Soera 19 – Maryam – Maryam (Maria) – مريم

Deze soera in de nieuwe Koran omgeving lezen? Ja, graag
bismillah ir rahman ir rahim

كٓهيعٓصٓ 1

Kāf, Ha, Ya, ‘Ain, Shād.

ذِكۡرُ رَحۡمَتِ رَبِّكَ عَبۡدَهُۥ زَكَرِيَّآ 2

(Dit is) een vermelding van genade van jouw Heer aan Zijn dienaar Zacharias.

إِذۡ نَادَىٰ رَبَّهُۥ نِدَآءً خَفِيّٗا 3

(Gedenk) toen hij zachtjes zijn smeekbeden tot zijn Heer richtte.

قَالَ رَبِّ إِنِّي وَهَنَ ٱلۡعَظۡمُ مِنِّي وَٱشۡتَعَلَ ٱلرَّأۡسُ شَيۡبٗا وَلَمۡ أَكُنۢ بِدُعَآئِكَ رَبِّ شَقِيّٗا 4

(Zacharias) zei: “Mijn Heer! (Door ouderdom) zijn mijn botten zwak (en broos) geworden en (bewijs hiervoor is) het grijs haar dat zich over mijn hoofd heeft uitgespreid. En nooit ben ik ongezegend geweest in mijn aanroepingen tot U, o mijn Heer!

وَإِنِّي خِفۡتُ ٱلۡمَوَٰلِيَ مِن وَرَآءِي وَكَانَتِ ٱمۡرَأَتِي عَاقِرٗا فَهَبۡ لِي مِن لَّدُنكَ وَلِيّٗا 5

En Waarlijk! Ik vrees voor het nageslacht na mij want mijn vrouw is onvruchtbaar. Dus geef mij van Uw Zijde een erfgenaam.

يَرِثُنِي وَيَرِثُ مِنۡ ءَالِ يَعۡقُوبَۖ وَٱجۡعَلۡهُ رَبِّ رَضِيّٗا 6

Die van mij zal erven en (ook) van het nageslacht van Yacoeb. En maak hem, mijn Heer, iemand waar U tevreden mee bent.

يَٰزَكَرِيَّآ إِنَّا نُبَشِّرُكَ بِغُلَٰمٍ ٱسۡمُهُۥ يَحۡيَىٰ لَمۡ نَجۡعَل لَّهُۥ مِن قَبۡلُ سَمِيّٗا 7

(Allah zei:) “O Zacharias! Waarlijk, Wij geven jou het goede nieuws van een zoon, zijn naam zal Yahya zijn. Wij gaven niemand eerder deze naam.”

قَالَ رَبِّ أَنَّىٰ يَكُونُ لِي غُلَٰمٞ وَكَانَتِ ٱمۡرَأَتِي عَاقِرٗا وَقَدۡ بَلَغۡتُ مِنَ ٱلۡكِبَرِ عِتِيّٗا 8

Hij (Zacharias) zei: “Mijn Heer! Hoe kan ik een zoon krijgen als mijn vrouw onvruchtbaar is en ik al een bijzonder hoge leeftijd heb behaald?”

قَالَ كَذَٰلِكَ قَالَ رَبُّكَ هُوَ عَلَيَّ هَيِّنٞ وَقَدۡ خَلَقۡتُكَ مِن قَبۡلُ وَلَمۡ تَكُ شَيۡـٔٗا 9

Hij zei: “Zo zal het zijn. Jouw Heer zegt: “Het is gemakkelijk voor Mij. Zeker, Ik heb jou eerder geschapen, toen je niets was!”

قَالَ رَبِّ ٱجۡعَل لِّيٓ ءَايَةٗۖ قَالَ ءَايَتُكَ أَلَّا تُكَلِّمَ ٱلنَّاسَ ثَلَٰثَ لَيَالٖ سَوِيّٗا 10

(Zacharias) zei: “Mijn Heer! Geef mij een Teken.” Hij zei: “Jouw Teken is dat je gedurende drie nachten niet tegen de mensheid zult spreken, hoewel jij geen lichamelijk gebrek hebt.”

فَخَرَجَ عَلَىٰ قَوۡمِهِۦ مِنَ ٱلۡمِحۡرَابِ فَأَوۡحَىٰٓ إِلَيۡهِمۡ أَن سَبِّحُواْ بُكۡرَةٗ وَعَشِيّٗا 11

Toen kwam hij van zijn gebedsruimte naar buiten, en gebaarde zijn volk door middel van tekens Allah in de ochtend en de namiddag te verheerlijken.

