Soera 19 – Maryam – Maryam (Maria) – مريم

bismillah ir rahman ir rahim

كهيعص 1

Kaaf-Haa-Yaa-cAyn-Saad.

ذِكْرُ رَحْمَتِ رَبِّكَ عَبْدَهُ زَكَرِيَّا 2

(Dit is) een melding van de (getoonde) Genade van jouw Heer aan Zijn dienaar Zakariyyaa.

إِذْ نَادَىٰ رَبَّهُ نِدَاءً خَفِيًّا 3

Toen hij zijn Heer in het geheim (aan)riep.

قَالَ رَبِّ إِنِّي وَهَنَ الْعَظْمُ مِنِّي وَاشْتَعَلَ الرَّأْسُ شَيْبًا وَلَمْ أَكُن بِدُعَائِكَ رَبِّ شَقِيًّا 4

Hij zei: “Mijn Heer, voorwaar, mijn botten zijn zwak en het hoofd(haar) is grijs geworden. En mijn Heer, U heeft mijn smeekbede (die ik) tot U (richt) nog nooit onverhoord gelaten.

وَإِنِّي خِفْتُ الْمَوَالِيَ مِن وَرَائِي وَكَانَتِ امْرَأَتِي عَاقِرًا فَهَبْ لِي مِن لَّدُنكَ وَلِيًّا 5

En waarlijk, ik vrees voor mijn erfgenamen na mij en (daarnaast) is mijn vrouw onvruchtbaar. Schenk mij daarom een erfgenaam van Uw Zijde.

يَرِثُنِي وَيَرِثُ مِنْ آلِ يَعْقُوبَ ۖ وَاجْعَلْهُ رَبِّ رَضِيًّا 6

Die van mij en van de familie van Yacqoeb (de kennis en het Profeetschap) zal erven. En o mijn Heer, maak hem tot een persoon waar U tevreden over bent.”

يَا زَكَرِيَّا إِنَّا نُبَشِّرُكَ بِغُلَامٍ اسْمُهُ يَحْيَىٰ لَمْ نَجْعَل لَّهُ مِن قَبْلُ سَمِيًّا 7

(Allah zei:) “O Zakariyyaa, voorwaar, Wij verkondigen jou de verheugende tijding van (de geboorte van) een zoon, genaamd Yahya. Wij gaven niemand eerder deze naam.”

قَالَ رَبِّ أَنَّىٰ يَكُونُ لِي غُلَامٌ وَكَانَتِ امْرَأَتِي عَاقِرًا وَقَدْ بَلَغْتُ مِنَ الْكِبَرِ عِتِيًّا 8

Hij (Zakariyyaa) zei: “O mijn Heer, hoe kan ik een zoon krijgen, terwijl mijn vrouw onvruchtbaar is en ik zeker op leeftijd ben?”

قَالَ كَذَٰلِكَ قَالَ رَبُّكَ هُوَ عَلَيَّ هَيِّنٌ وَقَدْ خَلَقْتُكَ مِن قَبْلُ وَلَمْ تَكُ شَيْئًا 9

Hij (Gabriël) zei: “Zo zal het zijn. Jouw Heer zegt: “Het is gemakkelijk voor Mij. En voorzeker, Ik heb jou hiervóór (ook) geschapen toen jij (daarvóór) niets was.””

قَالَ رَبِّ اجْعَل لِّي آيَةً ۚ قَالَ آيَتُكَ أَلَّا تُكَلِّمَ النَّاسَ ثَلَاثَ لَيَالٍ سَوِيًّا 10

Hij (Zakariyyaa) zei: “O mijn Heer, geef mij een teken.” Hij (Allah) zei: “Jouw teken is dat jij voor (de duur van) drie opeenvolgende nachten niet tot de mensen zult spreken.”

فَخَرَجَ عَلَىٰ قَوْمِهِ مِنَ الْمِحْرَابِ فَأَوْحَىٰ إِلَيْهِمْ أَن سَبِّحُوا بُكْرَةً وَعَشِيًّا 11

Toen kwam hij vanuit de gebedsplaats op zijn volk af en gebaarde hun: “Verheerlijk (jullie Heer) in de ochtend en in de avond.”

يَا يَحْيَىٰ خُذِ الْكِتَابَ بِقُوَّةٍ ۖ وَآتَيْنَاهُ الْحُكْمَ صَبِيًّا 12

(Allah zei:) “O Yahya, neem het Boek met kracht aan.” En als kind gaven Wij hem de kennis (van het Boek).

