Soera 23 – Al-Mu-minun – De Gelovigen – المؤمنون

Deze soera in de nieuwe Koran omgeving lezen? Ja, graag
bismillah ir rahman ir rahim

قَدۡ أَفۡلَحَ ٱلۡمُؤۡمِنُونَ 1

Voorspoedig zijn de gelovigen. (in Allah en Zijn Boodschapper doordat zij handelen naar Zijn geboden en wegblijven van Zijn verboden).

ٱلَّذِينَ هُمۡ فِي صَلَاتِهِمۡ خَٰشِعُونَ 2

(Dit zijn) degenen die hun gebeden in volle ernst en totale onderwerping verrichten (waardoor hun harten tot rust komen).

وَٱلَّذِينَ هُمۡ عَنِ ٱللَّغۡوِ مُعۡرِضُونَ 3

En degenen die zich van het oppervlakkige gesprek afkeren.

وَٱلَّذِينَ هُمۡ لِلزَّكَوٰةِ فَٰعِلُونَ 4

En degenen die de Zakat betalen.

وَٱلَّذِينَ هُمۡ لِفُرُوجِهِمۡ حَٰفِظُونَ 5

En degenen die hun kuisheid behoeden.

إِلَّا عَلَىٰٓ أَزۡوَٰجِهِمۡ أَوۡ مَا مَلَكَتۡ أَيۡمَٰنُهُمۡ فَإِنَّهُمۡ غَيۡرُ مَلُومِينَ 6

Behalve voor hun vrouwen of wat hun rechterhand bezit, dan worden zij niet verweten.

فَمَنِ ٱبۡتَغَىٰ وَرَآءَ ذَٰلِكَ فَأُوْلَـٰٓئِكَ هُمُ ٱلۡعَادُونَ 7

Maar iedereen wie meer dan dat wil, zij zijn de overtreders.

وَٱلَّذِينَ هُمۡ لِأَمَٰنَٰتِهِمۡ وَعَهۡدِهِمۡ رَٰعُونَ 8

Degenen die oprecht trouw zijn aan datgene wat hun toegewezen is en aan hun verbond.

وَٱلَّذِينَ هُمۡ عَلَىٰ صَلَوَٰتِهِمۡ يُحَافِظُونَ 9

En degenen die hun gebeden strikt onderhouden.

أُوْلَـٰٓئِكَ هُمُ ٱلۡوَٰرِثُونَ 10

Zij zijn zeker de erfgenamen.

ٱلَّذِينَ يَرِثُونَ ٱلۡفِرۡدَوۡسَ هُمۡ فِيهَا خَٰلِدُونَ 11

Die het Paradijs zullen erven. Zij zullen daarin voor altijd verblijven.

وَلَقَدۡ خَلَقۡنَا ٱلۡإِنسَٰنَ مِن سُلَٰلَةٖ مِّن طِينٖ 12

En voorwaar, Wij hebben de mens uit een extract van klei geschapen.

ثُمَّ جَعَلۡنَٰهُ نُطۡفَةٗ فِي قَرَارٖ مَّكِينٖ 13

Toen maakten Wij hem tot een druppel (en brachten het onder) in een veilig onderkomen.

ثُمَّ خَلَقۡنَا ٱلنُّطۡفَةَ عَلَقَةٗ فَخَلَقۡنَا ٱلۡعَلَقَةَ مُضۡغَةٗ فَخَلَقۡنَا ٱلۡمُضۡغَةَ عِظَٰمٗا فَكَسَوۡنَا ٱلۡعِظَٰمَ لَحۡمٗا ثُمَّ أَنشَأۡنَٰهُ خَلۡقًا ءَاخَرَۚ فَتَبَارَكَ ٱللَّهُ أَحۡسَنُ ٱلۡخَٰلِقِينَ 14

Toen vormden Wij de druppel tot een bloedklonter, daarna maakten Wij van de klonter een kleine vleesklomp, waarna Wij die kleine vleesklomp voorzagen van beenderen, vervolgens bekleedden Wij die beenderen met vlees en later brachten Wij het voort als een andere schepping. Gezegend dus is Allah, de Beste der Scheppers.

ثُمَّ إِنَّكُم بَعۡدَ ذَٰلِكَ لَمَيِّتُونَ 15

En vervolgens zullen jullie zeker daarna sterven.

ثُمَّ إِنَّكُمۡ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ تُبۡعَثُونَ 16

Daarna zullen jullie op de Dag der Opstanding herrijzen.

وَلَقَدۡ خَلَقۡنَا فَوۡقَكُمۡ سَبۡعَ طَرَآئِقَ وَمَا كُنَّا عَنِ ٱلۡخَلۡقِ غَٰفِلِينَ 17

En voorwaar, Wij hebben boven jullie zeven hemelen geschapen, en Wij veronachtzamen de schepping niet.

وَأَنزَلۡنَا مِنَ ٱلسَّمَآءِ مَآءَۢ بِقَدَرٖ فَأَسۡكَنَّـٰهُ فِي ٱلۡأَرۡضِۖ وَإِنَّا عَلَىٰ ذَهَابِۭ بِهِۦ لَقَٰدِرُونَ 18

En Wij stuurden uit de hemel water neer in (afgemeten) hoeveelheid, waarna Wij het blijvend in de grond vasthouden. En waarlijk, Wij zijn in staat om het weg te nemen.

