Soera 20 – Ta-Ha – (de Arabische letters) Ta Ha – طه

Deze soera in de nieuwe Koran omgeving lezen? Ja, graag
bismillah ir rahman ir rahim

طه 1

Thā, Hā.

مَآ أَنزَلۡنَا عَلَيۡكَ ٱلۡقُرۡءَانَ لِتَشۡقَىٰٓ 2

(O Mohammed), Wij hebben de Koran in geen geval naar jou neergezonden om jou problemen te bezorgen.

إِلَّا تَذۡكِرَةٗ لِّمَن يَخۡشَىٰ 3

Maar slechts als een Overdenking voor degenen die (Allah) vrezen.

تَنزِيلٗا مِّمَّنۡ خَلَقَ ٱلۡأَرۡضَ وَٱلسَّمَٰوَٰتِ ٱلۡعُلَى 4

Een openbaring van Hem Die de aarde en de hoge hemelen heeft geschapen.

ٱلرَّحۡمَٰنُ عَلَى ٱلۡعَرۡشِ ٱسۡتَوَىٰ 5

De Weldadige, Die op de Troon zetelt.

لَهُۥ مَا فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَمَا فِي ٱلۡأَرۡضِ وَمَا بَيۡنَهُمَا وَمَا تَحۡتَ ٱلثَّرَىٰ 6

Aan Hem behoort alles wat in de hemelen en op aarde is en alles daartussen, en alles wat onder de grond is.

وَإِن تَجۡهَرۡ بِٱلۡقَوۡلِ فَإِنَّهُۥ يَعۡلَمُ ٱلسِّرَّ وَأَخۡفَى 7

O jij met luide stem spreekt of niet: Hij kent het geheim en het meest verborgene.

ٱللَّهُ لَآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَۖ لَهُ ٱلۡأَسۡمَآءُ ٱلۡحُسۡنَىٰ 8

Allah! Geen heeft het recht om aanbeden te worden behalve Hij! Hem behoren de Schone Namen toe.

وَهَلۡ أَتَىٰكَ حَدِيثُ مُوسَىٰٓ 9

En is het verhaal van Mozes tot jou gekomen?

إِذۡ رَءَا نَارٗا فَقَالَ لِأَهۡلِهِ ٱمۡكُثُوٓاْ إِنِّيٓ ءَانَسۡتُ نَارٗا لَّعَلِّيٓ ءَاتِيكُم مِّنۡهَا بِقَبَسٍ أَوۡ أَجِدُ عَلَى ٱلنَّارِ هُدٗى 10

Toen hij een vuur zag zei hij tegen zijn familie: “Wacht! Waarlijk, ik heb een vuur gezien, misschien kan ik jullie daar wat brandende takken van brengen of zal ik bij het vuur Leiding vinden.”

فَلَمَّآ أَتَىٰهَا نُودِيَ يَٰمُوسَىٰٓ 11

En toen hij daar aankwam, werd hij bij zijn naam geroepen: “O Mozes!”

إِنِّيٓ أَنَا۠ رَبُّكَ فَٱخۡلَعۡ نَعۡلَيۡكَ إِنَّكَ بِٱلۡوَادِ ٱلۡمُقَدَّسِ طُوٗى 12

Waarlijk! Ik ben jouw Heer! Doe je schoenen uit, je bent in het heilige dal ‘Toewa’.

وَأَنَا ٱخۡتَرۡتُكَ فَٱسۡتَمِعۡ لِمَا يُوحَىٰٓ 13

En Ik heb jou uitverkoren. Luister dus naar wat geopenbaard wordt.

إِنَّنِيٓ أَنَا ٱللَّهُ لَآ إِلَٰهَ إِلَّآ أَنَا۠ فَٱعۡبُدۡنِي وَأَقِمِ ٱلصَّلَوٰةَ لِذِكۡرِيٓ 14

Waarlijk! Ik ben Allah, er is geen god dan Ik, aanbid Mij dus en verricht de gebeden om Mij te gedenken.

إِنَّ ٱلسَّاعَةَ ءَاتِيَةٌ أَكَادُ أُخۡفِيهَا لِتُجۡزَىٰ كُلُّ نَفۡسِۭ بِمَا تَسۡعَىٰ 15

Waarlijk, het Uur zal komen. Ik zal het onthullen zodat iedere ziel beloond zal worden voor wat zij nastreeft.

فَلَا يَصُدَّنَّكَ عَنۡهَا مَن لَّا يُؤۡمِنُ بِهَا وَٱتَّبَعَ هَوَىٰهُ فَتَرۡدَىٰ 16

Laat je er daarom niet van afhouden door degene die daarin niet gelooft en zijn eigen lusten volgt, zodat je niet ten onder gaat.

وَمَا تِلۡكَ بِيَمِينِكَ يَٰمُوسَىٰ 17

En wat is dat in jouw rechterhand, O Mozes?”

قَالَ هِيَ عَصَايَ أَتَوَكَّؤُاْ عَلَيۡهَا وَأَهُشُّ بِهَا عَلَىٰ غَنَمِي وَلِيَ فِيهَا مَـَٔارِبُ أُخۡرَىٰ 18

Hij zei: “Dit is mijn stok waarop ik leun en waarmee ik bladeren afsla voor mijn schapen en waar ik nog meer dingen mee doe.”

قَالَ أَلۡقِهَا يَٰمُوسَىٰ 19

Hij zei: “Gooi het neer, O Mozes!”

فَأَلۡقَىٰهَا فَإِذَا هِيَ حَيَّةٞ تَسۡعَىٰ 20

Hij gooide het neer en zie! Het was een slang die zich snel voortbewoog.

قَالَ خُذۡهَا وَلَا تَخَفۡۖ سَنُعِيدُهَا سِيرَتَهَا ٱلۡأُولَىٰ 21

En Allah zei: “Grijp het en wees niet bang, Wij zullen het weer in zijn oude staat terugbrengen.”

وَٱضۡمُمۡ يَدَكَ إِلَىٰ جَنَاحِكَ تَخۡرُجۡ بَيۡضَآءَ مِنۡ غَيۡرِ سُوٓءٍ ءَايَةً أُخۡرَىٰ 22

“En leg je hand onder je arm, zij zal wit worden zonder enige ziekte, als een ander Teken.”

لِنُرِيَكَ مِنۡ ءَايَٰتِنَا ٱلۡكُبۡرَى 23

“Dat Wij jou enige van Onze grote Tekenen moge laten zien.”

ٱذۡهَبۡ إِلَىٰ فِرۡعَوۡنَ إِنَّهُۥ طَغَىٰ 24

“Ga naar de Farao! Waarlijk, hij heeft overtreden.”

