Soera 25 – Al-Furqan  – Het Reddend Onderscheidingsmiddel – الفرقان

Deze soera in de nieuwe Koran omgeving lezen? Ja, graag
bismillah ir rahman ir rahim

تَبَارَكَ ٱلَّذِي نَزَّلَ ٱلۡفُرۡقَانَ عَلَىٰ عَبۡدِهِۦ لِيَكُونَ لِلۡعَٰلَمِينَ نَذِيرًا 1

Gezegend is Hij Die het onderscheid heeft neergezonden aan Zijn dienaar, zodat hij een waarschuwer voor de werelden zal zijn.

ٱلَّذِي لَهُۥ مُلۡكُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِ وَلَمۡ يَتَّخِذۡ وَلَدٗا وَلَمۡ يَكُن لَّهُۥ شَرِيكٞ فِي ٱلۡمُلۡكِ وَخَلَقَ كُلَّ شَيۡءٖ فَقَدَّرَهُۥ تَقۡدِيرٗا 2

Hij is Degene aan Wie het Koninkrijk van de hemelen en de aarde toebehoort. En Hij neemt Zich nooit een zoon en Hij heeft geen deelgenoot in het Koninkrijk. Hij heeft alles geschapen en heeft het precies de juiste maat gegeven.

وَٱتَّخَذُواْ مِن دُونِهِۦٓ ءَالِهَةٗ لَّا يَخۡلُقُونَ شَيۡـٔٗا وَهُمۡ يُخۡلَقُونَ وَلَا يَمۡلِكُونَ لِأَنفُسِهِمۡ ضَرّٗا وَلَا نَفۡعٗا وَلَا يَمۡلِكُونَ مَوۡتٗا وَلَا حَيَوٰةٗ وَلَا نُشُورٗا 3

Toch namen zij naast Hem goden die niets schiepen en die niet bij machte zijn zelf kwaad (af te wenden) en goed (te doen) en geen macht hebben over leven en niet over de dood en over het opwekken.

وَقَالَ ٱلَّذِينَ كَفَرُوٓاْ إِنۡ هَٰذَآ إِلَّآ إِفۡكٌ ٱفۡتَرَىٰهُ وَأَعَانَهُۥ عَلَيۡهِ قَوۡمٌ ءَاخَرُونَۖ فَقَدۡ جَآءُو ظُلۡمٗا وَزُورٗا 4

Degenen die ongelovig zijn zeggen: “Dit is niets anders dan een leugen dat hij bedacht heeft, en anderen hebben hem daarmee geholpen.” Waarlijk, zij kwamen met onrecht en leugens.

وَقَالُوٓاْ أَسَٰطِيرُ ٱلۡأَوَّلِينَ ٱكۡتَتَبَهَا فَهِيَ تُمۡلَىٰ عَلَيۡهِ بُكۡرَةٗ وَأَصِيلٗا 5

En zij zeggen: “Dit zijn fabels van de ouderen die hij heeft laten opschrijven en zij worden hem in de ochtend en de middag voorgelezen.”

قُلۡ أَنزَلَهُ ٱلَّذِي يَعۡلَمُ ٱلسِّرَّ فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِۚ إِنَّهُۥ كَانَ غَفُورٗا رَّحِيمٗا 6

Zeg (O Mohammed): “Hij heeft hem (de Koran) neergezonden, Degene Die de geheimen van de hemelen en de aarde kent. Waarlijk! Hij is Vergevingsgezind, Genadevol.

وَقَالُواْ مَالِ هَٰذَا ٱلرَّسُولِ يَأۡكُلُ ٱلطَّعَامَ وَيَمۡشِي فِي ٱلۡأَسۡوَاقِ لَوۡلَآ أُنزِلَ إِلَيۡهِ مَلَكٞ فَيَكُونَ مَعَهُۥ نَذِيرًا 7

En zij zeggen: “Wat is dat voor Boodschapper, die voedsel eet en over markten loopt? Waarom wordt er voor hem geen Engel naar beneden gestuurd om samen met hem een waarschuwer te zijn?”

أَوۡ يُلۡقَىٰٓ إِلَيۡهِ كَنزٌ أَوۡ تَكُونُ لَهُۥ جَنَّةٞ يَأۡكُلُ مِنۡهَاۚ وَقَالَ ٱلظَّـٰلِمُونَ إِن تَتَّبِعُونَ إِلَّا رَجُلٗا مَّسۡحُورًا 8

Of is hem geen schat gegeven, of heeft hij geen tuin waarvan kan mag eten?” En de onrechtvaardigen zeggen: “Jullie volgen niemand" anders dan een behekste man.”

