Soera 18 – Al-Kahf – De Grot – الكهف

bismillah ir rahman ir rahim

الْحَمْدُ لِلَّهِ الَّذِي أَنزَلَ عَلَىٰ عَبْدِهِ الْكِتَابَ وَلَمْ يَجْعَل لَّهُ عِوَجًا ۜ 1

(Alle) lof zij Allah, Degene Die het Boek aan Zijn dienaar heeft neergezonden en daarin geen afwijking heeft gemaakt.

قَيِّمًا لِّيُنذِرَ بَأْسًا شَدِيدًا مِّن لَّدُنْهُ وَيُبَشِّرَ الْمُؤْمِنِينَ الَّذِينَ يَعْمَلُونَ الصَّالِحَاتِ أَنَّ لَهُمْ أَجْرًا حَسَنًا 2

(Het is) recht (gemaakt) om te waarschuwen voor een harde Bestraffing van Zijn Zijde. En (om) verheugende Tijdingen te verkondigen aan de gelovigen, die goede daden verrichten, dat er voor hen een goede Beloning zal zijn.

مَّاكِثِينَ فِيهِ أَبَدًا 3

Zij vertoeven daarin (d.w.z. in het Paradijs) voor altijd.

وَيُنذِرَ الَّذِينَ قَالُوا اتَّخَذَ اللَّهُ وَلَدًا 4

En (om) degenen te waarschuwen die zeiden: “Allah heeft Zich een kind genomen.”

مَّا لَهُم بِهِ مِنْ عِلْمٍ وَلَا لِآبَائِهِمْ ۚ كَبُرَتْ كَلِمَةً تَخْرُجُ مِنْ أَفْوَاهِهِمْ ۚ إِن يَقُولُونَ إِلَّا كَذِبًا 5

Zij hebben daar geen kennis over, noch hun voorvaderen. Groot is het woord dat uit hun monden komt. Zij vertellen niets anders dan leugens.

فَلَعَلَّكَ بَاخِعٌ نَّفْسَكَ عَلَىٰ آثَارِهِمْ إِن لَّمْ يُؤْمِنُوا بِهَٰذَا الْحَدِيثِ أَسَفًا 6

En wellicht zul jij (o Mohammed) jezelf door verdriet vernietigen vanwege hen, omdat zij niet geloven in dit Woord (d.w.z. in de Koran).

إِنَّا جَعَلْنَا مَا عَلَى الْأَرْضِ زِينَةً لَّهَا لِنَبْلُوَهُمْ أَيُّهُمْ أَحْسَنُ عَمَلًا 7

Voorwaar, Wij hebben wat zich op de aarde bevindt tot een versiering voor haar (d.w.z. voor de aarde) gemaakt, om hen te beproeven (en daarmee aan te tonen) wie van hen de beste daden verricht.

وَإِنَّا لَجَاعِلُونَ مَا عَلَيْهَا صَعِيدًا جُرُزًا 8

En waarlijk, Wij zullen datgene wat zich daarop (d.w.z. op de aarde) bevindt zeker tot dorre grond maken.

أَمْ حَسِبْتَ أَنَّ أَصْحَابَ الْكَهْفِ وَالرَّقِيمِ كَانُوا مِنْ آيَاتِنَا عَجَبًا 9

Of dacht jij (o Mohammed) dat de mensen van de grot en ar-Raqiem tot Onze verbazingwekkende Tekenen behoorden?

إِذْ أَوَى الْفِتْيَةُ إِلَى الْكَهْفِ فَقَالُوا رَبَّنَا آتِنَا مِن لَّدُنكَ رَحْمَةً وَهَيِّئْ لَنَا مِنْ أَمْرِنَا رَشَدًا 10

Toen de jongeren de grot in vluchtten en zeiden: “Onze Heer, schenk ons Genade van Uw Zijde en vergemakkelijk onze zaak op een succesvolle manier voor ons.”

فَضَرَبْنَا عَلَىٰ آذَانِهِمْ فِي الْكَهْفِ سِنِينَ عَدَدًا 11

Toen sloegen Wij in de grot op hun oren (d.w.z. dat Wij hen in slaap deden vallen) voor (de duur van) een aantal jaren.