يَٰيَحۡيَىٰ خُذِ ٱلۡكِتَٰبَ بِقُوَّةٖۖ وَءَاتَيۡنَٰهُ ٱلۡحُكۡمَ صَبِيّٗا 12

(Allah zei) “O Yahya! Houd je (stevig) aan het Boek vast.” En Wij gaven hem Wijsheid toen hij nog een kind was,

وَحَنَانٗا مِّن لَّدُنَّا وَزَكَوٰةٗۖ وَكَانَ تَقِيّٗا 13

En (Wij maakten hem) geliefd bij de mensen als een gunst van Ons, en hij was zuiver van zonden en rechtgeleid.

وَبَرَّۢا بِوَٰلِدَيۡهِ وَلَمۡ يَكُن جَبَّارًا عَصِيّٗا 14

En hij was plichtsgetrouw naar zijn ouders toe en hij was noch arrogant noch ongehoorzaam.

وَسَلَٰمٌ عَلَيۡهِ يَوۡمَ وُلِدَ وَيَوۡمَ يَمُوتُ وَيَوۡمَ يُبۡعَثُ حَيّٗا 15

En vrede zij met hem op de dag dat hij geboren werd, en de dag dat hij sterft en de dag dat hij weer tot leven wordt opgeroepen.

وَٱذۡكُرۡ فِي ٱلۡكِتَٰبِ مَرۡيَمَ إِذِ ٱنتَبَذَتۡ مِنۡ أَهۡلِهَا مَكَانٗا شَرۡقِيّٗا 16

En noem in het Boek (het verhaal van) Maryam, toen zij zich in afzondering van haar familie terugtrok op een plaats die naar het oosten gericht was.

فَٱتَّخَذَتۡ مِن دُونِهِمۡ حِجَابٗا فَأَرۡسَلۡنَآ إِلَيۡهَا رُوحَنَا فَتَمَثَّلَ لَهَا بَشَرٗا سَوِيّٗا 17

Zij plaatste een scherm om zichzelf van hen af te zonderen. Toen stuurden Wij haar Onze Engel Jibriel en hij verscheen voor haar in de vorm van een volmaakte man.

قَالَتۡ إِنِّيٓ أَعُوذُ بِٱلرَّحۡمَٰنِ مِنكَ إِن كُنتَ تَقِيّٗا 18

Zij zei: “Waarlijk! Ik zoek mijn toevlucht bij de Barmhartige (Allah) tegen jou, als je Allah inderdaad vreest.”

قَالَ إِنَّمَآ أَنَا۠ رَسُولُ رَبِّكِ لِأَهَبَ لَكِ غُلَٰمٗا زَكِيّٗا 19

(De Engel) zei: “Ik ben slechts een Boodschapper van jouw Heer (om) jou een reine jongen te schenken.”

قَالَتۡ أَنَّىٰ يَكُونُ لِي غُلَٰمٞ وَلَمۡ يَمۡسَسۡنِي بَشَرٞ وَلَمۡ أَكُ بَغِيّٗا 20

Zij zei: “Hoe kan ik een zoon krijgen terwijl geen man mij heeft aangeraakt, ik ben geen onzedelijke vrouw!”

قَالَ كَذَٰلِكِ قَالَ رَبُّكِ هُوَ عَلَيَّ هَيِّنٞۖ وَلِنَجۡعَلَهُۥٓ ءَايَةٗ لِّلنَّاسِ وَرَحۡمَةٗ مِّنَّاۚ وَكَانَ أَمۡرٗا مَّقۡضِيّٗا 21

Hij zei: “Zo (zal het zijn), jouw Heer zei: “Dat is gemakkelijk voor Mij: “En (Wij scheppen hem) opdat Wij hem tot een Teken voor de mensheid maken en als een Genade van Ons. En het is een zaak die (reeds) besloten is.

۞فَحَمَلَتۡهُ فَٱنتَبَذَتۡ بِهِۦ مَكَانٗا قَصِيّٗا 22

En zo droeg zij hem en zij trok zich met hem terug naar een verre plaats.

فَأَجَآءَهَا ٱلۡمَخَاضُ إِلَىٰ جِذۡعِ ٱلنَّخۡلَةِ قَالَتۡ يَٰلَيۡتَنِي مِتُّ قَبۡلَ هَٰذَا وَكُنتُ نَسۡيٗا مَّنسِيّٗا 23

En de pijnen van de baring dreven haar naar de stam van een palmboom. Zij zei: “Ik wou dat ik hiervoor reeds gestorven en totaal vergeten was!”

فَنَادَىٰهَا مِن تَحۡتِهَآ أَلَّا تَحۡزَنِي قَدۡ جَعَلَ رَبُّكِ تَحۡتَكِ سَرِيّٗا 24

Toen riep hij (Jibriel) haar van beneden de palmboom: “Treur niet! Jouw Heer heeft een beekje beneden jou verschaft.

