Soera 23 – Al-Mu-minun – De Gelovigen – المؤمنون

bismillah ir rahman ir rahim

قَدْ أَفْلَحَ الْمُؤْمِنُونَ 1

Voorzeker, de gelovigen zijn succesvol.

الَّذِينَ هُمْ فِي صَلَاتِهِمْ خَاشِعُونَ 2

Degenen die nederig zijn in hun gebeden.

وَالَّذِينَ هُمْ عَنِ اللَّغْوِ مُعْرِضُونَ 3

En degenen die zich afwenden van nutteloos gepraat.

وَالَّذِينَ هُمْ لِلزَّكَاةِ فَاعِلُونَ 4

En degenen die de Zakaat afdragen.

وَالَّذِينَ هُمْ لِفُرُوجِهِمْ حَافِظُونَ 5

En degenen die over hun geslachtsdelen (d.w.z. over hun kuisheid) waken.

إِلَّا عَلَىٰ أَزْوَاجِهِمْ أَوْ مَا مَلَكَتْ أَيْمَانُهُمْ فَإِنَّهُمْ غَيْرُ مَلُومِينَ 6

Behalve tegenover hun echtgenotes of (tegenover datgene) wat hun rechterhand bezit (d.w.z. hun slavinnen). Waarlijk, hen treft dan geen blaam.

فَمَنِ ابْتَغَىٰ وَرَاءَ ذَٰلِكَ فَأُولَٰئِكَ هُمُ الْعَادُونَ 7

Maar wie daarbuiten (naar iets anders) streeft, zij zijn dan de overtreders.

وَالَّذِينَ هُمْ لِأَمَانَاتِهِمْ وَعَهْدِهِمْ رَاعُونَ 8

En degenen die trouw zijn aan zaken die aan hen zijn toevertrouwd en (aan) hun beloften.

وَالَّذِينَ هُمْ عَلَىٰ صَلَوَاتِهِمْ يُحَافِظُونَ 9

En degenen die over hun gebeden waken.

أُولَٰئِكَ هُمُ الْوَارِثُونَ 10

Zij zijn de erfgenamen.

الَّذِينَ يَرِثُونَ الْفِرْدَوْسَ هُمْ فِيهَا خَالِدُونَ 11

Degenen die al-Firdaws (d.w.z. het Paradijs) zullen erven. Zij vertoeven daarin voor eeuwig.

وَلَقَدْ خَلَقْنَا الْإِنسَانَ مِن سُلَالَةٍ مِّن طِينٍ 12

En voorzeker, Wij hebben de mens uit een uittreksel van klei geschapen.

ثُمَّ جَعَلْنَاهُ نُطْفَةً فِي قَرَارٍ مَّكِينٍ 13

Vervolgens maakten Wij hem tot een waterdruppel in een veilige verblijfplaats (d.w.z. in de baarmoeder van de vrouw).

ثُمَّ خَلَقْنَا النُّطْفَةَ عَلَقَةً فَخَلَقْنَا الْعَلَقَةَ مُضْغَةً فَخَلَقْنَا الْمُضْغَةَ عِظَامًا فَكَسَوْنَا الْعِظَامَ لَحْمًا ثُمَّ أَنشَأْنَاهُ خَلْقًا آخَرَ ۚ فَتَبَارَكَ اللَّهُ أَحْسَنُ الْخَالِقِينَ 14

Vervolgens schiepen Wij de waterdruppel tot een bloedklonter. Toen schiepen Wij van de bloedklonter een vleesklomp en Wij maakten uit de vleesklomp beenderen, waarna Wij de beenderen bedekten met vlees. Daarna schiepen Wij het als een andere schepping (door de ziel erin te blazen). Gezegend is daarom Allah, de Beste onder de scheppers.

ثُمَّ إِنَّكُم بَعْدَ ذَٰلِكَ لَمَيِّتُونَ 15

Voorwaar, vervolgens zullen jullie hierna zeker sterven.

ثُمَّ إِنَّكُمْ يَوْمَ الْقِيَامَةِ تُبْعَثُونَ 16

Voorwaar, vervolgens zullen jullie op de Dag der Opstanding worden opgewekt.

وَلَقَدْ خَلَقْنَا فَوْقَكُمْ سَبْعَ طَرَائِقَ وَمَا كُنَّا عَنِ الْخَلْقِ غَافِلِينَ 17

En voorzeker, Wij schiepen boven jullie zeven (op elkaar gestapelde) hemelen en Wij zijn Ons zeker niet onbewust van de schepping.

وَأَنزَلْنَا مِنَ السَّمَاءِ مَاءً بِقَدَرٍ فَأَسْكَنَّاهُ فِي الْأَرْضِ ۖ وَإِنَّا عَلَىٰ ذَهَابٍ بِهِ لَقَادِرُونَ 18

En Wij zonden water uit de hemel neer volgens een bepaalde maat en Wij gaven het (water) verblijf in de aarde. En voorwaar, Wij zijn zeker bij machte om het weg te nemen.