وَحَنَانًا مِّن لَّدُنَّا وَزَكَاةً ۖ وَكَانَ تَقِيًّا 13

En (Wij gaven hem) Genegenheid van Onze Zijde en reiniging (van de zonden). En hij (Yahya) vreesde (Allah).

وَبَرًّا بِوَالِدَيْهِ وَلَمْ يَكُن جَبَّارًا عَصِيًّا 14

En (hij was) goed voor zijn ouders. En hij was niet hoogmoedig, (en niet) ongehoorzaam.

وَسَلَامٌ عَلَيْهِ يَوْمَ وُلِدَ وَيَوْمَ يَمُوتُ وَيَوْمَ يُبْعَثُ حَيًّا 15

En vrede zij met hem op de dag dat hij werd geboren, en op de dag waarop hij sterft en op de Dag waarop hij (weer) tot leven zal worden opgewekt.

وَاذْكُرْ فِي الْكِتَابِ مَرْيَمَ إِذِ انتَبَذَتْ مِنْ أَهْلِهَا مَكَانًا شَرْقِيًّا 16

En gedenk (o Mohammed) Maryam in het Boek, toen zij zich afzonderde van haar familie in een oostelijk gelegen plaats.

فَاتَّخَذَتْ مِن دُونِهِمْ حِجَابًا فَأَرْسَلْنَا إِلَيْهَا رُوحَنَا فَتَمَثَّلَ لَهَا بَشَرًا سَوِيًّا 17

Zij plaatste een afscherming tussen haar en hen (d.w.z. tussen haar en haar familie). Daarna stuurden Wij Onze Roeh (d.w.z. Gabriël) naar haar, die zich vervolgens aan haar toonde in de gedaante van een volmaakt mens.

قَالَتْ إِنِّي أَعُوذُ بِالرَّحْمَٰنِ مِنكَ إِن كُنتَ تَقِيًّا 18

Zij zei: “Voorwaar, ik zoek mijn toevlucht bij de Meest Barmhartige tegen jou, indien jij (Allah) vreest.”

قَالَ إِنَّمَا أَنَا رَسُولُ رَبِّكِ لِأَهَبَ لَكِ غُلَامًا زَكِيًّا 19

Hij (Gabriël) zei: “Ik ben slechts een Gezant van jouw Heer, (die gezonden is) om jou een reine zoon te schenken.”

قَالَتْ أَنَّىٰ يَكُونُ لِي غُلَامٌ وَلَمْ يَمْسَسْنِي بَشَرٌ وَلَمْ أَكُ بَغِيًّا 20

Zij zei: “Hoe kan ik een zoon krijgen terwijl geen mens mij heeft aangeraakt en ik geen onkuise vrouw ben?’’

قَالَ كَذَٰلِكِ قَالَ رَبُّكِ هُوَ عَلَيَّ هَيِّنٌ ۖ وَلِنَجْعَلَهُ آيَةً لِّلنَّاسِ وَرَحْمَةً مِّنَّا ۚ وَكَانَ أَمْرًا مَّقْضِيًّا 21

Hij (Gabriël) zei: “Zo zal het zijn. Jouw Heer zegt: “Het is gemakkelijk voor Mij. En zodat Wij van hem een teken zullen maken voor de mensen en (als) een Genade van Ons. En het is een (reeds) besloten zaak.””

فَحَمَلَتْهُ فَانتَبَذَتْ بِهِ مَكَانًا قَصِيًّا 22

En zo droeg zij hem (d.w.z. cIesa, in haar buik), waarna zij zich met hem afzonderde op een verafgelegen plaats.

فَأَجَاءَهَا الْمَخَاضُ إِلَىٰ جِذْعِ النَّخْلَةِ قَالَتْ يَا لَيْتَنِي مِتُّ قَبْلَ هَٰذَا وَكُنتُ نَسْيًا مَّنسِيًّا 23

En de pijn van de weeën dreef haar naar de stam van een palmboom. Zij zei: “Was ik hiervóór maar gestorven en volkomen vergeten.”

فَنَادَاهَا مِن تَحْتِهَا أَلَّا تَحْزَنِي قَدْ جَعَلَ رَبُّكِ تَحْتَكِ سَرِيًّا 24

Vervolgens riep hij (d.w.z. cIesa) haar van onder haar vandaan (zeggende): “Treur niet, jouw Heer heeft onder jou zeker een beek gemaakt.

وَهُزِّي إِلَيْكِ بِجِذْعِ النَّخْلَةِ تُسَاقِطْ عَلَيْكِ رُطَبًا جَنِيًّا 25

En schud de stam van de palmboom naar jou toe, dan zullen er verse dadels op jou (neer)vallen.

