Soera 20 – Ta-Ha – (de Arabische letters) Ta Ha – طه

bismillah ir rahman ir rahim

طه 1

Taa-Haa.

مَا أَنزَلْنَا عَلَيْكَ الْقُرْآنَ لِتَشْقَىٰ 2

Wij hebben de Koran niet aan jou (o Mohammed) neergezonden om jou te vermoeien.

إِلَّا تَذْكِرَةً لِّمَن يَخْشَىٰ 3

(Maar) slechts als een Vermaning voor degene die (Allah) vreest.

تَنزِيلًا مِّمَّنْ خَلَقَ الْأَرْضَ وَالسَّمَاوَاتِ الْعُلَى 4

Een Neerzending van Degene Die de aarde en de hoge hemelen heeft geschapen.

الرَّحْمَٰنُ عَلَى الْعَرْشِ اسْتَوَىٰ 5

De Meest Barmhartige heeft Zich boven de Troon verheven.

لَهُ مَا فِي السَّمَاوَاتِ وَمَا فِي الْأَرْضِ وَمَا بَيْنَهُمَا وَمَا تَحْتَ الثَّرَىٰ 6

Aan Hem behoort datgene wat zich in de hemelen en datgene wat zich op de aarde bevindt toe en datgene wat zich daartussen bevindt en datgene wat zich onder de grond bevindt.

وَإِن تَجْهَرْ بِالْقَوْلِ فَإِنَّهُ يَعْلَمُ السِّرَّ وَأَخْفَى 7

En of jij (o Mohammed) hardop spreekt (of zacht), waarlijk Hij (Allah) kent het geheim en dat wat meer verborgen is.

اللَّهُ لَا إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ ۖ لَهُ الْأَسْمَاءُ الْحُسْنَىٰ 8

Allah, er is geen god dan Hij. Aan Hem behoren de Schone Namen toe.

وَهَلْ أَتَاكَ حَدِيثُ مُوسَىٰ 9

En is het verhaal van Moesa tot jou gekomen?

إِذْ رَأَىٰ نَارًا فَقَالَ لِأَهْلِهِ امْكُثُوا إِنِّي آنَسْتُ نَارًا لَّعَلِّي آتِيكُم مِّنْهَا بِقَبَسٍ أَوْ أَجِدُ عَلَى النَّارِ هُدًى 10

Toen hij een vuur zag, zei hij tegen zijn familie: “Wacht, voorwaar, ik zie een vuur. Wellicht kan ik jullie daarvan een brandend vuur brengen, of leiding bij het vuur vinden.”

فَلَمَّا أَتَاهَا نُودِيَ يَا مُوسَىٰ 11

En toen hij het (vuur) bereikte, werd hij (bij naam) geroepen: “O Moesa.

إِنِّي أَنَا رَبُّكَ فَاخْلَعْ نَعْلَيْكَ ۖ إِنَّكَ بِالْوَادِ الْمُقَدَّسِ طُوًى 12

Waarlijk, Ik ben jouw Heer. Trek jouw schoenen uit. Voorwaar, jij bevindt je in de heilige vallei Toewa.

وَأَنَا اخْتَرْتُكَ فَاسْتَمِعْ لِمَا يُوحَىٰ 13

En Ik heb jou uitgekozen, luister dus naar dat wat (aan jou) geopenbaard wordt.

إِنَّنِي أَنَا اللَّهُ لَا إِلَٰهَ إِلَّا أَنَا فَاعْبُدْنِي وَأَقِمِ الصَّلَاةَ لِذِكْرِي 14

Waarlijk, Ik ben Allah, er is geen god behalve Ik. Dus aanbid Mij (Alleen) en onderhoud het gebed om Mij te gedenken.

إِنَّ السَّاعَةَ آتِيَةٌ أَكَادُ أُخْفِيهَا لِتُجْزَىٰ كُلُّ نَفْسٍ بِمَا تَسْعَىٰ 15

Voorwaar, het Uur zal (zeker) komen. Ik zou het (zelfs) bijna verbergen, zodat iedere ziel beloond zal worden voor datgene wat het nastreeft.

فَلَا يَصُدَّنَّكَ عَنْهَا مَن لَّا يُؤْمِنُ بِهَا وَاتَّبَعَ هَوَاهُ فَتَرْدَىٰ 16

Laat dus degene die daar niet in gelooft (d.w.z. in het Uur) en zijn begeerten volgt, jou daar niet van afhouden (d.w.z. van het geloven in het Uur), zodat jij niet ten onder gaat.

وَمَا تِلْكَ بِيَمِينِكَ يَا مُوسَىٰ 17

En wat is dat in jouw rechterhand, o Moesa?”

قَالَ هِيَ عَصَايَ أَتَوَكَّأُ عَلَيْهَا وَأَهُشُّ بِهَا عَلَىٰ غَنَمِي وَلِيَ فِيهَا مَآرِبُ أُخْرَىٰ 18

Hij zei: “Dit is mijn staf waarop ik steun en waarmee ik (de bladeren uit de bomen) sla voor mijn schapen en waarin voor mij andere voordelen zitten.”

قَالَ أَلْقِهَا يَا مُوسَىٰ 19

Hij (Allah) zei: “Werp het, o Moesa.”

فَأَلْقَاهَا فَإِذَا هِيَ حَيَّةٌ تَسْعَىٰ 20

Toen wierp hij het, waarna deze in een bewegende slang veranderde.

قَالَ خُذْهَا وَلَا تَخَفْ ۖ سَنُعِيدُهَا سِيرَتَهَا الْأُولَىٰ 21

Hij (Allah) zei: “Pak het op en vrees niet, Wij zullen het terugbrengen in zijn oude staat.

وَاضْمُمْ يَدَكَ إِلَىٰ جَنَاحِكَ تَخْرُجْ بَيْضَاءَ مِنْ غَيْرِ سُوءٍ آيَةً أُخْرَىٰ 22

En breng jouw (rechter)hand naar jouw (linker)zij. Het zal wit (en stralend) tevoorschijn komen, zonder kwaal, (als) een ander teken.

لِنُرِيَكَ مِنْ آيَاتِنَا الْكُبْرَى 23

Opdat Wij jou (iets) van Onze grote Tekenen laten zien.