فَأَنشَأْنَا لَكُم بِهِ جَنَّاتٍ مِّن نَّخِيلٍ وَأَعْنَابٍ لَّكُمْ فِيهَا فَوَاكِهُ كَثِيرَةٌ وَمِنْهَا تَأْكُلُونَ 19

Toen schiepen Wij daarmee voor jullie tuinen met dadelpalmen en druiven. Daarin zijn veel vruchten voor jullie en daarvan eten jullie.

وَشَجَرَةً تَخْرُجُ مِن طُورِ سَيْنَاءَ تَنبُتُ بِالدُّهْنِ وَصِبْغٍ لِّلْآكِلِينَ 20

En een (olijf)boom die uit de berg Sinaï groeit, waaruit olie voortkomt. En het dient als toespijs voor degenen die het eten.

وَإِنَّ لَكُمْ فِي الْأَنْعَامِ لَعِبْرَةً ۖ نُّسْقِيكُم مِّمَّا فِي بُطُونِهَا وَلَكُمْ فِيهَا مَنَافِعُ كَثِيرَةٌ وَمِنْهَا تَأْكُلُونَ 21

En waarlijk, voor jullie bevindt er zich in het vee zeker een lering. Wij geven jullie te drinken van dat wat zich in hun buiken bevindt. En daarin bevindt zich voor jullie veel voordeel en daarvan eten jullie.

وَعَلَيْهَا وَعَلَى الْفُلْكِ تُحْمَلُونَ 22

En hierop (d.w.z. op het vee) en op de schepen worden jullie gedragen.

وَلَقَدْ أَرْسَلْنَا نُوحًا إِلَىٰ قَوْمِهِ فَقَالَ يَا قَوْمِ اعْبُدُوا اللَّهَ مَا لَكُم مِّنْ إِلَٰهٍ غَيْرُهُ ۖ أَفَلَا تَتَّقُونَ 23

En voorzeker, Wij hebben Noeh naar zijn volk gestuurd en hij zei: “O mijn volk, aanbid Allah. Jullie hebben geen andere god dan Hem. Vrezen jullie (Allah) dan niet?”

فَقَالَ الْمَلَأُ الَّذِينَ كَفَرُوا مِن قَوْمِهِ مَا هَٰذَا إِلَّا بَشَرٌ مِّثْلُكُمْ يُرِيدُ أَن يَتَفَضَّلَ عَلَيْكُمْ وَلَوْ شَاءَ اللَّهُ لَأَنزَلَ مَلَائِكَةً مَّا سَمِعْنَا بِهَٰذَا فِي آبَائِنَا الْأَوَّلِينَ 24

En de vooraanstaanden van zijn volk die niet geloofden, zeiden: “Hij is slechts een mens net als jullie. Hij wil zich boven jullie stellen. En als Allah het had gewild, dan had Hij zeker Engelen neergezonden. Wij hebben hier niets over gehoord van onze vroegere voorvaderen.

إِنْ هُوَ إِلَّا رَجُلٌ بِهِ جِنَّةٌ فَتَرَبَّصُوا بِهِ حَتَّىٰ حِينٍ 25

Hij is slechts een man die aan bezetenheid lijdt, dus wacht op hem tot een bepaalde tijd.”

قَالَ رَبِّ انصُرْنِي بِمَا كَذَّبُونِ 26

Hij (Noeh) zei: “O mijn Heer, help mij vanwege dat wat zij verloochenen.”

فَأَوْحَيْنَا إِلَيْهِ أَنِ اصْنَعِ الْفُلْكَ بِأَعْيُنِنَا وَوَحْيِنَا فَإِذَا جَاءَ أَمْرُنَا وَفَارَ التَّنُّورُ ۙ فَاسْلُكْ فِيهَا مِن كُلٍّ زَوْجَيْنِ اثْنَيْنِ وَأَهْلَكَ إِلَّا مَن سَبَقَ عَلَيْهِ الْقَوْلُ مِنْهُمْ ۖ وَلَا تُخَاطِبْنِي فِي الَّذِينَ ظَلَمُوا ۖ إِنَّهُم مُّغْرَقُونَ 27

Toen openbaarden Wij aan hem: “Bouw het schip onder (het Zicht van) Onze Ogen en (volgens) Onze Openbaring. En wanneer Ons Bevel komt en de oven overloopt (met water), neem dan daarin (d.w.z. aan boord van de Ark) van elk paar twee (d.w.z. een man en een vrouw) en jouw familie, behalve degene van hen, voor wie het Woord (d.w.z. de bestraffing) al eerder is bepaald. En spreek Mij niet aan over degenen die onrecht pleegden. Voorwaar, zij worden verdronken.

فَإِذَا اسْتَوَيْتَ أَنتَ وَمَن مَّعَكَ عَلَى الْفُلْكِ فَقُلِ الْحَمْدُ لِلَّهِ الَّذِي نَجَّانَا مِنَ الْقَوْمِ الظَّالِمِينَ 28

En wanneer jij en degenen met jou aan boord van de Ark gaan, zeg dan: “(Alle) lof zij Allah, Die ons heeft gered van het onrechtvaardige volk.”

