Soera 21 – Al-Anbiya – De Profeten – الأنبياء

bismillah ir rahman ir rahim

اقْتَرَبَ لِلنَّاسِ حِسَابُهُمْ وَهُمْ فِي غَفْلَةٍ مُّعْرِضُونَ 1

De Afrekening voor de mensen nadert, terwijl zij zich in staat van onachtzaamheid afwenden.

مَا يَأْتِيهِم مِّن ذِكْرٍ مِّن رَّبِّهِم مُّحْدَثٍ إِلَّا اسْتَمَعُوهُ وَهُمْ يَلْعَبُونَ 2

Er komt geen Vermaning tot hen van hun Heer als (een) Openbaring, of zij luisteren ernaar terwijl zij zich vermaken.

لَاهِيَةً قُلُوبُهُمْ ۗ وَأَسَرُّوا النَّجْوَى الَّذِينَ ظَلَمُوا هَلْ هَٰذَا إِلَّا بَشَرٌ مِّثْلُكُمْ ۖ أَفَتَأْتُونَ السِّحْرَ وَأَنتُمْ تُبْصِرُونَ 3

Achteloos zijn hun harten. En degenen die onrecht plegen voeren heimelijke gesprekken (en zeggen): “Is hij (Mohammed) niet slechts een mens net als jullie? Aanvaarden jullie tovenarij, terwijl jullie (het) weten?”

قَالَ رَبِّي يَعْلَمُ الْقَوْلَ فِي السَّمَاءِ وَالْأَرْضِ ۖ وَهُوَ السَّمِيعُ الْعَلِيمُ 4

Hij (Mohammed) zei: “Mijn Heer is op de hoogte van het woord (dat door eenieder wordt uitgesproken) in de hemel en op aarde. En Hij is de Alhorende, de Alwetende.”

بَلْ قَالُوا أَضْغَاثُ أَحْلَامٍ بَلِ افْتَرَاهُ بَلْ هُوَ شَاعِرٌ فَلْيَأْتِنَا بِآيَةٍ كَمَا أُرْسِلَ الْأَوَّلُونَ 5

Nee! Zij (wilden niet geloven en) zeiden: “(Dit is) een mengeling van valse dromen. Nee! Hij (Mohammed) heeft het verzonnen. Nee! Hij is een dichter. Dus laat hem ons een teken brengen, gelijk aan datgene waarmee de eersten zijn gestuurd.”

مَا آمَنَتْ قَبْلَهُم مِّن قَرْيَةٍ أَهْلَكْنَاهَا ۖ أَفَهُمْ يُؤْمِنُونَ 6

Geen van (de inwoners van) de steden vóór hen die Wij hebben vernietigd, geloofden. Zullen zij dan geloven?

وَمَا أَرْسَلْنَا قَبْلَكَ إِلَّا رِجَالًا نُّوحِي إِلَيْهِمْ ۖ فَاسْأَلُوا أَهْلَ الذِّكْرِ إِن كُنتُمْ لَا تَعْلَمُونَ 7

En Wij hebben vóór jou (o Mohammed) slechts mannen (als Boodschappers) gestuurd aan wie Wij openbaarden. Vraag het maar aan degenen die kennis hebben (van de eerdere Boeken), indien jullie (het) niet weten.

وَمَا جَعَلْنَاهُمْ جَسَدًا لَّا يَأْكُلُونَ الطَّعَامَ وَمَا كَانُوا خَالِدِينَ 8

En Wij hebben hen (d.w.z. de Boodschappers) niet als lichamen geschapen die geen voedsel verteren. En zij waren niet onsterfelijk.

ثُمَّ صَدَقْنَاهُمُ الْوَعْدَ فَأَنجَيْنَاهُمْ وَمَن نَّشَاءُ وَأَهْلَكْنَا الْمُسْرِفِينَ 9

Vervolgens kwamen Wij de Belofte aan hen na, en redden Wij hen (d.w.z. de Boodschappers) en wie Wij wilden (d.w.z. hun volgelingen). En Wij vernietigden de buitensporigen.

لَقَدْ أَنزَلْنَا إِلَيْكُمْ كِتَابًا فِيهِ ذِكْرُكُمْ ۖ أَفَلَا تَعْقِلُونَ 10

Voorzeker, Wij hebben een Boek aan jullie neergezonden, met daarin jullie gedenking. Denken jullie dan niet na?

وَكَمْ قَصَمْنَا مِن قَرْيَةٍ كَانَتْ ظَالِمَةً وَأَنشَأْنَا بَعْدَهَا قَوْمًا آخَرِينَ 11

En hoeveel (inwoners) van de steden die onrechtvaardig waren, hebben Wij vernietigd? En Wij schiepen na hen een ander volk.

فَلَمَّا أَحَسُّوا بَأْسَنَا إِذَا هُم مِّنْهَا يَرْكُضُونَ 12

Toen zij Onze Bestraffing opmerkten, sloegen zij daarvoor op de vlucht.

لَا تَرْكُضُوا وَارْجِعُوا إِلَىٰ مَا أُتْرِفْتُمْ فِيهِ وَمَسَاكِنِكُمْ لَعَلَّكُمْ تُسْأَلُونَ 13

Vlucht niet en keer terug naar datgene (d.w.z. het wereldse leven) waarin jullie een luxe leven leidden en (keer terug) naar jullie huizen, opdat jullie ondervraagd zullen worden.

قَالُوا يَا وَيْلَنَا إِنَّا كُنَّا ظَالِمِينَ 14

Zij zeiden: “Wee ons, waarlijk, wij waren onrechtplegers.”

فَمَا زَالَت تِّلْكَ دَعْوَاهُمْ حَتَّىٰ جَعَلْنَاهُمْ حَصِيدًا خَامِدِينَ 15

En deze kreet van hen hield aan, totdat Wij afgestorven gewas van hen maakten.

