Soera 21 – Al-Anbiya – De Profeten – الأنبياء

Deze soera in de nieuwe Koran omgeving lezen? Ja, graag
bismillah ir rahman ir rahim

ٱقۡتَرَبَ لِلنَّاسِ حِسَابُهُمۡ وَهُمۡ فِي غَفۡلَةٖ مُّعۡرِضُونَ 1

De afrekening is voor de mensheid dichtbij gekomen terwijl zij zich achteloos afkeren.

مَا يَأۡتِيهِم مِّن ذِكۡرٖ مِّن رَّبِّهِم مُّحۡدَثٍ إِلَّا ٱسۡتَمَعُوهُ وَهُمۡ يَلۡعَبُونَ 2

Er komt geen nieuwe Vermaning van hun Heer tot hen, of zij luisteren ernaar terwijl zij er de spot mee drijven.

لَاهِيَةٗ قُلُوبُهُمۡۗ وَأَسَرُّواْ ٱلنَّجۡوَى ٱلَّذِينَ ظَلَمُواْ هَلۡ هَٰذَآ إِلَّا بَشَرٞ مِّثۡلُكُمۡۖ أَفَتَأۡتُونَ ٱلسِّحۡرَ وَأَنتُمۡ تُبۡصِرُونَ 3

En hun harten zijn achteloos. En degenen die zonden begaan verbergen hun (hun onrecht) in heimelijk overleg (zeggende): “Deze (Boodschapper) is niet anders dan een mens zoals jullie.” Zullen jullie je aan toverij onderwerpen terwijl jullie het doorzien?

قَالَ رَبِّي يَعۡلَمُ ٱلۡقَوۡلَ فِي ٱلسَّمَآءِ وَٱلۡأَرۡضِۖ وَهُوَ ٱلسَّمِيعُ ٱلۡعَلِيمُ 4

Hij (Mohammed) zei: “Mijn Heer kent (ieder gesproken) woord in de hemelen en op de aarde. En Hij is Alhorend, Alwetend.

بَلۡ قَالُوٓاْ أَضۡغَٰثُ أَحۡلَٰمِۭ بَلِ ٱفۡتَرَىٰهُ بَلۡ هُوَ شَاعِرٞ فَلۡيَأۡتِنَا بِـَٔايَةٖ كَمَآ أُرۡسِلَ ٱلۡأَوَّلُونَ 5

Nee, zij zeggen: “Dit zijn vermengde valse dromen! Nee, hij heeft het verzonnen! Nee, hij is een dichter! Laat hem dan een Teken geven zoals aan de voorafgaanden gestuurd werd!”

مَآ ءَامَنَتۡ قَبۡلَهُم مِّن قَرۡيَةٍ أَهۡلَكۡنَٰهَآۖ أَفَهُمۡ يُؤۡمِنُونَ 6

Zij geloofden niet, degenen vόόr hen uit de steden die Wij vernietigden: zullen zij dan geloven?

وَمَآ أَرۡسَلۡنَا قَبۡلَكَ إِلَّا رِجَالٗا نُّوحِيٓ إِلَيۡهِمۡۖ فَسۡـَٔلُوٓاْ أَهۡلَ ٱلذِّكۡرِ إِن كُنتُمۡ لَا تَعۡلَمُونَ 7

En Wij hebben vόόr jou geen mensen gestuurd of zij waren slechts mannen aan wie Wij openbaarden.Vraag dan de mensen van de Overdenking als jullie het niet weten.

وَمَا جَعَلۡنَٰهُمۡ جَسَدٗا لَّا يَأۡكُلُونَ ٱلطَّعَامَ وَمَا كَانُواْ خَٰلِدِينَ 8

En Wij hebben hen niet geschapen met lichamen die niet aten, noch waren zij onsterfelijk.

ثُمَّ صَدَقۡنَٰهُمُ ٱلۡوَعۡدَ فَأَنجَيۡنَٰهُمۡ وَمَن نَّشَآءُ وَأَهۡلَكۡنَا ٱلۡمُسۡرِفِينَ 9

Toen hebben Wij voor hen de belofte vervuld en Wij hebben hen gered en degenen die Wij wensten, Maar Wij hebben de buitensporigen vernietigd.

لَقَدۡ أَنزَلۡنَآ إِلَيۡكُمۡ كِتَٰبٗا فِيهِ ذِكۡرُكُمۡۚ أَفَلَا تَعۡقِلُونَ 10

Voorwaar, Wij hebben aan jullie een Boek neergezonden met daarin jullie eer. Zullen jullie het dan niet begrijpen?

وَكَمۡ قَصَمۡنَا مِن قَرۡيَةٖ كَانَتۡ ظَالِمَةٗ وَأَنشَأۡنَا بَعۡدَهَا قَوۡمًا ءَاخَرِينَ 11

Hoeveel steden, die zondaren bevatten, hebben Wij vernietigd, na wie Wij een ander volk lieten herrijzen?

فَلَمَّآ أَحَسُّواْ بَأۡسَنَآ إِذَا هُم مِّنۡهَا يَرۡكُضُونَ 12

En dan als zij Onze bestraffing zagen (komen), zie, zij (probeerden) daarvan te vluchten.

لَا تَرۡكُضُواْ وَٱرۡجِعُوٓاْ إِلَىٰ مَآ أُتۡرِفۡتُمۡ فِيهِ وَمَسَٰكِنِكُمۡ لَعَلَّكُمۡ تُسۡـَٔلُونَ 13

Vlucht niet, maar keer terug tot datgene wat jullie van de goede dingen van het leven gegeven was en naar jullie huizen zodat jullie ondervraagd zullen worden.

قَالُواْ يَٰوَيۡلَنَآ إِنَّا كُنَّا ظَٰلِمِينَ 14

Zij riepen: “Wee voor ons! Zeker! Wij waren onrechtvaardigen!”