وَقُل رَّبِّ أَنزِلْنِي مُنزَلًا مُّبَارَكًا وَأَنتَ خَيْرُ الْمُنزِلِينَ 29

En zeg: “Mijn Heer, vestig mij op een gezegende plaats. En U bent de Beste onder de gastheren.””

إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَاتٍ وَإِن كُنَّا لَمُبْتَلِينَ 30

Voorwaar, daarin bevinden zich zeker tekenen en Wij beproeven (de mensen) zeker.

ثُمَّ أَنشَأْنَا مِن بَعْدِهِمْ قَرْنًا آخَرِينَ 31

Vervolgens schiepen Wij na hen een andere generatie.

فَأَرْسَلْنَا فِيهِمْ رَسُولًا مِّنْهُمْ أَنِ اعْبُدُوا اللَّهَ مَا لَكُم مِّنْ إِلَٰهٍ غَيْرُهُ ۖ أَفَلَا تَتَّقُونَ 32

Toen stuurden Wij een Boodschapper uit hun midden tot hen (zeggende): “Aanbid Allah. Jullie hebben geen andere god dan Hem. Zullen jullie (Allah) dan niet vrezen?”

وَقَالَ الْمَلَأُ مِن قَوْمِهِ الَّذِينَ كَفَرُوا وَكَذَّبُوا بِلِقَاءِ الْآخِرَةِ وَأَتْرَفْنَاهُمْ فِي الْحَيَاةِ الدُّنْيَا مَا هَٰذَا إِلَّا بَشَرٌ مِّثْلُكُمْ يَأْكُلُ مِمَّا تَأْكُلُونَ مِنْهُ وَيَشْرَبُ مِمَّا تَشْرَبُونَ 33

En de vooraanstaanden van zijn volk die niet geloofden en de Ontmoeting (met Allah) in het Hiernamaals verloochenden, en voor wie Wij het in het wereldse leven gunstig hebben gemaakt, zeiden: “Hij is slechts een mens net als jullie. Hij eet van datgene waarvan jullie eten en hij drinkt van datgene waarvan jullie drinken.

وَلَئِنْ أَطَعْتُم بَشَرًا مِّثْلَكُمْ إِنَّكُمْ إِذًا لَّخَاسِرُونَ 34

En als jullie een mens (die) net als jullie (is) gehoorzamen, voorwaar, dan zullen jullie zeker tot de verliezers behoren.

أَيَعِدُكُمْ أَنَّكُمْ إِذَا مِتُّمْ وَكُنتُمْ تُرَابًا وَعِظَامًا أَنَّكُم مُّخْرَجُونَ 35

Belooft hij dat wanneer jullie sterven en aarde en beenderen zijn geworden, dat jullie (daarna weer uit jullie graven) worden opgewekt?

هَيْهَاتَ هَيْهَاتَ لِمَا تُوعَدُونَ 36

Ver, heel ver is datgene wat jullie beloofd is.

إِنْ هِيَ إِلَّا حَيَاتُنَا الدُّنْيَا نَمُوتُ وَنَحْيَا وَمَا نَحْنُ بِمَبْعُوثِينَ 37

Er is geen ander leven dan ons (huidige) leven op de wereld. Wij sterven en wij leven. En wij zullen niet worden opgewekt.

إِنْ هُوَ إِلَّا رَجُلٌ افْتَرَىٰ عَلَى اللَّهِ كَذِبًا وَمَا نَحْنُ لَهُ بِمُؤْمِنِينَ 38

Hij is slechts een man die een leugen over Allah verzint. En wij zullen niet in hem geloven.”

قَالَ رَبِّ انصُرْنِي بِمَا كَذَّبُونِ 39

Hij zei: “O mijn Heer, help mij vanwege dat wat zij verloochenen.”

قَالَ عَمَّا قَلِيلٍ لَّيُصْبِحُنَّ نَادِمِينَ 40

Hij (Allah) zei: “Zij zullen binnenkort zeker spijt krijgen.”

فَأَخَذَتْهُمُ الصَّيْحَةُ بِالْحَقِّ فَجَعَلْنَاهُمْ غُثَاءً ۚ فَبُعْدًا لِّلْقَوْمِ الظَّالِمِينَ 41

Vervolgens werden zij naar waarheid door de (afschuwelijke) schreeuw getroffen, en maakten Wij hen tot onbruikbaar afval. Dus weg met het onrechtvaardige volk.

ثُمَّ أَنشَأْنَا مِن بَعْدِهِمْ قُرُونًا آخَرِينَ 42

Vervolgens schiepen Wij na hen andere generaties.

مَا تَسْبِقُ مِنْ أُمَّةٍ أَجَلَهَا وَمَا يَسْتَأْخِرُونَ 43

Er is geen gemeenschap die vóór haar (vastgestelde) tijdstip heengaat, noch (dit tijdstip) kan uitstellen.