وَهُزِّيٓ إِلَيۡكِ بِجِذۡعِ ٱلنَّخۡلَةِ تُسَٰقِطۡ عَلَيۡكِ رُطَبٗا جَنِيّٗا 25

En schud de stam van de palmboom naar je toe, het zal verse rijpe dadels op jouw laten vallen.

فَكُلِي وَٱشۡرَبِي وَقَرِّي عَيۡنٗاۖ فَإِمَّا تَرَيِنَّ مِنَ ٱلۡبَشَرِ أَحَدٗا فَقُولِيٓ إِنِّي نَذَرۡتُ لِلرَّحۡمَٰنِ صَوۡمٗا فَلَنۡ أُكَلِّمَ ٱلۡيَوۡمَ إِنسِيّٗا 26

Eet en drink en verkoel je ogen. Maar als je iemand van de mensen ziet zeg dan: “Waarlijk! Ik heb de Barmhartige beloofd te vasten, ik zal dus deze dag tegen geen enkel mens spreken.”

فَأَتَتۡ بِهِۦ قَوۡمَهَا تَحۡمِلُهُۥۖ قَالُواْ يَٰمَرۡيَمُ لَقَدۡ جِئۡتِ شَيۡـٔٗا فَرِيّٗا 27

Toen bracht zij hem (de baby) naar haar volk, hem (Isa) dragend. Zij zeiden: “O Maryam! Voorwaar, jij hebt iets vreemds gedaan.

يَـٰٓأُخۡتَ هَٰرُونَ مَا كَانَ أَبُوكِ ٱمۡرَأَ سَوۡءٖ وَمَا كَانَتۡ أُمُّكِ بَغِيّٗا 28

O zuster van Haaron! Jouw vader was geen onzedelijke man en jouw moeder was geen onzedelijke vrouw.”

فَأَشَارَتۡ إِلَيۡهِۖ قَالُواْ كَيۡفَ نُكَلِّمُ مَن كَانَ فِي ٱلۡمَهۡدِ صَبِيّٗا 29

Toen wees zij naar hem. Zij zeiden: “Hoe kunnen wij met iemand praten die nog een kind in de wieg is?”

قَالَ إِنِّي عَبۡدُ ٱللَّهِ ءَاتَىٰنِيَ ٱلۡكِتَٰبَ وَجَعَلَنِي نَبِيّٗا 30

Hij (Isa) zei: “Waarlijk! Ik ben een dienaar van Allah. Hij heeft mij het Boek gegeven en mij tot Profeet gemaakt.

وَجَعَلَنِي مُبَارَكًا أَيۡنَ مَا كُنتُ وَأَوۡصَٰنِي بِٱلصَّلَوٰةِ وَٱلزَّكَوٰةِ مَا دُمۡتُ حَيّٗا 31

En Hij heeft "mij gezegend waar ik ook ben, en heeft mij het gebed en de Zakat opgelegd, zolang ik leef.

وَبَرَّۢا بِوَٰلِدَتِي وَلَمۡ يَجۡعَلۡنِي جَبَّارٗا شَقِيّٗا 32

En om plichtsgetrouw te zijn voor mijn moeder. En heeft mij niet als een arrogante, ongehoorzame gemaakt.

وَٱلسَّلَٰمُ عَلَيَّ يَوۡمَ وُلِدتُّ وَيَوۡمَ أَمُوتُ وَيَوۡمَ أُبۡعَثُ حَيّٗا 33

En vrede zij met mij op de dag dat ik geboren werd en de dag dat ik sterf en de dag dat ik weer tot leven word opgewekt!”

ذَٰلِكَ عِيسَى ٱبۡنُ مَرۡيَمَۖ قَوۡلَ ٱلۡحَقِّ ٱلَّذِي فِيهِ يَمۡتَرُونَ 34

Dat is Isa, de zoon van Maryam, het Woord van Waarheid waaraan zij twijfelen.

مَا كَانَ لِلَّهِ أَن يَتَّخِذَ مِن وَلَدٖۖ سُبۡحَٰنَهُۥٓۚ إِذَا قَضَىٰٓ أَمۡرٗا فَإِنَّمَا يَقُولُ لَهُۥ كُن فَيَكُونُ 35

Het past Allah niet om een zoon te hebben. Verheerlijkt en verheven is Hij (boven alles was zij met Hem verenigen). Wanneer Hij tot iets besluit, dan zegt Hij er slechts tegen: “Wees” en het is.

وَإِنَّ ٱللَّهَ رَبِّي وَرَبُّكُمۡ فَٱعۡبُدُوهُۚ هَٰذَا صِرَٰطٞ مُّسۡتَقِيمٞ 36

(Isa zei): “En waarlijk, Allah is mijn Heer en jullie Heer. Aanbidt Hem dus (alleen). Dat is het rechte Pad.