اذْهَبْ إِلَىٰ فِرْعَوْنَ إِنَّهُ طَغَىٰ 24

Ga naar de farao. Waarlijk, hij stelt zich tiranniek op.”

قَالَ رَبِّ اشْرَحْ لِي صَدْرِي 25

Hij (Moesa) zei: “O mijn Heer, verruim mijn borst voor mij.

وَيَسِّرْ لِي أَمْرِي 26

En vergemakkelijk mijn zaak voor mij.

وَاحْلُلْ عُقْدَةً مِّن لِّسَانِي 27

En maak de knoop van mijn tong los (d.w.z. geef mij het vermogen om goed te kunnen spreken).

يَفْقَهُوا قَوْلِي 28

Zodat zij mijn woorden zullen begrijpen.

وَاجْعَل لِّي وَزِيرًا مِّنْ أَهْلِي 29

En stel voor mij een helper aan van mijn familie.

هَارُونَ أَخِي 30

Haaroen, mijn broer.

اشْدُدْ بِهِ أَزْرِي 31

Versterk mij door middel van hem.

وَأَشْرِكْهُ فِي أَمْرِي 32

En betrek hem bij mijn zaak.

كَيْ نُسَبِّحَكَ كَثِيرًا 33

Zodat wij U veelvuldig zullen verheerlijken.

وَنَذْكُرَكَ كَثِيرًا 34

En wij U veelvuldig zullen gedenken.

إِنَّكَ كُنتَ بِنَا بَصِيرًا 35

Waarlijk, U bent Alziend over ons.”

قَالَ قَدْ أُوتِيتَ سُؤْلَكَ يَا مُوسَىٰ 36

Hij (Allah) zei: “O Moesa, voorzeker, jouw verzoek is ingewilligd.

وَلَقَدْ مَنَنَّا عَلَيْكَ مَرَّةً أُخْرَىٰ 37

En voorzeker, Wij hebben jou al een andere keer (eerder) begunstigd.

إِذْ أَوْحَيْنَا إِلَىٰ أُمِّكَ مَا يُوحَىٰ 38

Toen Wij jouw moeder openbaarden (d.w.z. inspireerden) met dat wat geopenbaard (d.w.z. geïnspireerd) werd.

أَنِ اقْذِفِيهِ فِي التَّابُوتِ فَاقْذِفِيهِ فِي الْيَمِّ فَلْيُلْقِهِ الْيَمُّ بِالسَّاحِلِ يَأْخُذْهُ عَدُوٌّ لِّي وَعَدُوٌّ لَّهُ ۚ وَأَلْقَيْتُ عَلَيْكَ مَحَبَّةً مِّنِّي وَلِتُصْنَعَ عَلَىٰ عَيْنِي 39

(Zeggende:) “Leg hem in een kist en leg hem (vervolgens) in de zee, zodat de zee hem op de kust zal werpen. Een vijand van Mij en een vijand van hem zal hem (dan bij zich) nemen.” En Ik deed jou Liefde van Mijn Kant toekomen, opdat jij onder Mijn Toezien zou worden grootgebracht.

إِذْ تَمْشِي أُخْتُكَ فَتَقُولُ هَلْ أَدُلُّكُمْ عَلَىٰ مَن يَكْفُلُهُ ۖ فَرَجَعْنَاكَ إِلَىٰ أُمِّكَ كَيْ تَقَرَّ عَيْنُهَا وَلَا تَحْزَنَ ۚ وَقَتَلْتَ نَفْسًا فَنَجَّيْنَاكَ مِنَ الْغَمِّ وَفَتَنَّاكَ فُتُونًا ۚ فَلَبِثْتَ سِنِينَ فِي أَهْلِ مَدْيَنَ ثُمَّ جِئْتَ عَلَىٰ قَدَرٍ يَا مُوسَىٰ 40

Toen jouw zus ging en zei: “Zal ik jullie iemand laten zien die voor hem zal zorgen?” Dus brachten Wij jou terug naar jouw moeder, opdat haar oog zou afkoelen (d.w.z. opdat zij gerustgesteld zou worden) en zij niet verdrietig zou zijn. En jij doodde een ziel, waarna Wij jou vervolgens redden van de kwelling en Wij jou beproefden met een (zware) beproeving. Toen verbleef jij (een aantal) jaren bij het volk van Madyan. Vervolgens kwam jij, o Moesa, zoals (eerder was) bepaald.

وَاصْطَنَعْتُكَ لِنَفْسِي 41

En Ik heb jou voor Mijzelf gekozen.

اذْهَبْ أَنتَ وَأَخُوكَ بِآيَاتِي وَلَا تَنِيَا فِي ذِكْرِي 42

Ga, jij en jouw broer, met Mijn Tekenen en verzwak niet in het gedenken van Mij.

اذْهَبَا إِلَىٰ فِرْعَوْنَ إِنَّهُ طَغَىٰ 43

Ga beiden naar de farao, waarlijk, hij stelt zich tiranniek op.

فَقُولَا لَهُ قَوْلًا لَّيِّنًا لَّعَلَّهُ يَتَذَكَّرُ أَوْ يَخْشَىٰ 44

En spreek (met) zachte woorden tot hem, opdat hij er lering uit zal trekken of (Allah) zal vrezen.”

قَالَا رَبَّنَا إِنَّنَا نَخَافُ أَن يَفْرُطَ عَلَيْنَا أَوْ أَن يَطْغَىٰ 45

Zij zeiden: “Onze Heer, waarlijk, wij vrezen dat hij zal overdrijven in het bestraffen van ons, of dat hij zich tiranniek zal opstellen.”

قَالَ لَا تَخَافَا ۖ إِنَّنِي مَعَكُمَا أَسْمَعُ وَأَرَىٰ 46

Hij (Allah) zei: “Vrees niet, waarlijk, Ik ben met jullie, Ik hoor en Ik zie.

فَأْتِيَاهُ فَقُولَا إِنَّا رَسُولَا رَبِّكَ فَأَرْسِلْ مَعَنَا بَنِي إِسْرَائِيلَ وَلَا تُعَذِّبْهُمْ ۖ قَدْ جِئْنَاكَ بِآيَةٍ مِّن رَّبِّكَ ۖ وَالسَّلَامُ عَلَىٰ مَنِ اتَّبَعَ الْهُدَىٰ 47

Dus ga naar hem (toe) en zeg: “Waarlijk, wij zijn de Boodschappers van jouw Heer, stuur de kinderen van Israël daarom met ons mee en bestraf hen niet. Voorzeker, wij zijn tot jou gekomen met een teken van jouw Heer. En vrede zij met degene die de Leiding volgt.