فَأَنشَأۡنَا لَكُم بِهِۦ جَنَّـٰتٖ مِّن نَّخِيلٖ وَأَعۡنَٰبٖ لَّكُمۡ فِيهَا فَوَٰكِهُ كَثِيرَةٞ وَمِنۡهَا تَأۡكُلُونَ 19

Daarna brachten Wij voor jullie daarmee tuinen van dadelpalmen en druiven voort, waarin er veel fruit voor jullie is en waarvan jullie eten.

وَشَجَرَةٗ تَخۡرُجُ مِن طُورِ سَيۡنَآءَ تَنۢبُتُ بِٱلدُّهۡنِ وَصِبۡغٖ لِّلۡأٓكِلِينَ 20

En een boom die groeit op de Berg Sinai, die olie en een gerecht voor hen die eten levert.

وَإِنَّ لَكُمۡ فِي ٱلۡأَنۡعَٰمِ لَعِبۡرَةٗۖ نُّسۡقِيكُم مِّمَّا فِي بُطُونِهَا وَلَكُمۡ فِيهَا مَنَٰفِعُ كَثِيرَةٞ وَمِنۡهَا تَأۡكُلُونَ 21

En waarlijk! In het vee is er zeker een les voor jullie. Wij geven jullie te drinken van wat in hun buiken is, En daarin zijn vele voordelen voor jullie en daarvan eten jullie.

وَعَلَيۡهَا وَعَلَى ٱلۡفُلۡكِ تُحۡمَلُونَ 22

En op hen en op de schepen worden jullie gedragen.

وَلَقَدۡ أَرۡسَلۡنَا نُوحًا إِلَىٰ قَوۡمِهِۦ فَقَالَ يَٰقَوۡمِ ٱعۡبُدُواْ ٱللَّهَ مَا لَكُم مِّنۡ إِلَٰهٍ غَيۡرُهُۥٓۚ أَفَلَا تَتَّقُونَ 23

En voorwaar, Wij hebben Noah naar zijn volk gestuurd en hij zei: “O mijn volk! Aanbidt Allah! Jullie hebben geen andere God behalve Hem. Zijn jullie dan niet bang?”

فَقَالَ ٱلۡمَلَؤُاْ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ مِن قَوۡمِهِۦ مَا هَٰذَآ إِلَّا بَشَرٞ مِّثۡلُكُمۡ يُرِيدُ أَن يَتَفَضَّلَ عَلَيۡكُمۡ وَلَوۡ شَآءَ ٱللَّهُ لَأَنزَلَ مَلَـٰٓئِكَةٗ مَّا سَمِعۡنَا بِهَٰذَا فِيٓ ءَابَآئِنَا ٱلۡأَوَّلِينَ 24

Maar de stamhoofden van degenen die onder zijn volk ongelovig waren, zeiden: “Hij is niet meer dan een mens zoals jullie, hij probeert zichzelf boven jullie te stellen. Als Allah het gewild had, dan had Hij beslist Engelen neergezonden; nog nooit hebben wij zoiets gehoord van de voorvaders.

إِنۡ هُوَ إِلَّا رَجُلُۢ بِهِۦ جِنَّةٞ فَتَرَبَّصُواْ بِهِۦ حَتَّىٰ حِينٖ 25

Hij is slechts een man die krankzinnig is, wacht dus een tijdje op hem.”

قَالَ رَبِّ ٱنصُرۡنِي بِمَا كَذَّبُونِ 26

(Noah) zei: “O mijn Heer! Help mij want zij ontkennen mij.”

فَأَوۡحَيۡنَآ إِلَيۡهِ أَنِ ٱصۡنَعِ ٱلۡفُلۡكَ بِأَعۡيُنِنَا وَوَحۡيِنَا فَإِذَا جَآءَ أَمۡرُنَا وَفَارَ ٱلتَّنُّورُ فَٱسۡلُكۡ فِيهَا مِن كُلّٖ زَوۡجَيۡنِ ٱثۡنَيۡنِ وَأَهۡلَكَ إِلَّا مَن سَبَقَ عَلَيۡهِ ٱلۡقَوۡلُ مِنۡهُمۡۖ وَلَا تُخَٰطِبۡنِي فِي ٱلَّذِينَ ظَلَمُوٓاْ إِنَّهُم مُّغۡرَقُونَ 27

toen openbaarden Wij aan hem (zeggende): “Bouw een schip onder Onze ogen en volgens Onze openbaring. En als Ons bevel komt, en de oven overkookt, neem dan aan boord van elk soort twee en jouw familie, behalve degenen waar het Woord al tegen is uitgevaardigd. En spreek Mij niet aan om gunsten te verlenen voor degenen die gezondigd hebben. Waarlijk, zij zullen verdrinken.

فَإِذَا ٱسۡتَوَيۡتَ أَنتَ وَمَن مَّعَكَ عَلَى ٱلۡفُلۡكِ فَقُلِ ٱلۡحَمۡدُ لِلَّهِ ٱلَّذِي نَجَّىٰنَا مِنَ ٱلۡقَوۡمِ ٱلظَّـٰلِمِينَ 28

En als jullie ingescheept zijn, jij en iedereen die met jouw is, zeg dan: “Alle lofbetuigingen en dank zijn voor Allah, Die ons van het volk dat onrechtvaardig is, gered heeft.”