فَمَا زَالَت تِّلۡكَ دَعۡوَىٰهُمۡ حَتَّىٰ جَعَلۡنَٰهُمۡ حَصِيدًا خَٰمِدِينَ 15

En die roep van hen hield niet op tot Wij hen tot een veld maakten dat geraapt is, uitgestorven.

وَمَا خَلَقۡنَا ٱلسَّمَآءَ وَٱلۡأَرۡضَ وَمَا بَيۡنَهُمَا لَٰعِبِينَ 16

Wij hebben de hemelen en de aarde en alles wat daar tussen is niet alleen maar voor vermaak geschapen.

لَوۡ أَرَدۡنَآ أَن نَّتَّخِذَ لَهۡوٗا لَّٱتَّخَذۡنَٰهُ مِن لَّدُنَّآ إِن كُنَّا فَٰعِلِينَ 17

Als Wij de bedoeling gehad hadden om het als een tijdverdrijf te nemen, dan zouden Wij het beslist van Onze Zijde genomen hebben, als Wij dat zouden doen.

بَلۡ نَقۡذِفُ بِٱلۡحَقِّ عَلَى ٱلۡبَٰطِلِ فَيَدۡمَغُهُۥ فَإِذَا هُوَ زَاهِقٞۚ وَلَكُمُ ٱلۡوَيۡلُ مِمَّا تَصِفُونَ 18

Nee, Wij hebben de Waarheid naar beneden gestuurd tegen de leugen, waarop het vernietigt wordt en zie het (de leugen) is verdwenen. En wee jullie voor wat jullie toeschrijven (aan Allah).

وَلَهُۥ مَن فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِۚ وَمَنۡ عِندَهُۥ لَا يَسۡتَكۡبِرُونَ عَنۡ عِبَادَتِهِۦ وَلَا يَسۡتَحۡسِرُونَ 19

Aan Hem behoort alles wat in de hemelen en op de aarde is. En degenen die in Zijn nabijheid zijn, zijn niet te trots Hem te aanbidden, noch zijn zij vermoeid.

يُسَبِّحُونَ ٱلَّيۡلَ وَٱلنَّهَارَ لَا يَفۡتُرُونَ 20

Zij verheerlijken dag en nacht Zijn lofprijzing en nooit zullen zij stoppen.

أَمِ ٱتَّخَذُوٓاْ ءَالِهَةٗ مِّنَ ٱلۡأَرۡضِ هُمۡ يُنشِرُونَ 21

Of hebben zij (de ongelovigen) goden van de aarde genomen die de doden laten herrijzen?

لَوۡ كَانَ فِيهِمَآ ءَالِهَةٌ إِلَّا ٱللَّهُ لَفَسَدَتَاۚ فَسُبۡحَٰنَ ٱللَّهِ رَبِّ ٱلۡعَرۡشِ عَمَّا يَصِفُونَ 22

Als er daarin goden naast Allah zouden zijn geweest, dan waarlijk, beiden (de hemelen en de aarde) zouden vernietigd zijn. Verheerlijkt is Allah, de Heer van de Troon, boven alles wat zij aan Hem toewijzen!

لَا يُسۡـَٔلُ عَمَّا يَفۡعَلُ وَهُمۡ يُسۡـَٔلُونَ 23

Hij kan niet ondervraagd worden over wat Hij doet, terwijl zij ondervraagd zullen worden.

أَمِ ٱتَّخَذُواْ مِن دُونِهِۦٓ ءَالِهَةٗۖ قُلۡ هَاتُواْ بُرۡهَٰنَكُمۡۖ هَٰذَا ذِكۡرُ مَن مَّعِيَ وَذِكۡرُ مَن قَبۡلِيۚ بَلۡ أَكۡثَرُهُمۡ لَا يَعۡلَمُونَ ٱلۡحَقَّۖ فَهُم مُّعۡرِضُونَ 24

Of hebben zij voor aanbidding goden naast Hem genomen? Zeg (O Mohammed): “Geef je bewijs.” Dit is de Overdenking voor degenen bij mij en de Overdenking voor degenen vόόr mij. Maar de meesten van hen kennen de Waarheid niet, dus zijn ze afkerig.

وَمَآ أَرۡسَلۡنَا مِن قَبۡلِكَ مِن رَّسُولٍ إِلَّا نُوحِيٓ إِلَيۡهِ أَنَّهُۥ لَآ إِلَٰهَ إِلَّآ أَنَا۠ فَٱعۡبُدُونِ 25

En Wij hebben geen enkele Boodschapper vόόr jou gezonden, of Wij openbaarden aan hem dat er geen andere god dan Ik is, aanbidt Mij dus.”

وَقَالُواْ ٱتَّخَذَ ٱلرَّحۡمَٰنُ وَلَدٗاۗ سُبۡحَٰنَهُۥۚ بَلۡ عِبَادٞ مُّكۡرَمُونَ 26

En zij zeiden: “De Barmhartige heeft een zoon gekregen.” Verheerlijkt zij Hij! Zij (de Engelen) zijn niets anders dan geëerde slaven.

لَا يَسۡبِقُونَهُۥ بِٱلۡقَوۡلِ وَهُم بِأَمۡرِهِۦ يَعۡمَلُونَ 27

Zij spreken niet tot Hij heeft gesproken, en zij handelen op Zijn bevel.

يَعۡلَمُ مَا بَيۡنَ أَيۡدِيهِمۡ وَمَا خَلۡفَهُمۡ وَلَا يَشۡفَعُونَ إِلَّا لِمَنِ ٱرۡتَضَىٰ وَهُم مِّنۡ خَشۡيَتِهِۦ مُشۡفِقُونَ 28

Hij weet wat vóór hen is en wat achter hen is en zij kunnen niet bemiddelen voor Hem behalve met degene waar Hij tevreden mee is. En zij hebben ontzag en vrees voor Hem.