إِنَّا قَدْ أُوحِيَ إِلَيْنَا أَنَّ الْعَذَابَ عَلَىٰ مَن كَذَّبَ وَتَوَلَّىٰ 48

Voorwaar, het is zeker aan ons geopenbaard, dat de Bestraffing voor degene zal zijn die (Allah) verloochent en zich afwendt.””

قَالَ فَمَن رَّبُّكُمَا يَا مُوسَىٰ 49

Hij (de farao) zei: “Wie is dan jullie Heer, o Moesa?”

قَالَ رَبُّنَا الَّذِي أَعْطَىٰ كُلَّ شَيْءٍ خَلْقَهُ ثُمَّ هَدَىٰ 50

Hij (Moesa) zei: “Onze Heer is Degene Die alle zaken hun vorm heeft gegeven en (deze) vervolgens geleid heeft.”

قَالَ فَمَا بَالُ الْقُرُونِ الْأُولَىٰ 51

Hij (de farao) zei: “En hoe zit het met de eerste generaties?”

قَالَ عِلْمُهَا عِندَ رَبِّي فِي كِتَابٍ ۖ لَّا يَضِلُّ رَبِّي وَلَا يَنسَى 52

Hij (Moesa) zei: “De kennis hierover staat bij mijn Heer in een Boek (geschreven). Mijn Heer dwaalt niet en Hij vergeet niet.”

الَّذِي جَعَلَ لَكُمُ الْأَرْضَ مَهْدًا وَسَلَكَ لَكُمْ فِيهَا سُبُلًا وَأَنزَلَ مِنَ السَّمَاءِ مَاءً فَأَخْرَجْنَا بِهِ أَزْوَاجًا مِّن نَّبَاتٍ شَتَّىٰ 53

Degene Die de aarde tot een bedding voor jullie heeft gemaakt en daarin wegen voor jullie heeft gemaakt. En water uit de hemel heeft neergezonden waarmee Wij verschillende soorten gewassen voortbrengen.

كُلُوا وَارْعَوْا أَنْعَامَكُمْ ۗ إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَاتٍ لِّأُولِي النُّهَىٰ 54

Eet en laat jullie vee (daarvan) grazen. Voorwaar, daarin bevinden zich zeker tekenen voor de bezitters van verstand.

مِنْهَا خَلَقْنَاكُمْ وَفِيهَا نُعِيدُكُمْ وَمِنْهَا نُخْرِجُكُمْ تَارَةً أُخْرَىٰ 55

Daaruit (d.w.z. uit aarde) hebben Wij jullie geschapen. En daarin laten Wij jullie terugkeren. En daaruit zullen Wij jullie een andere keer (nogmaals) voortbrengen.

وَلَقَدْ أَرَيْنَاهُ آيَاتِنَا كُلَّهَا فَكَذَّبَ وَأَبَىٰ 56

En voorzeker, Wij hebben hem (de farao) al Onze Tekenen laten zien, maar hij verloochende (deze) en weigerde (om hierin te geloven).

قَالَ أَجِئْتَنَا لِتُخْرِجَنَا مِنْ أَرْضِنَا بِسِحْرِكَ يَا مُوسَىٰ 57

Hij (de farao) zei: “O Moesa, ben jij naar ons gekomen om ons uit ons land te verdrijven met jouw tovenarij?

فَلَنَأْتِيَنَّكَ بِسِحْرٍ مِّثْلِهِ فَاجْعَلْ بَيْنَنَا وَبَيْنَكَ مَوْعِدًا لَّا نُخْلِفُهُ نَحْنُ وَلَا أَنتَ مَكَانًا سُوًى 58

Wij zullen dan met soortgelijke tovenarij naar jou komen. Maak dus een afspraak tussen ons en jou, die wij noch jij zullen verbreken, op een gelijke plaats.”

قَالَ مَوْعِدُكُمْ يَوْمُ الزِّينَةِ وَأَن يُحْشَرَ النَّاسُ ضُحًى 59

Hij (Moesa) zei: “Jullie afspraak is op de versieringsdag (d.w.z. op de feestdag). En laat de mensen zich in de voormiddag verzamelen.”

فَتَوَلَّىٰ فِرْعَوْنُ فَجَمَعَ كَيْدَهُ ثُمَّ أَتَىٰ 60

De farao wendde zich toen af en beraamde al zijn listen. Vervolgens kwam hij (weer terug).

قَالَ لَهُم مُّوسَىٰ وَيْلَكُمْ لَا تَفْتَرُوا عَلَى اللَّهِ كَذِبًا فَيُسْحِتَكُم بِعَذَابٍ ۖ وَقَدْ خَابَ مَنِ افْتَرَىٰ 61

Moesa zei tegen hen: “Wee jullie, verzin geen leugen over Allah, anders zal Hij jullie volledig vernietigen met een bestraffing. En voorzeker, degene die (een leugen) verzint zal falen.”

فَتَنَازَعُوا أَمْرَهُم بَيْنَهُمْ وَأَسَرُّوا النَّجْوَىٰ 62

Toen redetwistten zij met elkaar over hun zaak en zij verborgen (hun) heimelijke gesprekken.

قَالُوا إِنْ هَٰذَانِ لَسَاحِرَانِ يُرِيدَانِ أَن يُخْرِجَاكُم مِّنْ أَرْضِكُم بِسِحْرِهِمَا وَيَذْهَبَا بِطَرِيقَتِكُمُ الْمُثْلَىٰ 63

Zij zeiden: “Waarlijk, dit zijn inderdaad twee tovenaars. Zij willen jullie uit jullie land verdrijven met hun tovenarij en zij willen jullie voorbeeldige manier (van leven) wegnemen.

فَأَجْمِعُوا كَيْدَكُمْ ثُمَّ ائْتُوا صَفًّا ۚ وَقَدْ أَفْلَحَ الْيَوْمَ مَنِ اسْتَعْلَىٰ 64

Beraam dus al jullie listen en kom vervolgens in rijen. En voorzeker, degene die op deze dag overwint zal succesvol zijn.”