وَقُل رَّبِّ أَنزِلۡنِي مُنزَلٗا مُّبَارَكٗا وَأَنتَ خَيۡرُ ٱلۡمُنزِلِينَ 29

En zeg: “Mijn Heer! Laat mij op een gezegende plaats aankomen, want U bent de Beste van degenen Die plaatsen geven.”

إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَأٓيَٰتٖ وَإِن كُنَّا لَمُبۡتَلِينَ 30

Waarlijk, hierin zijn er zeker Tekenen voor mensen van begrip, want zeker Wij hebben (de mens) aan een beproeving onderworpen.

ثُمَّ أَنشَأۡنَا مِنۢ بَعۡدِهِمۡ قَرۡنًا ءَاخَرِينَ 31

Vervolgens brengen Wij na hen een andere generatie voort.

فَأَرۡسَلۡنَا فِيهِمۡ رَسُولٗا مِّنۡهُمۡ أَنِ ٱعۡبُدُواْ ٱللَّهَ مَا لَكُم مِّنۡ إِلَٰهٍ غَيۡرُهُۥٓۚ أَفَلَا تَتَّقُونَ 32

En Wij hebben hen een Boodschapper gestuurd (zeggende): “Aanbidt Allah! Jullie hebben geen andere God dan Hij. Zijn jullie dan niet bang?”

وَقَالَ ٱلۡمَلَأُ مِن قَوۡمِهِ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ وَكَذَّبُواْ بِلِقَآءِ ٱلۡأٓخِرَةِ وَأَتۡرَفۡنَٰهُمۡ فِي ٱلۡحَيَوٰةِ ٱلدُّنۡيَا مَا هَٰذَآ إِلَّا بَشَرٞ مِّثۡلُكُمۡ يَأۡكُلُ مِمَّا تَأۡكُلُونَ مِنۡهُ وَيَشۡرَبُ مِمَّا تَشۡرَبُونَ 33

En de stamhoofden van zijn volk, die ongelovig waren en de ontmoeting in het Hiernamaals ontkenden en die Wij de weelde en het gemak van dit leven hadden gegeven, zeiden: “Hij is niets meer dan een mens zoals jullie, hij eet wat jullie eten en drinkt wat jullie drinken.

وَلَئِنۡ أَطَعۡتُم بَشَرٗا مِّثۡلَكُمۡ إِنَّكُمۡ إِذٗا لَّخَٰسِرُونَ 34

Als jullie een mens moeten gehoorzamen zoals jullie zelf, dan waarlijk! Jullie zouden zeker verliezers zijn.

أَيَعِدُكُمۡ أَنَّكُمۡ إِذَا مِتُّمۡ وَكُنتُمۡ تُرَابٗا وَعِظَٰمًا أَنَّكُم مُّخۡرَجُونَ 35

Belooft hij jullie dat wanneer jullie gestorven zijn en tot stof en botten geworden zijn, jullie weer levend zullen worden?

۞هَيۡهَاتَ هَيۡهَاتَ لِمَا تُوعَدُونَ 36

Ver, ver weg is wat aan jullie beloofd is.

إِنۡ هِيَ إِلَّا حَيَاتُنَا ٱلدُّنۡيَا نَمُوتُ وَنَحۡيَا وَمَا نَحۡنُ بِمَبۡعُوثِينَ 37

Er is niets dan ons leven in deze wereld! Wij sterven en wij leven! En wij zullen niet herrijzen!

إِنۡ هُوَ إِلَّا رَجُلٌ ٱفۡتَرَىٰ عَلَى ٱللَّهِ كَذِبٗا وَمَا نَحۡنُ لَهُۥ بِمُؤۡمِنِينَ 38

Hij is slechts een man die een leugen over Allah bedacht heeft, maar wij zullen hem niet geloven.”

قَالَ رَبِّ ٱنصُرۡنِي بِمَا كَذَّبُونِ 39

Hij zei: “O mijn Heer! Help mij want zij ontkennen mij.”

قَالَ عَمَّا قَلِيلٖ لَّيُصۡبِحُنَّ نَٰدِمِينَ 40

(Allah) zei: “Over een poosje zullen zij zeker spijt hebben.”

فَأَخَذَتۡهُمُ ٱلصَّيۡحَةُ بِٱلۡحَقِّ فَجَعَلۡنَٰهُمۡ غُثَآءٗۚ فَبُعۡدٗا لِّلۡقَوۡمِ ٱلظَّـٰلِمِينَ 41

Terecht trof de bliksemslag hen toen, en Wij maakten hen als afval van dode planten. Weg dus met het volk dat onrechtvaardig is.

ثُمَّ أَنشَأۡنَا مِنۢ بَعۡدِهِمۡ قُرُونًا ءَاخَرِينَ 42

Vervolgens hebben Wij een andere generatie geschapen.

مَا تَسۡبِقُ مِنۡ أُمَّةٍ أَجَلَهَا وَمَا يَسۡتَـٔۡخِرُونَ 43

Geen volk kan de vastgestelde tijd overschrijden, noch kunnen zij het vertragen.