قَالَ رَبِّ ٱشۡرَحۡ لِي صَدۡرِي 25

(En Mozes smeekte): “O mijn Heer! Verruim mijn hart voor mij (zodat ik deze zware boodschap kan dragen).

وَيَسِّرۡ لِيٓ أَمۡرِي 26

En maak mijn taak gemakkelijk voor mij.

وَٱحۡلُلۡ عُقۡدَةٗ مِّن لِّسَانِي 27

En maak de knoop van mijn tong los.

يَفۡقَهُواْ قَوۡلِي 28

Zodat zij mijn toespraak kunnen verstaan.

وَٱجۡعَل لِّي وَزِيرٗا مِّنۡ أَهۡلِي 29

En wijs voor mij een helper uit mijn familie aan.

هَٰرُونَ أَخِي 30

Haaron, mijn broer.

ٱشۡدُدۡ بِهِۦٓ أَزۡرِي 31

Vermeerder mijn kracht met hem.

وَأَشۡرِكۡهُ فِيٓ أَمۡرِي 32

En laat hem in mijn taak delen.

كَيۡ نُسَبِّحَكَ كَثِيرٗا 33

Zodat wij U veel kunnen verheerlijken.

وَنَذۡكُرَكَ كَثِيرًا 34

En U veel kunnen gedenken.

إِنَّكَ كُنتَ بِنَا بَصِيرٗا 35

Waarlijk! U bent Alziend over ons.”

قَالَ قَدۡ أُوتِيتَ سُؤۡلَكَ يَٰمُوسَىٰ 36

Allah zei: “Jou verzoeken zullen verhoord worden, O Mozes!”

وَلَقَدۡ مَنَنَّا عَلَيۡكَ مَرَّةً أُخۡرَىٰٓ 37

“En voorwaar, Wij hebben jou op een ander moment (eerder) al een gunst gegeven.

إِذۡ أَوۡحَيۡنَآ إِلَىٰٓ أُمِّكَ مَا يُوحَىٰٓ 38

Toen Wij jouw moeder openbaarden.

أَنِ ٱقۡذِفِيهِ فِي ٱلتَّابُوتِ فَٱقۡذِفِيهِ فِي ٱلۡيَمِّ فَلۡيُلۡقِهِ ٱلۡيَمُّ بِٱلسَّاحِلِ يَأۡخُذۡهُ عَدُوّٞ لِّي وَعَدُوّٞ لَّهُۥۚ وَأَلۡقَيۡتُ عَلَيۡكَ مَحَبَّةٗ مِّنِّي وَلِتُصۡنَعَ عَلَىٰ عَيۡنِيٓ 39

Zeggende: “Leg hem in een kistje en leg het in de rivier, dan zal de rivier het op een oever laten stranden en daar, zal een vijand van Mij en een vijand van hem, hem nemen.” En Ik voorzag je van Mijn liefde zodat je onder Mijn ogen opgevoed zou worden.

إِذۡ تَمۡشِيٓ أُخۡتُكَ فَتَقُولُ هَلۡ أَدُلُّكُمۡ عَلَىٰ مَن يَكۡفُلُهُۥۖ فَرَجَعۡنَٰكَ إِلَىٰٓ أُمِّكَ كَيۡ تَقَرَّ عَيۡنُهَا وَلَا تَحۡزَنَۚ وَقَتَلۡتَ نَفۡسٗا فَنَجَّيۡنَٰكَ مِنَ ٱلۡغَمِّ وَفَتَنَّـٰكَ فُتُونٗاۚ فَلَبِثۡتَ سِنِينَ فِيٓ أَهۡلِ مَدۡيَنَ ثُمَّ جِئۡتَ عَلَىٰ قَدَرٖ يَٰمُوسَىٰ 40

Toen jouw zuster ging en (tegen de familie van de Farao) zei: “Zal ik u iemand laten zien die hem kan zogen?” Op die manier brachten Wij je bij je moeder terug, zodat zij haar ogen kon koelen en dat ze niet bedroefd zou zijn. Toen doodde jij een man, maar Wij redden jouw van een groot probleem en hebben je met een zware beproeving beproefd. Toen bleef jij een aantal jaren bij het volk van Midian. Toen kwam jij hier, zoals bepaald, O Mozes.

وَٱصۡطَنَعۡتُكَ لِنَفۡسِي 41

En Ik heb jou voor Mijzelf gekozen.

ٱذۡهَبۡ أَنتَ وَأَخُوكَ بِـَٔايَٰتِي وَلَا تَنِيَا فِي ذِكۡرِي 42

Ga samen met jouw broeder met Mijn Tekenen en veronachtzaamt niet Mij te gedenken.”

ٱذۡهَبَآ إِلَىٰ فِرۡعَوۡنَ إِنَّهُۥ طَغَىٰ 43

Ga, jullie beiden naar de Farao, waarlijk, hij heeft overtreden.

فَقُولَا لَهُۥ قَوۡلٗا لَّيِّنٗا لَّعَلَّهُۥ يَتَذَكَّرُ أَوۡ يَخۡشَىٰ 44

En spreek vriendelijk tot hem, misschien zal hij de vermaning aannemen of Allah vrezen.”

قَالَا رَبَّنَآ إِنَّنَا نَخَافُ أَن يَفۡرُطَ عَلَيۡنَآ أَوۡ أَن يَطۡغَىٰ 45

Zij zeiden: “Onze Heer! Waarlijk! Wij vrezen dat hij zich zou haasten ons te bestraffen of dat hij zal overtreden.”

قَالَ لَا تَخَافَآۖ إِنَّنِي مَعَكُمَآ أَسۡمَعُ وَأَرَىٰ 46

Hij zei: “Vreest niet, Waarlijk! Ik ben met jullie beiden, Ik hoor en Ik zie.”

فَأۡتِيَاهُ فَقُولَآ إِنَّا رَسُولَا رَبِّكَ فَأَرۡسِلۡ مَعَنَا بَنِيٓ إِسۡرَـٰٓءِيلَ وَلَا تُعَذِّبۡهُمۡۖ قَدۡ جِئۡنَٰكَ بِـَٔايَةٖ مِّن رَّبِّكَۖ وَٱلسَّلَٰمُ عَلَىٰ مَنِ ٱتَّبَعَ ٱلۡهُدَىٰٓ 47

Ga dus samen naar hem toe en zeg: “Waarlijk, wij zijn de Boodschappers van uw Heer, laat dus de Kinderen van Israël met ons meegaan, en martel hen niet, voorwaar, wij zijn gekomen met een Teken van uw Heer! En vrede is met degene die Leiding volgt.”