قَالُوا يَا مُوسَىٰ إِمَّا أَن تُلْقِيَ وَإِمَّا أَن نَّكُونَ أَوَّلَ مَنْ أَلْقَىٰ 65

Zij zeiden: “O Moesa, werp jij (als eerste) of zullen wij de eerste zijn die werpen?”

قَالَ بَلْ أَلْقُوا ۖ فَإِذَا حِبَالُهُمْ وَعِصِيُّهُمْ يُخَيَّلُ إِلَيْهِ مِن سِحْرِهِمْ أَنَّهَا تَسْعَىٰ 66

Hij (Moesa) zei: “Welnee! Werpen jullie maar”, waarna het voor hem leek alsof hun touwen en hun stokken door hun tovenarij bewogen.

فَأَوْجَسَ فِي نَفْسِهِ خِيفَةً مُّوسَىٰ 67

Dus raakte Moesa in zichzelf vervuld met vrees.

قُلْنَا لَا تَخَفْ إِنَّكَ أَنتَ الْأَعْلَىٰ 68

Wij zeiden: “Vrees niet, voorwaar, jij bent de verhevene (onder hen).

وَأَلْقِ مَا فِي يَمِينِكَ تَلْقَفْ مَا صَنَعُوا ۖ إِنَّمَا صَنَعُوا كَيْدُ سَاحِرٍ ۖ وَلَا يُفْلِحُ السَّاحِرُ حَيْثُ أَتَىٰ 69

En werp dat wat zich in jouw rechterhand bevindt. Het zal datgene wat zij hebben gemaakt, opslokken. Wat zij hebben gemaakt is slechts een list van een tovenaar, en de tovenaar zal nooit succesvol zijn, waar hij ook vandaan komt.”

فَأُلْقِيَ السَّحَرَةُ سُجَّدًا قَالُوا آمَنَّا بِرَبِّ هَارُونَ وَمُوسَىٰ 70

Toen wierpen de tovenaars zich ter aarde. Zij zeiden: “Wij geloven in de Heer van Haaroen en Moesa.”

قَالَ آمَنتُمْ لَهُ قَبْلَ أَنْ آذَنَ لَكُمْ ۖ إِنَّهُ لَكَبِيرُكُمُ الَّذِي عَلَّمَكُمُ السِّحْرَ ۖ فَلَأُقَطِّعَنَّ أَيْدِيَكُمْ وَأَرْجُلَكُم مِّنْ خِلَافٍ وَلَأُصَلِّبَنَّكُمْ فِي جُذُوعِ النَّخْلِ وَلَتَعْلَمُنَّ أَيُّنَا أَشَدُّ عَذَابًا وَأَبْقَىٰ 71

Hij (de farao) zei: “Hebben jullie in hem geloofd, voordat ik jullie daarvoor toestemming heb gegeven? Voorwaar, hij is zeker jullie grote (leider), die jullie tovenarij heeft onderwezen. Daarom zal ik zeker jullie handen en voeten aan weerszijden afhakken en zal ik jullie zeker aan de stammen van de dadelpalmen kruisigen. En jullie zullen zeker te weten komen wie van ons de meest pijnlijke en blijvende bestraffing heeft.”

قَالُوا لَن نُّؤْثِرَكَ عَلَىٰ مَا جَاءَنَا مِنَ الْبَيِّنَاتِ وَالَّذِي فَطَرَنَا ۖ فَاقْضِ مَا أَنتَ قَاضٍ ۖ إِنَّمَا تَقْضِي هَٰذِهِ الْحَيَاةَ الدُّنْيَا 72

Zij zeiden: “Wij zullen jou nooit verkiezen boven datgene wat tot ons is gekomen aan duidelijke Bewijzen en (boven) Degene Die ons heeft geschapen. Dus bepaal (maar) wat jij bepalen wilt. Jij bepaalt slechts (de zaken die betrekking hebben op) dit wereldse leven.

إِنَّا آمَنَّا بِرَبِّنَا لِيَغْفِرَ لَنَا خَطَايَانَا وَمَا أَكْرَهْتَنَا عَلَيْهِ مِنَ السِّحْرِ ۗ وَاللَّهُ خَيْرٌ وَأَبْقَىٰ 73

Voorwaar, wij geloven in onze Heer, opdat Hij ons onze fouten vergeeft en de tovenarij waartoe jij ons dwong. En Allah is de Beste (d.w.z. het Beste in het belonen) en Blijvender (in de bestraffing).”

إِنَّهُ مَن يَأْتِ رَبَّهُ مُجْرِمًا فَإِنَّ لَهُ جَهَنَّمَ لَا يَمُوتُ فِيهَا وَلَا يَحْيَىٰ 74

Waarlijk, degene die als een misdadiger bij zijn Heer komt. Voorwaar, voor hem is er de Hel, waarin hij niet zal sterven en niet zal leven.

وَمَن يَأْتِهِ مُؤْمِنًا قَدْ عَمِلَ الصَّالِحَاتِ فَأُولَٰئِكَ لَهُمُ الدَّرَجَاتُ الْعُلَىٰ 75

En wie bij Hem komt als een gelovige en voorzeker goede daden heeft verricht, voor hen zijn er de verheven rangen.

جَنَّاتُ عَدْنٍ تَجْرِي مِن تَحْتِهَا الْأَنْهَارُ خَالِدِينَ فِيهَا ۚ وَذَٰلِكَ جَزَاءُ مَن تَزَكَّىٰ 76

De Tuinen van cAdn (d.w.z. van het Paradijs) waaronder rivieren stromen, voor eeuwig (vertoeven zij) daarin. En dit is de Beloning voor degene die zich reinigt (door weg te blijven van datgene wat Allah heeft verboden en te doen wat Hij opdraagt).

وَلَقَدْ أَوْحَيْنَا إِلَىٰ مُوسَىٰ أَنْ أَسْرِ بِعِبَادِي فَاضْرِبْ لَهُمْ طَرِيقًا فِي الْبَحْرِ يَبَسًا لَّا تَخَافُ دَرَكًا وَلَا تَخْشَىٰ 77

En voorzeker, Wij openbaarden aan Moesa: “Reis (’s nachts) met Mijn dienaren en sla voor hen een droge weg in de zee. Vrees niet om ingehaald te worden (door de farao) en heb geen angst (om in de zee te verdrinken).”