۞وَمَن يَقُلۡ مِنۡهُمۡ إِنِّيٓ إِلَٰهٞ مِّن دُونِهِۦ فَذَٰلِكَ نَجۡزِيهِ جَهَنَّمَۚ كَذَٰلِكَ نَجۡزِي ٱلظَّـٰلِمِينَ 29

En als één van hen zou zeggen: “Waarlijk, ik ben een god naast Hem,” die vergelden Wij daarop met de Hel. Zo vergelden Wij de onrechtvaardigen.

أَوَلَمۡ يَرَ ٱلَّذِينَ كَفَرُوٓاْ أَنَّ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضَ كَانَتَا رَتۡقٗا فَفَتَقۡنَٰهُمَاۖ وَجَعَلۡنَا مِنَ ٱلۡمَآءِ كُلَّ شَيۡءٍ حَيٍّۚ أَفَلَا يُؤۡمِنُونَ 30

Weten degenen die ongelovigen zijn niet dat de hemelen en de aarde als een gemengde massa waren, en dat Wij het vervolgens hebben gescheiden? En Wij hebben alle levende dingen uit het water geschapen. Zullen zij dan niet geloven?

وَجَعَلۡنَا فِي ٱلۡأَرۡضِ رَوَٰسِيَ أَن تَمِيدَ بِهِمۡ وَجَعَلۡنَا فِيهَا فِجَاجٗا سُبُلٗا لَّعَلَّهُمۡ يَهۡتَدُونَ 31

En Wij hebben op de aarde stevige bergen geplaatst, zodat zij niet met hen (de mensen) schudt. En Wij hebben daarin brede passen gemaakt als wegen. Hopelijk zullen zij Leiding volgen.

وَجَعَلۡنَا ٱلسَّمَآءَ سَقۡفٗا مَّحۡفُوظٗاۖ وَهُمۡ عَنۡ ءَايَٰتِهَا مُعۡرِضُونَ 32

En Wij hebben de hemel tot een dak gemaakt, veilig en goed behoed. Maar toch keren zij zich van zijn Tekenen af.

وَهُوَ ٱلَّذِي خَلَقَ ٱلَّيۡلَ وَٱلنَّهَارَ وَٱلشَّمۡسَ وَٱلۡقَمَرَۖ كُلّٞ فِي فَلَكٖ يَسۡبَحُونَ 33

En Hij is Degene Die de dag en de nacht heeft geschapen, en de zon en de maan, ieder zwevend in haar baan.

وَمَا جَعَلۡنَا لِبَشَرٖ مِّن قَبۡلِكَ ٱلۡخُلۡدَۖ أَفَإِيْن مِّتَّ فَهُمُ ٱلۡخَٰلِدُونَ 34

En Wij hebben geen enkel menselijk leven vóór jou onsterfelijkheid gegeven. Als jij zou sterven, zouden zij dan eeuwig leven?

كُلُّ نَفۡسٖ ذَآئِقَةُ ٱلۡمَوۡتِۗ وَنَبۡلُوكُم بِٱلشَّرِّ وَٱلۡخَيۡرِ فِتۡنَةٗۖ وَإِلَيۡنَا تُرۡجَعُونَ 35

Iedere ziel zal de dood ervaren. Wij zullen jullie testen (op jullie geduld en dankbaarheid) met zowel kwade als goede beproevingen (armoede, rijkdom, ziekte en gezondheid). En tot Ons zullen jullie terugkeren (voor de beloning).

وَإِذَا رَءَاكَ ٱلَّذِينَ كَفَرُوٓاْ إِن يَتَّخِذُونَكَ إِلَّا هُزُوًا أَهَٰذَا ٱلَّذِي يَذۡكُرُ ءَالِهَتَكُمۡ وَهُم بِذِكۡرِ ٱلرَّحۡمَٰنِ هُمۡ كَٰفِرُونَ 36

En als degenen die ongelovig zijn jou zien, dan spotten zij slechts met jou (zeggende): “Is dat degene die (slecht) over jullie goden spreekt?” Terwijl zij ongelovig zijn in het gedenken van de Barmhartige.

خُلِقَ ٱلۡإِنسَٰنُ مِنۡ عَجَلٖۚ سَأُوْرِيكُمۡ ءَايَٰتِي فَلَا تَسۡتَعۡجِلُونِ 37

De mens is haastig (van aard) geschapen. Ik zal jullie spoedig Mijn Tekenen laten zien. Vraag Mij dus niet om (hen) te bespoedigen.

وَيَقُولُونَ مَتَىٰ هَٰذَا ٱلۡوَعۡدُ إِن كُنتُمۡ صَٰدِقِينَ 38

En zij zeggen: “Wanneer zal deze belofte (vervuld) worden, als jullie waarachtig zijn?”

لَوۡ يَعۡلَمُ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ حِينَ لَا يَكُفُّونَ عَن وُجُوهِهِمُ ٱلنَّارَ وَلَا عَن ظُهُورِهِمۡ وَلَا هُمۡ يُنصَرُونَ 39

Als de ongelovigen alleen maar (de tijd) wisten wanneer zij niet in staat zullen zijn zich tegen het Vuur in hun gezichten te beschermen, noch van hun ruggen; en zij zullen niet geholpen worden.

بَلۡ تَأۡتِيهِم بَغۡتَةٗ فَتَبۡهَتُهُمۡ فَلَا يَسۡتَطِيعُونَ رَدَّهَا وَلَا هُمۡ يُنظَرُونَ 40

Nee, het zal plotseling over hen komen en hen verbijsteren. En zij hebben geen macht om het te ontwijken, noch zullen zij uitstel krijgen.

وَلَقَدِ ٱسۡتُهۡزِئَ بِرُسُلٖ مِّن قَبۡلِكَ فَحَاقَ بِٱلَّذِينَ سَخِرُواْ مِنۡهُم مَّا كَانُواْ بِهِۦ يَسۡتَهۡزِءُونَ 41

Voorwaar, Boodschappers vόόr jou werden bespot, maar de bespotters werden omringd door datgene wat zij bespotten.