وَمَا خَلَقْنَا السَّمَاءَ وَالْأَرْضَ وَمَا بَيْنَهُمَا لَاعِبِينَ 16

En Wij hebben de hemel en de aarde en datgene wat zich daartussen bevindt niet als spel geschapen.

لَوْ أَرَدْنَا أَن نَّتَّخِذَ لَهْوًا لَّاتَّخَذْنَاهُ مِن لَّدُنَّا إِن كُنَّا فَاعِلِينَ 17

Als Wij (iets als) vermaak zouden willen nemen, dan zouden Wij het zeker van Onze Zijde nemen, als Wij dit (hadden willen) doen.

بَلْ نَقْذِفُ بِالْحَقِّ عَلَى الْبَاطِلِ فَيَدْمَغُهُ فَإِذَا هُوَ زَاهِقٌ ۚ وَلَكُمُ الْوَيْلُ مِمَّا تَصِفُونَ 18

Nee! Wij schieten met de Waarheid op de valsheid, waarna deze (d.w.z. de Waarheid) het (d.w.z. de valsheid) tenietdoet en het vervolgens vernietigd wordt. En wee jullie, voor dat wat jullie (aan Hem) toeschrijven.

وَلَهُ مَن فِي السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ ۚ وَمَنْ عِندَهُ لَا يَسْتَكْبِرُونَ عَنْ عِبَادَتِهِ وَلَا يَسْتَحْسِرُونَ 19

En aan Hem behoort datgene wat zich in de hemelen en op de aarde bevindt toe. En degenen (d.w.z. de Engelen) die bij Hem zijn, zijn niet te hoogmoedig om Hem te aanbidden, noch raken zij (daardoor) vermoeid.

يُسَبِّحُونَ اللَّيْلَ وَالنَّهَارَ لَا يَفْتُرُونَ 20

Zij (d.w.z. de Engelen) verheerlijken (Hem) in de nacht en overdag, (en) zij stoppen niet.

أَمِ اتَّخَذُوا آلِهَةً مِّنَ الْأَرْضِ هُمْ يُنشِرُونَ 21

Of hebben zij (naast Hem) goden op aarde (ter aanbidding) aangenomen die (de doden) kunnen opwekken?

لَوْ كَانَ فِيهِمَا آلِهَةٌ إِلَّا اللَّهُ لَفَسَدَتَا ۚ فَسُبْحَانَ اللَّهِ رَبِّ الْعَرْشِ عَمَّا يَصِفُونَ 22

Als daarin (d.w.z. in de hemel en op de aarde) goden zouden zijn naast Allah, dan zouden zij beide (d.w.z. de hemel en de aarde) zeker vernietigd worden. Dus Verheven is Allah, de Heer van de Troon, boven datgene wat zij (aan Hem) toeschrijven.

لَا يُسْأَلُ عَمَّا يَفْعَلُ وَهُمْ يُسْأَلُونَ 23

Hij wordt niet ondervraagd over wat Hij doet, terwijl zij (wel) ondervraagd worden.

أَمِ اتَّخَذُوا مِن دُونِهِ آلِهَةً ۖ قُلْ هَاتُوا بُرْهَانَكُمْ ۖ هَٰذَا ذِكْرُ مَن مَّعِيَ وَذِكْرُ مَن قَبْلِي ۗ بَلْ أَكْثَرُهُمْ لَا يَعْلَمُونَ الْحَقَّ ۖ فَهُم مُّعْرِضُونَ 24

Of hebben zij naast Hem (valse) goden (ter aanbidding) aangenomen? Zeg (o Mohammed): “Breng jullie bewijzen. Dit (d.w.z. de Koran) is het bericht over degenen die met mij zijn en het bericht over degenen vóór mij.” Welnee! De meesten van hen kennen de Waarheid niet en wenden zich af.

وَمَا أَرْسَلْنَا مِن قَبْلِكَ مِن رَّسُولٍ إِلَّا نُوحِي إِلَيْهِ أَنَّهُ لَا إِلَٰهَ إِلَّا أَنَا فَاعْبُدُونِ 25

En Wij hebben vóór jou (o Mohammed) geen Boodschapper gestuurd, of Wij openbaarden aan hem dat er waarlijk geen god is dan Ik (Allah). Aanbid Mij daarom.

وَقَالُوا اتَّخَذَ الرَّحْمَٰنُ وَلَدًا ۗ سُبْحَانَهُ ۚ بَلْ عِبَادٌ مُّكْرَمُونَ 26

En zij zeiden: “De Meest Barmhartige heeft Zich een kind genomen.” Verheven is Hij. Nee! (Zij zijn slechts) geëerde dienaren.

لَا يَسْبِقُونَهُ بِالْقَوْلِ وَهُم بِأَمْرِهِ يَعْمَلُونَ 27

Zij spreken niet voordat Hij heeft gesproken en zij handelen op Zijn Bevel.

يَعْلَمُ مَا بَيْنَ أَيْدِيهِمْ وَمَا خَلْفَهُمْ وَلَا يَشْفَعُونَ إِلَّا لِمَنِ ارْتَضَىٰ وَهُم مِّنْ خَشْيَتِهِ مُشْفِقُونَ 28

Hij weet wat er vóór hen (d.w.z. in de toekomst) is en wat er achter hen (d.w.z. in het verleden) is. En zij doen geen voorspraak (bij Hem), behalve voor degene met wie Hij tevreden is. En uit ontzag voor Hem vrezen zij (Hem).