فَكُلِي وَاشْرَبِي وَقَرِّي عَيْنًا ۖ فَإِمَّا تَرَيِنَّ مِنَ الْبَشَرِ أَحَدًا فَقُولِي إِنِّي نَذَرْتُ لِلرَّحْمَٰنِ صَوْمًا فَلَنْ أُكَلِّمَ الْيَوْمَ إِنسِيًّا 26

Dus eet, drink en laat het (d.w.z. de geboorte van jouw kind) een verkoeling voor het oog zijn (d.w.z. een geruststelling). En als jij iemand van de mensen ziet, zeg dan: “Voorwaar, ik heb een gelofte gedaan aan de Meest Barmhartige om te zwijgen, daarom zal ik vandaag met geen mens spreken.””

فَأَتَتْ بِهِ قَوْمَهَا تَحْمِلُهُ ۖ قَالُوا يَا مَرْيَمُ لَقَدْ جِئْتِ شَيْئًا فَرِيًّا 27

Toen kwam zij met hem (d.w.z. met cIesa) naar haar volk, terwijl zij hem droeg. Zij zeiden: “O Maryam, jij bent zeker met iets schrikbarends gekomen.

يَا أُخْتَ هَارُونَ مَا كَانَ أَبُوكِ امْرَأَ سَوْءٍ وَمَا كَانَتْ أُمُّكِ بَغِيًّا 28

O zus van Haaroen, jouw vader was geen slechte man, noch was jouw moeder een onkuise vrouw.”

فَأَشَارَتْ إِلَيْهِ ۖ قَالُوا كَيْفَ نُكَلِّمُ مَن كَانَ فِي الْمَهْدِ صَبِيًّا 29

Toen wees zij naar hem. Zij zeiden: “Hoe kunnen wij tegen iemand spreken, die nog als baby in de wieg ligt?”

قَالَ إِنِّي عَبْدُ اللَّهِ آتَانِيَ الْكِتَابَ وَجَعَلَنِي نَبِيًّا 30

Hij (cIesa) zei: “Voorwaar, ik ben een dienaar van Allah, Hij heeft mij het Boek gegeven en Hij heeft mij tot een Profeet gemaakt.

وَجَعَلَنِي مُبَارَكًا أَيْنَ مَا كُنتُ وَأَوْصَانِي بِالصَّلَاةِ وَالزَّكَاةِ مَا دُمْتُ حَيًّا 31

En Hij heeft mij gezegend waar ik mij ook bevind. En Hij heeft mij opgedragen om het gebed te verrichten en de Zakaat af te dragen zolang ik leef.

وَبَرًّا بِوَالِدَتِي وَلَمْ يَجْعَلْنِي جَبَّارًا شَقِيًّا 32

En om goed te zijn voor mijn moeder. En Hij maakte mij niet hoogmoedig, (en niet) ellendig.

وَالسَّلَامُ عَلَيَّ يَوْمَ وُلِدتُّ وَيَوْمَ أَمُوتُ وَيَوْمَ أُبْعَثُ حَيًّا 33

En vrede zij met mij op de dag dat ik werd geboren, en op de dag dat ik zal sterven en op de Dag dat ik (weer) tot leven zal worden opgewekt.”

ذَٰلِكَ عِيسَى ابْنُ مَرْيَمَ ۚ قَوْلَ الْحَقِّ الَّذِي فِيهِ يَمْتَرُونَ 34

Dat is cIesa, de zoon van Maryam. (Dit is) het waarachtige woord waarover zij (van mening) verschillen.

مَا كَانَ لِلَّهِ أَن يَتَّخِذَ مِن وَلَدٍ ۖ سُبْحَانَهُ ۚ إِذَا قَضَىٰ أَمْرًا فَإِنَّمَا يَقُولُ لَهُ كُن فَيَكُونُ 35

Het past Allah niet om Zich een kind te nemen. Verheven is Hij. Wanneer Hij een zaak heeft voorbestemd, dan hoeft Hij er slechts tegen te zeggen: “Wees”, en het is.

وَإِنَّ اللَّهَ رَبِّي وَرَبُّكُمْ فَاعْبُدُوهُ ۚ هَٰذَا صِرَاطٌ مُّسْتَقِيمٌ 36

(cIesa zei:) “En waarlijk, Allah is mijn Heer en jullie Heer, dus aanbid Hem, dit is een recht Pad.”

فَاخْتَلَفَ الْأَحْزَابُ مِن بَيْنِهِمْ ۖ فَوَيْلٌ لِّلَّذِينَ كَفَرُوا مِن مَّشْهَدِ يَوْمٍ عَظِيمٍ 37

Maar de groepen verschilden met elkaar (van mening over de kwestie van cIesa). Wee dan degenen die niet geloven, voor het aanschouwen van de geweldige Dag (d.w.z. de Dag des Oordeels).