قُلۡ مَن يَكۡلَؤُكُم بِٱلَّيۡلِ وَٱلنَّهَارِ مِنَ ٱلرَّحۡمَٰنِۚ بَلۡ هُمۡ عَن ذِكۡرِ رَبِّهِم مُّعۡرِضُونَ 42

Zeg: “Wie kan jullie dag en nacht beschermen en behoeden tegen de (bestraffing van de) Barmhartige?” Nee, maar zij keren zich af van de Overdenking van hun Heer.

أَمۡ لَهُمۡ ءَالِهَةٞ تَمۡنَعُهُم مِّن دُونِنَاۚ لَا يَسۡتَطِيعُونَ نَصۡرَ أَنفُسِهِمۡ وَلَا هُم مِّنَّا يُصۡحَبُونَ 43

Of hebben zij goden die hen tegen Ons kunnen beschermen? Zij hebben geen macht om zichzelf te helpen, noch kunnen zij tegen Ons beschermd worden.

بَلۡ مَتَّعۡنَا هَـٰٓؤُلَآءِ وَءَابَآءَهُمۡ حَتَّىٰ طَالَ عَلَيۡهِمُ ٱلۡعُمُرُۗ أَفَلَا يَرَوۡنَ أَنَّا نَأۡتِي ٱلۡأَرۡضَ نَنقُصُهَا مِنۡ أَطۡرَافِهَآۚ أَفَهُمُ ٱلۡغَٰلِبُونَ 44

Nee, Wij hebben hun en hun vaders genietingen geschonken, totdat de leeftijden voor hen verlengd werden. Zien zij dan niet dat Wij het land (onder hun macht) doen verminderen vanaf haar buitenste grenzen? Zij zij dan de overwinnaars?

قُلۡ إِنَّمَآ أُنذِرُكُم بِٱلۡوَحۡيِۚ وَلَا يَسۡمَعُ ٱلصُّمُّ ٱلدُّعَآءَ إِذَا مَا يُنذَرُونَ 45

Zeg: “Ik waarschuw jullie slechts met de Openbaring. Maar de doven zullen de oproep niet horen (zelfs) niet als zij gewaarschuwd worden.

وَلَئِن مَّسَّتۡهُمۡ نَفۡحَةٞ مِّنۡ عَذَابِ رَبِّكَ لَيَقُولُنَّ يَٰوَيۡلَنَآ إِنَّا كُنَّا ظَٰلِمِينَ 46

En als ook maar een zucht van de bestraffing van jullie Heer hen treft, zullen zij zeker roepen: “Wee voor ons! Voorwaar wij zijn onrechtvaardigen geweest.”

وَنَضَعُ ٱلۡمَوَٰزِينَ ٱلۡقِسۡطَ لِيَوۡمِ ٱلۡقِيَٰمَةِ فَلَا تُظۡلَمُ نَفۡسٞ شَيۡـٔٗاۖ وَإِن كَانَ مِثۡقَالَ حَبَّةٖ مِّنۡ خَرۡدَلٍ أَتَيۡنَا بِهَاۗ وَكَفَىٰ بِنَا حَٰسِبِينَ 47

Op de Dag der Opstanding zullen Wij weegschalen van rechtvaardigheid opstellen, niemand zal dan in wat dan ook onrechtvaardig behandeld worden. En al gaat het om het gewicht van een mosterdzaadje: Wij zullen het (naar voren) brengen. En Wij zijn als Berekenaars voldoende.

وَلَقَدۡ ءَاتَيۡنَا مُوسَىٰ وَهَٰرُونَ ٱلۡفُرۡقَانَ وَضِيَآءٗ وَذِكۡرٗا لِّلۡمُتَّقِينَ 48

En voorwaar, Wij hebben aan Mozes en Haaron het onderscheid gegeven, als een schijnend licht en een Overdenking voor de godvrezenden.

ٱلَّذِينَ يَخۡشَوۡنَ رَبَّهُم بِٱلۡغَيۡبِ وَهُم مِّنَ ٱلسَّاعَةِ مُشۡفِقُونَ 49

Degenen die hun Heer vrezen zonder Hem te zien, terwijl zij angst hebben voor het Uur.

وَهَٰذَا ذِكۡرٞ مُّبَارَكٌ أَنزَلۡنَٰهُۚ أَفَأَنتُمۡ لَهُۥ مُنكِرُونَ 50

En dit is een gezegende Overdenking die Wij naar beneden hebben gezonden, hebben jullie dan (de moed) om het te ontkennen?”

۞وَلَقَدۡ ءَاتَيۡنَآ إِبۡرَٰهِيمَ رُشۡدَهُۥ مِن قَبۡلُ وَكُنَّا بِهِۦ عَٰلِمِينَ 51

En Wij hebben voorheen Ibrahim zijn rechtschapenheid geschonken Wij waren bekend met hem.

إِذۡ قَالَ لِأَبِيهِ وَقَوۡمِهِۦ مَا هَٰذِهِ ٱلتَّمَاثِيلُ ٱلَّتِيٓ أَنتُمۡ لَهَا عَٰكِفُونَ 52

Toen hij tot zijn vader en zijn volk zei: “Wat zijn dit voor beelden waar jullie zo toegewijd aan zijn?”

قَالُواْ وَجَدۡنَآ ءَابَآءَنَا لَهَا عَٰبِدِينَ 53

Zij zeiden: “Wij vonden dat onze vaderen hen aanbaden.”

قَالَ لَقَدۡ كُنتُمۡ أَنتُمۡ وَءَابَآؤُكُمۡ فِي ضَلَٰلٖ مُّبِينٖ 54

Hij zei: “Voorwaar jullie en jullie vaderen maken een duidelijke fout.”

قَالُوٓاْ أَجِئۡتَنَا بِٱلۡحَقِّ أَمۡ أَنتَ مِنَ ٱللَّـٰعِبِينَ 55

Zij zeiden: “Heb jij ons de Waarheid gebracht, of behoor je tot diegenen die spotten?”