وَمَن يَقُلْ مِنْهُمْ إِنِّي إِلَٰهٌ مِّن دُونِهِ فَذَٰلِكَ نَجْزِيهِ جَهَنَّمَ ۚ كَذَٰلِكَ نَجْزِي الظَّالِمِينَ 29

En wie van hen zegt: “Voorwaar, ik ben een god naast Hem”, diegene vergelden Wij dan met de Hel. Op deze wijze vergelden Wij de onrechtplegers.

أَوَلَمْ يَرَ الَّذِينَ كَفَرُوا أَنَّ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضَ كَانَتَا رَتْقًا فَفَتَقْنَاهُمَا ۖ وَجَعَلْنَا مِنَ الْمَاءِ كُلَّ شَيْءٍ حَيٍّ ۖ أَفَلَا يُؤْمِنُونَ 30

Zien degenen die niet geloven (dan) niet dat de hemelen en de aarde één geheel waren, en (dat) Wij hen daarna uit elkaar haalden? En Wij brachten uit het water al het levende voort. Geloven zij dan niet?

وَجَعَلْنَا فِي الْأَرْضِ رَوَاسِيَ أَن تَمِيدَ بِهِمْ وَجَعَلْنَا فِيهَا فِجَاجًا سُبُلًا لَّعَلَّهُمْ يَهْتَدُونَ 31

En Wij maakten stevige bergen op de aarde, zodat deze (d.w.z. de aarde) niet zou schudden met hen (erop), en Wij maakten daarop brede wegen, opdat zij geleid zullen worden.

وَجَعَلْنَا السَّمَاءَ سَقْفًا مَّحْفُوظًا ۖ وَهُمْ عَنْ آيَاتِهَا مُعْرِضُونَ 32

En Wij maakten de hemel tot een beschermend dak. En (toch) wenden zij zich van zijn tekenen af.

وَهُوَ الَّذِي خَلَقَ اللَّيْلَ وَالنَّهَارَ وَالشَّمْسَ وَالْقَمَرَ ۖ كُلٌّ فِي فَلَكٍ يَسْبَحُونَ 33

En Hij is Degene Die de nacht en de dag, en de zon en de maan heeft geschapen. Zij bewegen allen in een vaste baan.

وَمَا جَعَلْنَا لِبَشَرٍ مِّن قَبْلِكَ الْخُلْدَ ۖ أَفَإِن مِّتَّ فَهُمُ الْخَالِدُونَ 34

En Wij hebben aan geen mens vóór jou de eeuwigheid (d.w.z. onsterfelijkheid) gegeven. Als jij sterft, zullen zij dan (wel) eeuwig leven?

كُلُّ نَفْسٍ ذَائِقَةُ الْمَوْتِ ۗ وَنَبْلُوكُم بِالشَّرِّ وَالْخَيْرِ فِتْنَةً ۖ وَإِلَيْنَا تُرْجَعُونَ 35

Iedere ziel zal de dood proeven. En Wij stellen jullie op de proef met het slechte en het goede, als een beproeving. En tot Ons zullen jullie terugkeren.

وَإِذَا رَآكَ الَّذِينَ كَفَرُوا إِن يَتَّخِذُونَكَ إِلَّا هُزُوًا أَهَٰذَا الَّذِي يَذْكُرُ آلِهَتَكُمْ وَهُم بِذِكْرِ الرَّحْمَٰنِ هُمْ كَافِرُونَ 36

En wanneer degenen die niet geloven jou (o Mohammed) zien, (dan) nemen zij jou slechts als mikpunt van spotternij (zeggende): “Is dit degene die (slecht) over jullie goden spreekt?” En zij geloven niet in de Vermaning van de Meest Barmhartige.

خُلِقَ الْإِنسَانُ مِنْ عَجَلٍ ۚ سَأُرِيكُمْ آيَاتِي فَلَا تَسْتَعْجِلُونِ 37

De mens is (van nature) haastig geschapen. Ik zal jullie Mijn Tekenen tonen. Vraag Mij dus niet om (deze) te bespoedigen.

وَيَقُولُونَ مَتَىٰ هَٰذَا الْوَعْدُ إِن كُنتُمْ صَادِقِينَ 38

En zij zeggen: “Wanneer zal deze Belofte plaatsvinden, als jullie waarachtig zijn?”

لَوْ يَعْلَمُ الَّذِينَ كَفَرُوا حِينَ لَا يَكُفُّونَ عَن وُجُوهِهِمُ النَّارَ وَلَا عَن ظُهُورِهِمْ وَلَا هُمْ يُنصَرُونَ 39

Kenden degenen die niet geloven maar het moment waarop zij niet in staat zullen zijn om het Vuur van hun gezichten, noch van hun ruggen, af te houden. En zij zullen niet geholpen worden.

بَلْ تَأْتِيهِم بَغْتَةً فَتَبْهَتُهُمْ فَلَا يَسْتَطِيعُونَ رَدَّهَا وَلَا هُمْ يُنظَرُونَ 40

Welnee! Het (Vuur) zal onverwachts tot hen komen en hen overweldigen. En zij zullen niet in staat zijn om het (van zich) af te weren, noch zal hun uitstel worden verleend.

وَلَقَدِ اسْتُهْزِئَ بِرُسُلٍ مِّن قَبْلِكَ فَحَاقَ بِالَّذِينَ سَخِرُوا مِنْهُم مَّا كَانُوا بِهِ يَسْتَهْزِئُونَ 41

En voorzeker, er zijn Boodschappers vóór jou bespot, maar datgene waarmee de bespotters spotten, omsingelde hen.

قُلْ مَن يَكْلَؤُكُم بِاللَّيْلِ وَالنَّهَارِ مِنَ الرَّحْمَٰنِ ۗ بَلْ هُمْ عَن ذِكْرِ رَبِّهِم مُّعْرِضُونَ 42

Zeg: “Wie kan jullie in de nacht en overdag beschermen tegen de Meest Barmhartige?” Nee! Zij wenden zich af van het gedenken van hun Heer.