أَسْمِعْ بِهِمْ وَأَبْصِرْ يَوْمَ يَأْتُونَنَا ۖ لَٰكِنِ الظَّالِمُونَ الْيَوْمَ فِي ضَلَالٍ مُّبِينٍ 38

Hoe (scherp) zullen zij horen en zien op de Dag waarop zij tot Ons zullen komen? Maar de onrechtplegers verkeren vandaag (d.w.z. in deze wereld) in duidelijke dwaling.

وَأَنذِرْهُمْ يَوْمَ الْحَسْرَةِ إِذْ قُضِيَ الْأَمْرُ وَهُمْ فِي غَفْلَةٍ وَهُمْ لَا يُؤْمِنُونَ 39

En waarschuw hen (o Mohammed) voor de Dag van Spijt, nadat de zaak is besloten. En zij verkeren in onachtzaamheid en zij geloven niet.

إِنَّا نَحْنُ نَرِثُ الْأَرْضَ وَمَنْ عَلَيْهَا وَإِلَيْنَا يُرْجَعُونَ 40

Voorwaar, Wij zullen de aarde erven en datgene wat zich daarop bevindt. En tot Ons zullen zij terugkeren.

وَاذْكُرْ فِي الْكِتَابِ إِبْرَاهِيمَ ۚ إِنَّهُ كَانَ صِدِّيقًا نَّبِيًّا 41

En gedenk Ibraahiem in het Boek (d.w.z. in de Koran). Waarlijk, hij was een waarachtige (persoon), en een Profeet.

إِذْ قَالَ لِأَبِيهِ يَا أَبَتِ لِمَ تَعْبُدُ مَا لَا يَسْمَعُ وَلَا يُبْصِرُ وَلَا يُغْنِي عَنكَ شَيْئًا 42

Toen hij tegen zijn vader zei: “O mijn vader, waarom aanbidt u iets wat niet kan horen, niet kan zien en niets voor u kan betekenen?

يَا أَبَتِ إِنِّي قَدْ جَاءَنِي مِنَ الْعِلْمِ مَا لَمْ يَأْتِكَ فَاتَّبِعْنِي أَهْدِكَ صِرَاطًا سَوِيًّا 43

O mijn vader, waarlijk, er is zeker kennis tot mij gekomen die niet tot u is gekomen. Volg mij daarom, ik zal u leiden naar het rechte Pad.

يَا أَبَتِ لَا تَعْبُدِ الشَّيْطَانَ ۖ إِنَّ الشَّيْطَانَ كَانَ لِلرَّحْمَٰنِ عَصِيًّا 44

O mijn vader, aanbid de satan niet. Voorwaar, de satan is ongehoorzaam aan de Meest Barmhartige.

يَا أَبَتِ إِنِّي أَخَافُ أَن يَمَسَّكَ عَذَابٌ مِّنَ الرَّحْمَٰنِ فَتَكُونَ لِلشَّيْطَانِ وَلِيًّا 45

O mijn vader, voorwaar, ik vrees dat een Bestraffing van de Meest Barmhartige u zal treffen, waardoor u een helper van de satan zult worden.”

قَالَ أَرَاغِبٌ أَنتَ عَنْ آلِهَتِي يَا إِبْرَاهِيمُ ۖ لَئِن لَّمْ تَنتَهِ لَأَرْجُمَنَّكَ ۖ وَاهْجُرْنِي مَلِيًّا 46

Hij (de vader van Ibraahiem) zei: “Wend jij je af van mijn goden, o Ibraahiem? Als jij niet ophoudt, dan zal ik jou zeker stenigen. Ga daarom weg van mij, nu jij nog ongedeerd bent.”

قَالَ سَلَامٌ عَلَيْكَ ۖ سَأَسْتَغْفِرُ لَكَ رَبِّي ۖ إِنَّهُ كَانَ بِي حَفِيًّا 47

Hij (Ibraahiem) zei: “Vrede zij met u. Ik zal vergeving voor u vragen bij mijn Heer. Waarlijk, Hij is Zachtmoedig voor mij geweest (en Hij verhoort mijn smeekbeden).

وَأَعْتَزِلُكُمْ وَمَا تَدْعُونَ مِن دُونِ اللَّهِ وَأَدْعُو رَبِّي عَسَىٰ أَلَّا أَكُونَ بِدُعَاءِ رَبِّي شَقِيًّا 48

En ik zal wegblijven van jullie en van datgene wat jullie naast Allah aanroepen. En ik zal mijn Heer aanroepen, wellicht zal mijn smeekbede niet onverhoord blijven bij mijn Heer.”