فَٱخۡتَلَفَ ٱلۡأَحۡزَابُ مِنۢ بَيۡنِهِمۡۖ فَوَيۡلٞ لِّلَّذِينَ كَفَرُواْ مِن مَّشۡهَدِ يَوۡمٍ عَظِيمٍ 37

Toen verschilden de sekten van mening, dus wee de ongelovigen bij hun aanwezigheid op de Grote Dag.

أَسۡمِعۡ بِهِمۡ وَأَبۡصِرۡ يَوۡمَ يَأۡتُونَنَا لَٰكِنِ ٱلظَّـٰلِمُونَ ٱلۡيَوۡمَ فِي ضَلَٰلٖ مُّبِينٖ 38

Hoe duidelijk zullen zij zien en horen, de Dag wanneer zij voor Ons zullen verschijnen! Maar de onrechtvaardigen verkeren op die Dag in duidelijke dwaling.

وَأَنذِرۡهُمۡ يَوۡمَ ٱلۡحَسۡرَةِ إِذۡ قُضِيَ ٱلۡأَمۡرُ وَهُمۡ فِي غَفۡلَةٖ وَهُمۡ لَا يُؤۡمِنُونَ 39

En waarschuw hen voor de Dag van droefheid en spijt, als over hun zaak besloten wordt, zij zijn (nu) achteloos en zij geloven niet.

إِنَّا نَحۡنُ نَرِثُ ٱلۡأَرۡضَ وَمَنۡ عَلَيۡهَا وَإِلَيۡنَا يُرۡجَعُونَ 40

Waarlijk! Wij erven de aarde en alles wat zich daar op bevindt. En tot Ons zullen zij allen terugkeren.

وَٱذۡكُرۡ فِي ٱلۡكِتَٰبِ إِبۡرَٰهِيمَۚ إِنَّهُۥ كَانَ صِدِّيقٗا نَّبِيًّا 41

En vertel (O Mohammed) in het Boek over Ibrahim. Waarlijk! Hij was een man van de waarheid, een Profeet.

إِذۡ قَالَ لِأَبِيهِ يَـٰٓأَبَتِ لِمَ تَعۡبُدُ مَا لَا يَسۡمَعُ وَلَا يُبۡصِرُ وَلَا يُغۡنِي عَنكَ شَيۡـٔٗا 42

Toen hij tegen zijn vader zei: “O mijn vader! Waarom aanbidt jij datgene wat niet hoort of ziet, noch waar jij iets van krijgt?

يَـٰٓأَبَتِ إِنِّي قَدۡ جَآءَنِي مِنَ ٱلۡعِلۡمِ مَا لَمۡ يَأۡتِكَ فَٱتَّبِعۡنِيٓ أَهۡدِكَ صِرَٰطٗا سَوِيّٗا 43

O mijn vader! Waarlijk! Er is tot mij kennis gekomen die niet tot jou is gekomen. Volg mij dus. Ik zal je op het Rechte Pad leiden.

يَـٰٓأَبَتِ لَا تَعۡبُدِ ٱلشَّيۡطَٰنَۖ إِنَّ ٱلشَّيۡطَٰنَ كَانَ لِلرَّحۡمَٰنِ عَصِيّٗا 44

O mijn vader! Aanbidt Sheitan niet. Waarlijk! Sheitan is opstandig tegen de Barmhartige.

يَـٰٓأَبَتِ إِنِّيٓ أَخَافُ أَن يَمَسَّكَ عَذَابٞ مِّنَ ٱلرَّحۡمَٰنِ فَتَكُونَ لِلشَّيۡطَٰنِ وَلِيّٗا 45

O mijn vader! Waarlijk! Ik vrees dat een bestraffing van de Barmhartige jou zal treffen, zodat jij een metgezel van Sheitan wordt.""

قَالَ أَرَاغِبٌ أَنتَ عَنۡ ءَالِهَتِي يَـٰٓإِبۡرَٰهِيمُۖ لَئِن لَّمۡ تَنتَهِ لَأَرۡجُمَنَّكَۖ وَٱهۡجُرۡنِي مَلِيّٗا 46

Hij zei: “Verwerp jij mijn goden, O Ibrahim? Als jij hier niet mee ophoudt zal ik je zeker stenigen. Ga bij mij weg voor een lange tijd.”

قَالَ سَلَٰمٌ عَلَيۡكَۖ سَأَسۡتَغۡفِرُ لَكَ رَبِّيٓۖ إِنَّهُۥ كَانَ بِي حَفِيّٗا 47

Ibrahim zei: “Vrede zij met jou! Ik zal vergiffenis voor jou vragen bij mijn Heer. Waarlijk! Hij is voor mij altijd Genadig.