ثُمَّ أَرۡسَلۡنَا رُسُلَنَا تَتۡرَاۖ كُلَّ مَا جَآءَ أُمَّةٗ رَّسُولُهَا كَذَّبُوهُۖ فَأَتۡبَعۡنَا بَعۡضَهُم بَعۡضٗا وَجَعَلۡنَٰهُمۡ أَحَادِيثَۚ فَبُعۡدٗا لِّقَوۡمٖ لَّا يُؤۡمِنُونَ 44

Vervolgens stuurden Wij in opeenvolging Onze Boodschappers.Telkens wanneer een Boodschapper tot een volk kwam, werd hij ontkend.Toen deden Wij hen elkaar opvolgen (in hun vernietiging), en Wij maakten hen tot onderwerp van verhalen. Ten onder gaat het volk dat niet gelooft!

ثُمَّ أَرۡسَلۡنَا مُوسَىٰ وَأَخَاهُ هَٰرُونَ بِـَٔايَٰتِنَا وَسُلۡطَٰنٖ مُّبِينٍ 45

Toen stuurden Wij Mozes en zijn broeder Haaron met Onze Tekenen en een duidelijk Bewijs.

إِلَىٰ فِرۡعَوۡنَ وَمَلَإِيْهِۦ فَٱسۡتَكۡبَرُواْ وَكَانُواْ قَوۡمًا عَالِينَ 46

Naar de Farao en zijn gezagdragers, maar zij gedroegen zich beledigend en zij waren een aanmatigend volk.

فَقَالُوٓاْ أَنُؤۡمِنُ لِبَشَرَيۡنِ مِثۡلِنَا وَقَوۡمُهُمَا لَنَا عَٰبِدُونَ 47

Zij zeiden: “Zullen wij in twee mensen zoals onszelf geloven, terwijl hun volk voor dienaren is?”

فَكَذَّبُوهُمَا فَكَانُواْ مِنَ ٱلۡمُهۡلَكِينَ 48

Dus zij ontkenden hen beiden en behoorden toen tot degenen die vernietigd werden.

وَلَقَدۡ ءَاتَيۡنَا مُوسَى ٱلۡكِتَٰبَ لَعَلَّهُمۡ يَهۡتَدُونَ 49

En voorwaar, Wij gaven Mozes het Boek, opdat (de Kinderen Israëls) leiding mochten volgen.

وَجَعَلۡنَا ٱبۡنَ مَرۡيَمَ وَأُمَّهُۥٓ ءَايَةٗ وَءَاوَيۡنَٰهُمَآ إِلَىٰ رَبۡوَةٖ ذَاتِ قَرَارٖ وَمَعِينٖ 50

En Wij hebben de zoon van Maryam en zijn moeder als een Teken gemaakt, en Wij gaven hen een toevluchtsoord op hoge gronden, een rustplaats, zekerheid en stromende rivieren.

يَـٰٓأَيُّهَا ٱلرُّسُلُ كُلُواْ مِنَ ٱلطَّيِّبَٰتِ وَٱعۡمَلُواْ صَٰلِحًاۖ إِنِّي بِمَا تَعۡمَلُونَ عَلِيمٞ 51

O Boodschappers! Eet van het wettige en goede voedsel, "en verricht goede daden (zowel de verplichte als de vrijwillige). Waarlijk! Ik ben Welbekend met datgene wat jullie doen.

وَإِنَّ هَٰذِهِۦٓ أُمَّتُكُمۡ أُمَّةٗ وَٰحِدَةٗ وَأَنَا۠ رَبُّكُمۡ فَٱتَّقُونِ 52

En waarlijk! Dit is jullie godsdienst en is de enige godsdienst. En Ik ben jullie Heer, wees dus plichtsgetrouw tot Mij.

فَتَقَطَّعُوٓاْ أَمۡرَهُم بَيۡنَهُمۡ زُبُرٗاۖ كُلُّ حِزۡبِۭ بِمَا لَدَيۡهِمۡ فَرِحُونَ 53

Maar zij hebben hun godsdienst in sekten opgebroken, iedere groep verheugend in zijn geloof.

فَذَرۡهُمۡ فِي غَمۡرَتِهِمۡ حَتَّىٰ حِينٍ 54

Laat hen dus in dwaling tot een bepaald tijdstip.

أَيَحۡسَبُونَ أَنَّمَا نُمِدُّهُم بِهِۦ مِن مَّالٖ وَبَنِينَ 55

Denken zij dat omdat Wij hen rijkdom en kinderen hebben gegeven,

نُسَارِعُ لَهُمۡ فِي ٱلۡخَيۡرَٰتِۚ بَل لَّا يَشۡعُرُونَ 56

Wij Ons bespoedigen tot hen met goede zaken? Nee, maar zij zien dat niet.

إِنَّ ٱلَّذِينَ هُم مِّنۡ خَشۡيَةِ رَبِّهِم مُّشۡفِقُونَ 57

Waarlijk! Degenen die in ontzag en vrees voor hun Heer leven.