فَلَمَّا اعْتَزَلَهُمْ وَمَا يَعْبُدُونَ مِن دُونِ اللَّهِ وَهَبْنَا لَهُ إِسْحَاقَ وَيَعْقُوبَ ۖ وَكُلًّا جَعَلْنَا نَبِيًّا 49

Toen hij wegbleef van hen en van datgene wat zij naast Allah aanbaden, schonken Wij hem Ishaaq en (zijn kleinzoon) Yacqoeb en Wij maakten van beiden een Profeet.

وَوَهَبْنَا لَهُم مِّن رَّحْمَتِنَا وَجَعَلْنَا لَهُمْ لِسَانَ صِدْقٍ عَلِيًّا 50

En Wij schonken hun van Onze Genade en Wij deden hun een waarachtige, hoge tong (d.w.z. veel lof) toekomen.

وَاذْكُرْ فِي الْكِتَابِ مُوسَىٰ ۚ إِنَّهُ كَانَ مُخْلَصًا وَكَانَ رَسُولًا نَّبِيًّا 51

En gedenk Moesa in het Boek. Voorwaar, hij was (zuiver) toegewijd en hij was een Boodschapper, (en) een Profeet.

وَنَادَيْنَاهُ مِن جَانِبِ الطُّورِ الْأَيْمَنِ وَقَرَّبْنَاهُ نَجِيًّا 52

En Wij riepen hem (Moesa) vanuit de rechterzijde van de (berg) Toer. En Wij brachten hem dicht bij (Ons) om zachtjes met hem te spreken.

وَوَهَبْنَا لَهُ مِن رَّحْمَتِنَا أَخَاهُ هَارُونَ نَبِيًّا 53

En Wij schonken hem door Onze Genade zijn broer Haaroen als Profeet.

وَاذْكُرْ فِي الْكِتَابِ إِسْمَاعِيلَ ۚ إِنَّهُ كَانَ صَادِقَ الْوَعْدِ وَكَانَ رَسُولًا نَّبِيًّا 54

En gedenk Ismaaciel in het Boek. Voorwaar, hij was trouw aan zijn belofte en hij was een Boodschapper, (en) een Profeet.

وَكَانَ يَأْمُرُ أَهْلَهُ بِالصَّلَاةِ وَالزَّكَاةِ وَكَانَ عِندَ رَبِّهِ مَرْضِيًّا 55

En hij beval zijn familie het gebed (te verrichten) en de Zakaat (af te dragen) en zijn Heer was tevreden over hem.

وَاذْكُرْ فِي الْكِتَابِ إِدْرِيسَ ۚ إِنَّهُ كَانَ صِدِّيقًا نَّبِيًّا 56

En gedenk Idries in het Boek. Voorwaar, hij was een waarachtige (persoon), en een Profeet.

وَرَفَعْنَاهُ مَكَانًا عَلِيًّا 57

En Wij verhieven hem naar een hoge plaats.

أُولَٰئِكَ الَّذِينَ أَنْعَمَ اللَّهُ عَلَيْهِم مِّنَ النَّبِيِّينَ مِن ذُرِّيَّةِ آدَمَ وَمِمَّنْ حَمَلْنَا مَعَ نُوحٍ وَمِن ذُرِّيَّةِ إِبْرَاهِيمَ وَإِسْرَائِيلَ وَمِمَّنْ هَدَيْنَا وَاجْتَبَيْنَا ۚ إِذَا تُتْلَىٰ عَلَيْهِمْ آيَاتُ الرَّحْمَٰنِ خَرُّوا سُجَّدًا وَبُكِيًّا ۩ 58

Zij zijn degenen die Allah heeft begunstigd van de Profeten onder de nakomelingen van Adam, en onder (de nakomelingen van) degenen die Wij met Noeh (in de Ark) hebben gedragen, en onder de nakomelingen van Ibraahiem en Israël (d.w.z. Yacqoeb) en onder degenen die Wij hebben geleid en hebben verkozen. Wanneer de Verzen van de Meest Barmhartige aan hen werden voorgedragen, wierpen zij zich knielend en huilend neer.

فَخَلَفَ مِن بَعْدِهِمْ خَلْفٌ أَضَاعُوا الصَّلَاةَ وَاتَّبَعُوا الشَّهَوَاتِ ۖ فَسَوْفَ يَلْقَوْنَ غَيًّا 59

Daarna werden zij opgevolgd door een generatie die het gebed verwaarloosde en de begeerten volgde. Zij zullen daarom spoedig verlies tegemoet gaan.

