا أَسْأَلُكُمْ عَلَيْهِ مِنْ أَجْرٍ إِلَّا مَن شَاءَ أَن يَتَّخِذَ إِلَىٰ رَبِّهِ سَبِيلًا 57

Zeg: "Ik vraag jullie daarvoor geen loon, behalve als iemand de weg tot Allah wil inslaan."

وَتَوَكَّلْ عَلَى الْحَيِّ الَّذِي لَا يَمُوتُ وَسَبِّحْ بِحَمْدِهِ ۚ وَكَفَىٰ بِهِ بِذُنُوبِ عِبَادِهِ خَبِيرًا 58

En stel je vertrouwen op de levende die niet sterft en prijs Zijn lof; Hij is goed genoeg als iemand die welingelicht is over de zonden van Zijn dienaren.

الَّذِي خَلَقَ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضَ وَمَا بَيْنَهُمَا فِي سِتَّةِ أَيَّامٍ ثُمَّ اسْتَوَىٰ عَلَى الْعَرْشِ ۚ الرَّحْمَٰنُ فَاسْأَلْ بِهِ خَبِيرًا 59

Hij die de hemelen en de aarde en wat er tussen beide is in zes dagen geschapen heeft en die zich toen op de troon vestigde, hij is de Erbarmer. Vraag maar aan iemand die welingelicht is.

وَإِذَا قِيلَ لَهُمُ اسْجُدُوا لِلرَّحْمَٰنِ قَالُوا وَمَا الرَّحْمَٰنُ أَنَسْجُدُ لِمَا تَأْمُرُنَا وَزَادَهُمْ نُفُورًا ۩ 60

Wanneer men tot hen zegt: "Buigt jullie eerbiedig neer voor de Erbarmer" dan zeggen zij: "Wat is dat, de Erbarmer? Zullen wij ons eerbiedig voor iets neerbuigen, alleen maar omdat jij het ons beveelt?" En het vermeerdert slechts hun afkerigheid."

تَبَارَكَ الَّذِي جَعَلَ فِي السَّمَاءِ بُرُوجًا وَجَعَلَ فِيهَا سِرَاجًا وَقَمَرًا مُّنِيرًا 61

Gezegend zij Hij die in de hemel sterrenbeelden heeft gemaakt en die daarin een heldere lamp en een verlichtende maan heeft gemaakt.

وَهُوَ الَّذِي جَعَلَ اللَّيْلَ وَالنَّهَارَ خِلْفَةً لِّمَنْ أَرَادَ أَن يَذَّكَّرَ أَوْ أَرَادَ شُكُورًا 62

En hij is het die de dag en de nacht als elkaars aflossing gemaakt heeft voor wie zich wenst te laten vermanen of die dankbaar wenst te zijn.

وَعِبَادُ الرَّحْمَٰنِ الَّذِينَ يَمْشُونَ عَلَى الْأَرْضِ هَوْنًا وَإِذَا خَاطَبَهُمُ الْجَاهِلُونَ قَالُوا سَلَامًا 63

En de dienaren van de Erbarmer zijn zij die bescheiden op de aarde rondwandelen en wanneer de onwetenden hen toespreken zeggen: "Vrede".

وَالَّذِينَ يَبِيتُونَ لِرَبِّهِمْ سُجَّدًا وَقِيَامًا 64

En zij die de nacht doorbrengen terwijl zij zich eerbiedig voor hun Heer neerbuigen en terwijl zij rechtop staan.

وَالَّذِينَ يَقُولُونَ رَبَّنَا اصْرِفْ عَنَّا عَذَابَ جَهَنَّمَ ۖ إِنَّ عَذَابَهَا كَانَ غَرَامًا 65

En zij die zeggen: "Onze Heer, wend van ons de bestraffing van de hel af; de bestraffing daarmee blijft voortdurend."

إِنَّهَا سَاءَتْ مُسْتَقَرًّا وَمُقَامًا 66

Het is een slechte verblijfplaats en standplaats.