ٱنظُرۡ كَيۡفَ ضَرَبُواْ لَكَ ٱلۡأَمۡثَٰلَ فَضَلُّواْ فَلَا يَسۡتَطِيعُونَ سَبِيلٗا 9

Zie hoe zij voor jullie een vergelijking verzinnen, zij dwalen en zij kunnen het goede Pad niet vinden.

تَبَارَكَ ٱلَّذِيٓ إِن شَآءَ جَعَلَ لَكَ خَيۡرٗا مِّن ذَٰلِكَ جَنَّـٰتٖ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهَا ٱلۡأَنۡهَٰرُ وَيَجۡعَل لَّكَ قُصُورَۢا 10

Gezegend is Hij Die, als Hij dat wil, jou beter dan dat schenkt: tuinen waar rivieren onder door stromen en Hij schenkt jou paleizen.

بَلۡ كَذَّبُواْ بِٱلسَّاعَةِۖ وَأَعۡتَدۡنَا لِمَن كَذَّبَ بِٱلسَّاعَةِ سَعِيرًا 11

Nee, zij ontkennen het Uur en voor degenen die het Uur ontkennen hebben Wij een vlammend vuur voorbereid.

إِذَا رَأَتۡهُم مِّن مَّكَانِۭ بَعِيدٖ سَمِعُواْ لَهَا تَغَيُّظٗا وَزَفِيرٗا 12

Wanneer de Hel hen van verre ziet, horen zij haar brullen en bulderen.

وَإِذَآ أُلۡقُواْ مِنۡهَا مَكَانٗا ضَيِّقٗا مُّقَرَّنِينَ دَعَوۡاْ هُنَالِكَ ثُبُورٗا 13

En als zij in een nauwe plaats daarvan gegooid worden, aan elkaar geketend, dan zullen zij daar om hun vernietiging roepen.

لَّا تَدۡعُواْ ٱلۡيَوۡمَ ثُبُورٗا وَٰحِدٗا وَٱدۡعُواْ ثُبُورٗا كَثِيرٗا 14

Roep op die Dag niet om één vernietiging maar roep om vele vernietigingen.

قُلۡ أَذَٰلِكَ خَيۡرٌ أَمۡ جَنَّةُ ٱلۡخُلۡدِ ٱلَّتِي وُعِدَ ٱلۡمُتَّقُونَۚ كَانَتۡ لَهُمۡ جَزَآءٗ وَمَصِيرٗا 15

Zeg: “Is die (bestraffing) beter of de eeuwige tuinen wat aan de godvrezenden beloofd is? Aan hen zal de beloning zijn en de uiteindelijke bestemming.

لَّهُمۡ فِيهَا مَا يَشَآءُونَ خَٰلِدِينَۚ كَانَ عَلَىٰ رَبِّكَ وَعۡدٗا مَّسۡـُٔولٗا 16

Voor hen zal daar alles zijn wat zij wensen en zij zullen (daar) verblijven. Het is een belofte waardoor jullie Heer gebonden is en die vervuld moet worden.

وَيَوۡمَ يَحۡشُرُهُمۡ وَمَا يَعۡبُدُونَ مِن دُونِ ٱللَّهِ فَيَقُولُ ءَأَنتُمۡ أَضۡلَلۡتُمۡ عِبَادِي هَـٰٓؤُلَآءِ أَمۡ هُمۡ ضَلُّواْ ٱلسَّبِيلَ 17

En op de Dag waarop Hij hen, en dat wat zij naast Allah aanbidden verzamelt, zal Hij zeggen: “Waren jullie het, die Mijn slaven deden dwalen of zijn zij zelf van het (juiste) Pad afgedwaald?”

قَالُواْ سُبۡحَٰنَكَ مَا كَانَ يَنۢبَغِي لَنَآ أَن نَّتَّخِذَ مِن دُونِكَ مِنۡ أَوۡلِيَآءَ وَلَٰكِن مَّتَّعۡتَهُمۡ وَءَابَآءَهُمۡ حَتَّىٰ نَسُواْ ٱلذِّكۡرَ وَكَانُواْ قَوۡمَۢا بُورٗا 18

Zij zullen zeggen: “Verheerlijkt bent U! Het was niet aan ons om een helper naast U te nemen, maar U hebt hen en hun vaderen laten genieten tot zij de waarschuwing vergaten en een verloren volk werden.”