أَمْ لَهُمْ آلِهَةٌ تَمْنَعُهُم مِّن دُونِنَا ۚ لَا يَسْتَطِيعُونَ نَصْرَ أَنفُسِهِمْ وَلَا هُم مِّنَّا يُصْحَبُونَ 43

Of hebben zij (valse) goden die hen tegen Ons beschermen? Zij (d.w.z. de valse goden) zijn niet in staat om zichzelf te helpen, noch kunnen zij een beschermer tegen Ons vinden.

بَلْ مَتَّعْنَا هَٰؤُلَاءِ وَآبَاءَهُمْ حَتَّىٰ طَالَ عَلَيْهِمُ الْعُمُرُ ۗ أَفَلَا يَرَوْنَ أَنَّا نَأْتِي الْأَرْضَ نَنقُصُهَا مِنْ أَطْرَافِهَا ۚ أَفَهُمُ الْغَالِبُونَ 44

Nee! Wij lieten hen en hun voorvaderen genieten (in deze wereld), totdat de periode (van weelde) voor hen lang duurde (en zij in ongeloof vervielen). Zien zij dan niet dat Wij Ons tot de aarde wenden en deze vervolgens aan haar uiteinden inperken? Zijn zij dan de overwinnaars?

قُلْ إِنَّمَا أُنذِرُكُم بِالْوَحْيِ ۚ وَلَا يَسْمَعُ الصُّمُّ الدُّعَاءَ إِذَا مَا يُنذَرُونَ 45

Zeg (o Mohammed): “Ik waarschuw jullie slechts middels de Openbaring.” En de doven horen het geroep niet wanneer zij gewaarschuwd worden.

وَلَئِن مَّسَّتْهُمْ نَفْحَةٌ مِّنْ عَذَابِ رَبِّكَ لَيَقُولُنَّ يَا وَيْلَنَا إِنَّا كُنَّا ظَالِمِينَ 46

En als een deel van de Bestraffing van jouw Heer hen treft, dan zeggen zij zeker: “Wee ons, waarlijk, wij waren onrechtplegers.”

وَنَضَعُ الْمَوَازِينَ الْقِسْطَ لِيَوْمِ الْقِيَامَةِ فَلَا تُظْلَمُ نَفْسٌ شَيْئًا ۖ وَإِن كَانَ مِثْقَالَ حَبَّةٍ مِّنْ خَرْدَلٍ أَتَيْنَا بِهَا ۗ وَكَفَىٰ بِنَا حَاسِبِينَ 47

En Wij zullen de Weegschalen van Rechtvaardigheid klaarzetten voor de Dag der Opstanding. Geen ziel zal dan iets van onrecht worden aangedaan. En als er (ook maar) iets is ter grootte van een mosterdzaadje, (dan) zullen Wij ermee komen. En Wij volstaan als Berekenaars.

وَلَقَدْ آتَيْنَا مُوسَىٰ وَهَارُونَ الْفُرْقَانَ وَضِيَاءً وَذِكْرًا لِّلْمُتَّقِينَ 48

En voorzeker, Wij gaven Moesa en Haaroen de Onderscheider, een stralend Licht en een Vermaning voor de godsvruchtigen.

الَّذِينَ يَخْشَوْنَ رَبَّهُم بِالْغَيْبِ وَهُم مِّنَ السَّاعَةِ مُشْفِقُونَ 49

Degenen die hun Heer vrezen in het verborgene (d.w.z. zonder Hem te zien) en angstig zijn voor (de komst van) het Uur.

وَهَٰذَا ذِكْرٌ مُّبَارَكٌ أَنزَلْنَاهُ ۚ أَفَأَنتُمْ لَهُ مُنكِرُونَ 50

En dit is een gezegende Vermaning die Wij hebben neergezonden. Ontkennen jullie deze dan?

وَلَقَدْ آتَيْنَا إِبْرَاهِيمَ رُشْدَهُ مِن قَبْلُ وَكُنَّا بِهِ عَالِمِينَ 51

En voorzeker, Wij gaven Ibraahiem eerder zijn leiding. En Wij waren Alwetend over hem.

إِذْ قَالَ لِأَبِيهِ وَقَوْمِهِ مَا هَٰذِهِ التَّمَاثِيلُ الَّتِي أَنتُمْ لَهَا عَاكِفُونَ 52

(En gedenk) toen hij tegen zijn vader en zijn volk zei: “Wat zijn deze beelden waar jullie zo toegewijd aan zijn?”

قَالُوا وَجَدْنَا آبَاءَنَا لَهَا عَابِدِينَ 53

Zij zeiden: “Wij troffen onze voorvaderen in een staat aan waarin zij deze aanbidden.”

قَالَ لَقَدْ كُنتُمْ أَنتُمْ وَآبَاؤُكُمْ فِي ضَلَالٍ مُّبِينٍ 54

Hij (Ibraahiem) zei: “Voorzeker, jullie en jullie voorvaderen verkeerden in duidelijke dwaling.”

قَالُوا أَجِئْتَنَا بِالْحَقِّ أَمْ أَنتَ مِنَ اللَّاعِبِينَ 55

Zij zeiden: “Ben jij met de Waarheid naar ons gekomen, of behoor jij tot degenen die zich vermaken?”

قَالَ بَل رَّبُّكُمْ رَبُّ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ الَّذِي فَطَرَهُنَّ وَأَنَا عَلَىٰ ذَٰلِكُم مِّنَ الشَّاهِدِينَ 56

Hij (Ibraahiem) zei: “Welnee! Jullie Heer is de Heer van de hemelen en de aarde. Degene Die deze (d.w.z. de hemelen en de aarde) heeft geschapen. En ik behoor tot degenen die daarvan getuigen.