فَأَتْبَعَهُمْ فِرْعَوْنُ بِجُنُودِهِ فَغَشِيَهُم مِّنَ الْيَمِّ مَا غَشِيَهُمْ 78

Toen achtervolgde de farao hen met zijn legers en overmande (het water van) de zee hen, waarna het hen bedekte.

وَأَضَلَّ فِرْعَوْنُ قَوْمَهُ وَمَا هَدَىٰ 79

En de farao heeft zijn volk doen afdwalen en hij heeft (hen) niet geleid.

يَا بَنِي إِسْرَائِيلَ قَدْ أَنجَيْنَاكُم مِّنْ عَدُوِّكُمْ وَوَاعَدْنَاكُمْ جَانِبَ الطُّورِ الْأَيْمَنَ وَنَزَّلْنَا عَلَيْكُمُ الْمَنَّ وَالسَّلْوَىٰ 80

O kinderen van Israël, voorzeker, Wij hebben jullie bevrijd van jullie vijand. En Wij spraken met jullie af aan de rechterzijde van de (berg) Toer en Wij deden al-Manna en as-Salwa op jullie neerdalen.

كُلُوا مِن طَيِّبَاتِ مَا رَزَقْنَاكُمْ وَلَا تَطْغَوْا فِيهِ فَيَحِلَّ عَلَيْكُمْ غَضَبِي ۖ وَمَن يَحْلِلْ عَلَيْهِ غَضَبِي فَقَدْ هَوَىٰ 81

Eet van het goede waarmee Wij jullie hebben voorzien en overtreed daarin niet, zodat Mijn Woede niet op jullie zal neerdalen. En degene op wie Mijn Woede neerdaalt, zal zeker ten onder gaan.

وَإِنِّي لَغَفَّارٌ لِّمَن تَابَ وَآمَنَ وَعَمِلَ صَالِحًا ثُمَّ اهْتَدَىٰ 82

En waarlijk, Ik ben zeker Meest Vergevingsgezind voor degene die berouw toont, gelooft en goede daden verricht en vervolgens geleid wordt.

وَمَا أَعْجَلَكَ عَن قَوْمِكَ يَا مُوسَىٰ 83

“En wat deed jou vooruitlopen op jouw volk, o Moesa?”

قَالَ هُمْ أُولَاءِ عَلَىٰ أَثَرِي وَعَجِلْتُ إِلَيْكَ رَبِّ لِتَرْضَىٰ 84

Hij zei: “Zij volgen mijn voetsporen en ik haastte mij naar U, o mijn Heer, opdat U tevreden zult zijn.”

قَالَ فَإِنَّا قَدْ فَتَنَّا قَوْمَكَ مِن بَعْدِكَ وَأَضَلَّهُمُ السَّامِرِيُّ 85

Hij (Allah) zei: “Voorwaar, Wij hebben jouw volk zeker na jou beproefd. En Saamiriy heeft hen doen afdwalen.”

فَرَجَعَ مُوسَىٰ إِلَىٰ قَوْمِهِ غَضْبَانَ أَسِفًا ۚ قَالَ يَا قَوْمِ أَلَمْ يَعِدْكُمْ رَبُّكُمْ وَعْدًا حَسَنًا ۚ أَفَطَالَ عَلَيْكُمُ الْعَهْدُ أَمْ أَرَدتُّمْ أَن يَحِلَّ عَلَيْكُمْ غَضَبٌ مِّن رَّبِّكُمْ فَأَخْلَفْتُم مَّوْعِدِي 86

Toen keerde Moesa boos en bedroefd terug naar zijn volk. Hij zei: “O mijn volk, heeft jullie Heer jullie niet een goede Belofte gedaan? Duurde het Verbond voor jullie te lang, of willen jullie dat de Woede van jullie Heer jullie overkomt, (is het daarom) dat jullie (de aan) mijn (gedane) belofte hebben verbroken?”

قَالُوا مَا أَخْلَفْنَا مَوْعِدَكَ بِمَلْكِنَا وَلَٰكِنَّا حُمِّلْنَا أَوْزَارًا مِّن زِينَةِ الْقَوْمِ فَقَذَفْنَاهَا فَكَذَٰلِكَ أَلْقَى السَّامِرِيُّ 87

Zij zeiden: “Wij hebben (de aan) jouw (gedane) belofte niet uit vrije wil verbroken, maar wij werden belast met het dragen van het gewicht van de versieringen van het volk. Toen wierpen wij deze (in het vuur), en zo gooide (ook) Saamiriy (in het vuur).”

فَأَخْرَجَ لَهُمْ عِجْلًا جَسَدًا لَّهُ خُوَارٌ فَقَالُوا هَٰذَا إِلَٰهُكُمْ وَإِلَٰهُ مُوسَىٰ فَنَسِيَ 88

Toen haalde hij voor hen een beeld van een kalf uit (het vuur), dat een (loeiend) geluid maakte. Toen zeiden zij: “Dit is jullie god en de god van Moesa, maar hij (Moesa) vergat (zijn god hier en ging hem ergens anders zoeken).”

أَفَلَا يَرَوْنَ أَلَّا يَرْجِعُ إِلَيْهِمْ قَوْلًا وَلَا يَمْلِكُ لَهُمْ ضَرًّا وَلَا نَفْعًا 89

Zien zij dan niet dat het (kalf) geen woord tegen hen terugzegt en dat het geen kracht heeft om hen te schaden of te baten?

وَلَقَدْ قَالَ لَهُمْ هَارُونُ مِن قَبْلُ يَا قَوْمِ إِنَّمَا فُتِنتُم بِهِ ۖ وَإِنَّ رَبَّكُمُ الرَّحْمَٰنُ فَاتَّبِعُونِي وَأَطِيعُوا أَمْرِي 90

En voorzeker, Haaroen zei eerder tegen hen: “O mijn volk, jullie worden hiermee slechts beproefd. En voorwaar, jullie Heer is de Meest Barmhartige, volg mij daarom en gehoorzaam mijn bevel.”

قَالُوا لَن نَّبْرَحَ عَلَيْهِ عَاكِفِينَ حَتَّىٰ يَرْجِعَ إِلَيْنَا مُوسَىٰ 91

Zij zeiden: “Wij zullen het (kalf) niet verlaten, wij zullen ons hieraan blijven toewijden (d.w.z. het kalf blijven aanbidden) totdat Moesa naar ons terugkeert.”