إِلَّا مَن تَابَ وَآمَنَ وَعَمِلَ صَالِحًا فَأُولَٰئِكَ يَدْخُلُونَ الْجَنَّةَ وَلَا يُظْلَمُونَ شَيْئًا 60

Behalve degenen die berouw tonen, geloven en goede daden verrichten. Zij zijn degenen die het Paradijs zullen binnentreden en hun zal geen enkel onrecht worden aangedaan.

جَنَّاتِ عَدْنٍ الَّتِي وَعَدَ الرَّحْمَٰنُ عِبَادَهُ بِالْغَيْبِ ۚ إِنَّهُ كَانَ وَعْدُهُ مَأْتِيًّا 61

(Zij zullen) de Tuinen van cAdn (d.w.z. van het Paradijs, binnentreden), die de Meest Barmhartige aan Zijn dienaren heeft beloofd, en die onwaarneembaar waren (voor hen). Voorwaar, Zijn Belofte zal zeker komen.

لَّا يَسْمَعُونَ فِيهَا لَغْوًا إِلَّا سَلَامًا ۖ وَلَهُمْ رِزْقُهُمْ فِيهَا بُكْرَةً وَعَشِيًّا 62

Zij zullen daarin (d.w.z. in het Paradijs) geen nutteloos gepraat horen, maar slechts “Salaam.” En voor hen is er daarin levensonderhoud in de ochtend en in de avond.

تِلْكَ الْجَنَّةُ الَّتِي نُورِثُ مِنْ عِبَادِنَا مَن كَانَ تَقِيًّا 63

Dat is het Paradijs dat Wij laten erven door degene die (Allah) vreest onder Onze dienaren.

وَمَا نَتَنَزَّلُ إِلَّا بِأَمْرِ رَبِّكَ ۖ لَهُ مَا بَيْنَ أَيْدِينَا وَمَا خَلْفَنَا وَمَا بَيْنَ ذَٰلِكَ ۚ وَمَا كَانَ رَبُّكَ نَسِيًّا 64

En wij (Engelen) dalen niet neer, behalve op het Bevel van jouw Heer (o Mohammed). Aan Hem behoort datgene wat vóór ons (d.w.z. in het Hiernamaals) en achter ons (d.w.z. in het verleden) is en wat zich daartussen (d.w.z. tussen het heden en het Uur) bevindt toe. En jouw Heer is niet vergeetachtig.

رَّبُّ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ وَمَا بَيْنَهُمَا فَاعْبُدْهُ وَاصْطَبِرْ لِعِبَادَتِهِ ۚ هَلْ تَعْلَمُ لَهُ سَمِيًّا 65

(Hij is) de Heer van de hemelen en de aarde en datgene wat zich daartussen bevindt, aanbid Hem daarom en wees geduldig in het aanbidden van Hem. Ken jij (o Mohammed) iemand die aan Hem gelijk is?

وَيَقُولُ الْإِنسَانُ أَإِذَا مَا مِتُّ لَسَوْفَ أُخْرَجُ حَيًّا 66

En de mens zegt: “Als ik sterf, zal ik dan (weer) tot leven worden opgewekt?”

أَوَلَا يَذْكُرُ الْإِنسَانُ أَنَّا خَلَقْنَاهُ مِن قَبْلُ وَلَمْ يَكُ شَيْئًا 67

Herinnert de mens zich dan niet dat Wij hem eerder hebben geschapen en hij (daarvóór) niets was?

فَوَرَبِّكَ لَنَحْشُرَنَّهُمْ وَالشَّيَاطِينَ ثُمَّ لَنُحْضِرَنَّهُمْ حَوْلَ جَهَنَّمَ جِثِيًّا 68

Bij jouw Heer! Wij zullen hen en de satans dan zeker verzamelen. Vervolgens zullen Wij hen zeker rondom de Hel op hun knieën brengen.

ثُمَّ لَنَنزِعَنَّ مِن كُلِّ شِيعَةٍ أَيُّهُمْ أَشَدُّ عَلَى الرَّحْمَٰنِ عِتِيًّا 69

Vervolgens zullen Wij zeker uit elke groep degene eruit pikken die het meest ongehoorzaam was aan de Meest Barmhartige.

ثُمَّ لَنَحْنُ أَعْلَمُ بِالَّذِينَ هُمْ أَوْلَىٰ بِهَا صِلِيًّا 70

Vervolgens weten Wij zeker wie het het meest verdient om deze (d.w.z. de Hel) binnen te treden.