إِنَّا قَدۡ أُوحِيَ إِلَيۡنَآ أَنَّ ٱلۡعَذَابَ عَلَىٰ مَن كَذَّبَ وَتَوَلَّىٰ 48

Waarlijk, er is ons geopenbaard dat de bestraffing zal komen voor degene die ontkent en zich afkeert.

قَالَ فَمَن رَّبُّكُمَا يَٰمُوسَىٰ 49

Farao zei: “Wie is jullie Heer O Mozes?”

قَالَ رَبُّنَا ٱلَّذِيٓ أَعۡطَىٰ كُلَّ شَيۡءٍ خَلۡقَهُۥ ثُمَّ هَدَىٰ 50

(Mozes) zei: “Onze Heer is Degene Die alles zijn vorm en aard geeft, en het dan goed leidt.”

قَالَ فَمَا بَالُ ٱلۡقُرُونِ ٱلۡأُولَىٰ 51

(Farao) zei: “Hoe staat het dan met de vroegere generaties?”

قَالَ عِلۡمُهَا عِندَ رَبِّي فِي كِتَٰبٖۖ لَّا يَضِلُّ رَبِّي وَلَا يَنسَى 52

(Mozes) zei: “De kennis over hen is bij mijn Heer in een Boek. Mijn Heer maakt geen fouten en vergeet niets.”

ٱلَّذِي جَعَلَ لَكُمُ ٱلۡأَرۡضَ مَهۡدٗا وَسَلَكَ لَكُمۡ فِيهَا سُبُلٗا وَأَنزَلَ مِنَ ٱلسَّمَآءِ مَآءٗ فَأَخۡرَجۡنَا بِهِۦٓ أَزۡوَٰجٗا مِّن نَّبَاتٖ شَتَّىٰ 53

Hij is Degene Die de aarde voor jullie heeft geschapen als een wieg en wegen voor jullie daarop aangelegd heeft en water neer laten komen uit de hemel. En Wij hebben daarmee verschillende soorten plantengroei voortgebracht.

كُلُواْ وَٱرۡعَوۡاْ أَنۡعَٰمَكُمۡۚ إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَأٓيَٰتٖ لِّأُوْلِي ٱلنُّهَىٰ 54

Eet en weidt jullie vee (daarop); waarlijk, hierin zijn bewijzen en Tekenen voor mensen van verstand.

۞مِنۡهَا خَلَقۡنَٰكُمۡ وَفِيهَا نُعِيدُكُمۡ وَمِنۡهَا نُخۡرِجُكُمۡ تَارَةً أُخۡرَىٰ 55

Uit haar hebben Wij jullie geschapen en daarin zullen Wij jullie doen terugkeren, en daaruit zullen Wij jullie opnieuw voortbrengen.

وَلَقَدۡ أَرَيۡنَٰهُ ءَايَٰتِنَا كُلَّهَا فَكَذَّبَ وَأَبَىٰ 56

En voorwaar Wij hebben hem al Onze Tekenen en bewijzen getoond, maar hij ontkende en verwierp.

قَالَ أَجِئۡتَنَا لِتُخۡرِجَنَا مِنۡ أَرۡضِنَا بِسِحۡرِكَ يَٰمُوسَىٰ 57

Hij zei: “Ben jij gekomen om ons met je toverkunsten uit ons land te verjagen, O Mozes?”

فَلَنَأۡتِيَنَّكَ بِسِحۡرٖ مِّثۡلِهِۦ فَٱجۡعَلۡ بَيۡنَنَا وَبَيۡنَكَ مَوۡعِدٗا لَّا نُخۡلِفُهُۥ نَحۡنُ وَلَآ أَنتَ مَكَانٗا سُوٗى 58

Dan waarlijk, wij kunnen toverkunsten maken die daarop lijken; maak dus een afspraak voor een ontmoeting tussen ons waaraan wij en jullie ons aan zullen houden, op een plaats (voor beiden) gelijk.

قَالَ مَوۡعِدُكُمۡ يَوۡمُ ٱلزِّينَةِ وَأَن يُحۡشَرَ ٱلنَّاسُ ضُحٗى 59

(Mozes) zei: “De aangewezen ontmoeting zal op de Feestdag zijn en laat de mensen verzamelen als de zon opkomt.”

فَتَوَلَّىٰ فِرۡعَوۡنُ فَجَمَعَ كَيۡدَهُۥ ثُمَّ أَتَىٰ 60

Toen ging Farao weg om zijn plannen te beramen en daarna kwam hij terug.

قَالَ لَهُم مُّوسَىٰ وَيۡلَكُمۡ لَا تَفۡتَرُواْ عَلَى ٱللَّهِ كَذِبٗا فَيُسۡحِتَكُم بِعَذَابٖۖ وَقَدۡ خَابَ مَنِ ٱفۡتَرَىٰ 61

Mozes zei tegen hen: “Wee over jullie. Verzin geen leugen over Allah want Hij zal jullie dan door een bestraffing volledig vernietigen. En zeker, degene die een leugen over Allah verzint is degene die verliest.”

فَتَنَٰزَعُوٓاْ أَمۡرَهُم بَيۡنَهُمۡ وَأَسَرُّواْ ٱلنَّجۡوَىٰ 62

Zij redetwistten zij met elkaar wat zij moesten doen, en pleegden geheim overleg.

قَالُوٓاْ إِنۡ هَٰذَٰنِ لَسَٰحِرَٰنِ يُرِيدَانِ أَن يُخۡرِجَاكُم مِّنۡ أَرۡضِكُم بِسِحۡرِهِمَا وَيَذۡهَبَا بِطَرِيقَتِكُمُ ٱلۡمُثۡلَىٰ 63

Zij zeiden: “Waarlijk! Dit zijn zeker twee tovenaars, die jullie met behulp van hun toverkunst uit het land wensen te verdrijven en zij gaan jullie navolgenswaardige levenswijze doen verdwijnen.

فَأَجۡمِعُواْ كَيۡدَكُمۡ ثُمَّ ٱئۡتُواْ صَفّٗاۚ وَقَدۡ أَفۡلَحَ ٱلۡيَوۡمَ مَنِ ٱسۡتَعۡلَىٰ 64

Stel daarom jullie plan op en kom dan in rijen. Iedereen die deze dag overleefd zal zeker slagen.”

قَالُواْ يَٰمُوسَىٰٓ إِمَّآ أَن تُلۡقِيَ وَإِمَّآ أَن نَّكُونَ أَوَّلَ مَنۡ أَلۡقَىٰ 65

Zij zeiden: “O Mozes! Gooi jij eerst of zijn wij het die het eerst gooien?”