فَقَدۡ كَذَّبُوكُم بِمَا تَقُولُونَ فَمَا تَسۡتَطِيعُونَ صَرۡفٗا وَلَا نَصۡرٗاۚ وَمَن يَظۡلِم مِّنكُمۡ نُذِقۡهُ عَذَابٗا كَبِيرٗا 19

(Allah zal zeggen:) “Waarlijk, zij hebben jullie van leugens beticht over wat jullie zeiden. Jullie kunnen noch (de bestraffing) ontwijken, noch hulp krijgen. En ieder onder jullie die zondigt: die zullen Wij een zware bestraffing laten proeven.”

وَمَآ أَرۡسَلۡنَا قَبۡلَكَ مِنَ ٱلۡمُرۡسَلِينَ إِلَّآ إِنَّهُمۡ لَيَأۡكُلُونَ ٱلطَّعَامَ وَيَمۡشُونَ فِي ٱلۡأَسۡوَاقِۗ وَجَعَلۡنَا بَعۡضَكُمۡ لِبَعۡضٖ فِتۡنَةً أَتَصۡبِرُونَۗ وَكَانَ رَبُّكَ بَصِيرٗا 20

En Wij zonden geen "Boodschappers vόόr jou, of zij aten voedsel of liepen over de markt. En Wij maakten enkelen van jullie tot een beproeving voor anderen; zullen jullie geduldig zijn? En jullie Heer is Alziende. ۞

۞وَقَالَ ٱلَّذِينَ لَا يَرۡجُونَ لِقَآءَنَا لَوۡلَآ أُنزِلَ عَلَيۡنَا ٱلۡمَلَـٰٓئِكَةُ أَوۡ نَرَىٰ رَبَّنَاۗ لَقَدِ ٱسۡتَكۡبَرُواْ فِيٓ أَنفُسِهِمۡ وَعَتَوۡ عُتُوّٗا كَبِيرٗا 21

En degenen die geen ontmoeting met Ons verwachten zeggen: “Waarom zijn er geen Engelen voor ons naar beneden gestuurd, of waarom kunnen wij onze Heer niet zien?” Voorwaar, zij achten zichzelf te hoog en zij overtreden met grote overtreding.

يَوۡمَ يَرَوۡنَ ٱلۡمَلَـٰٓئِكَةَ لَا بُشۡرَىٰ يَوۡمَئِذٖ لِّلۡمُجۡرِمِينَ وَيَقُولُونَ حِجۡرٗا مَّحۡجُورٗا 22

Op de Dag waarop zij Engelen zullen zien, op die Dag zal er geen goed nieuws voor de misdadigers zijn. En zij zullen zeggen: “Ware er slechts een grote afscheiding.” (tussen ons)

وَقَدِمۡنَآ إِلَىٰ مَا عَمِلُواْ مِنۡ عَمَلٖ فَجَعَلۡنَٰهُ هَبَآءٗ مَّنثُورًا 23

En Wij keren Ons tot de daden die zij hebben verricht en Wij maken die als verspreide zwevende stofdeeltjes.

أَصۡحَٰبُ ٱلۡجَنَّةِ يَوۡمَئِذٍ خَيۡرٞ مُّسۡتَقَرّٗا وَأَحۡسَنُ مَقِيلٗا 24

De bewoners van het Paradijs zullen op die Dag de beste plaats hebben en een betere rustplaats.

وَيَوۡمَ تَشَقَّقُ ٱلسَّمَآءُ بِٱلۡغَمَٰمِ وَنُزِّلَ ٱلۡمَلَـٰٓئِكَةُ تَنزِيلًا 25

En (gedenk) de Dag waarop de hemel met de wolken uiteen zal splijten en de Engelen neerdalen.

ٱلۡمُلۡكُ يَوۡمَئِذٍ ٱلۡحَقُّ لِلرَّحۡمَٰنِۚ وَكَانَ يَوۡمًا عَلَى ٱلۡكَٰفِرِينَ عَسِيرٗا 26

De ware soevereiniteit van die Dag zal toebehoren aan de Barmhartige en het zal een zware dag zijn voor de ongelovigen.