ثُمَّ أَرْسَلْنَا رُسُلَنَا تَتْرَىٰ ۖ كُلَّ مَا جَاءَ أُمَّةً رَّسُولُهَا كَذَّبُوهُ ۚ فَأَتْبَعْنَا بَعْضَهُم بَعْضًا وَجَعَلْنَاهُمْ أَحَادِيثَ ۚ فَبُعْدًا لِّقَوْمٍ لَّا يُؤْمِنُونَ 44

Vervolgens stuurden Wij Onze Boodschappers die elkaar opvolgden. Elke keer wanneer er tot een gemeenschap haar Boodschapper kwam, verloochende zij hem. Daarom lieten Wij hen elkaar opvolgen (naar de vernietiging). En Wij maakten hen tot gespreksstof (voor anderen). Dus weg met het volk dat niet gelooft.

ثُمَّ أَرْسَلْنَا مُوسَىٰ وَأَخَاهُ هَارُونَ بِآيَاتِنَا وَسُلْطَانٍ مُّبِينٍ 45

Daarna stuurden Wij Moesa en zijn broer Haaroen met Onze Tekenen en duidelijke Bewijzen.

إِلَىٰ فِرْعَوْنَ وَمَلَئِهِ فَاسْتَكْبَرُوا وَكَانُوا قَوْمًا عَالِينَ 46

Naar de farao en zijn vooraanstaanden. Desondanks stelden zij zich hoogmoedig op en waren zij een volk dat zich verhief (d.w.z. dat zij zich verheven voelden boven de Boodschap van Allah).

فَقَالُوا أَنُؤْمِنُ لِبَشَرَيْنِ مِثْلِنَا وَقَوْمُهُمَا لَنَا عَابِدُونَ 47

Zij zeiden toen: “Moeten wij geloven in twee mensen (die) net als ons (zijn), terwijl hun volk ons aanbid?”

فَكَذَّبُوهُمَا فَكَانُوا مِنَ الْمُهْلَكِينَ 48

Dus verloochenden zij hen (d.w.z. Moesa en Haaroen) beiden, waarna zij tot degenen behoorden die vernietigd werden.

وَلَقَدْ آتَيْنَا مُوسَى الْكِتَابَ لَعَلَّهُمْ يَهْتَدُونَ 49

En voorzeker, Wij gaven Moesa het Boek, opdat zij geleid zullen worden.

وَجَعَلْنَا ابْنَ مَرْيَمَ وَأُمَّهُ آيَةً وَآوَيْنَاهُمَا إِلَىٰ رَبْوَةٍ ذَاتِ قَرَارٍ وَمَعِينٍ 50

En Wij maakten de zoon van Maryam en zijn moeder tot een teken. En Wij brachten hen naar een opgehoogde verblijfplaats met stromend water.

يَا أَيُّهَا الرُّسُلُ كُلُوا مِنَ الطَّيِّبَاتِ وَاعْمَلُوا صَالِحًا ۖ إِنِّي بِمَا تَعْمَلُونَ عَلِيمٌ 51

O Boodschappers, eet van het goede en verricht goede daden. Voorwaar, Ik ben Alwetend over wat jullie doen.

وَإِنَّ هَٰذِهِ أُمَّتُكُمْ أُمَّةً وَاحِدَةً وَأَنَا رَبُّكُمْ فَاتَّقُونِ 52

En waarlijk, deze gemeenschap van jullie is één gemeenschap (die zich op één geloof bevindt). En Ik ben jullie Heer, vrees Mij daarom.

فَتَقَطَّعُوا أَمْرَهُم بَيْنَهُمْ زُبُرًا ۖ كُلُّ حِزْبٍ بِمَا لَدَيْهِمْ فَرِحُونَ 53

Toen verdeelden zij (d.w.z. de gemeenschappen) hun zaak onderling over (verschillende) geschriften. Elke groep was tevreden met wat zij hadden.

فَذَرْهُمْ فِي غَمْرَتِهِمْ حَتَّىٰ حِينٍ 54

Dus laat hen in hun dwaling (verkeren) tot een bepaalde tijd.

أَيَحْسَبُونَ أَنَّمَا نُمِدُّهُم بِهِ مِن مَّالٍ وَبَنِينَ 55

Denken zij doordat Wij hun bezit en kinderen vermeerderen.

نُسَارِعُ لَهُمْ فِي الْخَيْرَاتِ ۚ بَل لَّا يَشْعُرُونَ 56

Dat Wij Ons voor hen haasten in het goede? Welnee! Zij beseffen (het) niet.

إِنَّ الَّذِينَ هُم مِّنْ خَشْيَةِ رَبِّهِم مُّشْفِقُونَ 57

Voorwaar, degenen die in ontzag leven uit vrees voor hun Heer.

وَالَّذِينَ هُم بِآيَاتِ رَبِّهِمْ يُؤْمِنُونَ 58

En degenen die in de Tekenen van hun Heer geloven.