قَالَ بَلۡ أَلۡقُواْۖ فَإِذَا حِبَالُهُمۡ وَعِصِيُّهُمۡ يُخَيَّلُ إِلَيۡهِ مِن سِحۡرِهِمۡ أَنَّهَا تَسۡعَىٰ 66

(Mozes) zei: “Nee, gooien jullie (eerst)!” Ziedaar! Door hun ‘sihr’ leek het voor (Mozes) erop dat hun touwen en hun (tover)stokken snel bewogen.

فَأَوۡجَسَ فِي نَفۡسِهِۦ خِيفَةٗ مُّوسَىٰ 67

Moesa voelde een angst bij zichzelf opkomen.

قُلۡنَا لَا تَخَفۡ إِنَّكَ أَنتَ ٱلۡأَعۡلَىٰ 68

Wij zeiden: “Vrees" niet! Zeker jij zult de overhand krijgen.

وَأَلۡقِ مَا فِي يَمِينِكَ تَلۡقَفۡ مَا صَنَعُوٓاْۖ إِنَّمَا صَنَعُواْ كَيۡدُ سَٰحِرٖۖ وَلَا يُفۡلِحُ ٱلسَّاحِرُ حَيۡثُ أَتَىٰ 69

Werp neer wat in je rechterhand is! Het zal wat zij gemaakt hebben verslinden. Wat zij hebben gemaakt is slechts een list van een tovenaar. En een tovenaar zal nooit slagen, hoe hij het ook doet.”

فَأُلۡقِيَ ٱلسَّحَرَةُ سُجَّدٗا قَالُوٓاْ ءَامَنَّا بِرَبِّ هَٰرُونَ وَمُوسَىٰ 70

Dus de tovenaars vielen in knielhouding neer. Zij zeiden: “Wij geloven in de Heer van Haaron en Mozes.”

قَالَ ءَامَنتُمۡ لَهُۥ قَبۡلَ أَنۡ ءَاذَنَ لَكُمۡۖ إِنَّهُۥ لَكَبِيرُكُمُ ٱلَّذِي عَلَّمَكُمُ ٱلسِّحۡرَۖ فَلَأُقَطِّعَنَّ أَيۡدِيَكُمۡ وَأَرۡجُلَكُم مِّنۡ خِلَٰفٖ وَلَأُصَلِّبَنَّكُمۡ فِي جُذُوعِ ٱلنَّخۡلِ وَلَتَعۡلَمُنَّ أَيُّنَآ أَشَدُّ عَذَابٗا وَأَبۡقَىٰ 71

(Farao) zei: “Geloven jullie in hem voordat ik jullie daarvoor toestemming heb gegeven? Waarlijk! Hij is zeker jullie meester die jullie de toverkunst heeft geleerd. Ik zal zeker jullie handen en voeten aan tegengestelde kanten afhakken en ik zal jullie zeker kruisigen aan de stammen van palmbomen, en jullie zullen zeker weten wie van ons een strenge en langere bestraffing kan geven.”

قَالُواْ لَن نُّؤۡثِرَكَ عَلَىٰ مَا جَآءَنَا مِنَ ٱلۡبَيِّنَٰتِ وَٱلَّذِي فَطَرَنَاۖ فَٱقۡضِ مَآ أَنتَ قَاضٍۖ إِنَّمَا تَقۡضِي هَٰذِهِ ٱلۡحَيَوٰةَ ٱلدُّنۡيَآ 72

Zij zeiden: “Wij zullen jou nooit verkiezen boven wat van de duidelijke Tekenen tot ons is gekomen en Degene Die ons geschapen heeft. Besluit dus wat je wenst te besluiten want je kunt slechts over dit wereldse leven besluiten.

إِنَّآ ءَامَنَّا بِرَبِّنَا لِيَغۡفِرَ لَنَا خَطَٰيَٰنَا وَمَآ أَكۡرَهۡتَنَا عَلَيۡهِ مِنَ ٱلسِّحۡرِۗ وَٱللَّهُ خَيۡرٞ وَأَبۡقَىٰٓ 73

Waarlijk! Wij geloven in onze Heer, opdat Hij onze zonden zal vergeven en de toverkunsten waartoe jij ons gedwongen hebt. En de beloning van Allah is beter en blijvender.”

إِنَّهُۥ مَن يَأۡتِ رَبَّهُۥ مُجۡرِمٗا فَإِنَّ لَهُۥ جَهَنَّمَ لَا يَمُوتُ فِيهَا وَلَا يَحۡيَىٰ 74

Waarlijk! Iedereen die als een zondaar naar zijn Heer komt, voor hem is zeker de Hel, daarin zal hij noch sterven noch leven.

وَمَن يَأۡتِهِۦ مُؤۡمِنٗا قَدۡ عَمِلَ ٱلصَّـٰلِحَٰتِ فَأُوْلَـٰٓئِكَ لَهُمُ ٱلدَّرَجَٰتُ ٱلۡعُلَىٰ 75

Maar iedereen die als een gelovige naar Hem komt en goede daden verricht; voor hen zijn de hoge rangen.

جَنَّـٰتُ عَدۡنٖ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهَا ٱلۡأَنۡهَٰرُ خَٰلِدِينَ فِيهَاۚ وَذَٰلِكَ جَزَآءُ مَن تَزَكَّىٰ 76

Eeuwige Tuinen waaronder rivieren stromen, daar zullen zij voor altijd verblijven, dat is de beloning voor degenen die zichzelf reinigen.

وَلَقَدۡ أَوۡحَيۡنَآ إِلَىٰ مُوسَىٰٓ أَنۡ أَسۡرِ بِعِبَادِي فَٱضۡرِبۡ لَهُمۡ طَرِيقٗا فِي ٱلۡبَحۡرِ يَبَسٗا لَّا تَخَٰفُ دَرَكٗا وَلَا تَخۡشَىٰ 77

En voorwaar, Wij hebben Mozes geopenbaard, (zeggende): “Reis met Mijn slaven in de nacht en sla (met je staf) een droog pad voor hen door de zee. Wees niet bang om bereikt te worden ingehaald, "en wees niet angstig.”

فَأَتۡبَعَهُمۡ فِرۡعَوۡنُ بِجُنُودِهِۦ فَغَشِيَهُم مِّنَ ٱلۡيَمِّ مَا غَشِيَهُمۡ 78

Toen achtervolgde Farao hen met zijn legers, maar het zeewater overspoelde hen allen.