وَيَوۡمَ يَعَضُّ ٱلظَّالِمُ عَلَىٰ يَدَيۡهِ يَقُولُ يَٰلَيۡتَنِي ٱتَّخَذۡتُ مَعَ ٱلرَّسُولِ سَبِيلٗا 27

En (gedenk) de dag waarop de onrechtvaardige op zijn handen zal bijten en zal zeggen: “Oh! Had ik maar het Pad met de Boodschapper genomen!

يَٰوَيۡلَتَىٰ لَيۡتَنِي لَمۡ أَتَّخِذۡ فُلَانًا خَلِيلٗا 28

Ah! Wee mij! Had ik maar niet zo’n ongelovige tot boezemvriend genomen!

لَّقَدۡ أَضَلَّنِي عَنِ ٱلذِّكۡرِ بَعۡدَ إِذۡ جَآءَنِيۗ وَكَانَ ٱلشَّيۡطَٰنُ لِلۡإِنسَٰنِ خَذُولٗا 29

Hij heeft mij zeker doen afdwalen van de Overdenking nadat die tot mij gekomen was. En Satan laat de mens in de steek.”

وَقَالَ ٱلرَّسُولُ يَٰرَبِّ إِنَّ قَوۡمِي ٱتَّخَذُواْ هَٰذَا ٱلۡقُرۡءَانَ مَهۡجُورٗا 30

En de Boodschapper zei: “O mijn Heer! Waarlijk, mijn volk heeft deze Koran verlaten.”

وَكَذَٰلِكَ جَعَلۡنَا لِكُلِّ نَبِيٍّ عَدُوّٗا مِّنَ ٱلۡمُجۡرِمِينَۗ وَكَفَىٰ بِرَبِّكَ هَادِيٗا وَنَصِيرٗا 31

En zo hebben Wij voor iedere Profeet een vijand gemaakt onder de misdadigers. Maar jouw Heer is voldoende als Gids en Helper.

وَقَالَ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ لَوۡلَا نُزِّلَ عَلَيۡهِ ٱلۡقُرۡءَانُ جُمۡلَةٗ وَٰحِدَةٗۚ كَذَٰلِكَ لِنُثَبِّتَ بِهِۦ فُؤَادَكَۖ وَرَتَّلۡنَٰهُ تَرۡتِيلٗا 32

En degenen die ongelovig zijn zeggen: “Waarom is de Koran niet in één keer aan hem geopenbaard?” Maar zo hebben Wij daarmee jouw hart versterkt (O Mohammed). En Wij hebben het geleidelijk aan jou geopenbaard, in gedeelten.

وَلَا يَأۡتُونَكَ بِمَثَلٍ إِلَّا جِئۡنَٰكَ بِٱلۡحَقِّ وَأَحۡسَنَ تَفۡسِيرًا 33

En zij komen niet met een rare vraag tot jou, of Wij brengen jou de Waarheid en een betere uitleg.

ٱلَّذِينَ يُحۡشَرُونَ عَلَىٰ وُجُوهِهِمۡ إِلَىٰ جَهَنَّمَ أُوْلَـٰٓئِكَ شَرّٞ مَّكَانٗا وَأَضَلُّ سَبِيلٗا 34

Degenen die in de Hel verzameld zullen worden (vooroverliggend) op hun gezichten, zijn degenen met de slechtste plaats en zijn het verst afgedwaald van de Weg.

وَلَقَدۡ ءَاتَيۡنَا مُوسَى ٱلۡكِتَٰبَ وَجَعَلۡنَا مَعَهُۥٓ أَخَاهُ هَٰرُونَ وَزِيرٗا 35

En voorwaar, Wij hebben aan Mozes het Boek gegeven en zijn broeder Haaron naast hem geplaatst als helper.

فَقُلۡنَا ٱذۡهَبَآ إِلَى ٱلۡقَوۡمِ ٱلَّذِينَ كَذَّبُواْ بِـَٔايَٰتِنَا فَدَمَّرۡنَٰهُمۡ تَدۡمِيرٗا 36

En Wij zeiden: “Ga beiden naar het volk dat Onze Tekenen heeft ontkend.” Toen vernietigden Wij hen met een ultieme vernietiging.