وَإِن مِّنكُمْ إِلَّا وَارِدُهَا ۚ كَانَ عَلَىٰ رَبِّكَ حَتْمًا مَّقْضِيًّا 71

En er is niemand van jullie die het (d.w.z. de Hel) niet over zal (moeten) steken. Dit is een onontkoombaar Besluit van jouw Heer.

ثُمَّ نُنَجِّي الَّذِينَ اتَّقَوا وَّنَذَرُ الظَّالِمِينَ فِيهَا جِثِيًّا 72

Vervolgens zullen Wij degenen die (Allah) vreesden redden en Wij zullen de onrechtplegers daarin op hun knieën achterlaten.

وَإِذَا تُتْلَىٰ عَلَيْهِمْ آيَاتُنَا بَيِّنَاتٍ قَالَ الَّذِينَ كَفَرُوا لِلَّذِينَ آمَنُوا أَيُّ الْفَرِيقَيْنِ خَيْرٌ مَّقَامًا وَأَحْسَنُ نَدِيًّا 73

En als Onze duidelijke Verzen aan hen worden voorgedragen, zeggen degenen die niet geloven tegen degenen die geloven: “Welke van de twee groepen (d.w.z. de gelovigen of de ongelovigen) is de beste plaats toegekomen en de betere zitting (in deze wereld)?”

وَكَمْ أَهْلَكْنَا قَبْلَهُم مِّن قَرْنٍ هُمْ أَحْسَنُ أَثَاثًا وَرِئْيًا 74

En hoeveel generaties hebben Wij vóór hen vernietigd, die betere voorzieningen en een mooiere verschijning bezaten?

قُلْ مَن كَانَ فِي الضَّلَالَةِ فَلْيَمْدُدْ لَهُ الرَّحْمَٰنُ مَدًّا ۚ حَتَّىٰ إِذَا رَأَوْا مَا يُوعَدُونَ إِمَّا الْعَذَابَ وَإِمَّا السَّاعَةَ فَسَيَعْلَمُونَ مَنْ هُوَ شَرٌّ مَّكَانًا وَأَضْعَفُ جُندًا 75

Zeg (o Mohammed): “Wie in dwaling verkeert, de Meest Barmhartige drijft hem steeds verder (daarin), totdat zij zien wat hun beloofd is, hetzij de bestraffing (in het wereldse leven), hetzij (het aanbreken van) het Uur. (En) dan zullen zij weten wie de slechtste positie toekomt en (wie) het zwakste leger heeft.”

وَيَزِيدُ اللَّهُ الَّذِينَ اهْتَدَوْا هُدًى ۗ وَالْبَاقِيَاتُ الصَّالِحَاتُ خَيْرٌ عِندَ رَبِّكَ ثَوَابًا وَخَيْرٌ مَّرَدًّا 76

En Allah vermeerdert de Leiding voor degenen die recht geleid zijn. En de blijvende goede daden leiden bij jouw Heer tot een betere Beloning en een betere Einduitkomst.

أَفَرَأَيْتَ الَّذِي كَفَرَ بِآيَاتِنَا وَقَالَ لَأُوتَيَنَّ مَالًا وَوَلَدًا 77

Heb jij degene gezien die niet in Onze Verzen gelooft en (toch) zegt: “Mij zullen zeker (veel) bezit en kinderen worden gegeven”?

أَطَّلَعَ الْغَيْبَ أَمِ اتَّخَذَ عِندَ الرَّحْمَٰنِ عَهْدًا 78

Heeft hij (dan) kennisgenomen van het onwaarneembare, of is hij een Verbond aangegaan met de Meest Barmhartige?

كَلَّا ۚ سَنَكْتُبُ مَا يَقُولُ وَنَمُدُّ لَهُ مِنَ الْعَذَابِ مَدًّا 79

Welnee! Wij zullen noteren wat hij zegt en Wij zullen (de duur van) de Bestraffing verder voor hem verlengen.

وَنَرِثُهُ مَا يَقُولُ وَيَأْتِينَا فَرْدًا 80

En Wij zullen datgene waar hij het over heeft (in het Hiernamaals) van hem erven (d.w.z. afnemen). En hij zal alleen tot Ons komen (zonder zijn bezit en kinderen).

وَاتَّخَذُوا مِن دُونِ اللَّهِ آلِهَةً لِّيَكُونُوا لَهُمْ عِزًّا 81

En zij hebben (valse) goden naast Allah (ter aanbidding) aangenomen zodat zij helpers voor hen kunnen zijn.