وَأَعۡتَزِلُكُمۡ وَمَا تَدۡعُونَ مِن دُونِ ٱللَّهِ وَأَدۡعُواْ رَبِّي عَسَىٰٓ أَلَّآ أَكُونَ بِدُعَآءِ رَبِّي شَقِيّٗا 48

En ik zal mij van jou afkeren en van diegenen die jij naast Allah aanroept. En ik zal mijn Heer aanroepen; en ik hoop dat ik niet ongezegend zal zijn in mijn aanroepingen tot mijn Heer.”

فَلَمَّا ٱعۡتَزَلَهُمۡ وَمَا يَعۡبُدُونَ مِن دُونِ ٱللَّهِ وَهَبۡنَا لَهُۥٓ إِسۡحَٰقَ وَيَعۡقُوبَۖ وَكُلّٗا جَعَلۡنَا نَبِيّٗا 49

En toen hij zich van hen en van diegenen die zij naast Allah aanbaden afkeerde, schonken Wij hem Isaac en Yacoeb en ieder van hen maakten Wij tot profeet.

وَوَهَبۡنَا لَهُم مِّن رَّحۡمَتِنَا وَجَعَلۡنَا لَهُمۡ لِسَانَ صِدۡقٍ عَلِيّٗا 50

En Wij gaven hen uit Onze genade en gaven hen een verheven en goede naam.

وَٱذۡكُرۡ فِي ٱلۡكِتَٰبِ مُوسَىٰٓۚ إِنَّهُۥ كَانَ مُخۡلَصٗا وَكَانَ رَسُولٗا نَّبِيّٗا 51

En vertel in het Boek (O Mohammed) over Mozes. Waarlijk! Hij was een uitverkorene en hij was een Boodschapper (en) een Profeet.

وَنَٰدَيۡنَٰهُ مِن جَانِبِ ٱلطُّورِ ٱلۡأَيۡمَنِ وَقَرَّبۡنَٰهُ نَجِيّٗا 52

En Wij riepen hem van de rechterkant van de berg, en lieten hem in Onze nabijheid komen voor een gesprek.

وَوَهَبۡنَا لَهُۥ مِن رَّحۡمَتِنَآ أَخَاهُ هَٰرُونَ نَبِيّٗا 53

En Wij gaven hem door Onze Genade zijn broeder Haaron, (ook) een Profeet.

وَٱذۡكُرۡ فِي ٱلۡكِتَٰبِ إِسۡمَٰعِيلَۚ إِنَّهُۥ كَانَ صَادِقَ ٱلۡوَعۡدِ وَكَانَ رَسُولٗا نَّبِيّٗا 54

En noem in het Boek Ismael. Waarlijk! Hij was waarachtig aan wat hij beloofd had, en hij was een Boodschapper (en) een Profeet.

وَكَانَ يَأۡمُرُ أَهۡلَهُۥ بِٱلصَّلَوٰةِ وَٱلزَّكَوٰةِ وَكَانَ عِندَ رَبِّهِۦ مَرۡضِيّٗا 55

Hij legde aan zijn familie en zijn volk de Salat op en de Zakat en zijn Heer was blij met hem.

وَٱذۡكُرۡ فِي ٱلۡكِتَٰبِ إِدۡرِيسَۚ إِنَّهُۥ كَانَ صِدِّيقٗا نَّبِيّٗا 56

En noem in het Boek Idris. Waarlijk! Hij was een man van de waarheid, (en) een Profeet.

وَرَفَعۡنَٰهُ مَكَانًا عَلِيًّا 57

En Wij verhieven hem naar een hoge positie.

أُوْلَـٰٓئِكَ ٱلَّذِينَ أَنۡعَمَ ٱللَّهُ عَلَيۡهِم مِّنَ ٱلنَّبِيِّـۧنَ مِن ذُرِّيَّةِ ءَادَمَ وَمِمَّنۡ حَمَلۡنَا مَعَ نُوحٖ وَمِن ذُرِّيَّةِ إِبۡرَٰهِيمَ وَإِسۡرَـٰٓءِيلَ وَمِمَّنۡ هَدَيۡنَا وَٱجۡتَبَيۡنَآۚ إِذَا تُتۡلَىٰ عَلَيۡهِمۡ ءَايَٰتُ ٱلرَّحۡمَٰنِ خَرُّواْۤ سُجَّدٗاۤ وَبُكِيّٗا۩ 58

Dat waren degenen van de Profeten van het nageslacht van Adam aan wie Allah Zijn Gunsten heeft gegeven, en degenen die Wij (in het schip) gedragen hebben met Noah en van het nageslacht van Ibrahim en Israël en degenen die" Wij geleid en uitverkoren hebben. Als de verzen van de Barmhartige (Allah) voor hen gereciteerd werden, vielen zij neer in knielhouding en huilden.