وَقَوۡمَ نُوحٖ لَّمَّا كَذَّبُواْ ٱلرُّسُلَ أَغۡرَقۡنَٰهُمۡ وَجَعَلۡنَٰهُمۡ لِلنَّاسِ ءَايَةٗۖ وَأَعۡتَدۡنَا لِلظَّـٰلِمِينَ عَذَابًا أَلِيمٗا 37

En Noah’s volk verdronken Wij toen zij de Boodschappers ontkenden, en Wij maakten hen tot een teken voor de mensheid. En Wij hebben voor de onrechtvaardigen een pijnlijke bestraffing voorbereid.

وَعَادٗا وَثَمُودَاْ وَأَصۡحَٰبَ ٱلرَّسِّ وَقُرُونَۢا بَيۡنَ ذَٰلِكَ كَثِيرٗا 38

En (ook) ‘Ad en Thamoed en het volk van Ar- Rass, en vele generaties daartussen.

وَكُلّٗا ضَرَبۡنَا لَهُ ٱلۡأَمۡثَٰلَۖ وَكُلّٗا تَبَّرۡنَا تَتۡبِيرٗا 39

En voor ieder van hen hebben Wij voorbeelden gegeven, en elk vernietigden Wij met een volledige vernietiging.

وَلَقَدۡ أَتَوۡاْ عَلَى ٱلۡقَرۡيَةِ ٱلَّتِيٓ أُمۡطِرَتۡ مَطَرَ ٱلسَّوۡءِۚ أَفَلَمۡ يَكُونُواْ يَرَوۡنَهَاۚ بَلۡ كَانُواْ لَا يَرۡجُونَ نُشُورٗا 40

En voorwaar, zij zijn bij de stad gekomen waarop de kwade regen was gevallen. Hebben zij het dan niet gezien? Nee! Maar zij verwachten geen Opstanding.

وَإِذَا رَأَوۡكَ إِن يَتَّخِذُونَكَ إِلَّا هُزُوًا أَهَٰذَا ٱلَّذِي بَعَثَ ٱللَّهُ رَسُولًا 41

En als zij jou zien (O Mohammed), bespotten zij jou (zeggende): “Is dit degene die Allah als Boodschapper heeft gestuurd?

إِن كَادَ لَيُضِلُّنَا عَنۡ ءَالِهَتِنَا لَوۡلَآ أَن صَبَرۡنَا عَلَيۡهَاۚ وَسَوۡفَ يَعۡلَمُونَ حِينَ يَرَوۡنَ ٱلۡعَذَابَ مَنۡ أَضَلُّ سَبِيلًا 42

Bijna zou hij ons van onze goden misleiden, als het niet zo was geweest dat wij geduldig zijn en in onze aanbidding volhouden!” Maar zij zullen weten als zij de bestraffing zien, wie degene is die het meeste van het (rechte) Pad" is afgedwaald!

أَرَءَيۡتَ مَنِ ٱتَّخَذَ إِلَٰهَهُۥ هَوَىٰهُ أَفَأَنتَ تَكُونُ عَلَيۡهِ وَكِيلًا 43

Heb jij degene gezien die zijn eigen wens als god heeft genomen? Zou jij dan een beschermer voor hem zijn?

أَمۡ تَحۡسَبُ أَنَّ أَكۡثَرَهُمۡ يَسۡمَعُونَ أَوۡ يَعۡقِلُونَۚ إِنۡ هُمۡ إِلَّا كَٱلۡأَنۡعَٰمِ بَلۡ هُمۡ أَضَلُّ سَبِيلًا 44

Of denk je dat de meesten van hen kunnen horen of begrijpen? Zij zijn slechts als vee; nee, zij zijn veel verder afgedwaald van het Pad.

أَلَمۡ تَرَ إِلَىٰ رَبِّكَ كَيۡفَ مَدَّ ٱلظِّلَّ وَلَوۡ شَآءَ لَجَعَلَهُۥ سَاكِنٗا ثُمَّ جَعَلۡنَا ٱلشَّمۡسَ عَلَيۡهِ دَلِيلٗا 45

Heb jij niet gezien hoe jouw Heer de schaduwen verlengd? Als Hij het had gewild, dan zou had Hij die zeker kunnen doen stilstaan. Toen hebben Wij de zon tot een wijzer gemaakt.

ثُمَّ قَبَضۡنَٰهُ إِلَيۡنَا قَبۡضٗا يَسِيرٗا 46

Vervolgens trekken Wij haar rond (het middaguur) naar Ons toe, een geleidelijke terugtrekking.