قَالَ يَا هَارُونُ مَا مَنَعَكَ إِذْ رَأَيْتَهُمْ ضَلُّوا 92

Hij (Moesa) zei: “O Haaroen, wat hield jou tegen toen jij hen zag afdwalen?

أَلَّا تَتَّبِعَنِ ۖ أَفَعَصَيْتَ أَمْرِي 93

Dat jij mij niet volgde (in mijn advies)? Ben jij dan ongehoorzaam aan mijn bevel?”

قَالَ يَا ابْنَ أُمَّ لَا تَأْخُذْ بِلِحْيَتِي وَلَا بِرَأْسِي ۖ إِنِّي خَشِيتُ أَن تَقُولَ فَرَّقْتَ بَيْنَ بَنِي إِسْرَائِيلَ وَلَمْ تَرْقُبْ قَوْلِي 94

Hij (Haaroen) zei: “O zoon van mijn moeder, grijp (mij) niet bij mijn baard en (ook) niet bij mijn hoofd. Voorwaar, ik vreesde dat jij zou zeggen: “Jij hebt verdeeldheid veroorzaakt tussen de kinderen van Israël en jij slaat geen acht op mijn woorden.””

قَالَ فَمَا خَطْبُكَ يَا سَامِرِيُّ 95

Hij (Moesa) zei: “Wat is jouw verhaal, o Saamiriy?”

قَالَ بَصُرْتُ بِمَا لَمْ يَبْصُرُوا بِهِ فَقَبَضْتُ قَبْضَةً مِّنْ أَثَرِ الرَّسُولِ فَنَبَذْتُهَا وَكَذَٰلِكَ سَوَّلَتْ لِي نَفْسِي 96

Hij (Saamiriy ) zei: “Ik zag wat zij niet zagen, dus ik pakte een handvol (stof) van de voetsporen van (het paard van) de Gezant (Gabriël) en gooide het (in het vuur waarin de sieraden werden geworpen). En zo heb ik (het) voor mijzelf schoonschijnend gemaakt.”

قَالَ فَاذْهَبْ فَإِنَّ لَكَ فِي الْحَيَاةِ أَن تَقُولَ لَا مِسَاسَ ۖ وَإِنَّ لَكَ مَوْعِدًا لَّن تُخْلَفَهُ ۖ وَانظُرْ إِلَىٰ إِلَٰهِكَ الَّذِي ظَلْتَ عَلَيْهِ عَاكِفًا ۖ لَّنُحَرِّقَنَّهُ ثُمَّ لَنَنسِفَنَّهُ فِي الْيَمِّ نَسْفًا 97

Hij (Moesa) zei: “Dus ga. Voorwaar, voor jou is er in het leven (een bestraffing), dat jij zult zeggen: “Niet aanraken.” En voorwaar, voor jou is er een afspraak waar jij niet onderuit kunt komen. En kijk naar jouw god, aan wie jij toegewijd was. Wij zullen hem zeker verbranden en vervolgens zullen wij zijn deeltjes zeker in de zee strooien.”

إِنَّمَا إِلَٰهُكُمُ اللَّهُ الَّذِي لَا إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ ۚ وَسِعَ كُلَّ شَيْءٍ عِلْمًا 98

Jullie God is slechts Allah, er is geen god dan Hij. Hij omvat alles met Zijn Kennis.

كَذَٰلِكَ نَقُصُّ عَلَيْكَ مِنْ أَنبَاءِ مَا قَدْ سَبَقَ ۚ وَقَدْ آتَيْنَاكَ مِن لَّدُنَّا ذِكْرًا 99

Zo vertellen Wij jou (o Mohammed) over de eerdere verhalen. En voorzeker, Wij hebben jou van Onze Zijde een Vermaning (d.w.z. deze Koran) gegeven.

مَّنْ أَعْرَضَ عَنْهُ فَإِنَّهُ يَحْمِلُ يَوْمَ الْقِيَامَةِ وِزْرًا 100

Wie zich ervan afwendt (d.w.z. van deze Koran), voorwaar, diegene zal dan op de Dag der Opstanding een last dragen.

خَالِدِينَ فِيهِ ۖ وَسَاءَ لَهُمْ يَوْمَ الْقِيَامَةِ حِمْلًا 101

Voor eeuwig (verblijven zij) daarin. En slecht is op de Dag der Opstanding de last voor hen.

يَوْمَ يُنفَخُ فِي الصُّورِ ۚ وَنَحْشُرُ الْمُجْرِمِينَ يَوْمَئِذٍ زُرْقًا 102

Op de Dag waarop er op de Bazuin wordt geblazen en Wij op die Dag de misdadigers verzamelen die blauw (van kleur) zullen zijn.

يَتَخَافَتُونَ بَيْنَهُمْ إِن لَّبِثْتُمْ إِلَّا عَشْرًا 103

Zij zullen zacht tegen elkaar praten (zeggende): “Jullie verbleven slechts tien (dagen in deze wereld).”

نَّحْنُ أَعْلَمُ بِمَا يَقُولُونَ إِذْ يَقُولُ أَمْثَلُهُمْ طَرِيقَةً إِن لَّبِثْتُمْ إِلَّا يَوْمًا 104

Wij weten (het best) wat zij zeggen, als de beste onder hen in kennis zegt: “Jullie verbleven slechts één dag (in deze wereld).”

وَيَسْأَلُونَكَ عَنِ الْجِبَالِ فَقُلْ يَنسِفُهَا رَبِّي نَسْفًا 105

En zij vragen jou over de bergen, zeg: “Mijn Heer zal deze in stof doen opgaan.

فَيَذَرُهَا قَاعًا صَفْصَفًا 106

Dan laat Hij haar (d.w.z. de aarde) achter als een glad oppervlak.

لَّا تَرَىٰ فِيهَا عِوَجًا وَلَا أَمْتًا 107

Jij zult daarin niets scheefs en niets afwijkends zien.”

يَوْمَئِذٍ يَتَّبِعُونَ الدَّاعِيَ لَا عِوَجَ لَهُ ۖ وَخَشَعَتِ الْأَصْوَاتُ لِلرَّحْمَٰنِ فَلَا تَسْمَعُ إِلَّا هَمْسًا 108

Op die Dag volgen zij de Oproeper (van Allah), waarvan zij niet kunnen afwijken. En alle stemmen zullen zich stilhouden tegenover de Meest Barmhartige (Allah). Jij zult dan slechts (hun) gefluister horen.