وَٱلَّذِينَ هُم بِـَٔايَٰتِ رَبِّهِمۡ يُؤۡمِنُونَ 58

En degenen die in de Tekenen van hun Heer geloven,

وَٱلَّذِينَ هُم بِرَبِّهِمۡ لَا يُشۡرِكُونَ 59

En degenen die geen deelgenoten aan hun Heer toekennen.

وَٱلَّذِينَ يُؤۡتُونَ مَآ ءَاتَواْ وَّقُلُوبُهُمۡ وَجِلَةٌ أَنَّهُمۡ إِلَىٰ رَبِّهِمۡ رَٰجِعُونَ 60

En degenen die geven met hun harten vol vrees omdat zij er zeker van zijn dat zij tot hun Heer terugkeren.

أُوْلَـٰٓئِكَ يُسَٰرِعُونَ فِي ٱلۡخَيۡرَٰتِ وَهُمۡ لَهَا سَٰبِقُونَ 61

Zij zijn het die wedijveren om de goede daden en zij zijn er de eersten in.

وَلَا نُكَلِّفُ نَفۡسًا إِلَّا وُسۡعَهَاۚ وَلَدَيۡنَا كِتَٰبٞ يَنطِقُ بِٱلۡحَقِّ وَهُمۡ لَا يُظۡلَمُونَ 62

En Wij belasten niemand behalve volgens zijn vermogen en met Ons is een rapport wat de Waarheid spreekt en hen zal geen onrecht worden aangedaan.

بَلۡ قُلُوبُهُمۡ فِي غَمۡرَةٖ مِّنۡ هَٰذَا وَلَهُمۡ أَعۡمَٰلٞ مِّن دُونِ ذَٰلِكَ هُمۡ لَهَا عَٰمِلُونَ 63

Nee, maar hun harten zijn onverschillig jegens dit Boek. En bovendien hebben zij andere (slechte) daden naast wat zij doen.

حَتَّىٰٓ إِذَآ أَخَذۡنَا مُتۡرَفِيهِم بِٱلۡعَذَابِ إِذَا هُمۡ يَجۡـَٔرُونَ 64

Totdat, wanneer Wij degenen onder hen die in weelde leven leiden met de bestraffing treffen; zij om hulp schreeuwen.

لَا تَجۡـَٔرُواْ ٱلۡيَوۡمَۖ إِنَّكُم مِّنَّا لَا تُنصَرُونَ 65

Schreeuw Die Dag niet (om hulp): jullie zullen door Ons niet geholpen worden.

قَدۡ كَانَتۡ ءَايَٰتِي تُتۡلَىٰ عَلَيۡكُمۡ فَكُنتُمۡ عَلَىٰٓ أَعۡقَٰبِكُمۡ تَنكِصُونَ 66

Voorwaar, Mijn Verzen worden al voor jullie gereciteerd, maar jullie draaien je op je hielen terug.

مُسۡتَكۡبِرِينَ بِهِۦ سَٰمِرٗا تَهۡجُرُونَ 67

Trots spreken zij er ’s nachts kwaad over.

أَفَلَمۡ يَدَّبَّرُواْ ٱلۡقَوۡلَ أَمۡ جَآءَهُم مَّا لَمۡ يَأۡتِ ءَابَآءَهُمُ ٱلۡأَوَّلِينَ 68

Hebben zij niet over het Woord nagedacht of is er iets tot hen gekomen wat niet tot hun voorvaderen is" gekomen?

أَمۡ لَمۡ يَعۡرِفُواْ رَسُولَهُمۡ فَهُمۡ لَهُۥ مُنكِرُونَ 69

Of is het dat zij hun Boodschapper niet erkennen zodat zij hem verloochenen?

أَمۡ يَقُولُونَ بِهِۦ جِنَّةُۢۚ بَلۡ جَآءَهُم بِٱلۡحَقِّ وَأَكۡثَرُهُمۡ لِلۡحَقِّ كَٰرِهُونَ 70

Of zeggen zij dat “er krankzinnigheid in hem is?” Integendeel, hij heeft hun de Waarheid gebracht maar de meesten van hen zijn afkerig van de Waarheid.

وَلَوِ ٱتَّبَعَ ٱلۡحَقُّ أَهۡوَآءَهُمۡ لَفَسَدَتِ ٱلسَّمَٰوَٰتُ وَٱلۡأَرۡضُ وَمَن فِيهِنَّۚ بَلۡ أَتَيۡنَٰهُم بِذِكۡرِهِمۡ فَهُمۡ عَن ذِكۡرِهِم مُّعۡرِضُونَ 71

En als de Waarheid in overeenstemming met hun wensen was, waarlijk, de hemelen en de aarde en alles wat daarop is zou ten onder gaan. Nee, Wij hebben hun een Overdenking gebracht, maar zij keren zich van de Overdenking af.

أَمۡ تَسۡـَٔلُهُمۡ خَرۡجٗا فَخَرَاجُ رَبِّكَ خَيۡرٞۖ وَهُوَ خَيۡرُ ٱلرَّـٰزِقِينَ 72

Of is het zo dat jij (O Mohammed) hen om een beloning vroeg? Maar de beloning van jouw Heer is beter en Hij is de Beste van de Voorzieners.

وَإِنَّكَ لَتَدۡعُوهُمۡ إِلَىٰ صِرَٰطٖ مُّسۡتَقِيمٖ 73

En zeker, jij roept hen op tot een recht Pad.