وَهُوَ ٱلَّذِي جَعَلَ لَكُمُ ٱلَّيۡلَ لِبَاسٗا وَٱلنَّوۡمَ سُبَاتٗا وَجَعَلَ ٱلنَّهَارَ نُشُورٗا 47

En Hij is Degene Die die de nacht als een bedekking voor jullie heeft gemaakt en de slaap (als) een rust, en de dag om wakker te zijn. (om te werken)

وَهُوَ ٱلَّذِيٓ أَرۡسَلَ ٱلرِّيَٰحَ بُشۡرَۢا بَيۡنَ يَدَيۡ رَحۡمَتِهِۦۚ وَأَنزَلۡنَا مِنَ ٱلسَّمَآءِ مَآءٗ طَهُورٗا 48

En Hij is Degene Die de winden, als koeriers van goede boodschappen voor Zijn Genade uit heeft gestuurd. En Wij sturen zuiver water uit de hemel.

لِّنُحۡـِۧيَ بِهِۦ بَلۡدَةٗ مَّيۡتٗا وَنُسۡقِيَهُۥ مِمَّا خَلَقۡنَآ أَنۡعَٰمٗا وَأَنَاسِيَّ كَثِيرٗا 49

Opdat Wij hiermee droog land vruchtbaar maken en om water te geven aan wat Wij geschapen hebben: vee en veel mensen.

وَلَقَدۡ صَرَّفۡنَٰهُ بَيۡنَهُمۡ لِيَذَّكَّرُواْ فَأَبَىٰٓ أَكۡثَرُ ٱلنَّاسِ إِلَّا كُفُورٗا 50

En voorwaar, Wij hebben het verdeeld onder hen zodat zij de Gunst van Allah mogen gedenken. Maar de meeste mensen weigeren en accepteren niets dan het ongeloof of de ondankbaarheid.

وَلَوۡ شِئۡنَا لَبَعَثۡنَا فِي كُلِّ قَرۡيَةٖ نَّذِيرٗا 51

En als Wij het gewild hadden, hadden Wij in iedere stad een Boodschapper doen opstaan.

فَلَا تُطِعِ ٱلۡكَٰفِرِينَ وَجَٰهِدۡهُم بِهِۦ جِهَادٗا كَبِيرٗا 52

Gehoorzaam de ongelovigen dus niet maar vecht tegen hen met de uiterste inspanning.

۞وَهُوَ ٱلَّذِي مَرَجَ ٱلۡبَحۡرَيۡنِ هَٰذَا عَذۡبٞ فُرَاتٞ وَهَٰذَا مِلۡحٌ أُجَاجٞ وَجَعَلَ بَيۡنَهُمَا بَرۡزَخٗا وَحِجۡرٗا مَّحۡجُورٗا 53

En Hij is Degene Die de twee zeeën naast elkaar doet stromen, de ene smakelijk en zoet en de ander zout en bitter. En Hij heeft een grens en een volledige scheiding tussen hen gezet.

وَهُوَ ٱلَّذِي خَلَقَ مِنَ ٱلۡمَآءِ بَشَرٗا فَجَعَلَهُۥ نَسَبٗا وَصِهۡرٗاۗ وَكَانَ رَبُّكَ قَدِيرٗا 54

En Hij is Degene Die de mens heeft geschapen uit water en hem verwanten heeft gegeven door afstamming en huwelijk. En jouw Heer is Almachtig.

وَيَعۡبُدُونَ مِن دُونِ ٱللَّهِ مَا لَا يَنفَعُهُمۡ وَلَا يَضُرُّهُمۡۗ وَكَانَ ٱلۡكَافِرُ عَلَىٰ رَبِّهِۦ ظَهِيرٗا 55

En zij aanbidden naast Allah datgene wat hen niet baat en hen niet schaadt, en de ongelovige is altijd een helper (van Sheitan) tegen zijn Heer.

وَمَآ أَرۡسَلۡنَٰكَ إِلَّا مُبَشِّرٗا وَنَذِيرٗا 56

En Wij hebben jou slechts gestuurd als drager van goed nieuws en als waarschuwer.

قُلۡ مَآ أَسۡـَٔلُكُمۡ عَلَيۡهِ مِنۡ أَجۡرٍ إِلَّا مَن شَآءَ أَن يَتَّخِذَ إِلَىٰ رَبِّهِۦ سَبِيلٗا 57

Zeg (O Mohammed): “Ik vraag van jullie hiervoor geen beloning anders dan dat men het Pad naar zijn Heer wil nemen.”