ثُمَّ بَعَثْنَاهُمْ لِنَعْلَمَ أَيُّ الْحِزْبَيْنِ أَحْصَىٰ لِمَا لَبِثُوا أَمَدًا 12

Vervolgens wekten Wij hen, zodat Wij zouden weten welke van de twee groepen het beste kon berekenen hoelang zij (in de grot) verbleven.

نَّحْنُ نَقُصُّ عَلَيْكَ نَبَأَهُم بِالْحَقِّ ۚ إِنَّهُمْ فِتْيَةٌ آمَنُوا بِرَبِّهِمْ وَزِدْنَاهُمْ هُدًى 13

Wij vertellen jou (o Mohammed) hun verhaal naar waarheid. Voorwaar, zij waren jongeren die in hun Heer geloofden, en Wij deden hun leiding toenemen.

وَرَبَطْنَا عَلَىٰ قُلُوبِهِمْ إِذْ قَامُوا فَقَالُوا رَبُّنَا رَبُّ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ لَن نَّدْعُوَ مِن دُونِهِ إِلَٰهًا ۖ لَّقَدْ قُلْنَا إِذًا شَطَطًا 14

En Wij versterkten hun harten toen zij opstonden en (zij) zeiden: “Onze Heer is de Heer van de hemelen en de aarde. Wij zullen (daarom) nooit een (andere) god naast Hem aanroepen, anders zouden wij zeker een grote leugen hebben uitgesproken.

هَٰؤُلَاءِ قَوْمُنَا اتَّخَذُوا مِن دُونِهِ آلِهَةً ۖ لَّوْلَا يَأْتُونَ عَلَيْهِم بِسُلْطَانٍ بَيِّنٍ ۖ فَمَنْ أَظْلَمُ مِمَّنِ افْتَرَىٰ عَلَى اللَّهِ كَذِبًا 15

Dit volk van ons heeft naast Hem (valse) goden (ter aanbidding) aangenomen. Waarom komen zij niet met een duidelijk bewijs voor hen (d.w.z. om het bestaan van hun valse goden aan te tonen)? (En) wie is er dan onrechtvaardiger dan degene die een leugen over Allah verzint?”

وَإِذِ اعْتَزَلْتُمُوهُمْ وَمَا يَعْبُدُونَ إِلَّا اللَّهَ فَأْوُوا إِلَى الْكَهْفِ يَنشُرْ لَكُمْ رَبُّكُم مِّن رَّحْمَتِهِ وَيُهَيِّئْ لَكُم مِّنْ أَمْرِكُم مِّرْفَقًا 16

(De jongeren zeiden tegen elkaar:) “En als jullie hen en dat wat zij aanbidden mijden, behalve Allah, en vervolgens naar de grot zouden vluchten, dan zal jullie Heer jullie van Zijn Genade schenken en zal Hij jullie in jullie zaak van gemak voorzien.”

وَتَرَى الشَّمْسَ إِذَا طَلَعَت تَّزَاوَرُ عَن كَهْفِهِمْ ذَاتَ الْيَمِينِ وَإِذَا غَرَبَت تَّقْرِضُهُمْ ذَاتَ الشِّمَالِ وَهُمْ فِي فَجْوَةٍ مِّنْهُ ۚ ذَٰلِكَ مِنْ آيَاتِ اللَّهِ ۗ مَن يَهْدِ اللَّهُ فَهُوَ الْمُهْتَدِ ۖ وَمَن يُضْلِلْ فَلَن تَجِدَ لَهُ وَلِيًّا مُّرْشِدًا 17

En jij ziet de zon, wanneer zij opkomt, hun grot vanuit de rechterkant ontwijken. En (jij ziet haar) wanneer zij ondergaat, hun (d.w.z. de jongeren) vanuit de linkerkant ontwijken. (Dit) terwijl zij (d.w.z. de jongeren) zich aan de binnenkant ervan (d.w.z. van de grot) bevinden. Dit behoort tot de Tekenen van Allah. Degene die Allah leidt, hij is recht geleid. En degene die Hij doet afdwalen, voor hem zul jij nooit een helper vinden die hem kan leiden.