وَتَاللَّهِ لَأَكِيدَنَّ أَصْنَامَكُم بَعْدَ أَن تُوَلُّوا مُدْبِرِينَ 57

En bij Allah! Ik zal zeker een list beramen tegen jullie afgodsbeelden nadat jullie je (tijdelijk) met jullie rug (naar jullie afgodsbeelden) wenden.”

فَجَعَلَهُمْ جُذَاذًا إِلَّا كَبِيرًا لَّهُمْ لَعَلَّهُمْ إِلَيْهِ يَرْجِعُونَ 58

Vervolgens brak hij deze (afgodsbeelden) in stukken, behalve de grootste onder hen, opdat zij hiernaar (d.w.z. naar hun grootste afgodsbeeld) zouden terugkeren.

قَالُوا مَن فَعَلَ هَٰذَا بِآلِهَتِنَا إِنَّهُ لَمِنَ الظَّالِمِينَ 59

Zij zeiden: “Wie heeft dit met onze goden gedaan? Waarlijk, hij behoort zeker tot de onrechtplegers.”

قَالُوا سَمِعْنَا فَتًى يَذْكُرُهُمْ يُقَالُ لَهُ إِبْرَاهِيمُ 60

Zij zeiden: “Wij hoorden een jonge man over hen spreken, die Ibraahiem wordt genoemd.”

قَالُوا فَأْتُوا بِهِ عَلَىٰ أَعْيُنِ النَّاسِ لَعَلَّهُمْ يَشْهَدُونَ 61

Zij zeiden: “Breng hem onder (het zicht van) de ogen van de mensen, opdat zij zullen getuigen.”

قَالُوا أَأَنتَ فَعَلْتَ هَٰذَا بِآلِهَتِنَا يَا إِبْرَاهِيمُ 62

Zij zeiden: “Heb jij dit met onze goden gedaan, o Ibraahiem?”

قَالَ بَلْ فَعَلَهُ كَبِيرُهُمْ هَٰذَا فَاسْأَلُوهُمْ إِن كَانُوا يَنطِقُونَ 63

Hij (Ibraahiem) zei: “Welnee! Dit heeft de grootste van hen (d.w.z. van de afgodsbeelden) gedaan. Vraag (het) hun dan, als zij in staat zijn om te spreken.”

فَرَجَعُوا إِلَىٰ أَنفُسِهِمْ فَقَالُوا إِنَّكُمْ أَنتُمُ الظَّالِمُونَ 64

Toen keerden zij terug tot zichzelf (d.w.z. dat zij naar elkaar keken) en zeiden: “Waarlijk, jullie zijn de onrechtplegers.”

ثُمَّ نُكِسُوا عَلَىٰ رُءُوسِهِمْ لَقَدْ عَلِمْتَ مَا هَٰؤُلَاءِ يَنطِقُونَ 65

Vervolgens keerden zij zich ondersteboven op hun hoofden (d.w.z. dat zij weer in ongeloof vervielen en zeiden): “Voorzeker, jij weet dat zij (d.w.z. de afgodsbeelden) niet in staat zijn om te spreken.”

قَالَ أَفَتَعْبُدُونَ مِن دُونِ اللَّهِ مَا لَا يَنفَعُكُمْ شَيْئًا وَلَا يَضُرُّكُمْ 66

Hij (Ibraahiem) zei: “Aanbidden jullie dan naast Allah datgene wat jullie op geen enkele manier kan baten of schaden?

أُفٍّ لَّكُمْ وَلِمَا تَعْبُدُونَ مِن دُونِ اللَّهِ ۖ أَفَلَا تَعْقِلُونَ 67

Foei jullie, en datgene wat jullie naast Allah aanbidden. Denken jullie dan niet na?”

قَالُوا حَرِّقُوهُ وَانصُرُوا آلِهَتَكُمْ إِن كُنتُمْ فَاعِلِينَ 68

Zij zeiden: “Verbrand hem en help jullie goden, als jullie (toch) iets willen doen.”

قُلْنَا يَا نَارُ كُونِي بَرْدًا وَسَلَامًا عَلَىٰ إِبْرَاهِيمَ 69

Wij zeiden: “O vuur, wees (aangenaam) koud en veilig voor Ibraahiem.”

وَأَرَادُوا بِهِ كَيْدًا فَجَعَلْنَاهُمُ الْأَخْسَرِينَ 70

En zij wilden een list tegen hem beramen, maar Wij maakten hen (tot) de grootste verliezers.

وَنَجَّيْنَاهُ وَلُوطًا إِلَى الْأَرْضِ الَّتِي بَارَكْنَا فِيهَا لِلْعَالَمِينَ 71

En Wij redden hem en Loet (en leidden hen) naar het land dat Wij hebben gezegend voor de werelden.

وَوَهَبْنَا لَهُ إِسْحَاقَ وَيَعْقُوبَ نَافِلَةً ۖ وَكُلًّا جَعَلْنَا صَالِحِينَ 72

En Wij begunstigden hem met Ishaaq en daarbovenop (met zijn kleinzoon) Yacqoeb. En beiden maakten Wij rechtschapen.

وَجَعَلْنَاهُمْ أَئِمَّةً يَهْدُونَ بِأَمْرِنَا وَأَوْحَيْنَا إِلَيْهِمْ فِعْلَ الْخَيْرَاتِ وَإِقَامَ الصَّلَاةِ وَإِيتَاءَ الزَّكَاةِ ۖ وَكَانُوا لَنَا عَابِدِينَ 73

En Wij maakten hen (tot) leiders. Zij leidden (de mensen) op Ons Bevel en Wij openbaarden aan hen om goede daden te verrichten, het gebed te onderhouden en de Zakaat af te dragen. En zij waren aanbidders van Ons (Alleen).