وَتَوَكَّلۡ عَلَى ٱلۡحَيِّ ٱلَّذِي لَا يَمُوتُ وَسَبِّحۡ بِحَمۡدِهِۦۚ وَكَفَىٰ بِهِۦ بِذُنُوبِ عِبَادِهِۦ خَبِيرًا 58

En vertrouw op de Levende, Die niet sterft, en prijs Zijn lof. En Hij is voldoende als de Alwetende van de zonden van Zijn slaven.

ٱلَّذِي خَلَقَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضَ وَمَا بَيۡنَهُمَا فِي سِتَّةِ أَيَّامٖ ثُمَّ ٱسۡتَوَىٰ عَلَى ٱلۡعَرۡشِۖ ٱلرَّحۡمَٰنُ فَسۡـَٔلۡ بِهِۦ خَبِيرٗا 59

Degene Die de hemelen en de aarde en alles wat daar tussen is in zes dagen heeft geschapen.Vervolgens zetelde Hij zich op de Troon, Hij is de Barmhartige. Vraag over Hem aan degene die daarover het meeste weet.

وَإِذَا قِيلَ لَهُمُ ٱسۡجُدُواْۤ لِلرَّحۡمَٰنِ قَالُواْ وَمَا ٱلرَّحۡمَٰنُ أَنَسۡجُدُ لِمَا تَأۡمُرُنَا وَزَادَهُمۡ نُفُورٗا۩ 60

En als er tegen hen gezegd wordt: “Kniel neer voor de Erbarmer,” zeggen zij: “En wie is de Erbarmer, zullen wij neerknielen voor wat jij ons beveelt?” En het laat hen slechts in hun weerstand toenemen.

تَبَارَكَ ٱلَّذِي جَعَلَ فِي ٱلسَّمَآءِ بُرُوجٗا وَجَعَلَ فِيهَا سِرَٰجٗا وَقَمَرٗا مُّنِيرٗا 61

Gezegend is Degene Die in de hemel de sterrenstelsels geplaatst heeft en daarin een grote lamp (de zon) geplaatst heeft en een maan die licht geeft.

وَهُوَ ٱلَّذِي جَعَلَ ٱلَّيۡلَ وَٱلنَّهَارَ خِلۡفَةٗ لِّمَنۡ أَرَادَ أَن يَذَّكَّرَ أَوۡ أَرَادَ شُكُورٗا 62

En Hij is Degene Die de nacht en de dag in elkaars opvolging heeft geplaatst, voor degenen die wensen te gedenken of die hun dankbaarheid wensen te tonen.

وَعِبَادُ ٱلرَّحۡمَٰنِ ٱلَّذِينَ يَمۡشُونَ عَلَى ٱلۡأَرۡضِ هَوۡنٗا وَإِذَا خَاطَبَهُمُ ٱلۡجَٰهِلُونَ قَالُواْ سَلَٰمٗا 63

En de slaven van de Erbarmer zijn degenen die nederig en kalm over de aarde lopen, en als de dwazen hen aanspreken antwoorden zij met milde woorden of vriendelijkheid.

وَٱلَّذِينَ يَبِيتُونَ لِرَبِّهِمۡ سُجَّدٗا وَقِيَٰمٗا 64

En degenen die de nacht voor hun Heer knielend en staand doorbrengen.

وَٱلَّذِينَ يَقُولُونَ رَبَّنَا ٱصۡرِفۡ عَنَّا عَذَابَ جَهَنَّمَۖ إِنَّ عَذَابَهَا كَانَ غَرَامًا 65

En degenen die zeggen: “Onze Heer! Behoed ons van de bestraffing van de Hel.” Waarlijk! Haar bestraffing is een voortdurende bestraffing.

إِنَّهَا سَآءَتۡ مُسۡتَقَرّٗا وَمُقَامٗا 66

"Voorwaar, het is een zeer slechte vestiging en verblijfplaats.

وَٱلَّذِينَ إِذَآ أَنفَقُواْ لَمۡ يُسۡرِفُواْ وَلَمۡ يَقۡتُرُواْ وَكَانَ بَيۡنَ ذَٰلِكَ قَوَامٗا 67

En degenen die, als zij geld uitgeven, niet uitbundig en niet gierig zijn, maar het midden daartussen houden.