وَأَضَلَّ فِرۡعَوۡنُ قَوۡمَهُۥ وَمَا هَدَىٰ 79

En Farao liet zijn mensen dwalen, en hij leidde hen niet.

يَٰبَنِيٓ إِسۡرَـٰٓءِيلَ قَدۡ أَنجَيۡنَٰكُم مِّنۡ عَدُوِّكُمۡ وَوَٰعَدۡنَٰكُمۡ جَانِبَ ٱلطُّورِ ٱلۡأَيۡمَنَ وَنَزَّلۡنَا عَلَيۡكُمُ ٱلۡمَنَّ وَٱلسَّلۡوَىٰ 80

O Kinderen van Israël! Wij hebben jullie waarlijk van jullie vijand gered en hebben met jullie een Verbond afgesloten aan de rechterkant van de Berg en Wij deden Manna en kwartels voor jullie neerdalen.

كُلُواْ مِن طَيِّبَٰتِ مَا رَزَقۡنَٰكُمۡ وَلَا تَطۡغَوۡاْ فِيهِ فَيَحِلَّ عَلَيۡكُمۡ غَضَبِيۖ وَمَن يَحۡلِلۡ عَلَيۡهِ غَضَبِي فَقَدۡ هَوَىٰ 81

Eet van de goede, wettige zaken waarmee Wij jullie voorzien hebben en overdrijf niet zodat Mijn woede jullie niet treft. En wie door Mijn woede getroffen wordt zal waarlijk ten onder gaan.”

وَإِنِّي لَغَفَّارٞ لِّمَن تَابَ وَءَامَنَ وَعَمِلَ صَٰلِحٗا ثُمَّ ٱهۡتَدَىٰ 82

En waarlijk, Ik vergeef beslist degene die berouw toonde (voor zijn ‘sjirk’) en geloofde (in Mijn éénheid) en goede daden verrichtte (zowel de verplichte als de vrijwillige) en vervolgens leiding volgde.

۞وَمَآ أَعۡجَلَكَ عَن قَوۡمِكَ يَٰمُوسَىٰ 83

“En wat heeft jou je van jouw volk laten weghaasten, O Mozes?”

قَالَ هُمۡ أُوْلَآءِ عَلَىٰٓ أَثَرِي وَعَجِلۡتُ إِلَيۡكَ رَبِّ لِتَرۡضَىٰ 84

Hij zei: “Zij volgen mijn voetstappen en ik haastte mij naar U, O mijn Heer, dat U tevreden moge zijn.”

قَالَ فَإِنَّا قَدۡ فَتَنَّا قَوۡمَكَ مِنۢ بَعۡدِكَ وَأَضَلَّهُمُ ٱلسَّامِرِيُّ 85

(Allah) zei: “Waarlijk! Wij hebben jouw volk in jouw afwezigheid beproefd en As-Samiri heeft hen doen afdwalen.”

فَرَجَعَ مُوسَىٰٓ إِلَىٰ قَوۡمِهِۦ غَضۡبَٰنَ أَسِفٗاۚ قَالَ يَٰقَوۡمِ أَلَمۡ يَعِدۡكُمۡ رَبُّكُمۡ وَعۡدًا حَسَنًاۚ أَفَطَالَ عَلَيۡكُمُ ٱلۡعَهۡدُ أَمۡ أَرَدتُّمۡ أَن يَحِلَّ عَلَيۡكُمۡ غَضَبٞ مِّن رَّبِّكُمۡ فَأَخۡلَفۡتُم مَّوۡعِدِي 86

Toen keerde Mozes boos en verdrietig terug tot zijn volk. Hij zei: “O mijn volk! Heeft jullie Heer niet een oprechte belofte afgelegd? Duurde het soms te lang voor jullie tot die belofte uitkwam? Of wensten jullie dat de wraak van jullie Heer over jullie zou neerdalen, omdat jullie de belofte met mij gebroken hebben?”

قَالُواْ مَآ أَخۡلَفۡنَا مَوۡعِدَكَ بِمَلۡكِنَا وَلَٰكِنَّا حُمِّلۡنَآ أَوۡزَارٗا مِّن زِينَةِ ٱلۡقَوۡمِ فَقَذَفۡنَٰهَا فَكَذَٰلِكَ أَلۡقَى ٱلسَّامِرِيُّ 87

Zij zeiden: “Wij hebben niet uit vrije wil onze belofte aan jou verbroken maar wij werden belast met ladingen sieraden van het volk. Toen hebben wij het (in het vuur) geworpen en dat was wat As-Samiri voorstelde.

فَأَخۡرَجَ لَهُمۡ عِجۡلٗا جَسَدٗا لَّهُۥ خُوَارٞ فَقَالُواْ هَٰذَآ إِلَٰهُكُمۡ وَإِلَٰهُ مُوسَىٰ فَنَسِيَ 88

Toen nam hij voor hen het beeld van een kalf (uit het vuur) wat leek te loeien. Zij zeiden: “Dit is jullie" god en de god van Mozes, maar (Mozes) is (zijn god) vergeten.”

أَفَلَا يَرَوۡنَ أَلَّا يَرۡجِعُ إِلَيۡهِمۡ قَوۡلٗا وَلَا يَمۡلِكُ لَهُمۡ ضَرّٗا وَلَا نَفۡعٗا 89

Konden zij dan niet zien dat het niet in staat was een woord terug te zeggen en dat het geen macht had om hen te kwetsen of hen iets goeds te brengen?

وَلَقَدۡ قَالَ لَهُمۡ هَٰرُونُ مِن قَبۡلُ يَٰقَوۡمِ إِنَّمَا فُتِنتُم بِهِۦۖ وَإِنَّ رَبَّكُمُ ٱلرَّحۡمَٰنُ فَٱتَّبِعُونِي وَأَطِيعُوٓاْ أَمۡرِي 90

En Haaron had zeker al vooraf gezegd: “O mijn volk! Jullie worden hierin beproefd en waarlijk jullie Heer is (Allah) de Barmhartige volg mij dus en gehoorzaam mijn bevel.”

قَالُواْ لَن نَّبۡرَحَ عَلَيۡهِ عَٰكِفِينَ حَتَّىٰ يَرۡجِعَ إِلَيۡنَا مُوسَىٰ 91

Zij zeiden: “Wij zullen niet stoppen het te aanbidden tot Mozes naar ons terugkeert.”

قَالَ يَٰهَٰرُونُ مَا مَنَعَكَ إِذۡ رَأَيۡتَهُمۡ ضَلُّوٓاْ 92

Mozes zei: “O Haaron! Wat heeft je weerhouden toen je zag dat zij afdwaalden?”