وَلُوطًا آتَيْنَاهُ حُكْمًا وَعِلْمًا وَنَجَّيْنَاهُ مِنَ الْقَرْيَةِ الَّتِي كَانَت تَّعْمَلُ الْخَبَائِثَ ۗ إِنَّهُمْ كَانُوا قَوْمَ سَوْءٍ فَاسِقِينَ 74

En (gedenk) Loet. Wij gaven hem wijsheid en kennis, en Wij redden hem van (de bewoners van) de stad die het slechte verrichtte(n). Voorwaar, zij waren een slecht, verdorven volk.

وَأَدْخَلْنَاهُ فِي رَحْمَتِنَا ۖ إِنَّهُ مِنَ الصَّالِحِينَ 75

En Wij schonken hem Onze Genade. Waarlijk, hij behoorde tot de rechtschapenen.

وَنُوحًا إِذْ نَادَىٰ مِن قَبْلُ فَاسْتَجَبْنَا لَهُ فَنَجَّيْنَاهُ وَأَهْلَهُ مِنَ الْكَرْبِ الْعَظِيمِ 76

En (gedenk) Noeh toen hij (Ons) voorheen aanriep. Dus gaven Wij gehoor aan hem, waarna Wij hem en zijn familie redden van de geweldige kwelling.

وَنَصَرْنَاهُ مِنَ الْقَوْمِ الَّذِينَ كَذَّبُوا بِآيَاتِنَا ۚ إِنَّهُمْ كَانُوا قَوْمَ سَوْءٍ فَأَغْرَقْنَاهُمْ أَجْمَعِينَ 77

En Wij hielpen hem tegen het volk dat Onze Tekenen verloochende. Waarlijk, zij waren een slecht volk, dus lieten Wij hen allen verdrinken.

وَدَاوُودَ وَسُلَيْمَانَ إِذْ يَحْكُمَانِ فِي الْحَرْثِ إِذْ نَفَشَتْ فِيهِ غَنَمُ الْقَوْمِ وَكُنَّا لِحُكْمِهِمْ شَاهِدِينَ 78

En (gedenk) Daawoed en Soelaymaan toen zij beiden oordeelden over (de zaak van) de akker die de schapen van het (andere) volk betraden (om daarop te grazen). En Wij waren Getuigen van hun oordeel.

فَفَهَّمْنَاهَا سُلَيْمَانَ ۚ وَكُلًّا آتَيْنَا حُكْمًا وَعِلْمًا ۚ وَسَخَّرْنَا مَعَ دَاوُودَ الْجِبَالَ يُسَبِّحْنَ وَالطَّيْرَ ۚ وَكُنَّا فَاعِلِينَ 79

Wij lieten vervolgens Soelaymaan deze (zaak) begrijpen en eenieder van hen gaven Wij wijsheid en kennis. En Wij maakten met (d.w.z. naast) Daawoed de bergen dienstbaar om Ons te verheerlijken, evenals de vogels. En Wij waren Degenen Die (al deze zaken) verrichtten.

وَعَلَّمْنَاهُ صَنْعَةَ لَبُوسٍ لَّكُمْ لِتُحْصِنَكُم مِّن بَأْسِكُمْ ۖ فَهَلْ أَنتُمْ شَاكِرُونَ 80

En Wij onderwezen hem (het ambacht van) het maken van een wapenuitrusting voor jullie. (Dit) om jullie te beschermen tijdens jullie oorlogvoering. Zijn jullie dan dankbaar?

وَلِسُلَيْمَانَ الرِّيحَ عَاصِفَةً تَجْرِي بِأَمْرِهِ إِلَى الْأَرْضِ الَّتِي بَارَكْنَا فِيهَا ۚ وَكُنَّا بِكُلِّ شَيْءٍ عَالِمِينَ 81

En voor Soelaymaan raasde de stormachtige wind op zijn bevel naar het land dat door Ons gezegend was. En Wij waren van alles op de hoogte.

وَمِنَ الشَّيَاطِينِ مَن يَغُوصُونَ لَهُ وَيَعْمَلُونَ عَمَلًا دُونَ ذَٰلِكَ ۖ وَكُنَّا لَهُمْ حَافِظِينَ 82

En onder de satans waren er (sommigen) die voor hem (in de zee) doken en daarnaast nog andere daden verrichtten. En Wij waakten over hen.

وَأَيُّوبَ إِذْ نَادَىٰ رَبَّهُ أَنِّي مَسَّنِيَ الضُّرُّ وَأَنتَ أَرْحَمُ الرَّاحِمِينَ 83

En (gedenk) Ayyoeb toen hij zijn Heer aanriep: “Voorwaar, ik ben getroffen door tegenspoed. En U bent de Meest Barmhartige onder de barmhartigen.”

فَاسْتَجَبْنَا لَهُ فَكَشَفْنَا مَا بِهِ مِن ضُرٍّ ۖ وَآتَيْنَاهُ أَهْلَهُ وَمِثْلَهُم مَّعَهُمْ رَحْمَةً مِّنْ عِندِنَا وَذِكْرَىٰ لِلْعَابِدِينَ 84

Dus gaven Wij gehoor aan hem en namen Wij wat hem aan tegenspoed had getroffen (van hem) weg. En Wij gaven hem (in het Hiernamaals) zijn familie (terug) en daarnaast het gelijke daaraan (in deze wereld), als Genade van Onze Zijde en als Herinnering voor de aanbidders.

وَإِسْمَاعِيلَ وَإِدْرِيسَ وَذَا الْكِفْلِ ۖ كُلٌّ مِّنَ الصَّابِرِينَ 85

En (gedenk) Ismaaciel, Idries en Dhoel-Kifl. Ieder van hen behoorde tot de geduldigen.