وَالَّذِينَ هُم بِرَبِّهِمْ لَا يُشْرِكُونَ 59

En degenen die geen deelgenoten toekennen aan hun Heer.

وَالَّذِينَ يُؤْتُونَ مَا آتَوا وَّقُلُوبُهُمْ وَجِلَةٌ أَنَّهُمْ إِلَىٰ رَبِّهِمْ رَاجِعُونَ 60

En degenen die geven wat zij (kunnen) afdragen, terwijl hun harten sidderen, omdat zij tot hun Heer zullen terugkeren.

أُولَٰئِكَ يُسَارِعُونَ فِي الْخَيْرَاتِ وَهُمْ لَهَا سَابِقُونَ 61

Zij zijn degenen die zich haasten in (het verrichten van) het goede en zij zijn degenen die (anderen) zijn voorgegaan.

وَلَا نُكَلِّفُ نَفْسًا إِلَّا وُسْعَهَا ۖ وَلَدَيْنَا كِتَابٌ يَنطِقُ بِالْحَقِّ ۚ وَهُمْ لَا يُظْلَمُونَ 62

En Wij belasten geen ziel boven haar vermogen. En bij Ons is een Boek (waarin de daden staan beschreven en) dat met de Waarheid spreekt. En er zal hun geen onrecht worden aangedaan.

بَلْ قُلُوبُهُمْ فِي غَمْرَةٍ مِّنْ هَٰذَا وَلَهُمْ أَعْمَالٌ مِّن دُونِ ذَٰلِكَ هُمْ لَهَا عَامِلُونَ 63

Welnee! Hun harten zijn hiervoor (d.w.z. voor de Koran) bedekt. En zij hebben hiernaast (slechte) daden die zij verrichten.

حَتَّىٰ إِذَا أَخَذْنَا مُتْرَفِيهِم بِالْعَذَابِ إِذَا هُمْ يَجْأَرُونَ 64

Totdat Wij degenen van hen die de (wereldse) gunsten waarin zij leefden volgden, met een bestraffing troffen, toen riepen zij (om hulp).

لَا تَجْأَرُوا الْيَوْمَ ۖ إِنَّكُم مِّنَّا لَا تُنصَرُونَ 65

Roep op deze dag niet (om hulp). Waarlijk, jullie zullen niet van Ons gered worden.

قَدْ كَانَتْ آيَاتِي تُتْلَىٰ عَلَيْكُمْ فَكُنتُمْ عَلَىٰ أَعْقَابِكُمْ تَنكِصُونَ 66

Voorzeker, Mijn Verzen werden aan jullie voorgedragen, maar jullie keerden je op je hielen terug (d.w.z. dat jullie het geloof de rug toekeerden).

مُسْتَكْبِرِينَ بِهِ سَامِرًا تَهْجُرُونَ 67

Hoogmoedig daarover (d.w.z. over het feit dat zij de bewoners van Mekka zijn). (En) de nacht brengen jullie (gezamenlijk) door, door slecht daarover (d.w.z. over de Koran) te praten.

أَفَلَمْ يَدَّبَّرُوا الْقَوْلَ أَمْ جَاءَهُم مَّا لَمْ يَأْتِ آبَاءَهُمُ الْأَوَّلِينَ 68

Denken zij dan niet na over het Woord (van Allah), of is er iets tot hen gekomen wat niet tot hun vroegere voorvaderen is gekomen?

أَمْ لَمْ يَعْرِفُوا رَسُولَهُمْ فَهُمْ لَهُ مُنكِرُونَ 69

Of kennen zij hun Boodschapper niet, waardoor zij hem dus afwijzen?

أَمْ يَقُولُونَ بِهِ جِنَّةٌ ۚ بَلْ جَاءَهُم بِالْحَقِّ وَأَكْثَرُهُمْ لِلْحَقِّ كَارِهُونَ 70

Of zeggen zij over hem: “Hij lijdt aan bezetenheid”? Welnee! Hij is tot hen gekomen met de Waarheid, en de meesten van hen hebben een afkeer van de Waarheid.

وَلَوِ اتَّبَعَ الْحَقُّ أَهْوَاءَهُمْ لَفَسَدَتِ السَّمَاوَاتُ وَالْأَرْضُ وَمَن فِيهِنَّ ۚ بَلْ أَتَيْنَاهُم بِذِكْرِهِمْ فَهُمْ عَن ذِكْرِهِم مُّعْرِضُونَ 71

En als de Waarheid hun begeerten zou volgen, dan zouden de hemelen en de aarde en (al) datgene wat zich daarin bevindt zeker verdorven raken. Welnee! Wij kwamen tot hen met hun vermaning (d.w.z. de Koran), maar zij wenden zich af van hun vermaning.

أَمْ تَسْأَلُهُمْ خَرْجًا فَخَرَاجُ رَبِّكَ خَيْرٌ ۖ وَهُوَ خَيْرُ الرَّازِقِينَ 72

Of vraag jij hun (o Mohammed) om een beloning? Maar de Beloning van jouw Heer is beter. En Hij is de Beste onder de voorzieners.