۞فَخَلَفَ مِنۢ بَعۡدِهِمۡ خَلۡفٌ أَضَاعُواْ ٱلصَّلَوٰةَ وَٱتَّبَعُواْ ٱلشَّهَوَٰتِۖ فَسَوۡفَ يَلۡقَوۡنَ غَيًّا 59

Maar na hen volgden andere generaties, die de gebeden opgaven en hun lusten volgden. Dus worden zij in de Hel gegooid.

إِلَّا مَن تَابَ وَءَامَنَ وَعَمِلَ صَٰلِحٗا فَأُوْلَـٰٓئِكَ يَدۡخُلُونَ ٱلۡجَنَّةَ وَلَا يُظۡلَمُونَ شَيۡـٔٗا 60

Behalve degene die spijt betuigt en gelooft en goede werken verricht. Zij zijn het die het Paradijs zullen binnentreden en zij zullen niet in het minst benadeeld worden.

جَنَّـٰتِ عَدۡنٍ ٱلَّتِي وَعَدَ ٱلرَّحۡمَٰنُ عِبَادَهُۥ بِٱلۡغَيۡبِۚ إِنَّهُۥ كَانَ وَعۡدُهُۥ مَأۡتِيّٗا 61

(Zij zullen) de Eeuwige Tuinen binnentreden die de Barmhartige aan Zijn slaven in het onwaarneembare heeft beloofd. Waarlijk! Zijn belofte vindt zeker plaats.

لَّا يَسۡمَعُونَ فِيهَا لَغۡوًا إِلَّا سَلَٰمٗاۖ وَلَهُمۡ رِزۡقُهُمۡ فِيهَا بُكۡرَةٗ وَعَشِيّٗا 62

Zij zullen daarin geen onzinnige gesprekken horen maar slechts de vredesgroet. En zij zullen daar hun levensonderhoud hebben, in de ochtend en de middag.

تِلۡكَ ٱلۡجَنَّةُ ٱلَّتِي نُورِثُ مِنۡ عِبَادِنَا مَن كَانَ تَقِيّٗا 63

Dat is het Paradijs dat Wij als erfenis geven aan slaven van Ons die godsvrezend zijn en Allah uit het diepste van hun hart liefhebben.

وَمَا نَتَنَزَّلُ إِلَّا بِأَمۡرِ رَبِّكَۖ لَهُۥ مَا بَيۡنَ أَيۡدِينَا وَمَا خَلۡفَنَا وَمَا بَيۡنَ ذَٰلِكَۚ وَمَا كَانَ رَبُّكَ نَسِيّٗا 64

En wij (Engelen) dalen slechts op bevel van jouw Heer neer. Aan Hem behoort wat voor ons is en wat achter ons is en wat ertussen is, en jouw Heer is nooit vergeetachtig.

رَّبُّ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِ وَمَا بَيۡنَهُمَا فَٱعۡبُدۡهُ وَٱصۡطَبِرۡ لِعِبَٰدَتِهِۦۚ هَلۡ تَعۡلَمُ لَهُۥ سَمِيّٗا 65

(Hij is de) Heer van de hemelen en de aarde en wat daar tussen is, aanbid Hem daarom en wees standvastig en geduldig in Zijn aanbidding. Ken jij iemand die gelijk aan Hem is?

وَيَقُولُ ٱلۡإِنسَٰنُ أَءِذَا مَا مِتُّ لَسَوۡفَ أُخۡرَجُ حَيًّا 66

En de mens zegt: “Als ik dood ben, zal ik dan weer tot leven geroepen worden?”

أَوَلَا يَذۡكُرُ ٱلۡإِنسَٰنُ أَنَّا خَلَقۡنَٰهُ مِن قَبۡلُ وَلَمۡ يَكُ شَيۡـٔٗا 67

Weet de mens niet meer dat Wij hem hiervoor geschapen hebben, toen hij niets was?

فَوَرَبِّكَ لَنَحۡشُرَنَّهُمۡ وَٱلشَّيَٰطِينَ ثُمَّ لَنُحۡضِرَنَّهُمۡ حَوۡلَ جَهَنَّمَ جِثِيّٗا 68

Dus bij jouw Heer, zeker, Wij zullen hen verzamelen en (ook) de duivels (met hen). Vervolgens zullen Wij hen op hun knieën de Hel rondleiden.

ثُمَّ لَنَنزِعَنَّ مِن كُلِّ شِيعَةٍ أَيُّهُمۡ أَشَدُّ عَلَى ٱلرَّحۡمَٰنِ عِتِيّٗا 69

Dan zullen Wij uit iedere sekte degenen slepen die het ergst waren in hun brutale opstandigheid tegen de Barmhartige.

ثُمَّ لَنَحۡنُ أَعۡلَمُ بِٱلَّذِينَ هُمۡ أَوۡلَىٰ بِهَا صِلِيّٗا 70

Dan, weten Wij het best wie onder "hen het meest verdienen om daarin te branden.