وَأَدْخَلْنَاهُمْ فِي رَحْمَتِنَا ۖ إِنَّهُم مِّنَ الصَّالِحِينَ 86

En Wij schonken hun Onze Genade. Waarlijk, zij behoorden tot de rechtschapenen.

وَذَا النُّونِ إِذ ذَّهَبَ مُغَاضِبًا فَظَنَّ أَن لَّن نَّقْدِرَ عَلَيْهِ فَنَادَىٰ فِي الظُّلُمَاتِ أَن لَّا إِلَٰهَ إِلَّا أَنتَ سُبْحَانَكَ إِنِّي كُنتُ مِنَ الظَّالِمِينَ 87

En (gedenk) Dhoen-Noen, toen hij boos wegging en dacht dat Wij het hem niet moeilijk zouden maken (d.w.z. door hem te laten opslokken door de grote vis). Waarop hij (Ons) aanriep in de duisternissen (zeggende): “Er is geen god dan U, Verheven bent U. Voorwaar, ik behoorde tot de onrechtplegers.”

فَاسْتَجَبْنَا لَهُ وَنَجَّيْنَاهُ مِنَ الْغَمِّ ۚ وَكَذَٰلِكَ نُنجِي الْمُؤْمِنِينَ 88

Dus gaven Wij gehoor aan hem, waarna Wij hem redden van de kwelling. En zo redden Wij de gelovigen.

وَزَكَرِيَّا إِذْ نَادَىٰ رَبَّهُ رَبِّ لَا تَذَرْنِي فَرْدًا وَأَنتَ خَيْرُ الْوَارِثِينَ 89

En (gedenk) Zakariyyaa toen hij zijn Heer aanriep: “Mijn Heer, laat mij niet alleen (d.w.z. kinderloos) achter, en U bent de Beste onder de erfgenamen.”

فَاسْتَجَبْنَا لَهُ وَوَهَبْنَا لَهُ يَحْيَىٰ وَأَصْلَحْنَا لَهُ زَوْجَهُ ۚ إِنَّهُمْ كَانُوا يُسَارِعُونَ فِي الْخَيْرَاتِ وَيَدْعُونَنَا رَغَبًا وَرَهَبًا ۖ وَكَانُوا لَنَا خَاشِعِينَ 90

Dus gaven Wij gehoor aan hem en begunstigden Wij hem met Yahya. En Wij genazen zijn vrouw voor hem (zodat zij alsnog een kind kon baren). Waarlijk, zij haastten zich in (het verrichten van) het goede en zij riepen Ons aan met hoop en vrees, en zij stelden zich nederig op tegenover Ons.

وَالَّتِي أَحْصَنَتْ فَرْجَهَا فَنَفَخْنَا فِيهَا مِن رُّوحِنَا وَجَعَلْنَاهَا وَابْنَهَا آيَةً لِّلْعَالَمِينَ 91

En zij (Maryam) die over haar geslachtsdeel (d.w.z. over haar kuisheid) waakte, waarna Wij van Onze Ziel in haar bliezen. En Wij maakten haar en haar zoon tot een teken voor de werelden.

إِنَّ هَٰذِهِ أُمَّتُكُمْ أُمَّةً وَاحِدَةً وَأَنَا رَبُّكُمْ فَاعْبُدُونِ 92

Voorwaar, dit is jullie gemeenschap; (het is) één gemeenschap. En Ik ben jullie Heer. Aanbid Mij daarom.

وَتَقَطَّعُوا أَمْرَهُم بَيْنَهُمْ ۖ كُلٌّ إِلَيْنَا رَاجِعُونَ 93

En zij verbraken hun zaak onderling (d.w.z. dat zij met elkaar van mening verschilden). Allen zullen tot Ons terugkeren.

فَمَن يَعْمَلْ مِنَ الصَّالِحَاتِ وَهُوَ مُؤْمِنٌ فَلَا كُفْرَانَ لِسَعْيِهِ وَإِنَّا لَهُ كَاتِبُونَ 94

En degene die goede daden verricht, en (die) een gelovige is, zijn streven wordt niet onbeloond gelaten. En waarlijk, Wij zullen het voor hem noteren.

وَحَرَامٌ عَلَىٰ قَرْيَةٍ أَهْلَكْنَاهَا أَنَّهُمْ لَا يَرْجِعُونَ 95

En het is voor (de inwoners van) een stad die Wij hebben vernietigd waarlijk verboden om terug te keren (naar deze wereld).

حَتَّىٰ إِذَا فُتِحَتْ يَأْجُوجُ وَمَأْجُوجُ وَهُم مِّن كُلِّ حَدَبٍ يَنسِلُونَ 96

Totdat (de beschutting) geopend wordt voor Ya’djoedj en Ma’djoedj, en zij uit iedere plaats tevoorschijn zullen komen.

وَاقْتَرَبَ الْوَعْدُ الْحَقُّ فَإِذَا هِيَ شَاخِصَةٌ أَبْصَارُ الَّذِينَ كَفَرُوا يَا وَيْلَنَا قَدْ كُنَّا فِي غَفْلَةٍ مِّنْ هَٰذَا بَلْ كُنَّا ظَالِمِينَ 97

En de ware Belofte (d.w.z. de Dag des Oordeels) nabij is. Dan zul jij de ogen van degenen die niet geloven, (uit angst) zien verstarren (en zij zullen zeggen): “Wee ons, voorzeker, wij verkeerden in onachtzaamheid hierover. Welnee! Wij waren onrechtplegers.”