أَلَّا تَتَّبِعَنِۖ أَفَعَصَيۡتَ أَمۡرِي 93

Dat zij mij niet volgden? Was jij dan ongehoorzaam aan mijn bevel?”

قَالَ يَبۡنَؤُمَّ لَا تَأۡخُذۡ بِلِحۡيَتِي وَلَا بِرَأۡسِيٓۖ إِنِّي خَشِيتُ أَن تَقُولَ فَرَّقۡتَ بَيۡنَ بَنِيٓ إِسۡرَـٰٓءِيلَ وَلَمۡ تَرۡقُبۡ قَوۡلِي 94

Hij zei: “O zoon van mijn moeder! Grijp mij niet bij mijn baard en ook niet bij mijn hoofd! Waarlijk, ik vreesde dat je zou zeggen: “Je hebt voor een scheiding tussen de Kinderen van Israël gezorgd, en jij hebt niet op mijn woord gewacht!”

قَالَ فَمَا خَطۡبُكَ يَٰسَٰمِرِيُّ 95

(Mozes) zei: “En wat scheelt jou, o Samiri?”

قَالَ بَصُرۡتُ بِمَا لَمۡ يَبۡصُرُواْ بِهِۦ فَقَبَضۡتُ قَبۡضَةٗ مِّنۡ أَثَرِ ٱلرَّسُولِ فَنَبَذۡتُهَا وَكَذَٰلِكَ سَوَّلَتۡ لِي نَفۡسِي 96

(Samiri) zei: “Ik zag wat zij niet zagen, ik volgde de voetstappen van de Boodschapper naar mijn beste vermogen, doch dat heb ik thans opgegeven. Aldus heeft mijn ziel het voor mij vergemakkelijkt.”

قَالَ فَٱذۡهَبۡ فَإِنَّ لَكَ فِي ٱلۡحَيَوٰةِ أَن تَقُولَ لَا مِسَاسَۖ وَإِنَّ لَكَ مَوۡعِدٗا لَّن تُخۡلَفَهُۥۖ وَٱنظُرۡ إِلَىٰٓ إِلَٰهِكَ ٱلَّذِي ظَلۡتَ عَلَيۡهِ عَاكِفٗاۖ لَّنُحَرِّقَنَّهُۥ ثُمَّ لَنَنسِفَنَّهُۥ فِي ٱلۡيَمِّ نَسۡفًا 97

Mozes zei: “Ga dan maar weg! En waarlijk, jouw (bestraffing) in dit leven zal zijn dat je zult zeggen: “Raak mij niet aan; voorwaar, voor jou is er een afspraak (in het Hiernamaals), die nooit afgezegd kan worden. En kijk naar jouw god aan wie jij toegewijd bent. Wij zullen hem beslist verbranden en de resten in zee verspreiden.”

إِنَّمَآ إِلَٰهُكُمُ ٱللَّهُ ٱلَّذِي لَآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَۚ وَسِعَ كُلَّ شَيۡءٍ عِلۡمٗا 98

Jouw god is slechts Allah, er geen god dan Hij. Hij bezit volledige kennis over alle zaken.

كَذَٰلِكَ نَقُصُّ عَلَيۡكَ مِنۡ أَنۢبَآءِ مَا قَدۡ سَبَقَۚ وَقَدۡ ءَاتَيۡنَٰكَ مِن لَّدُنَّا ذِكۡرٗا 99

Zo verhalen Wij jou van de geschiedenissen van wat eerder gebeurd is. En voorwaar, Wij hebben jou van Onze Zijde de Vermaning gegeven.

مَّنۡ أَعۡرَضَ عَنۡهُ فَإِنَّهُۥ يَحۡمِلُ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ وِزۡرًا 100

Iedereen die zich hiervan "afkeert: waarlijk, zij zullen een zware last dragen op de Dag der Opstanding.

خَٰلِدِينَ فِيهِۖ وَسَآءَ لَهُمۡ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ حِمۡلٗا 101

Daaronder zullen zij blijven en deze last zal voor hen op de Dag der Opstanding ondraaglijk worden.

يَوۡمَ يُنفَخُ فِي ٱلصُّورِۚ وَنَحۡشُرُ ٱلۡمُجۡرِمِينَ يَوۡمَئِذٖ زُرۡقٗا 102

Op de Dag wanneer (er andermaal) op de hoorn zal worden geblazen, brengen Wij de (ongelovige) misdadigers bijeen en hun ogen zullen zonder licht zijn.

يَتَخَٰفَتُونَ بَيۡنَهُمۡ إِن لَّبِثۡتُمۡ إِلَّا عَشۡرٗا 103

Op fluisterende wijze spreken zij elkaar aan: “Jullie hebben niet langer dan tien (dagen) doorgebracht (op aarde).”

نَّحۡنُ أَعۡلَمُ بِمَا يَقُولُونَ إِذۡ يَقُولُ أَمۡثَلُهُمۡ طَرِيقَةً إِن لَّبِثۡتُمۡ إِلَّا يَوۡمٗا 104

Wij weten het beste wat zij zeggen, totdat de rechtvaardigste (hen weerlegt en) zal zeggen: “Jullie hebben daar niet langer dan één dag doorgebracht!”

وَيَسۡـَٔلُونَكَ عَنِ ٱلۡجِبَالِ فَقُلۡ يَنسِفُهَا رَبِّي نَسۡفٗا 105

En zij vragen jou over de bergen, zeg: “Mijn Heer zal ze verpulveren.”

فَيَذَرُهَا قَاعٗا صَفۡصَفٗا 106

Dan zal Hij het (de aarde) als een kale vlakte achterlaten.

لَّا تَرَىٰ فِيهَا عِوَجٗا وَلَآ أَمۡتٗا 107

Waarop je geen lage en hoge (plaatsen) ziet”

يَوۡمَئِذٖ يَتَّبِعُونَ ٱلدَّاعِيَ لَا عِوَجَ لَهُۥۖ وَخَشَعَتِ ٱلۡأَصۡوَاتُ لِلرَّحۡمَٰنِ فَلَا تَسۡمَعُ إِلَّا هَمۡسٗا 108

Op die Dag zal de mensheid uitsluitend Allah’s Oproeper volgen; er is geen (mogelijkheid) om aan hem te ontsnappen. En alle stemmen zullen zich vernederen voor de Barmhartige en jullie zullen niets anders horen dan zacht gefluister.