وَٱلَّذِينَ لَا يَدۡعُونَ مَعَ ٱللَّهِ إِلَٰهًا ءَاخَرَ وَلَا يَقۡتُلُونَ ٱلنَّفۡسَ ٱلَّتِي حَرَّمَ ٱللَّهُ إِلَّا بِٱلۡحَقِّ وَلَا يَزۡنُونَۚ وَمَن يَفۡعَلۡ ذَٰلِكَ يَلۡقَ أَثَامٗا 68

En degenen die geen andere god naast Allah aanroepen en die niemand doden, waarvan (het doden) door Allah verboden is, behalve volgens een gerechtelijke zaak. En die geen ontucht plegen, want wie dat doet zal een bestraffing ontvangen!

يُضَٰعَفۡ لَهُ ٱلۡعَذَابُ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ وَيَخۡلُدۡ فِيهِۦ مُهَانًا 69

De bestraffing zal voor hem op de Dag der Opstanding verdubbeld worden en hij zal daarin met schande verblijven.

إِلَّا مَن تَابَ وَءَامَنَ وَعَمِلَ عَمَلٗا صَٰلِحٗا فَأُوْلَـٰٓئِكَ يُبَدِّلُ ٱللَّهُ سَيِّـَٔاتِهِمۡ حَسَنَٰتٖۗ وَكَانَ ٱللَّهُ غَفُورٗا رَّحِيمٗا 70

Behalve degenen die berouw hebben en geloven en goede daden verrichten. Voor diegenen zal Allah hun zonden in goede daden veranderen, en Allah is Vergevingsgezind, Genadevol.

وَمَن تَابَ وَعَمِلَ صَٰلِحٗا فَإِنَّهُۥ يَتُوبُ إِلَى ٱللَّهِ مَتَابٗا 71

En wie berouw heeft en goede daden verricht, waarlijk, hij vertoont met oprechte spijt berouw aan Allah.

وَٱلَّذِينَ لَا يَشۡهَدُونَ ٱلزُّورَ وَإِذَا مَرُّواْ بِٱللَّغۡوِ مَرُّواْ كِرَامٗا 72

En (ook) degenen die geen valse getuigenis afleggen. En wanneer zij voorbijkomen aan onzinnig gepraat, gaan zij daar waardig aan voorbij.

وَٱلَّذِينَ إِذَا ذُكِّرُواْ بِـَٔايَٰتِ رَبِّهِمۡ لَمۡ يَخِرُّواْ عَلَيۡهَا صُمّٗا وَعُمۡيَانٗا 73

En (ook) degenen die, als zij aan de Tekenen van hun Heer herinnerd worden, niet doof of blind daarvoor worden.

وَٱلَّذِينَ يَقُولُونَ رَبَّنَا هَبۡ لَنَا مِنۡ أَزۡوَٰجِنَا وَذُرِّيَّـٰتِنَا قُرَّةَ أَعۡيُنٖ وَٱجۡعَلۡنَا لِلۡمُتَّقِينَ إِمَامًا 74

En degenen die zeggen: “Onze Heer! Geef ons van onze vrouwen en ons nageslacht degenen die plezier voor onze ogen zijn en maakt ons leiders van de godvrezenden.”

أُوْلَـٰٓئِكَ يُجۡزَوۡنَ ٱلۡغُرۡفَةَ بِمَا صَبَرُواْ وَيُلَقَّوۡنَ فِيهَا تَحِيَّةٗ وَسَلَٰمًا 75

Degenen die met de hoogste plaats (in het Paradijs) door hun geduld beloond zullen worden. Daarin zullen zij met groeten en woorden van vrede en respect ontvangen worden.

خَٰلِدِينَ فِيهَاۚ حَسُنَتۡ مُسۡتَقَرّٗا وَمُقَامٗا 76

Zij leven daarin eeuwig, een goede vestiging en verblijfplaats.

قُلۡ مَا يَعۡبَؤُاْ بِكُمۡ رَبِّي لَوۡلَا دُعَآؤُكُمۡۖ فَقَدۡ كَذَّبۡتُمۡ فَسَوۡفَ يَكُونُ لِزَامَۢا 77

Zeg: “Mijn Heer let niet op jullie indien jullie Hem niet aanroepen; waarlijk, jullie hebben Hem geloochend, dus is er spoedig een onvermijdbare bestraffing.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Close