إِنَّكُمْ وَمَا تَعْبُدُونَ مِن دُونِ اللَّهِ حَصَبُ جَهَنَّمَ أَنتُمْ لَهَا وَارِدُونَ 98

Waarlijk, jullie en datgene wat jullie naast Allah aanbidden, zullen (niets anders dan) brandstof voor de Hel zijn. Jullie zullen het (zeker) binnentreden.

لَوْ كَانَ هَٰؤُلَاءِ آلِهَةً مَّا وَرَدُوهَا ۖ وَكُلٌّ فِيهَا خَالِدُونَ 99

Als dit (d.w.z. de afgodsbeelden) goden waren, dan zouden zij het (d.w.z. de Hel) niet binnentreden. En allen verblijven daarin voor eeuwig.

لَهُمْ فِيهَا زَفِيرٌ وَهُمْ فِيهَا لَا يَسْمَعُونَ 100

Voor hen zal daarin gezucht zijn. En zij zullen daarin niet horen.

إِنَّ الَّذِينَ سَبَقَتْ لَهُم مِّنَّا الْحُسْنَىٰ أُولَٰئِكَ عَنْهَا مُبْعَدُونَ 101

Waarlijk, degenen met wie Wij het goede voorhebben, zij zijn degenen die op afstand hiervan (d.w.z. van de Hel) worden gehouden.

لَا يَسْمَعُونَ حَسِيسَهَا ۖ وَهُمْ فِي مَا اشْتَهَتْ أَنفُسُهُمْ خَالِدُونَ 102

Zij zullen het minste geluid hiervan (d.w.z. van de Hel) niet horen en zij zullen voor eeuwig vertoeven in datgene waar zij naar verlangen (d.w.z. in het Paradijs).

لَا يَحْزُنُهُمُ الْفَزَعُ الْأَكْبَرُ وَتَتَلَقَّاهُمُ الْمَلَائِكَةُ هَٰذَا يَوْمُكُمُ الَّذِي كُنتُمْ تُوعَدُونَ 103

De grootste angst zal hen niet betreuren en de Engelen zullen hun tegemoetkomen (en zeggen): “Dit is jullie dag die jullie is beloofd.”

يَوْمَ نَطْوِي السَّمَاءَ كَطَيِّ السِّجِلِّ لِلْكُتُبِ ۚ كَمَا بَدَأْنَا أَوَّلَ خَلْقٍ نُّعِيدُهُ ۚ وَعْدًا عَلَيْنَا ۚ إِنَّا كُنَّا فَاعِلِينَ 104

Op de Dag waarop Wij de hemel zullen oprollen, zoals een schriftrol met tekst wordt opgerold. Zoals Wij de eerste schepping zijn begonnen, (zo) zullen Wij deze herhalen, (en dit is) een ware Belofte van Ons. Waarlijk, Wij zullen het doen.

وَلَقَدْ كَتَبْنَا فِي الزَّبُورِ مِن بَعْدِ الذِّكْرِ أَنَّ الْأَرْضَ يَرِثُهَا عِبَادِيَ الصَّالِحُونَ 105

En voorzeker, Wij hebben in de Zaboer (d.w.z. in de Psalmen), na de Vermaning, vastgelegd dat Mijn rechtschapen dienaren waarlijk de aarde zullen erven.

إِنَّ فِي هَٰذَا لَبَلَاغًا لِّقَوْمٍ عَابِدِينَ 106

Voorwaar, hierin (d.w.z. in de Koran) bevindt zich zeker een Verkondiging voor een volk dat (Allah) aanbidt.

وَمَا أَرْسَلْنَاكَ إِلَّا رَحْمَةً لِّلْعَالَمِينَ 107

En Wij hebben jou (o Mohammed) slechts gestuurd als genade voor de werelden.

قُلْ إِنَّمَا يُوحَىٰ إِلَيَّ أَنَّمَا إِلَٰهُكُمْ إِلَٰهٌ وَاحِدٌ ۖ فَهَلْ أَنتُم مُّسْلِمُونَ 108

Zeg (o Mohammed): “Aan mij is slechts geopenbaard dat jullie God één God is. Zullen jullie je dan niet (aan Hem) onderwerpen?”

فَإِن تَوَلَّوْا فَقُلْ آذَنتُكُمْ عَلَىٰ سَوَاءٍ ۖ وَإِنْ أَدْرِي أَقَرِيبٌ أَم بَعِيدٌ مَّا تُوعَدُونَ 109

Maar als zij zich afwenden, zeg dan (o Mohammed): “Ik breng jullie op de hoogte (zodat iedere groep) op een gelijke wijze (weet wat haar te wachten staat). En ik weet niet of datgene wat jullie beloofd is, nabij of ver (weg) is.

إِنَّهُ يَعْلَمُ الْجَهْرَ مِنَ الْقَوْلِ وَيَعْلَمُ مَا تَكْتُمُونَ 110

Waarlijk, Hij is op de hoogte van de woorden die openlijk worden uitgesproken en Hij is op de hoogte van wat jullie verborgen houden.

وَإِنْ أَدْرِي لَعَلَّهُ فِتْنَةٌ لَّكُمْ وَمَتَاعٌ إِلَىٰ حِينٍ 111

En ik weet niet of het een beproeving voor jullie is en een genieting tot een bepaalde tijd.”

قَالَ رَبِّ احْكُم بِالْحَقِّ ۗ وَرَبُّنَا الرَّحْمَٰنُ الْمُسْتَعَانُ عَلَىٰ مَا تَصِفُونَ 112

Hij (Mohammed) zei: “Mijn Heer, oordeel met de Waarheid. En onze Heer is de Meest Barmhartige, Degene bij Wie Hulp gezocht wordt tegen dat wat jullie beschrijven.”

1 thought on “Soera 21 – Al-Anbiya – De Profeten – الأنبياء”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Close