يَوۡمَئِذٖ لَّا تَنفَعُ ٱلشَّفَٰعَةُ إِلَّا مَنۡ أَذِنَ لَهُ ٱلرَّحۡمَٰنُ وَرَضِيَ لَهُۥ قَوۡلٗا 109

Op die Dag zal er geen bemiddeling bestaan, behalve die (bemiddeling) voor hem, aan wie de Barmhartige toestemming geeft en wiens woorden Hem welgevallen.

يَعۡلَمُ مَا بَيۡنَ أَيۡدِيهِمۡ وَمَا خَلۡفَهُمۡ وَلَا يُحِيطُونَ بِهِۦ عِلۡمٗا 110

Hij weet wat vόόr hen is en wat achter hen is, en zij zullen nooit iets van Zijn kennis begrijpen.

۞وَعَنَتِ ٱلۡوُجُوهُ لِلۡحَيِّ ٱلۡقَيُّومِۖ وَقَدۡ خَابَ مَنۡ حَمَلَ ظُلۡمٗا 111

En (alle) gezichten zullen eerbiedig neerbuigen voor (Allah) de Eeuwiglevende, de Zelfstandige Die alles wat bestaat onderhoudt en beschermt. En hij die onrecht pleegde zal teleurgesteld worden.

وَمَن يَعۡمَلۡ مِنَ ٱلصَّـٰلِحَٰتِ وَهُوَ مُؤۡمِنٞ فَلَا يَخَافُ ظُلۡمٗا وَلَا هَضۡمٗا 112

En degene die goede werken verrichtte en een gelovige was, hoeft geen angst hebben voor onrechtvaardigheid of voor verlies.

وَكَذَٰلِكَ أَنزَلۡنَٰهُ قُرۡءَانًا عَرَبِيّٗا وَصَرَّفۡنَا فِيهِ مِنَ ٱلۡوَعِيدِ لَعَلَّهُمۡ يَتَّقُونَ أَوۡ يُحۡدِثُ لَهُمۡ ذِكۡرٗا 113

Daarom hebben Wij het als een Koran in het Arabisch" neergezonden en daarin nauwkeurig de waarschuwingen uitgelegd, zodat zij Allah zullen vrezen of dat het voor hen een les zal zijn.

فَتَعَٰلَى ٱللَّهُ ٱلۡمَلِكُ ٱلۡحَقُّۗ وَلَا تَعۡجَلۡ بِٱلۡقُرۡءَانِ مِن قَبۡلِ أَن يُقۡضَىٰٓ إِلَيۡكَ وَحۡيُهُۥۖ وَقُل رَّبِّ زِدۡنِي عِلۡمٗا 114

En Verheven is Allah, de Ware Koning. En haast je niet met de Koran (O Mohammed) voordat Zijn openbaring volledig aan jou voltooid is. En zeg: “O Heer! Vermeerder mij in kennis.”

وَلَقَدۡ عَهِدۡنَآ إِلَىٰٓ ءَادَمَ مِن قَبۡلُ فَنَسِيَ وَلَمۡ نَجِدۡ لَهُۥ عَزۡمٗا 115

En voorwaar, Wij sloten een verbond met Adam (betreffende de ‘verboden boom’ voor hij ervan at), maar hij vergat het en Wij vonden bij hem geen vastberadenheid (en geduld in het naleven van Ons gebod).

وَإِذۡ قُلۡنَا لِلۡمَلَـٰٓئِكَةِ ٱسۡجُدُواْ لِأٓدَمَ فَسَجَدُوٓاْ إِلَّآ إِبۡلِيسَ أَبَىٰ 116

En (gedenk) toen Wij tegen de Engelen zeiden: “Kniel neer voor Adam.” Zij knielden (allen) neer behalve Iblies, hij weigerde.

فَقُلۡنَا يَـٰٓـَٔادَمُ إِنَّ هَٰذَا عَدُوّٞ لَّكَ وَلِزَوۡجِكَ فَلَا يُخۡرِجَنَّكُمَا مِنَ ٱلۡجَنَّةِ فَتَشۡقَىٰٓ 117

Toen zeiden Wij: “O Adam! Waarlijk, dit is een vijand voor jou en je vrouw. Laat hem daarom niet jullie beiden uit het Paradijs verjagen, zodat jullie aan de ellende overgeleverd zijn.”

إِنَّ لَكَ أَلَّا تَجُوعَ فِيهَا وَلَا تَعۡرَىٰ 118

Waarlijk, daarin is voor jou geen honger en jij bent er niet naakt.

وَأَنَّكَ لَا تَظۡمَؤُاْ فِيهَا وَلَا تَضۡحَىٰ 119

Jij hebt er zeker geen dorst en jij wordt er niet blootgesteld aan hitte.”

فَوَسۡوَسَ إِلَيۡهِ ٱلشَّيۡطَٰنُ قَالَ يَـٰٓـَٔادَمُ هَلۡ أَدُلُّكَ عَلَىٰ شَجَرَةِ ٱلۡخُلۡدِ وَمُلۡكٖ لَّا يَبۡلَىٰ 120

Daarop fluisterde Satan hem in (het oor): “O Adam! Zal ik je naar de ‘boom van het eeuwige leven’ leiden, en naar een koninkrijk dat nooit zal vergaan?”

فَأَكَلَا مِنۡهَا فَبَدَتۡ لَهُمَا سَوۡءَٰتُهُمَا وَطَفِقَا يَخۡصِفَانِ عَلَيۡهِمَا مِن وَرَقِ ٱلۡجَنَّةِۚ وَعَصَىٰٓ ءَادَمُ رَبَّهُۥ فَغَوَىٰ 121

Toen aten zij beiden van de boom, zodat hun schaamte zichtbaar werd en zij begonnen zichzelf met de bladeren van het Paradijs te bedekken: en zo was Adam ongehoorzaam aan zijn Heer, en dwaalde hij.

ثُمَّ ٱجۡتَبَٰهُ رَبُّهُۥ فَتَابَ عَلَيۡهِ وَهَدَىٰ 122

Daarna koos zijn Heer hem uit en Hij aanvaardde zijn berouw en gaf hem Leiding.

قَالَ ٱهۡبِطَا مِنۡهَا جَمِيعَۢاۖ بَعۡضُكُمۡ لِبَعۡضٍ عَدُوّٞۖ فَإِمَّا يَأۡتِيَنَّكُم مِّنِّي هُدٗى فَمَنِ ٱتَّبَعَ هُدَايَ فَلَا يَضِلُّ وَلَا يَشۡقَىٰ 123

(Allah) zei: “Daal af jullie samen, want jullie zullen elkander tot vijand zijn. Maar als er Leiding van Mij tot jullie komt: wie Mijn Leiding volgt zal niet dwalen noch zal hij aan gierigheid of ellende overgeleverd zijn.