وَالَّذِينَ إِذَا أَنفَقُوا لَمْ يُسْرِفُوا وَلَمْ يَقْتُرُوا وَكَانَ بَيْنَ ذَٰلِكَ قَوَامًا 67

En zij die niet overdrijven en niet te zuinig zijn wanneer zij bijdragen geven, maar daartussen het midden houden.

وَالَّذِينَ لَا يَدْعُونَ مَعَ اللَّهِ إِلَٰهًا آخَرَ وَلَا يَقْتُلُونَ النَّفْسَ الَّتِي حَرَّمَ اللَّهُ إِلَّا بِالْحَقِّ وَلَا يَزْنُونَ ۚ وَمَن يَفْعَلْ ذَٰلِكَ يَلْقَ أَثَامًا 68

En zij die naast Allah geen andere Allah aanroepen en die niemand doden -- wat Allah verboden heeft -- behalve volgens het recht en die geen overspel plegen; wie dat doet zal moeten boeten.

يُضَاعَفْ لَهُ الْعَذَابُ يَوْمَ الْقِيَامَةِ وَيَخْلُدْ فِيهِ مُهَانًا 69

Voor hem zal op de opstandingsdag de bestraffing verdubbeld worden en vernederd zal hij er altijd in blijven.

إِلَّا مَن تَابَ وَآمَنَ وَعَمِلَ عَمَلًا صَالِحًا فَأُولَٰئِكَ يُبَدِّلُ اللَّهُ سَيِّئَاتِهِمْ حَسَنَاتٍ ۗ وَكَانَ اللَّهُ غَفُورًا رَّحِيمًا 70

Behalve hij die berouw toont, gelooft en deugdelijk handelt; zij zijn het voor wie Allah hun slechte daden tegen goede inwisselt; Allah is vergevend en barmhartig.

وَمَن تَابَ وَعَمِلَ صَالِحًا فَإِنَّهُ يَتُوبُ إِلَى اللَّهِ مَتَابًا 71

En wie berouw heeft en deugdelijk handelt, die wendt zich dus werkelijk berouwvol tot God.

وَالَّذِينَ لَا يَشْهَدُونَ الزُّورَ وَإِذَا مَرُّوا بِاللَّغْوِ مَرُّوا كِرَامًا 72

En zij die geen vals getuigenis geven en die wanneer zij bij geklets voorbijkomen er waardig aan voorbijgaan.

وَالَّذِينَ إِذَا ذُكِّرُوا بِآيَاتِ رَبِّهِمْ لَمْ يَخِرُّوا عَلَيْهَا صُمًّا وَعُمْيَانًا 73

En zij die wanneer zij met de tekenen van hun Heer vermaand worden er niet doof en blind bij neervallen.

وَالَّذِينَ يَقُولُونَ رَبَّنَا هَبْ لَنَا مِنْ أَزْوَاجِنَا وَذُرِّيَّاتِنَا قُرَّةَ أَعْيُنٍ وَاجْعَلْنَا لِلْمُتَّقِينَ إِمَامًا 74

En zij die zeggen: "Onze Heer, schenk ons dat wij aan onze echtgenotes en nakomelingen vreugde beleven en maak ons tot een voorbeeld voor de godvrezenden."

أُولَٰئِكَ يُجْزَوْنَ الْغُرْفَةَ بِمَا صَبَرُوا وَيُلَقَّوْنَ فِيهَا تَحِيَّةً وَسَلَامًا 75

Zij zijn het die met de [feest]zaal beloond worden omdat zij geduldig volhard hebben. En men zal hen daarin met een begroeting en met "vrede" tegemoet treden.

خَالِدِينَ فِيهَا ۚ حَسُنَتْ مُسْتَقَرًّا وَمُقَامًا 76

Zij zullen daarin altijd blijven; goed is zij als verblijfplaats en standplaats.

قُلْ مَا يَعْبَأُ بِكُمْ رَبِّي لَوْلَا دُعَاؤُكُمْ ۖ فَقَدْ كَذَّبْتُمْ فَسَوْفَ يَكُونُ لِزَامًا 77

Zeg: "Mijn Heer zal zich niet om jullie bekommeren als jullie Hem niet aanroepen, maar jullie hebben het toch geloochend, dus zal het onafwendbaar zijn."

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Close