وَإِنَّ ٱلَّذِينَ لَا يُؤۡمِنُونَ بِٱلۡأٓخِرَةِ عَنِ ٱلصِّرَٰطِ لَنَٰكِبُونَ 74

En waarlijk, degenen die niet in het Hiernamaals geloven, dwalen zeker af van het rechte Pad.

۞وَلَوۡ رَحِمۡنَٰهُمۡ وَكَشَفۡنَا مَا بِهِم مِّن ضُرّٖ لَّلَجُّواْ فِي طُغۡيَٰنِهِمۡ يَعۡمَهُونَ 75

En als Wij genade met hen zouden hebben en hun ellende die zij ondergaan van hen zouden verwijderen, dan zouden zij blijven doorgaan met hun dwalingen.

وَلَقَدۡ أَخَذۡنَٰهُم بِٱلۡعَذَابِ فَمَا ٱسۡتَكَانُواْ لِرَبِّهِمۡ وَمَا يَتَضَرَّعُونَ 76

En voorwaar, Wij grepen hen met bestraffing, toch werden zij niet nederig voor hun Heer noch werden zij ootmoedig.

حَتَّىٰٓ إِذَا فَتَحۡنَا عَلَيۡهِم بَابٗا ذَا عَذَابٖ شَدِيدٍ إِذَا هُمۡ فِيهِ مُبۡلِسُونَ 77

Totdat Wij een poort van zware bestraffing voor hen openden en zie! Zij worden in de vernietiging gestort met diepe spijt, berouw en wanhoop.

وَهُوَ ٱلَّذِيٓ أَنشَأَ لَكُمُ ٱلسَّمۡعَ وَٱلۡأَبۡصَٰرَ وَٱلۡأَفۡـِٔدَةَۚ قَلِيلٗا مَّا تَشۡكُرُونَ 78

Hij is het, Die voor jullie het gehoor, gezichtsvermogen en het hart geschapen heeft. Jullie danken slechts weinig.

وَهُوَ ٱلَّذِي ذَرَأَكُمۡ فِي ٱلۡأَرۡضِ وَإِلَيۡهِ تُحۡشَرُونَ 79

En Hij is het Die jullie deed groeien op aarde en tot Hem zullen jullie verzameld worden.

وَهُوَ ٱلَّذِي يُحۡيِۦ وَيُمِيتُ وَلَهُ ٱخۡتِلَٰفُ ٱلَّيۡلِ وَٱلنَّهَارِۚ أَفَلَا تَعۡقِلُونَ 80

En Hij is het Die het leven geeft en de dood veroorzaakt, en aan Hem behoort de afwisseling van de nacht en de dag. Zullen jullie het dan niet begrijpen?

بَلۡ قَالُواْ مِثۡلَ مَا قَالَ ٱلۡأَوَّلُونَ 81

Nee, maar zij zeggen hetzelfde als wat de vroegeren zeiden.

قَالُوٓاْ أَءِذَا مِتۡنَا وَكُنَّا تُرَابٗا وَعِظَٰمًا أَءِنَّا لَمَبۡعُوثُونَ 82

Zij zeiden: “Als wij "dood zijn en tot stof en beenderen geworden zijn, zullen wij dan echt herrezen worden?

لَقَدۡ وُعِدۡنَا نَحۡنُ وَءَابَآؤُنَا هَٰذَا مِن قَبۡلُ إِنۡ هَٰذَآ إِلَّآ أَسَٰطِيرُ ٱلۡأَوَّلِينَ 83

Waarlijk, dit is ons beloofd, ons en onze vaders voor (ons)! Dit zijn slechts de verhalen van de vroegeren.”

قُل لِّمَنِ ٱلۡأَرۡضُ وَمَن فِيهَآ إِن كُنتُمۡ تَعۡلَمُونَ 84

Zeg: “Aan wie behoort de aarde en alles wat zich daarop bevindt? Als jullie het maar weten!”

سَيَقُولُونَ لِلَّهِۚ قُلۡ أَفَلَا تَذَكَّرُونَ 85

Zij zullen zeggen: “Het is van Allah!” Zeg: “Zullen jullie daar dan niet aan denken?”

قُلۡ مَن رَّبُّ ٱلسَّمَٰوَٰتِ ٱلسَّبۡعِ وَرَبُّ ٱلۡعَرۡشِ ٱلۡعَظِيمِ 86

Zeg: “Wie is (de) Heer van de zeven hemelen en (de ) Heer van de Grote Troon?”

سَيَقُولُونَ لِلَّهِۚ قُلۡ أَفَلَا تَتَّقُونَ 87

Zij zullen zeggen: ”Allah.” Zeg: “Zullen jullie Allah dan niet vrezen?”

قُلۡ مَنۢ بِيَدِهِۦ مَلَكُوتُ كُلِّ شَيۡءٖ وَهُوَ يُجِيرُ وَلَا يُجَارُ عَلَيۡهِ إِن كُنتُمۡ تَعۡلَمُونَ 88

Zeg: “In wiens handen is de soevereiniteit van alles? En Hij beschermt (alles) terwijl er tegen Hem geen beschermer is als jullie weten.”