وَمَنۡ أَعۡرَضَ عَن ذِكۡرِي فَإِنَّ لَهُۥ مَعِيشَةٗ ضَنكٗا وَنَحۡشُرُهُۥ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ أَعۡمَىٰ 124

Maar iedereen die zich (in "ongeloof) van Mijn Overdenking (de Koran) afkeert: waarlijk, er zal dan voor hem een benauwd leven zijn. En Wij zullen hen verzamelen op de Dag der Opstanding, in blinde toestand.

قَالَ رَبِّ لِمَ حَشَرۡتَنِيٓ أَعۡمَىٰ وَقَدۡ كُنتُ بَصِيرٗا 125

Hij zal zeggen: “O mijn Heer! Waarom verzamelt U mij in blinde toestand, terwijl ik vroeger in staat was om te zien?”

قَالَ كَذَٰلِكَ أَتَتۡكَ ءَايَٰتُنَا فَنَسِيتَهَاۖ وَكَذَٰلِكَ ٱلۡيَوۡمَ تُنسَىٰ 126

(Allah) zal zeggen: “Zo is het. Onze Tekenen kwamen tot jou, maar jij vergat ze en dus zul je op deze dag vergeten worden.”

وَكَذَٰلِكَ نَجۡزِي مَنۡ أَسۡرَفَ وَلَمۡ يُؤۡمِنۢ بِـَٔايَٰتِ رَبِّهِۦۚ وَلَعَذَابُ ٱلۡأٓخِرَةِ أَشَدُّ وَأَبۡقَىٰٓ 127

En zo vergelden Wij hen wie overschrijdt en niet in de Tekenen van zijn Heer gelooft. En de bestraffing van het Hiernamaals is veel strenger en blijvender.

أَفَلَمۡ يَهۡدِ لَهُمۡ كَمۡ أَهۡلَكۡنَا قَبۡلَهُم مِّنَ ٱلۡقُرُونِ يَمۡشُونَ فِي مَسَٰكِنِهِمۡۚ إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَأٓيَٰتٖ لِّأُوْلِي ٱلنُّهَىٰ 128

Is er voor hen dan geen Leiding in hoeveel generaties Wij vόόr hen vernietigd hebben, en over wiens (vernietigde) woningen zij rondwandelden? Waarlijk, daarin zijn beslist Tekenen voor mensen van begrip.

وَلَوۡلَا كَلِمَةٞ سَبَقَتۡ مِن رَّبِّكَ لَكَانَ لِزَامٗا وَأَجَلٞ مُّسَمّٗى 129

En als er geen Woord van jouw Heer voorafgegaan was dan zou een vastgestelde termijn (hun bestraffing) beslist gekomen zijn.

فَٱصۡبِرۡ عَلَىٰ مَا يَقُولُونَ وَسَبِّحۡ بِحَمۡدِ رَبِّكَ قَبۡلَ طُلُوعِ ٱلشَّمۡسِ وَقَبۡلَ غُرُوبِهَاۖ وَمِنۡ ءَانَآيِٕ ٱلَّيۡلِ فَسَبِّحۡ وَأَطۡرَافَ ٱلنَّهَارِ لَعَلَّكَ تَرۡضَىٰ 130

Wees daarom geduldig (O Mohammed) met wat zij zeggen, en verheerlijk en prijs jouw Heer vόόr de opkomst van de zon, en vόόr haar ondergang, en gedurende wat uren in de nacht en aan de uiteinden van de dag. Hopelijk ben jij tevreden.

وَلَا تَمُدَّنَّ عَيۡنَيۡكَ إِلَىٰ مَا مَتَّعۡنَا بِهِۦٓ أَزۡوَٰجٗا مِّنۡهُمۡ زَهۡرَةَ ٱلۡحَيَوٰةِ ٱلدُّنۡيَا لِنَفۡتِنَهُمۡ فِيهِۚ وَرِزۡقُ رَبِّكَ خَيۡرٞ وَأَبۡقَىٰ 131

En staar niet met je ogen in verlangen naar zaken die Wij aan verschillende groepen voor vermaak hebben gegeven, (het is slechts) de schittering van het leven van deze wereld, dat Wij hen daarmee moge testen. Maar de voorziening van jullie Heer is beter en blijvender.

وَأۡمُرۡ أَهۡلَكَ بِٱلصَّلَوٰةِ وَٱصۡطَبِرۡ عَلَيۡهَاۖ لَا نَسۡـَٔلُكَ رِزۡقٗاۖ نَّحۡنُ نَرۡزُقُكَۗ وَٱلۡعَٰقِبَةُ لِلتَّقۡوَىٰ 132

En leg je familie het gebed op en wees volhardend daarin. Wij vragen van jou geen voorziening; Wij geven jou voorziening. En het goede einde is voor de godvrezenden.

وَقَالُواْ لَوۡلَا يَأۡتِينَا بِـَٔايَةٖ مِّن رَّبِّهِۦٓۚ أَوَلَمۡ تَأۡتِهِم بَيِّنَةُ مَا فِي ٱلصُّحُفِ ٱلۡأُولَىٰ 133

Zij (de ongelovigen)zeggen: “Waarom heeft hij ons geen Teken van zijn Heer gebracht?” Is er dan geen duidelijk Teken tot hem gekomen in de vroegere Geschriften?

وَلَوۡ أَنَّآ أَهۡلَكۡنَٰهُم بِعَذَابٖ مِّن قَبۡلِهِۦ لَقَالُواْ رَبَّنَا لَوۡلَآ أَرۡسَلۡتَ إِلَيۡنَا رَسُولٗا فَنَتَّبِعَ ءَايَٰتِكَ مِن قَبۡلِ أَن نَّذِلَّ وَنَخۡزَىٰ 134

En als Wij hen niet voor zijn komst met een bestraffing vernietigd hadden, zouden zij beslist gezegd hebben: “Onze Heer! Als U ons slechts een Boodschapper had gestuurd, dan zouden wij zeker Uw Tekenen gevolgd hebben voordat wij vernederd en verworpen zouden zijn.”

قُلۡ كُلّٞ مُّتَرَبِّصٞ فَتَرَبَّصُواْۖ فَسَتَعۡلَمُونَ مَنۡ أَصۡحَٰبُ ٱلصِّرَٰطِ ٱلسَّوِيِّ وَمَنِ ٱهۡتَدَىٰ 135

Zeg: “Iedereen wacht, wacht jij dus ook, en jij zult weten wie degenen zijn die op het rechte en juiste Pad gaan en wie degenen zijn die zichzelf laten Leiden.” ۞

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Close