يَوْمَئِذٍ لَّا تَنفَعُ الشَّفَاعَةُ إِلَّا مَنْ أَذِنَ لَهُ الرَّحْمَٰنُ وَرَضِيَ لَهُ قَوْلًا 109

Op die Dag zal er geen voorspraak van nut zijn, behalve voor degene aan wie de Meest Barmhartige Toestemming geeft en wiens woord Hem welgevallig is.

يَعْلَمُ مَا بَيْنَ أَيْدِيهِمْ وَمَا خَلْفَهُمْ وَلَا يُحِيطُونَ بِهِ عِلْمًا 110

Hij weet wat er vóór hen (d.w.z. in de toekomst) is en wat er achter hen (d.w.z. in het verleden) is. En zij kunnen niets van Zijn Kennis omvatten.

وَعَنَتِ الْوُجُوهُ لِلْحَيِّ الْقَيُّومِ ۖ وَقَدْ خَابَ مَنْ حَمَلَ ظُلْمًا 111

En (alle) gezichten zullen zich overgeven aan de Levende, de Onderhouder. En voorzeker, degene die (een last van) onrecht draagt heeft gefaald.

وَمَن يَعْمَلْ مِنَ الصَّالِحَاتِ وَهُوَ مُؤْمِنٌ فَلَا يَخَافُ ظُلْمًا وَلَا هَضْمًا 112

En degene die goede daden verricht en (die) een gelovige is, die hoeft dan geen onrecht en geen vermindering (van zijn beloning) te vrezen.

وَكَذَٰلِكَ أَنزَلْنَاهُ قُرْآنًا عَرَبِيًّا وَصَرَّفْنَا فِيهِ مِنَ الْوَعِيدِ لَعَلَّهُمْ يَتَّقُونَ أَوْ يُحْدِثُ لَهُمْ ذِكْرًا 113

En zo hebben Wij het neergezonden als een Arabische Koran, en daarin de waarschuwingen (in details) op verschillende wijzen herhaald, opdat zij (Allah) zullen vrezen, of dat het hen tot nadenken aanzet.

فَتَعَالَى اللَّهُ الْمَلِكُ الْحَقُّ ۗ وَلَا تَعْجَلْ بِالْقُرْآنِ مِن قَبْلِ أَن يُقْضَىٰ إِلَيْكَ وَحْيُهُ ۖ وَقُل رَّبِّ زِدْنِي عِلْمًا 114

Verheven is Allah, de Koning, de Waarheid. En haast je niet met de Koran (o Mohammed), voordat zijn Openbaring aan jou vervolmaakt is. En zeg: “Mijn Heer, vermeerder mijn kennis.”

وَلَقَدْ عَهِدْنَا إِلَىٰ آدَمَ مِن قَبْلُ فَنَسِيَ وَلَمْ نَجِدْ لَهُ عَزْمًا 115

En voorzeker, Wij hebben voorheen Adam bevolen (om niet van de boom te eten), maar hij vergat en Wij troffen bij hem geen sterke wilskracht aan.

وَإِذْ قُلْنَا لِلْمَلَائِكَةِ اسْجُدُوا لِآدَمَ فَسَجَدُوا إِلَّا إِبْلِيسَ أَبَىٰ 116

En (gedenk) toen Wij tegen de Engelen zeiden: “Kniel neer voor Adam.” En zij knielden neer, behalve Iblies (de satan), hij weigerde.

فَقُلْنَا يَا آدَمُ إِنَّ هَٰذَا عَدُوٌّ لَّكَ وَلِزَوْجِكَ فَلَا يُخْرِجَنَّكُمَا مِنَ الْجَنَّةِ فَتَشْقَىٰ 117

Wij zeiden toen: “O Adam, voorwaar, dit is een vijand voor jou en voor jouw echtgenote. Laat hem jullie beiden dus niet uit het Paradijs verdrijven, anders zul jij vermoeid raken.

إِنَّ لَكَ أَلَّا تَجُوعَ فِيهَا وَلَا تَعْرَىٰ 118

Waarlijk, voor jou geldt dat jij daarin geen honger zult lijden, noch naakt zult zijn.

وَأَنَّكَ لَا تَظْمَأُ فِيهَا وَلَا تَضْحَىٰ 119

En dat jij daarin geen dorst zult hebben, noch onder de hitte (van de zon) zult lijden.”

فَوَسْوَسَ إِلَيْهِ الشَّيْطَانُ قَالَ يَا آدَمُ هَلْ أَدُلُّكَ عَلَىٰ شَجَرَةِ الْخُلْدِ وَمُلْكٍ لَّا يَبْلَىٰ 120

Toen fluisterde de satan hem in. Hij zei: “O Adam, zal ik jou wijzen op de boom van de eeuwigheid en een koninkrijk dat niet vergaat?”

فَأَكَلَا مِنْهَا فَبَدَتْ لَهُمَا سَوْآتُهُمَا وَطَفِقَا يَخْصِفَانِ عَلَيْهِمَا مِن وَرَقِ الْجَنَّةِ ۚ وَعَصَىٰ آدَمُ رَبَّهُ فَغَوَىٰ 121

Toen aten zij ervan en werden hun intieme delen zichtbaar, en begonnen zij zich te bedekken met bladeren van het Paradijs. En Adam was ongehoorzaam aan zijn Heer en overtrad.

ثُمَّ اجْتَبَاهُ رَبُّهُ فَتَابَ عَلَيْهِ وَهَدَىٰ 122

Vervolgens verkoos zijn Heer hem, waarop Hij (Allah) zijn berouw aanvaardde en hem leidde.

قَالَ اهْبِطَا مِنْهَا جَمِيعًا ۖ بَعْضُكُمْ لِبَعْضٍ عَدُوٌّ ۖ فَإِمَّا يَأْتِيَنَّكُم مِّنِّي هُدًى فَمَنِ اتَّبَعَ هُدَايَ فَلَا يَضِلُّ وَلَا يَشْقَىٰ 123

Hij (Allah) zei: “Daal er allemaal van af (d.w.z. uit het Paradijs), als vijanden van elkaar. Wanneer er dan Leiding tot jullie komt van Mij, en wie Mijn Leiding dan volgt, zal niet afdwalen noch vermoeid raken.