قَالَ بَل رَّبُّكُمۡ رَبُّ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِ ٱلَّذِي فَطَرَهُنَّ وَأَنَا۠ عَلَىٰ ذَٰلِكُم مِّنَ ٱلشَّـٰهِدِينَ 56

Hij zei: “Nee, jullie Heer is de Heer van de hemelen en de aarde, die Hij geschapen heeft en waarvan ik één van de getuigen ben.

وَتَٱللَّهِ لَأَكِيدَنَّ أَصۡنَٰمَكُم بَعۡدَ أَن تُوَلُّواْ مُدۡبِرِينَ 57

En bij Allah, ik zal een plan beramen tegen jullie afgoden, nadat jullie weggaan, jullie ruggen toegekerend.”

فَجَعَلَهُمۡ جُذَٰذًا إِلَّا كَبِيرٗا لَّهُمۡ لَعَلَّهُمۡ إِلَيۡهِ يَرۡجِعُونَ 58

Dus brak hij hen in stukken, behalve de grootste van hen, zodat ze zich daartoe zouden wenden.

قَالُواْ مَن فَعَلَ هَٰذَا بِـَٔالِهَتِنَآ إِنَّهُۥ لَمِنَ ٱلظَّـٰلِمِينَ 59

Zij zeiden: “Wie heeft dit onze goden aangedaan? Hij moet beslist één van de zondaren zijn.”

قَالُواْ سَمِعۡنَا فَتٗى يَذۡكُرُهُمۡ يُقَالُ لَهُۥٓ إِبۡرَٰهِيمُ 60

Zij zeiden: “Wij hebben een jonge man over hen horen spreken, Ibrahim wordt hij genoemd.”

قَالُواْ فَأۡتُواْ بِهِۦ عَلَىٰٓ أَعۡيُنِ ٱلنَّاسِ لَعَلَّهُمۡ يَشۡهَدُونَ 61

Zij zeiden: “Breng hem dan voor de ogen van de mensen, zodat zij moge getuigen.”

قَالُوٓاْ ءَأَنتَ فَعَلۡتَ هَٰذَا بِـَٔالِهَتِنَا يَـٰٓإِبۡرَٰهِيمُ 62

Zij zeiden: “Ben jij degene die dit onze goden heeft aangedaan, O Ibrahim?”

قَالَ بَلۡ فَعَلَهُۥ كَبِيرُهُمۡ هَٰذَا فَسۡـَٔلُوهُمۡ إِن كَانُواْ يَنطِقُونَ 63

(Ibrahim) zei: “Nee, deze, de grootste van hen heeft het gedaan. Vraag het hen als zij kunnen spreken!”

فَرَجَعُوٓاْ إِلَىٰٓ أَنفُسِهِمۡ فَقَالُوٓاْ إِنَّكُمۡ أَنتُمُ ٱلظَّـٰلِمُونَ 64

Dus kwamen zij tot zichzelf en zeiden: “Waarlijk, jullie zijn zelf de onrechtvaardigen.”

ثُمَّ نُكِسُواْ عَلَىٰ رُءُوسِهِمۡ لَقَدۡ عَلِمۡتَ مَا هَـٰٓؤُلَآءِ يَنطِقُونَ 65

En dan kwamen zij tot inkeer en spraken: “Voorwaar, jij weet goed dat deze (beelden) niet spreken!”

قَالَ أَفَتَعۡبُدُونَ مِن دُونِ ٱللَّهِ مَا لَا يَنفَعُكُمۡ شَيۡـٔٗا وَلَا يَضُرُّكُمۡ 66

(Ibrahim) zei: “Aanbidden jullie dan naast Allah zaken waar jullie geen baat bij hebben en die jullie niet kunnen schaden?

أُفّٖ لَّكُمۡ وَلِمَا تَعۡبُدُونَ مِن دُونِ ٱللَّهِۚ أَفَلَا تَعۡقِلُونَ 67

Vervloekt zijn jullie en wat jullie naast Allah aanbidden! Hebben jullie dan geen gevoel?”

قَالُواْ حَرِّقُوهُ وَٱنصُرُوٓاْ ءَالِهَتَكُمۡ إِن كُنتُمۡ فَٰعِلِينَ 68

Zij zeiden: “Verbrandt hem en help jullie goden als jullie (iets willen) doen.”

قُلۡنَا يَٰنَارُ كُونِي بَرۡدٗا وَسَلَٰمًا عَلَىٰٓ إِبۡرَٰهِيمَ 69

Wij zeiden (tegen de gigantische brandstapel): “O (allesverterend) vuur! Wees koud en (tegelijkertijd ook) veilig voor Ibrahim!”

وَأَرَادُواْ بِهِۦ كَيۡدٗا فَجَعَلۡنَٰهُمُ ٱلۡأَخۡسَرِينَ 70

En zij wilden hem kwetsen maar Wij maakten hen tot de ergste verliezers.

وَنَجَّيۡنَٰهُ وَلُوطًا إِلَى ٱلۡأَرۡضِ ٱلَّتِي بَٰرَكۡنَا فِيهَا لِلۡعَٰلَمِينَ 71

En Wij redden (en brachten) hem en Loeth naar het land wat Wij voor de wereldwezens gezegend hadden.

وَوَهَبۡنَا لَهُۥٓ إِسۡحَٰقَ وَيَعۡقُوبَ نَافِلَةٗۖ وَكُلّٗا جَعَلۡنَا صَٰلِحِينَ 72

En Wij schonken hem Isaac en Yacoeb. En Wij maakten ieder van hen tot oprechten.

وَجَعَلۡنَٰهُمۡ أَئِمَّةٗ يَهۡدُونَ بِأَمۡرِنَا وَأَوۡحَيۡنَآ إِلَيۡهِمۡ فِعۡلَ ٱلۡخَيۡرَٰتِ وَإِقَامَ ٱلصَّلَوٰةِ وَإِيتَآءَ ٱلزَّكَوٰةِۖ وَكَانُواْ لَنَا عَٰبِدِينَ 73

En Wij maakten hen tot leiders, leidend door Ons bevel en Wij inspireerden hen om goede daden te doen, en de gebeden perfect te verrichten en de Zakat te geven. En zij waren aanbidders van Ons.