كَلَّا ۚ سَيَكْفُرُونَ بِعِبَادَتِهِمْ وَيَكُونُونَ عَلَيْهِمْ ضِدًّا 82

Welnee! Zij (d.w.z. de valse goden) zullen hun aanbidding verloochenen en zij zullen (op de Dag der Opstanding) tegen hen zijn.

أَلَمْ تَرَ أَنَّا أَرْسَلْنَا الشَّيَاطِينَ عَلَى الْكَافِرِينَ تَؤُزُّهُمْ أَزًّا 83

Heb jij niet gezien dat Wij de satans op de ongelovigen afsturen om hen (tot dwaling) te verleiden?

فَلَا تَعْجَلْ عَلَيْهِمْ ۖ إِنَّمَا نَعُدُّ لَهُمْ عَدًّا 84

Vraag daarom niet om bespoediging (van de bestraffing) voor hen. Wij tellen al hun daden nauwkeurig.

يَوْمَ نَحْشُرُ الْمُتَّقِينَ إِلَى الرَّحْمَٰنِ وَفْدًا 85

Op de Dag waarop Wij de godsvruchtigen als afgevaardigden bij de Meest Barmhartige zullen verzamelen.

وَنَسُوقُ الْمُجْرِمِينَ إِلَىٰ جَهَنَّمَ وِرْدًا 86

En Wij de misdadigers naar de Hel zullen drijven, terwijl zij dorstig zijn.

لَّا يَمْلِكُونَ الشَّفَاعَةَ إِلَّا مَنِ اتَّخَذَ عِندَ الرَّحْمَٰنِ عَهْدًا 87

Zij bezitten geen (enkele) voorspraak, behalve degene die een Verbond met de Meest Barmhartige is aangegaan (door goede daden te verrichten).

وَقَالُوا اتَّخَذَ الرَّحْمَٰنُ وَلَدًا 88

En zij zeiden: “De Meest Barmhartige heeft Zich een kind genomen.”

لَّقَدْ جِئْتُمْ شَيْئًا إِدًّا 89

Voorzeker, jullie zijn met iets schrikbarends gekomen.

تَكَادُ السَّمَاوَاتُ يَتَفَطَّرْنَ مِنْهُ وَتَنشَقُّ الْأَرْضُ وَتَخِرُّ الْجِبَالُ هَدًّا 90

De hemelen dreigen daardoor uiteen te barsten, en de aarde dreigt te splijten en de bergen dreigen volledig in te storten.

أَن دَعَوْا لِلرَّحْمَٰنِ وَلَدًا 91

Omdat zij een kind aan de Meest Barmhartige hebben toegeschreven.

وَمَا يَنبَغِي لِلرَّحْمَٰنِ أَن يَتَّخِذَ وَلَدًا 92

Maar het is niet gepast voor de Meest Barmhartige om Zich een kind te nemen.

إِن كُلُّ مَن فِي السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ إِلَّا آتِي الرَّحْمَٰنِ عَبْدًا 93

Er is niemand in de hemelen en op de aarde, of hij zal als een dienaar tot de Meest Barmhartige komen.

لَّقَدْ أَحْصَاهُمْ وَعَدَّهُمْ عَدًّا 94

Voorzeker, Hij heeft hen (d.w.z. hun aantal) berekend en Hij heeft hen nauwkeurig geteld.

وَكُلُّهُمْ آتِيهِ يَوْمَ الْقِيَامَةِ فَرْدًا 95

En eenieder van hen zal op de Dag der Opstanding alleen tot Hem komen.

إِنَّ الَّذِينَ آمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ سَيَجْعَلُ لَهُمُ الرَّحْمَٰنُ وُدًّا 96

Voorwaar, degenen die geloven en goede daden verrichten, de Meest Barmhartige zal hun liefde doen toekomen.

فَإِنَّمَا يَسَّرْنَاهُ بِلِسَانِكَ لِتُبَشِّرَ بِهِ الْمُتَّقِينَ وَتُنذِرَ بِهِ قَوْمًا لُّدًّا 97

Wij hebben het (d.w.z. de Koran) slechts middels jouw tong (o Mohammed) vergemakkelijkt, zodat jij verheugende Tijdingen zult geven aan de godsvruchtigen en het twistzieke volk ermee zult waarschuwen.

وَكَمْ أَهْلَكْنَا قَبْلَهُم مِّن قَرْنٍ هَلْ تُحِسُّ مِنْهُم مِّنْ أَحَدٍ أَوْ تَسْمَعُ لَهُمْ رِكْزًا 98

En hoeveel generaties hebben Wij vóór hen vernietigd? Zie jij (o Mohammed) dan ook maar één van hen of hoor jij enig gefluister van hen?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Close