وَتَحْسَبُهُمْ أَيْقَاظًا وَهُمْ رُقُودٌ ۚ وَنُقَلِّبُهُمْ ذَاتَ الْيَمِينِ وَذَاتَ الشِّمَالِ ۖ وَكَلْبُهُم بَاسِطٌ ذِرَاعَيْهِ بِالْوَصِيدِ ۚ لَوِ اطَّلَعْتَ عَلَيْهِمْ لَوَلَّيْتَ مِنْهُمْ فِرَارًا وَلَمُلِئْتَ مِنْهُمْ رُعْبًا 18

En jij zou denken dat zij wakker zijn, terwijl zij slapen. En Wij doen hen (steeds) op hun rechterzijde en linkerzijde keren, en hun hond ligt met zijn uitgestrekte voorpoten bij de ingang. Als jij hen zou zien, dan zou jij je zeker vluchtend van hen afwenden en (dan) zou jij zeker vervuld zijn met intense angst voor hen.

وَكَذَٰلِكَ بَعَثْنَاهُمْ لِيَتَسَاءَلُوا بَيْنَهُمْ ۚ قَالَ قَائِلٌ مِّنْهُمْ كَمْ لَبِثْتُمْ ۖ قَالُوا لَبِثْنَا يَوْمًا أَوْ بَعْضَ يَوْمٍ ۚ قَالُوا رَبُّكُمْ أَعْلَمُ بِمَا لَبِثْتُمْ فَابْعَثُوا أَحَدَكُم بِوَرِقِكُمْ هَٰذِهِ إِلَى الْمَدِينَةِ فَلْيَنظُرْ أَيُّهَا أَزْكَىٰ طَعَامًا فَلْيَأْتِكُم بِرِزْقٍ مِّنْهُ وَلْيَتَلَطَّفْ وَلَا يُشْعِرَنَّ بِكُمْ أَحَدًا 19

En zo wekten Wij hen, zodat zij elkaar vragen zouden stellen. Eén van hen zei: “Hoelang verbleven jullie (hier)?” Zij zeiden: “Wij verbleven (hier) een dag of een gedeelte van een dag.” Zij zeiden: “Jullie Heer weet beter hoelang jullie (hier) verbleven. Zend daarom iemand van jullie met deze zilveren muntstukken van jullie naar de stad, en laat hem dan kijken wie van haar (inwoners) over het meest reine voedsel beschikt, en (laat hem) dan naar jullie terugkomen met wat levensonderhoud daarvan. En laat hem voorzichtig zijn, opdat niemand jullie opmerkt.

إِنَّهُمْ إِن يَظْهَرُوا عَلَيْكُمْ يَرْجُمُوكُمْ أَوْ يُعِيدُوكُمْ فِي مِلَّتِهِمْ وَلَن تُفْلِحُوا إِذًا أَبَدًا 20

Waarlijk, als zij jullie opmerken, (dan) zullen zij jullie stenigen of jullie doen terugkeren naar hun religie. En jullie zullen dan nooit succesvol zijn.”

وَكَذَٰلِكَ أَعْثَرْنَا عَلَيْهِمْ لِيَعْلَمُوا أَنَّ وَعْدَ اللَّهِ حَقٌّ وَأَنَّ السَّاعَةَ لَا رَيْبَ فِيهَا إِذْ يَتَنَازَعُونَ بَيْنَهُمْ أَمْرَهُمْ ۖ فَقَالُوا ابْنُوا عَلَيْهِم بُنْيَانًا ۖ رَّبُّهُمْ أَعْلَمُ بِهِمْ ۚ قَالَ الَّذِينَ غَلَبُوا عَلَىٰ أَمْرِهِمْ لَنَتَّخِذَنَّ عَلَيْهِم مَّسْجِدًا 21

En zo werden zij (door anderen) gevonden, opdat zij zouden weten dat de Belofte van Allah (de) Waarheid is en dat er over het Uur geen twijfel bestaat. (En gedenk) toen zij onderling over hun zaak redetwistten en zeiden: “Plaats een bouwwerk over hen (heen), hun Heer kent hen het best.” Degenen die de bovenhand kregen in hun zaak (d.w.z. in de zaak van de mensen van de grot), zeiden: “Wij zullen zeker een moskee over hen (heen) bouwen.”