وَإِن مِّنكُمۡ إِلَّا وَارِدُهَاۚ كَانَ عَلَىٰ رَبِّكَ حَتۡمٗا مَّقۡضِيّٗا 71

En er is niemand onder jullie of hij treedt daar binnen; dit is een besluit van jullie Heer dat vervuld moet worden.

ثُمَّ نُنَجِّي ٱلَّذِينَ ٱتَّقَواْ وَّنَذَرُ ٱلظَّـٰلِمِينَ فِيهَا جِثِيّٗا 72

Dan zullen Wij degenen redden die Allah vrezen en Hem plichtsgetrouw waren. En Wij zullen de onrechtvaardigen daarin op hun knieën achterlaten.

وَإِذَا تُتۡلَىٰ عَلَيۡهِمۡ ءَايَٰتُنَا بَيِّنَٰتٖ قَالَ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ لِلَّذِينَ ءَامَنُوٓاْ أَيُّ ٱلۡفَرِيقَيۡنِ خَيۡرٞ مَّقَامٗا وَأَحۡسَنُ نَدِيّٗا 73

En als Onze duidelijke Verzen voor hun gereciteerd worden, zeggen degenen die niet geloven tegen degenen die geloven: “Welke van de twee groepen is op een betere plaats en in een beter gezelschap?”

وَكَمۡ أَهۡلَكۡنَا قَبۡلَهُم مِّن قَرۡنٍ هُمۡ أَحۡسَنُ أَثَٰثٗا وَرِءۡيٗا 74

En hoeveel generaties hebben Wij niet vóór hen vernietigd, die beter waren met betrekking tot welvaart, goederen en uiterlijke verschijning?

قُلۡ مَن كَانَ فِي ٱلضَّلَٰلَةِ فَلۡيَمۡدُدۡ لَهُ ٱلرَّحۡمَٰنُ مَدًّاۚ حَتَّىٰٓ إِذَا رَأَوۡاْ مَا يُوعَدُونَ إِمَّا ٱلۡعَذَابَ وَإِمَّا ٱلسَّاعَةَ فَسَيَعۡلَمُونَ مَنۡ هُوَ شَرّٞ مَّكَانٗا وَأَضۡعَفُ جُندٗا 75

Zeg (O Mohammed): “Wie in dwaling verkeert: de Barmhartige laat voor hem de termijn verlengen, tot wanneer zij zien wat hen beloofd is, όf de bestraffing όf het Uur; dan zullen zij weten wie de slechtste positie heeft, en wie de zwakkere in kracht zijn.

وَيَزِيدُ ٱللَّهُ ٱلَّذِينَ ٱهۡتَدَوۡاْ هُدٗىۗ وَٱلۡبَٰقِيَٰتُ ٱلصَّـٰلِحَٰتُ خَيۡرٌ عِندَ رَبِّكَ ثَوَابٗا وَخَيۡرٞ مَّرَدًّا 76

En Allah vermeerdert de Leiding voor degenen die leiding volgen; en de blijvende goede daden zijn beter in het Aangezicht van jullie Heer wat betreft beloning en beter wat betreft de terugkeer.

أَفَرَءَيۡتَ ٱلَّذِي كَفَرَ بِـَٔايَٰتِنَا وَقَالَ لَأُوتَيَنَّ مَالٗا وَوَلَدًا 77

Heb jij degene gezien die niet in Onze Tekenen gelooft, en die zegt: “Aan mij zullen zeker bezit en kinderen gegeven worden?”

أَطَّلَعَ ٱلۡغَيۡبَ أَمِ ٱتَّخَذَ عِندَ ٱلرَّحۡمَٰنِ عَهۡدٗا 78

Kent hij het onzichtbare of heeft hij een verbond afgesloten met de Barmhartige?

كَلَّاۚ سَنَكۡتُبُ مَا يَقُولُ وَنَمُدُّ لَهُۥ مِنَ ٱلۡعَذَابِ مَدّٗا 79

Nee! Wij zullen noteren wat hij zegt en dan zullen Wij zijn bestraffing vermeerderen.

وَنَرِثُهُۥ مَا يَقُولُ وَيَأۡتِينَا فَرۡدٗا 80

En Wij zullen van hem alles waarover hij spreekt erven en hij zal alleen tot Ons komen.

وَٱتَّخَذُواْ مِن دُونِ ٱللَّهِ ءَالِهَةٗ لِّيَكُونُواْ لَهُمۡ عِزّٗا 81

En zij hebben goden naast Allah goden genomen, opdat zij hen eer, macht en glorie moge geven.

كَلَّاۚ سَيَكۡفُرُونَ بِعِبَادَتِهِمۡ وَيَكُونُونَ عَلَيۡهِمۡ ضِدًّا 82

Nee, maar zij zullen hun aanbidding ontkennen en hun tegenstanders worden.