وَمَنْ أَعْرَضَ عَن ذِكْرِي فَإِنَّ لَهُ مَعِيشَةً ضَنكًا وَنَحْشُرُهُ يَوْمَ الْقِيَامَةِ أَعْمَىٰ 124

En wie zich afwendt van het gedenken van Mij, waarlijk voor hem is er een benauwd leven. En Wij zullen hem op de Dag der Opstanding als een blinde verzamelen.”

قَالَ رَبِّ لِمَ حَشَرْتَنِي أَعْمَىٰ وَقَدْ كُنتُ بَصِيرًا 125

Hij zal zeggen: “Mijn Heer, waarom heeft U mij als een blinde verzameld, terwijl ik (voorheen) zeker kon zien?”

قَالَ كَذَٰلِكَ أَتَتْكَ آيَاتُنَا فَنَسِيتَهَا ۖ وَكَذَٰلِكَ الْيَوْمَ تُنسَىٰ 126

Hij (Allah) zal zeggen: “Zo zijn Onze Tekenen tot jou gekomen, maar jij vergat ze. En zo zul jij op deze Dag (ook) vergeten worden.”

وَكَذَٰلِكَ نَجْزِي مَنْ أَسْرَفَ وَلَمْ يُؤْمِن بِآيَاتِ رَبِّهِ ۚ وَلَعَذَابُ الْآخِرَةِ أَشَدُّ وَأَبْقَىٰ 127

En zo vergelden Wij degene die buitensporig is en (die) niet in de Tekenen van zijn Heer gelooft. En de bestraffing van het Hiernamaals is zeker erger en blijvender.

أَفَلَمْ يَهْدِ لَهُمْ كَمْ أَهْلَكْنَا قَبْلَهُم مِّنَ الْقُرُونِ يَمْشُونَ فِي مَسَاكِنِهِمْ ۗ إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَاتٍ لِّأُولِي النُّهَىٰ 128

Is het geen leiding voor hen (om te weten) hoeveel generaties Wij vóór hen hebben vernietigd, (en) wiens woningen zij passeren? Voorwaar, daarin bevinden zich zeker tekenen voor de bezitters van verstand.

وَلَوْلَا كَلِمَةٌ سَبَقَتْ مِن رَّبِّكَ لَكَانَ لِزَامًا وَأَجَلٌ مُّسَمًّى 129

En was het niet vanwege een Woord dat eerder door jouw Heer was bepaald, en een vastgesteld tijdstip, dan zou het (d.w.z. de bestraffing, hun) zeker zijn overkomen (in dit leven).

فَاصْبِرْ عَلَىٰ مَا يَقُولُونَ وَسَبِّحْ بِحَمْدِ رَبِّكَ قَبْلَ طُلُوعِ الشَّمْسِ وَقَبْلَ غُرُوبِهَا ۖ وَمِنْ آنَاءِ اللَّيْلِ فَسَبِّحْ وَأَطْرَافَ النَّهَارِ لَعَلَّكَ تَرْضَىٰ 130

Wees dus geduldig met wat zij zeggen en verheerlijk jouw Heer met lofuitingen, vóór zonsopgang en vóór de ondergang daarvan. En verheerlijk (jouw Heer) in de nachtelijke uren en aan het einde van de dag, opdat jij tevreden zult zijn (met de Beloning die Allah jou zal geven).

وَلَا تَمُدَّنَّ عَيْنَيْكَ إِلَىٰ مَا مَتَّعْنَا بِهِ أَزْوَاجًا مِّنْهُمْ زَهْرَةَ الْحَيَاةِ الدُّنْيَا لِنَفْتِنَهُمْ فِيهِ ۚ وَرِزْقُ رَبِّكَ خَيْرٌ وَأَبْقَىٰ 131

En richt jouw ogen niet op datgene waarmee Wij sommigen van hen (op dezelfde wijze) hebben begunstigd, met de pracht van het wereldse leven, opdat Wij hen hiermee zullen beproeven. En de Voorziening (d.w.z. de Beloning in het Hiernamaals) van jouw Heer is beter en blijvender.

وَأْمُرْ أَهْلَكَ بِالصَّلَاةِ وَاصْطَبِرْ عَلَيْهَا ۖ لَا نَسْأَلُكَ رِزْقًا ۖ نَّحْنُ نَرْزُقُكَ ۗ وَالْعَاقِبَةُ لِلتَّقْوَىٰ 132

En spoor jouw familie aan tot het gebed en wees geduldig hierin. Wij vragen van jou geen voorziening. Wij voorzien jou. En het goede Einde is voor degenen die (Allah) vrezen.

وَقَالُوا لَوْلَا يَأْتِينَا بِآيَةٍ مِّن رَّبِّهِ ۚ أَوَلَمْ تَأْتِهِم بَيِّنَةُ مَا فِي الصُّحُفِ الْأُولَىٰ 133

En zij zeiden: “Waarom is hij niet met een Teken van zijn Heer tot ons gekomen?” Is er dan niet een duidelijk Teken tot hen gekomen, wat in de eerste Geschriften (geschreven) staat?

وَلَوْ أَنَّا أَهْلَكْنَاهُم بِعَذَابٍ مِّن قَبْلِهِ لَقَالُوا رَبَّنَا لَوْلَا أَرْسَلْتَ إِلَيْنَا رَسُولًا فَنَتَّبِعَ آيَاتِكَ مِن قَبْلِ أَن نَّذِلَّ وَنَخْزَىٰ 134

En als Wij hen hiervóór (d.w.z. vóór de komst van de Koran) vernietigd hadden met een bestraffing, dan zouden zij zeker zeggen: “Onze Heer, als U een Boodschapper naar ons had gestuurd, dan hadden wij Uw Tekenen gevolgd, voordat wij vernederd en te schande gebracht werden.”

قُلْ كُلٌّ مُّتَرَبِّصٌ فَتَرَبَّصُوا ۖ فَسَتَعْلَمُونَ مَنْ أَصْحَابُ الصِّرَاطِ السَّوِيِّ وَمَنِ اهْتَدَىٰ 135

Zeg: “Iedereen wacht af, dus wacht af. Jullie zullen te weten komen wie degenen zijn die zich op het rechte Pad bevinden en wie recht geleid zijn.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Close