وَلُوطًا ءَاتَيۡنَٰهُ حُكۡمٗا وَعِلۡمٗا وَنَجَّيۡنَٰهُ مِنَ ٱلۡقَرۡيَةِ ٱلَّتِي كَانَت تَّعۡمَلُ ٱلۡخَبَـٰٓئِثَۚ إِنَّهُمۡ كَانُواْ قَوۡمَ سَوۡءٖ فَٰسِقِينَ 74

En Loeth gaven Wij Wijsheid, profeetschap en kennis en Wij redden hem van de stad welke gruwelijke daden verrichtte Waarlijk, zij waren een slecht volk en zij waren verdorven.

وَأَدۡخَلۡنَٰهُ فِي رَحۡمَتِنَآۖ إِنَّهُۥ مِنَ ٱلصَّـٰلِحِينَ 75

En Wij hebben hem Onze Genade toegekend, waarlijk, hij was één van de rechtgeleiden.

وَنُوحًا إِذۡ نَادَىٰ مِن قَبۡلُ فَٱسۡتَجَبۡنَا لَهُۥ فَنَجَّيۡنَٰهُ وَأَهۡلَهُۥ مِنَ ٱلۡكَرۡبِ ٱلۡعَظِيمِ 76

En (gedenk) Noah toen hij Ons vroeger aanriep. Wij luisterden naar zijn aanroeping en redden hem en zijn familie van een grote ramp.

وَنَصَرۡنَٰهُ مِنَ ٱلۡقَوۡمِ ٱلَّذِينَ كَذَّبُواْ بِـَٔايَٰتِنَآۚ إِنَّهُمۡ كَانُواْ قَوۡمَ سَوۡءٖ فَأَغۡرَقۡنَٰهُمۡ أَجۡمَعِينَ 77

Wij hielpen hem tegen een volk dat Onze Tekenen ontkende. Waarlijk, zij waren een slecht volk. Dus verdronken Wij hen allen.

وَدَاوُۥدَ وَسُلَيۡمَٰنَ إِذۡ يَحۡكُمَانِ فِي ٱلۡحَرۡثِ إِذۡ نَفَشَتۡ فِيهِ غَنَمُ ٱلۡقَوۡمِ وَكُنَّا لِحُكۡمِهِمۡ شَٰهِدِينَ 78

En (gedenk) Dawoed en Soeleiman, toen zij uitspraak deden over het geval van het veld waarin schapen van bepaalde mensen ’s nachts graasden en Wij waren getuige van hun uitspraak.

فَفَهَّمۡنَٰهَا سُلَيۡمَٰنَۚ وَكُلًّا ءَاتَيۡنَا حُكۡمٗا وَعِلۡمٗاۚ وَسَخَّرۡنَا مَعَ دَاوُۥدَ ٱلۡجِبَالَ يُسَبِّحۡنَ وَٱلطَّيۡرَۚ وَكُنَّا فَٰعِلِينَ 79

En Wij zorgden ervoor dat Soeleiman (de zaak) begreep en aan elk van hen gaven Wij wijsheid en Kennis. En Wij onderwierpen de bergen en de vogels om samen met Dawoed Onze lofprijzing te verheerlijken. En Wij waren het Die dat deden.

وَعَلَّمۡنَٰهُ صَنۡعَةَ لَبُوسٖ لَّكُمۡ لِتُحۡصِنَكُم مِّنۢ بَأۡسِكُمۡۖ فَهَلۡ أَنتُمۡ شَٰكِرُونَ 80

En Wij onderwezen hem hoe metalen maliënkolders te maken, om jullie te beschermen in de gevechten. Zijn jullie dan niet dankbaar?

وَلِسُلَيۡمَٰنَ ٱلرِّيحَ عَاصِفَةٗ تَجۡرِي بِأَمۡرِهِۦٓ إِلَى ٱلۡأَرۡضِ ٱلَّتِي بَٰرَكۡنَا فِيهَاۚ وَكُنَّا بِكُلِّ شَيۡءٍ عَٰلِمِينَ 81

En aan Soeleiman (onderwierpen Wij) de wind, stormend, waaiend door Zijn bevel over land wat Wij gezegend hebben. En van alles zijn Wij Alwetend.

وَمِنَ ٱلشَّيَٰطِينِ مَن يَغُوصُونَ لَهُۥ وَيَعۡمَلُونَ عَمَلٗا دُونَ ذَٰلِكَۖ وَكُنَّا لَهُمۡ حَٰفِظِينَ 82

En van de duivels doken sommigen voor hem en deden daarnaast ander werk; en Wij waren het Die hen behoed hebben.

۞وَأَيُّوبَ إِذۡ نَادَىٰ رَبَّهُۥٓ أَنِّي مَسَّنِيَ ٱلضُّرُّ وَأَنتَ أَرۡحَمُ ٱلرَّـٰحِمِينَ 83

En (gedenk) Ayyoeb, die zijn Heer aanriep: “Waarlijk, de ellende heeft mij gegrepen, maar U bent de meest Genadevolle der Genadevollen.”

فَٱسۡتَجَبۡنَا لَهُۥ فَكَشَفۡنَا مَا بِهِۦ مِن ضُرّٖۖ وَءَاتَيۡنَٰهُ أَهۡلَهُۥ وَمِثۡلَهُم مَّعَهُمۡ رَحۡمَةٗ مِّنۡ عِندِنَا وَذِكۡرَىٰ لِلۡعَٰبِدِينَ 84

Daarop verhoorden Wij zijn aanroeping en verlosten Wij hem uit zijn lijden. (Bovendien) voorzagen Wij hem (opnieuw) van familie en het daaraan gelijke aan hem (erbij) als een (exclusieve) Genade van Ons (aan Ayyoeb, waardoor dit) een (onvergetelijke) overdenking (werd) voor allen die Ons aanbidden (en ook beproevingen moeten doorstaan).