أَلَمۡ تَرَ أَنَّآ أَرۡسَلۡنَا ٱلشَّيَٰطِينَ عَلَى ٱلۡكَٰفِرِينَ تَؤُزُّهُمۡ أَزّٗا 83

Zien jullie dan niet dat Wij de duivels gezag hebben gegeven over de ongelovigen om hen te misleiden en aan te moedigen bij het begaan van zondes? (Zien jullie dan niet in dat Wij de duivels naar de ongelovigen hebben gestuurd (met als doel) hen op te ruien om van kwaad tot erger te gaan.)

فَلَا تَعۡجَلۡ عَلَيۡهِمۡۖ إِنَّمَا نَعُدُّ لَهُمۡ عَدّٗا 84

Haast je dus niet tegen hen; Wij stellen voor hen nauwkeurig een tijd vast.

يَوۡمَ نَحۡشُرُ ٱلۡمُتَّقِينَ إِلَى ٱلرَّحۡمَٰنِ وَفۡدٗا 85

De Dag waarop Wij de godvrezenden voor de Barmhartige verzamelen als afgevaardigden.

وَنَسُوقُ ٱلۡمُجۡرِمِينَ إِلَىٰ جَهَنَّمَ وِرۡدٗا 86

En Wij zullen de misdadigers als een dorstige kudde naar de Hel drijven.

لَّا يَمۡلِكُونَ ٱلشَّفَٰعَةَ إِلَّا مَنِ ٱتَّخَذَ عِندَ ٱلرَّحۡمَٰنِ عَهۡدٗا 87

Niemand zal de macht voor bemiddeling hebben behalve degene die toestemming daarvoor van de Weldadige heeft gekregen.

وَقَالُواْ ٱتَّخَذَ ٱلرَّحۡمَٰنُ وَلَدٗا 88

En (de Joden en de Christenen) zeggen: “De Barmhartige heeft zich een zoon toegekend.”

لَّقَدۡ جِئۡتُمۡ شَيۡـًٔا إِدّٗا 89

Voorwaar, jullie beweren iets vreselijks.

تَكَادُ ٱلسَّمَٰوَٰتُ يَتَفَطَّرۡنَ مِنۡهُ وَتَنشَقُّ ٱلۡأَرۡضُ وَتَخِرُّ ٱلۡجِبَالُ هَدًّا 90

Waardoor de hemelen bijna scheuren, en de aarde bijna splijt en de bergen bijna in stukken vallen.

أَن دَعَوۡاْ لِلرَّحۡمَٰنِ وَلَدٗا 91

Doordat zij een zoon aan de Barmhartige toeschrijven.

وَمَا يَنۢبَغِي لِلرَّحۡمَٰنِ أَن يَتَّخِذَ وَلَدًا 92

Maar het is niet passend voor de Barmhartige dat Hij zich een zoon zou toekennen.

إِن كُلُّ مَن فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِ إِلَّآ ءَاتِي ٱلرَّحۡمَٰنِ عَبۡدٗا 93

Er is niemand in de hemelen of op aarde die niet als dienaar zal tot de Barmhartige zal komen.

لَّقَدۡ أَحۡصَىٰهُمۡ وَعَدَّهُمۡ عَدّٗا 94

Waarlijk, Hij kent ieder van hen en heeft hen allen precies geteld.

وَكُلُّهُمۡ ءَاتِيهِ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ فَرۡدًا 95

En ieder van hen zal op de Dag der Opstanding alleen tot Hem komen.

إِنَّ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَعَمِلُواْ ٱلصَّـٰلِحَٰتِ سَيَجۡعَلُ لَهُمُ ٱلرَّحۡمَٰنُ وُدّٗا 96

Waarlijk, degenen die geloven en goede daden verrichten, de Weldadige zal hen liefde geven.

فَإِنَّمَا يَسَّرۡنَٰهُ بِلِسَانِكَ لِتُبَشِّرَ بِهِ ٱلۡمُتَّقِينَ وَتُنذِرَ بِهِۦ قَوۡمٗا لُّدّٗا 97

Dus hebben Wij dit gemakkelijk in jouw taal (O Mohammed) gemaakt, opdat je goed nieuws aan de godvrezenden kunt geven en de twistende mensen er mee waarschuwt.

وَكَمۡ أَهۡلَكۡنَا قَبۡلَهُم مِّن قَرۡنٍ هَلۡ تُحِسُّ مِنۡهُم مِّنۡ أَحَدٍ أَوۡ تَسۡمَعُ لَهُمۡ رِكۡزَۢا 98

En hoeveel generaties vόόr hen hebben Wij niet vernietigd? Kun jij daar nog iemand van vinden of zelfs een fluistering van hen horen?

One Comment

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Close