وَإِنَّكَ لَتَدْعُوهُمْ إِلَىٰ صِرَاطٍ مُّسْتَقِيمٍ 73

En voorwaar, jij (o Mohammed) nodigt hen zeker uit naar een recht Pad.

وَإِنَّ الَّذِينَ لَا يُؤْمِنُونَ بِالْآخِرَةِ عَنِ الصِّرَاطِ لَنَاكِبُونَ 74

En voorwaar, degenen die niet in het Hiernamaals geloven zijn zeker afgeweken van het (rechte) Pad.

وَلَوْ رَحِمْنَاهُمْ وَكَشَفْنَا مَا بِهِم مِّن ضُرٍّ لَّلَجُّوا فِي طُغْيَانِهِمْ يَعْمَهُونَ 75

En als Wij hen zouden begenadigen en datgene wat hun aan tegenspoed is overkomen zouden wegnemen, dan zouden zij zeker nog steeds in hun tirannie verkeren om (zo) hun verwarring groter te maken.

وَلَقَدْ أَخَذْنَاهُم بِالْعَذَابِ فَمَا اسْتَكَانُوا لِرَبِّهِمْ وَمَا يَتَضَرَّعُونَ 76

En voorzeker, Wij troffen hen met de bestraffing, toch onderwierpen zij zichzelf niet aan hun Heer, noch stelden zij zich nederig op.

حَتَّىٰ إِذَا فَتَحْنَا عَلَيْهِم بَابًا ذَا عَذَابٍ شَدِيدٍ إِذَا هُمْ فِيهِ مُبْلِسُونَ 77

Totdat Wij voor hen een poort van de harde Bestraffing openen (en) zij daarin radeloos worden.

وَهُوَ الَّذِي أَنشَأَ لَكُمُ السَّمْعَ وَالْأَبْصَارَ وَالْأَفْئِدَةَ ۚ قَلِيلًا مَّا تَشْكُرُونَ 78

En Hij is Degene Die voor jullie het gehoor, het zicht en de harten heeft geschapen. Jullie tonen weinig dankbaarheid.

وَهُوَ الَّذِي ذَرَأَكُمْ فِي الْأَرْضِ وَإِلَيْهِ تُحْشَرُونَ 79

En Hij is Degene Die jullie op aarde heeft geschapen en tot Hem zullen jullie verzameld worden.

وَهُوَ الَّذِي يُحْيِي وَيُمِيتُ وَلَهُ اخْتِلَافُ اللَّيْلِ وَالنَّهَارِ ۚ أَفَلَا تَعْقِلُونَ 80

En Hij is Degene Die doet leven en sterven. En aan Hem behoort de afwisseling van de nacht en de dag toe. Denken jullie dan niet na?

بَلْ قَالُوا مِثْلَ مَا قَالَ الْأَوَّلُونَ 81

Welnee! Zij zeggen hetzelfde als dat wat de mensen van vroeger zeiden.

قَالُوا أَإِذَا مِتْنَا وَكُنَّا تُرَابًا وَعِظَامًا أَإِنَّا لَمَبْعُوثُونَ 82

Zij zeiden: “Zullen wij, wanneer wij gestorven zijn en beenderen en aarde zijn geworden, daadwerkelijk (weer) worden opgewekt?

لَقَدْ وُعِدْنَا نَحْنُ وَآبَاؤُنَا هَٰذَا مِن قَبْلُ إِنْ هَٰذَا إِلَّا أَسَاطِيرُ الْأَوَّلِينَ 83

Voorzeker, dit is ons en onze voorvaderen eerder beloofd. Dit zijn slechts mythen van de mensen van vroeger.”

قُل لِّمَنِ الْأَرْضُ وَمَن فِيهَا إِن كُنتُمْ تَعْلَمُونَ 84

Zeg: “Aan Wie behoort de aarde en wat zich daarin bevindt toe? Als jullie (het maar) weten.”

سَيَقُولُونَ لِلَّهِ ۚ قُلْ أَفَلَا تَذَكَّرُونَ 85

Zij zullen zeggen: “Aan Allah.” Zeg: “Trekken jullie er dan geen lering uit?”

قُلْ مَن رَّبُّ السَّمَاوَاتِ السَّبْعِ وَرَبُّ الْعَرْشِ الْعَظِيمِ 86

Zeg: “Wie is de Heer van de zeven hemelen en de Heer van de geweldige Troon?”

سَيَقُولُونَ لِلَّهِ ۚ قُلْ أَفَلَا تَتَّقُونَ 87

Zij zullen zeggen: “Aan Allah (behoort al datgene toe).” Zeg: “Zullen jullie (Allah) dan niet vrezen?”

قُلْ مَن بِيَدِهِ مَلَكُوتُ كُلِّ شَيْءٍ وَهُوَ يُجِيرُ وَلَا يُجَارُ عَلَيْهِ إِن كُنتُمْ تَعْلَمُونَ 88

Zeg: “In Wiens Hand is de Heerschappij over alle zaken, en Hij beschermt (alles), terwijl er tegen Hem geen beschermer is? Als jullie (het maar) weten.”