سَيَقُولُونَ لِلَّهِۚ قُلۡ فَأَنَّىٰ تُسۡحَرُونَ 89

Zij zullen zeggen: “(Alles behoort) aan Allah.” Zeg: “Waarom zijn jullie dan misleid?”

بَلۡ أَتَيۡنَٰهُم بِٱلۡحَقِّ وَإِنَّهُمۡ لَكَٰذِبُونَ 90

Maar Wij hebben de Waarheid gebracht en waarlijk, zij zijn leugenaars.

مَا ٱتَّخَذَ ٱللَّهُ مِن وَلَدٖ وَمَا كَانَ مَعَهُۥ مِنۡ إِلَٰهٍۚ إِذٗا لَّذَهَبَ كُلُّ إِلَٰهِۭ بِمَا خَلَقَ وَلَعَلَا بَعۡضُهُمۡ عَلَىٰ بَعۡضٖۚ سُبۡحَٰنَ ٱللَّهِ عَمَّا يَصِفُونَ 91

Geen zoon heeft Allah gekregen noch is er een god naast Hem; zie, iedere god zou weggenomen hebben wat hij geschapen had en sommigen zouden geprobeerd hebben anderen te overwinnen! Verheerlijkt is Allah boven al wat zij Hem hebben toegekend!

عَٰلِمِ ٱلۡغَيۡبِ وَٱلشَّهَٰدَةِ فَتَعَٰلَىٰ عَمَّا يُشۡرِكُونَ 92

Alwetende van het onzichtbare en het zichtbare! Uitmuntend is Hij boven wat zij Hem toekennen.

قُل رَّبِّ إِمَّا تُرِيَنِّي مَا يُوعَدُونَ 93

Zeg: “Mijn Heer! Als U mij laat zien waarmee zij bedreigd worden.

رَبِّ فَلَا تَجۡعَلۡنِي فِي ٱلۡقَوۡمِ ٱلظَّـٰلِمِينَ 94

Mijn Heer! Plaats mij niet tussen de mensen die onrechtvaardig zijn!”

وَإِنَّا عَلَىٰٓ أَن نُّرِيَكَ مَا نَعِدُهُمۡ لَقَٰدِرُونَ 95

En voorwaar, Wij zijn in staat om jou te laten zien waarmee Wij hen bedreigd hebben.

ٱدۡفَعۡ بِٱلَّتِي هِيَ أَحۡسَنُ ٱلسَّيِّئَةَۚ نَحۡنُ أَعۡلَمُ بِمَا يَصِفُونَ 96

Weer het kwaad af met dat wat beter is. Wij zijn welbekend met de dingen die zij uiten.

وَقُل رَّبِّ أَعُوذُ بِكَ مِنۡ هَمَزَٰتِ ٱلشَّيَٰطِينِ 97

En zeg: “Mijn Heer, ik zoek mijn toevlucht bij U tegen de influisteringen van de Duivels.

وَأَعُوذُ بِكَ رَبِّ أَن يَحۡضُرُونِ 98

En ik zoek toevlucht bij U, mijn Heer! Opdat zij mij niet (met hun slechtheden) zullen naderen (tijdens mijn handelingen).”

حَتَّىٰٓ إِذَا جَآءَ أَحَدَهُمُ ٱلۡمَوۡتُ قَالَ رَبِّ ٱرۡجِعُونِ 99

Maar wanneer de dood tot één van hen komt, zegt hij: “Mijn Heer! Stuur mij terug,

لَعَلِّيٓ أَعۡمَلُ صَٰلِحٗا فِيمَا تَرَكۡتُۚ كَلَّآۚ إِنَّهَا كَلِمَةٌ هُوَ قَآئِلُهَاۖ وَمِن وَرَآئِهِم بَرۡزَخٌ إِلَىٰ يَوۡمِ يُبۡعَثُونَ 100

Zodat ik goed kan doen in datgene wat ik heb achtergelaten!” Nee! Het is slechts een woord dat hij spreekt, en achter hem een scheiding tot de Dag dat zij zullen herrijzen.

فَإِذَا نُفِخَ فِي ٱلصُّورِ فَلَآ أَنسَابَ بَيۡنَهُمۡ يَوۡمَئِذٖ وَلَا يَتَسَآءَلُونَ 101

Dan, als de trompet geblazen wordt, zal er geen verwantschap meer zijn onder hen op die Dag, noch zullen zij elkander vragen.

فَمَن ثَقُلَتۡ مَوَٰزِينُهُۥ فَأُوْلَـٰٓئِكَ هُمُ ٱلۡمُفۡلِحُونَ 102

Degenen wiens weegschalen zwaar wegen: zij zijn degenen die de welslagenden zijn.

وَمَنۡ خَفَّتۡ مَوَٰزِينُهُۥ فَأُوْلَـٰٓئِكَ ٱلَّذِينَ خَسِرُوٓاْ أَنفُسَهُمۡ فِي جَهَنَّمَ خَٰلِدُونَ 103

En degenen wiens weegschalen licht wegen: zij zijn degenen die zichzelf verloren hebben, in de Hel zullen zij verblijven.

تَلۡفَحُ وُجُوهَهُمُ ٱلنَّارُ وَهُمۡ فِيهَا كَٰلِحُونَ 104

Het Vuur zal hun gezichten verbranden en daarin zullen zij verschrompelen.