وَإِسۡمَٰعِيلَ وَإِدۡرِيسَ وَذَا ٱلۡكِفۡلِۖ كُلّٞ مِّنَ ٱلصَّـٰبِرِينَ 85

En (gedenk) Ismael en Idris en Dhoel-Kifl, allen behoorden tot degenen die geduldig waren.

وَأَدۡخَلۡنَٰهُمۡ فِي رَحۡمَتِنَآۖ إِنَّهُم مِّنَ ٱلصَّـٰلِحِينَ 86

En Wij hebben hen Onze Genade gegeven. Waarlijk, zij behoorden tot de rechtgeleiden.

وَذَا ٱلنُّونِ إِذ ذَّهَبَ مُغَٰضِبٗا فَظَنَّ أَن لَّن نَّقۡدِرَ عَلَيۡهِ فَنَادَىٰ فِي ٱلظُّلُمَٰتِ أَن لَّآ إِلَٰهَ إِلَّآ أَنتَ سُبۡحَٰنَكَ إِنِّي كُنتُ مِنَ ٱلظَّـٰلِمِينَ 87

En (gedenk) Dhan-Noen (Jonas), toen hij buiten zichzelf van woede was en dacht dat Wij hem niet zouden bestraffen! Maar hij riep door de duisternis (En in de maag van de walvis riep Joenoes zijn Heer aan): “Niets of niemand heeft het recht op mijn aanbidding dan U. Perfect en verheerlijkt ben U. Want waarlijk, ik behoorde tot de zondaren.”

فَٱسۡتَجَبۡنَا لَهُۥ وَنَجَّيۡنَٰهُ مِنَ ٱلۡغَمِّۚ وَكَذَٰلِكَ نُـۨجِي ٱلۡمُؤۡمِنِينَ 88

Daarop verhoorden Wij zijn (voortdurende) aanroeping en verlosten Wij hem uit zijn ellendige en benarde situatie. Het is op die manier dat wij de gelovigen (van hun beproevingen) verlossen.

وَزَكَرِيَّآ إِذۡ نَادَىٰ رَبَّهُۥ رَبِّ لَا تَذَرۡنِي فَرۡدٗا وَأَنتَ خَيۡرُ ٱلۡوَٰرِثِينَ 89

En (gedenk) Zacharias toen hij tot zijn Heer riep: “O Mijn Heer! Laat mij niet eenzaam achter hoewel U de beste van de Erfgenamen bent.”

فَٱسۡتَجَبۡنَا لَهُۥ وَوَهَبۡنَا لَهُۥ يَحۡيَىٰ وَأَصۡلَحۡنَا لَهُۥ زَوۡجَهُۥٓۚ إِنَّهُمۡ كَانُواْ يُسَٰرِعُونَ فِي ٱلۡخَيۡرَٰتِ وَيَدۡعُونَنَا رَغَبٗا وَرَهَبٗاۖ وَكَانُواْ لَنَا خَٰشِعِينَ 90

Dus beantwoordden Wij zijn roep en Wij gaven hem Yahya en Wij maakten zijn vrouw geschikt (om te baren). Waarlijk, zij wedijverden in goede daden en zij riepen Ons hoopvol en vol vrees aan en zij vernederden zichzelf voor Ons.

وَٱلَّتِيٓ أَحۡصَنَتۡ فَرۡجَهَا فَنَفَخۡنَا فِيهَا مِن رُّوحِنَا وَجَعَلۡنَٰهَا وَٱبۡنَهَآ ءَايَةٗ لِّلۡعَٰلَمِينَ 91

En (gedenk) haar die de kuisheid bewaarde, Wij bliezen haar Onze Geest in en Wij maakten haar en haar zoon (Isa) een Teken voor de werelden.

إِنَّ هَٰذِهِۦٓ أُمَّتُكُمۡ أُمَّةٗ وَٰحِدَةٗ وَأَنَا۠ رَبُّكُمۡ فَٱعۡبُدُونِ 92

Waarlijk! Deze godsdienst is één godsdienst en Ik ben jullie Heer, aanbidt Mij dus (alleen).

وَتَقَطَّعُوٓاْ أَمۡرَهُم بَيۡنَهُمۡۖ كُلٌّ إِلَيۡنَا رَٰجِعُونَ 93

Maar zij hebben hun godsdienst afgebroken en haar in sekten onder hen verdeeld. (En) zij zullen tot Ons terugkeren.

فَمَن يَعۡمَلۡ مِنَ ٱلصَّـٰلِحَٰتِ وَهُوَ مُؤۡمِنٞ فَلَا كُفۡرَانَ لِسَعۡيِهِۦ وَإِنَّا لَهُۥ كَٰتِبُونَ 94

En wie goede daden verricht terwijl hij een gelovige is, diens inspanningen zullen niet verworpen worden. Waarlijk! Wij noteren het in het Boek der daden.

وَحَرَٰمٌ عَلَىٰ قَرۡيَةٍ أَهۡلَكۡنَٰهَآ أَنَّهُمۡ لَا يَرۡجِعُونَ 95

En er is een ban gelegd over iedere stad die Wij vernietigd hebben, zodat zij niet kunnen terugkeren (om zich te beteren).

حَتَّىٰٓ إِذَا فُتِحَتۡ يَأۡجُوجُ وَمَأۡجُوجُ وَهُم مِّن كُلِّ حَدَبٖ يَنسِلُونَ 96

Totdat voor Gog en Magog (de muur) geopend wordt en zij van iedere hoogte komen aansnellen.

وَٱقۡتَرَبَ ٱلۡوَعۡدُ ٱلۡحَقُّ فَإِذَا هِيَ شَٰخِصَةٌ أَبۡصَٰرُ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ يَٰوَيۡلَنَا قَدۡ كُنَّا فِي غَفۡلَةٖ مِّنۡ هَٰذَا بَلۡ كُنَّا ظَٰلِمِينَ 97

En de Ware Belofte nabij komt. Dan zul je de ogen van de ongelovigen in afgrijzing zien staren. “Wee voor ons! Wij waren hier beslist achteloos voor; nee, wij waren niets dan onrechtvaardigen.”