سَيَقُولُونَ لِلَّهِ ۚ قُلْ فَأَنَّىٰ تُسْحَرُونَ 89

Zij zullen zeggen: “Aan Allah (behoort al datgene toe).” Zeg: “Dus hoe kunnen jullie zo misleid zijn (van Zijn aanbidding)?”

بَلْ أَتَيْنَاهُم بِالْحَقِّ وَإِنَّهُمْ لَكَاذِبُونَ 90

Welnee! Wij zijn met de Waarheid tot hen gekomen. En voorwaar, zij zijn zeker leugenaars.

مَا اتَّخَذَ اللَّهُ مِن وَلَدٍ وَمَا كَانَ مَعَهُ مِنْ إِلَٰهٍ ۚ إِذًا لَّذَهَبَ كُلُّ إِلَٰهٍ بِمَا خَلَقَ وَلَعَلَا بَعْضُهُمْ عَلَىٰ بَعْضٍ ۚ سُبْحَانَ اللَّهِ عَمَّا يَصِفُونَ 91

Allah heeft Zich geen kind genomen, noch is er een (andere) god naast Hem. (Als er meerdere goden zouden zijn geweest) dan zou iedere god dat wat hij geschapen heeft wegnemen en zouden sommigen van hen de anderen (proberen te) overtreffen. Verheven is Allah boven datgene wat zij (aan Hem) toeschrijven.

عَالِمِ الْغَيْبِ وَالشَّهَادَةِ فَتَعَالَىٰ عَمَّا يُشْرِكُونَ 92

(En Hij is) de Alwetende over het onwaarneembare en het waarneembare. Verheven is Hij boven datgene wat zij (Hem) aan deelgenoten toekennen.

قُل رَّبِّ إِمَّا تُرِيَنِّي مَا يُوعَدُونَ 93

Zeg (o Mohammed): “Mijn Heer, als U mij laat zien wat hun beloofd is.

رَبِّ فَلَا تَجْعَلْنِي فِي الْقَوْمِ الظَّالِمِينَ 94

Mijn Heer, stel mij dan niet gelijk aan het onrechtvaardige volk.”

وَإِنَّا عَلَىٰ أَن نُّرِيَكَ مَا نَعِدُهُمْ لَقَادِرُونَ 95

En voorwaar, Wij zijn zeker bij machte om aan jou te laten zien wat (voor bestraffing) Wij aan hen hebben beloofd.

ادْفَعْ بِالَّتِي هِيَ أَحْسَنُ السَّيِّئَةَ ۚ نَحْنُ أَعْلَمُ بِمَا يَصِفُونَ 96

Vergeld het slechte met dat wat beter is. Wij weten (het best) wat zij toeschrijven.

وَقُل رَّبِّ أَعُوذُ بِكَ مِنْ هَمَزَاتِ الشَّيَاطِينِ 97

En zeg: “Mijn Heer, ik zoek toevlucht bij U tegen de influisteringen van de satans.

وَأَعُوذُ بِكَ رَبِّ أَن يَحْضُرُونِ 98

En ik zoek toevlucht bij U, mijn Heer, zodat zij niet bij mij (of in mijn buurt) komen.”

حَتَّىٰ إِذَا جَاءَ أَحَدَهُمُ الْمَوْتُ قَالَ رَبِّ ارْجِعُونِ 99

Totdat de dood tot één van hen komt, (en) hij zal zeggen: “Mijn Heer, laat mij terugkeren.

لَعَلِّي أَعْمَلُ صَالِحًا فِيمَا تَرَكْتُ ۚ كَلَّا ۚ إِنَّهَا كَلِمَةٌ هُوَ قَائِلُهَا ۖ وَمِن وَرَائِهِم بَرْزَخٌ إِلَىٰ يَوْمِ يُبْعَثُونَ 100

Zodat ik goede daden kan verrichten voor datgene wat ik nagelaten heb.” Nee! Voorwaar, het is slechts een woord dat hij uitspreekt en achter hen is er een Barzakh tot aan de Dag waarop zij opgewekt zullen worden.

فَإِذَا نُفِخَ فِي الصُّورِ فَلَا أَنسَابَ بَيْنَهُمْ يَوْمَئِذٍ وَلَا يَتَسَاءَلُونَ 101

Wanneer er op de Bazuin wordt geblazen, dan is er op die Dag geen verwantschap tussen hen, noch zullen zij elkaar vragen (kunnen stellen).

فَمَن ثَقُلَتْ مَوَازِينُهُ فَأُولَٰئِكَ هُمُ الْمُفْلِحُونَ 102

Dus degenen van wie de Weegschalen zwaar zijn, zij zijn degenen die succesvol zijn.

وَمَنْ خَفَّتْ مَوَازِينُهُ فَأُولَٰئِكَ الَّذِينَ خَسِرُوا أَنفُسَهُمْ فِي جَهَنَّمَ خَالِدُونَ 103

En degenen van wie de Weegschalen licht zijn, zij zijn degenen die zichzelf hebben verloren. Zij zullen voor eeuwig in de Hel verblijven.