أَلَمۡ تَكُنۡ ءَايَٰتِي تُتۡلَىٰ عَلَيۡكُمۡ فَكُنتُم بِهَا تُكَذِّبُونَ 105

Werden niet Mijn Verzen aan jullie gereciteerd, en hebben jullie die niet verloochend?

قَالُواْ رَبَّنَا غَلَبَتۡ عَلَيۡنَا شِقۡوَتُنَا وَكُنَّا قَوۡمٗا ضَآلِّينَ 106

Zij zullen zeggen: “Onze Heer! Onze tegenspoed overkwam ons en wij waren een dwalend volk.

رَبَّنَآ أَخۡرِجۡنَا مِنۡهَا فَإِنۡ عُدۡنَا فَإِنَّا ظَٰلِمُونَ 107

Onze Heer! Breng ons hier uit; als wij het herhalen, dan zijn wij zeker onrechtvaardigen.”

قَالَ ٱخۡسَـُٔواْ فِيهَا وَلَا تُكَلِّمُونِ 108

Hij zal zeggen: “Blijf daarin en lijdt. En spreek niet tot Mij!”

إِنَّهُۥ كَانَ فَرِيقٞ مِّنۡ عِبَادِي يَقُولُونَ رَبَّنَآ ءَامَنَّا فَٱغۡفِرۡ لَنَا وَٱرۡحَمۡنَا وَأَنتَ خَيۡرُ ٱلرَّـٰحِمِينَ 109

Waarlijk! Er was een deel van Mijn slaven die plachten te zeggen: “Onze Heer! Wij geloven, vergeef ons dus en heb medelijden met ons, want U bent de Beste der Barmhartigen.”

فَٱتَّخَذۡتُمُوهُمۡ سِخۡرِيًّا حَتَّىٰٓ أَنسَوۡكُمۡ ذِكۡرِي وَكُنتُم مِّنۡهُمۡ تَضۡحَكُونَ 110

Maar jullie hielden hen voor de gek, en wel zo, dat jullie Mijn Overdenking vergaten terwijl jullie om hen lachten!

إِنِّي جَزَيۡتُهُمُ ٱلۡيَوۡمَ بِمَا صَبَرُوٓاْ أَنَّهُمۡ هُمُ ٱلۡفَآئِزُونَ 111

Waarlijk! Deze Dag heb Ik hun geduld beloond, zij zijn zeker degenen die geslaagd zijn.”

قَٰلَ كَمۡ لَبِثۡتُمۡ فِي ٱلۡأَرۡضِ عَدَدَ سِنِينَ 112

Hij (Allah) zei: “Hoeveel jaren brachten jullie op de aarde door?”

قَالُواْ لَبِثۡنَا يَوۡمًا أَوۡ بَعۡضَ يَوۡمٖ فَسۡـَٔلِ ٱلۡعَآدِّينَ 113

(Vertwijfeld) zullen zij zeggen: “Wij verbleven (daar) een dag. Of was het een gedeelte van de dag? Vraag het aan (de Engelen) die (onze daden tot in het kleinste detail) bijhielden.”

قَٰلَ إِن لَّبِثۡتُمۡ إِلَّا قَلِيلٗاۖ لَّوۡ أَنَّكُمۡ كُنتُمۡ تَعۡلَمُونَ 114

Hij (Allah) zal zeggen: “(In verhouding tot jullie verblijf in de Hel) was jullie verblijf (op en in de aarde) maar van korte duur, als jullie het weten.

أَفَحَسِبۡتُمۡ أَنَّمَا خَلَقۡنَٰكُمۡ عَبَثٗا وَأَنَّكُمۡ إِلَيۡنَا لَا تُرۡجَعُونَ 115

Denken jullie dat Wij jullie (zomaar) hebben geschapen zodat (jullie jezelf in onachtzaamheid) kunnen vermaken (met de geneugten des levens), zonder dat jullie bij Ons worden geroepen?”

فَتَعَٰلَى ٱللَّهُ ٱلۡمَلِكُ ٱلۡحَقُّۖ لَآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ رَبُّ ٱلۡعَرۡشِ ٱلۡكَرِيمِ 116

Uitmuntend en Verheven is Allah (boven deze misvatting), de Ware Koning. Er is geen god dan Hij, de Heer van de Verheven Troon!

وَمَن يَدۡعُ مَعَ ٱللَّهِ إِلَٰهًا ءَاخَرَ لَا بُرۡهَٰنَ لَهُۥ بِهِۦ فَإِنَّمَا حِسَابُهُۥ عِندَ رَبِّهِۦٓۚ إِنَّهُۥ لَا يُفۡلِحُ ٱلۡكَٰفِرُونَ 117

En ieder die een andere god naast Allah aanroept waarvoor hij geen bewijs heeft: zijn afrekening is slechts bij zijn Heer. Zeker! De ongelovigen zullen niet welslagen.

وَقُل رَّبِّ ٱغۡفِرۡ وَٱرۡحَمۡ وَأَنتَ خَيۡرُ ٱلرَّـٰحِمِينَ 118

En zeg: “Mijn Heer! Vergeef en heb medelijden, want U bent de Beste van de Barmhartigen.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Close