إِنَّكُمۡ وَمَا تَعۡبُدُونَ مِن دُونِ ٱللَّهِ حَصَبُ جَهَنَّمَ أَنتُمۡ لَهَا وَٰرِدُونَ 98

Zeker! Jullie, en wat jullie nu naast Allah aanbidden zijn niets dan brandstof voor de Hel. Jullie zullen er binnentreden.

لَوۡ كَانَ هَـٰٓؤُلَآءِ ءَالِهَةٗ مَّا وَرَدُوهَاۖ وَكُلّٞ فِيهَا خَٰلِدُونَ 99

Waren deze (beelden) goden geweest, dan zouden zij er binnengaan. En zij zullen daar allen in verblijven.

لَهُمۡ فِيهَا زَفِيرٞ وَهُمۡ فِيهَا لَا يَسۡمَعُونَ 100

Daarin zullen zij weeklagen en niets horen.

إِنَّ ٱلَّذِينَ سَبَقَتۡ لَهُم مِّنَّا ٱلۡحُسۡنَىٰٓ أُوْلَـٰٓئِكَ عَنۡهَا مُبۡعَدُونَ 101

Waarlijk, degenen waarvoor het goede van Ons vooruit is gegaan, zullen ver van de (Hel) verwijderd worden.

لَا يَسۡمَعُونَ حَسِيسَهَاۖ وَهُمۡ فِي مَا ٱشۡتَهَتۡ أَنفُسُهُمۡ خَٰلِدُونَ 102

Zij zullen er geen geluid van horen, terwijl zij in datgene verblijven wat zij zelf wensen.

لَا يَحۡزُنُهُمُ ٱلۡفَزَعُ ٱلۡأَكۡبَرُ وَتَتَلَقَّىٰهُمُ ٱلۡمَلَـٰٓئِكَةُ هَٰذَا يَوۡمُكُمُ ٱلَّذِي كُنتُمۡ تُوعَدُونَ 103

De grootste verschrikking zal hen niet bedroeven en de Engelen zullen hen ontvangen (met een begroeting): “Dit is jullie Dag wat jullie beloofd is.”

يَوۡمَ نَطۡوِي ٱلسَّمَآءَ كَطَيِّ ٱلسِّجِلِّ لِلۡكُتُبِۚ كَمَا بَدَأۡنَآ أَوَّلَ خَلۡقٖ نُّعِيدُهُۥۚ وَعۡدًا عَلَيۡنَآۚ إِنَّا كُنَّا فَٰعِلِينَ 104

En (gedenk) de Dag wanneer Wij de hemelen zullen oprollen zoals een schrijver zijn geschriften oprolt; zoals Wij de eerste schepping begonnen, Wij zullen het herhalen (het is) een belofte die Ons bindt. Waarlijk, Wij zullen het doen.

وَلَقَدۡ كَتَبۡنَا فِي ٱلزَّبُورِ مِنۢ بَعۡدِ ٱلذِّكۡرِ أَنَّ ٱلۡأَرۡضَ يَرِثُهَا عِبَادِيَ ٱلصَّـٰلِحُونَ 105

En voorwaar, Wij hebben in alle geopenbaarde Heilige Boeken genoteerd, nadat (Wij reeds in) het Boek dat in de hemel bij Allah is, genoteerd hebben, dat Mijn rechtvaardige slaven het land zullen beërven.

إِنَّ فِي هَٰذَا لَبَلَٰغٗا لِّقَوۡمٍ عَٰبِدِينَ 106

Waarlijk, hierin is een duidelijke Boodschap voor mensen die Allah aanbidden.

وَمَآ أَرۡسَلۡنَٰكَ إِلَّا رَحۡمَةٗ لِّلۡعَٰلَمِينَ 107

En Wij hebben jou (O Mohammed) niet anders dan als genade voor de wereldwezens gestuurd.

قُلۡ إِنَّمَا يُوحَىٰٓ إِلَيَّ أَنَّمَآ إِلَٰهُكُمۡ إِلَٰهٞ وَٰحِدٞۖ فَهَلۡ أَنتُم مُّسۡلِمُونَ 108

Zeg: “Het is aan mij geopenbaard dat jullie god slechts één God is. Zullen jullie je dan aan Zijn wil onderwerpen?”

فَإِن تَوَلَّوۡاْ فَقُلۡ ءَاذَنتُكُمۡ عَلَىٰ سَوَآءٖۖ وَإِنۡ أَدۡرِيٓ أَقَرِيبٌ أَم بَعِيدٞ مَّا تُوعَدُونَ 109

Maar als zij zich afkeren zeg dan: “Ik geef jullie een aankondiging dat voor ons allen gelijkelijk bekend wordt. En ik weet niet of datgene wat jullie beloofd is nabij of ver is.”

إِنَّهُۥ يَعۡلَمُ ٱلۡجَهۡرَ مِنَ ٱلۡقَوۡلِ وَيَعۡلَمُ مَا تَكۡتُمُونَ 110

“Waarlijk, Hij (Allah) weet wat er openlijk besproken wordt en wat jullie verbergen.

وَإِنۡ أَدۡرِي لَعَلَّهُۥ فِتۡنَةٞ لَّكُمۡ وَمَتَٰعٌ إِلَىٰ حِينٖ 111

En ik weet het niet, misschien is het een beproeving voor jullie en een vermaak voor enige tijd.”

قَٰلَ رَبِّ ٱحۡكُم بِٱلۡحَقِّۗ وَرَبُّنَا ٱلرَّحۡمَٰنُ ٱلۡمُسۡتَعَانُ عَلَىٰ مَا تَصِفُونَ 112

Hij zei: “Mijn Heer! Beoordeelt U in Waarheid! Onze Heer, de Barmhartige, is Degene wiens hulp gezocht wordt tegen datgene wat jullie aan Hem toekennen!”

One Comment

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Close