تَلْفَحُ وُجُوهَهُمُ النَّارُ وَهُمْ فِيهَا كَالِحُونَ 104

Het Vuur zal hun gezichten verschroeien en zij zullen daarin een betrokken gezicht hebben.

أَلَمْ تَكُنْ آيَاتِي تُتْلَىٰ عَلَيْكُمْ فَكُنتُم بِهَا تُكَذِّبُونَ 105

Werden Mijn Verzen niet aan jullie voorgedragen, waarna jullie deze verloochenden?

قَالُوا رَبَّنَا غَلَبَتْ عَلَيْنَا شِقْوَتُنَا وَكُنَّا قَوْمًا ضَالِّينَ 106

Zij zullen zeggen: “Onze Heer, onze ellende heeft ons overwonnen en wij waren een dwalend volk.

رَبَّنَا أَخْرِجْنَا مِنْهَا فَإِنْ عُدْنَا فَإِنَّا ظَالِمُونَ 107

Onze Heer, haal ons hieruit. Als wij dan terugkeren (naar het slechte), voorwaar, dan zullen wij (zeker) onrechtplegers zijn.”

قَالَ اخْسَئُوا فِيهَا وَلَا تُكَلِّمُونِ 108

Hij (Allah) zal zeggen: “Verblijf daarin, en spreek niet tot Mij.”

إِنَّهُ كَانَ فَرِيقٌ مِّنْ عِبَادِي يَقُولُونَ رَبَّنَا آمَنَّا فَاغْفِرْ لَنَا وَارْحَمْنَا وَأَنتَ خَيْرُ الرَّاحِمِينَ 109

Waarlijk, er was een groep onder Mijn dienaren die zei: “Onze Heer, wij geloven, dus vergeef ons en heb Genade met ons en U bent de Beste onder de barmhartigen.”

فَاتَّخَذْتُمُوهُمْ سِخْرِيًّا حَتَّىٰ أَنسَوْكُمْ ذِكْرِي وَكُنتُم مِّنْهُمْ تَضْحَكُونَ 110

Maar jullie namen hen als mikpunt van spotternij, totdat zij jullie deden vergeten om Mij te gedenken en jullie lachten hen uit.

إِنِّي جَزَيْتُهُمُ الْيَوْمَ بِمَا صَبَرُوا أَنَّهُمْ هُمُ الْفَائِزُونَ 111

Waarlijk, Ik heb hen vandaag (d.w.z. op de Dag des Oordeels) beloond vanwege hun geduld. En zij zijn waarlijk degenen die succesvol zijn.

قَالَ كَمْ لَبِثْتُمْ فِي الْأَرْضِ عَدَدَ سِنِينَ 112

Hij (Allah) zal zeggen: “Hoeveel jaren verbleven jullie op de aarde?”

قَالُوا لَبِثْنَا يَوْمًا أَوْ بَعْضَ يَوْمٍ فَاسْأَلِ الْعَادِّينَ 113

Zij zullen zeggen: “Wij verbleven (daar) een dag of een gedeelte van een dag. Vraag het aan de berekenaars.”

قَالَ إِن لَّبِثْتُمْ إِلَّا قَلِيلًا ۖ لَّوْ أَنَّكُمْ كُنتُمْ تَعْلَمُونَ 114

Hij (Allah) zal zeggen: “Jullie verbleven (daar) slechts een korte tijd, als jullie (het) maar wisten.

أَفَحَسِبْتُمْ أَنَّمَا خَلَقْنَاكُمْ عَبَثًا وَأَنَّكُمْ إِلَيْنَا لَا تُرْجَعُونَ 115

Dachten jullie werkelijk dat Wij jullie zonder enig doel geschapen hebben, en dat jullie niet tot Ons zullen terugkeren?”

فَتَعَالَى اللَّهُ الْمَلِكُ الْحَقُّ ۖ لَا إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ رَبُّ الْعَرْشِ الْكَرِيمِ 116

Verheven is Allah, de Ware Koning. Er is geen god dan Hij, de Heer van de edele Troon.

وَمَن يَدْعُ مَعَ اللَّهِ إِلَٰهًا آخَرَ لَا بُرْهَانَ لَهُ بِهِ فَإِنَّمَا حِسَابُهُ عِندَ رَبِّهِ ۚ إِنَّهُ لَا يُفْلِحُ الْكَافِرُونَ 117

En wie naast Allah een andere god aanroept waarvoor hij geen bewijs heeft, zijn afrekening is slechts bij zijn Heer. Waarlijk, de ongelovigen zullen nooit succesvol zijn.

وَقُل رَّبِّ اغْفِرْ وَارْحَمْ وَأَنتَ خَيْرُ الرَّاحِمِينَ 118

En zeg (o Mohammed): “Mijn Heer, vergeef en heb Genade. En U bent de Beste onder de barmhartigen.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Close