سَيَقُولُونَ ثَلَاثَةٌ رَّابِعُهُمْ كَلْبُهُمْ وَيَقُولُونَ خَمْسَةٌ سَادِسُهُمْ كَلْبُهُمْ رَجْمًا بِالْغَيْبِ ۖ وَيَقُولُونَ سَبْعَةٌ وَثَامِنُهُمْ كَلْبُهُمْ ۚ قُل رَّبِّي أَعْلَمُ بِعِدَّتِهِم مَّا يَعْلَمُهُمْ إِلَّا قَلِيلٌ ۗ فَلَا تُمَارِ فِيهِمْ إِلَّا مِرَاءً ظَاهِرًا وَلَا تَسْتَفْتِ فِيهِم مِّنْهُمْ أَحَدًا 22

Zij zullen zeggen: “(Zij waren met) drie, (en) hun hond was hun vierde.” En zij zullen zeggen: “(Zij waren met) vijf, (en) hun hond was hun zesde”, gissend naar het onwaarneembare. En zij zullen zeggen: “(Zij waren met) zeven, en hun hond was hun achtste.” Zeg (o Mohammed): “Mijn Heer is beter op de hoogte van hun aantal. Niemand kent hen (wat betreft hun aantal), op slechts enkelen na.” Redetwist daarom niet over hen, behalve op gegronde wijze. En vraag niemand van hen (d.w.z. van de lieden van het Boek) om een oordeel over hen (d.w.z. over de mensen van de grot).

وَلَا تَقُولَنَّ لِشَيْءٍ إِنِّي فَاعِلٌ ذَٰلِكَ غَدًا 23

En zeg waarlijk niet over iets: “Waarlijk, ik zal het morgen doen.”

إِلَّا أَن يَشَاءَ اللَّهُ ۚ وَاذْكُر رَّبَّكَ إِذَا نَسِيتَ وَقُلْ عَسَىٰ أَن يَهْدِيَنِ رَبِّي لِأَقْرَبَ مِنْ هَٰذَا رَشَدًا 24

Behalve (als je daarbij zegt:) “In shaa’ Allaah” (d.w.z. als Allah het wil). En gedenk jouw Heer wanneer jij vergeet en zeg: “Wellicht zal mijn Heer mij leiden naar een beter succes dan dit.”

وَلَبِثُوا فِي كَهْفِهِمْ ثَلَاثَ مِائَةٍ سِنِينَ وَازْدَادُوا تِسْعًا 25

En zij verbleven driehonderd jaar in hun grot en daarbovenop nog eens negen (jaar).

قُلِ اللَّهُ أَعْلَمُ بِمَا لَبِثُوا ۖ لَهُ غَيْبُ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ ۖ أَبْصِرْ بِهِ وَأَسْمِعْ ۚ مَا لَهُم مِّن دُونِهِ مِن وَلِيٍّ وَلَا يُشْرِكُ فِي حُكْمِهِ أَحَدًا 26

Zeg: “Allah is beter op de hoogte van hoelang zij (in de grot) verbleven. Aan Hem behoort (de kennis over) het onwaarneembare van de hemelen en de aarde toe. Er is geen betere Ziende en Horende dan Hij. Zij zullen naast Hem geen beschermer hebben. En Hij laat niemand als deelgenoot toe in (het vellen van) Zijn Oordeel.”

وَاتْلُ مَا أُوحِيَ إِلَيْكَ مِن كِتَابِ رَبِّكَ ۖ لَا مُبَدِّلَ لِكَلِمَاتِهِ وَلَن تَجِدَ مِن دُونِهِ مُلْتَحَدًا 27

En draag datgene voor wat aan jou (o Mohammed) is geopenbaard van het Boek van jouw Heer. Zijn Woorden zijn onveranderbaar, en jij zult naast Hem geen toevlucht(soord) vinden.

وَاصْبِرْ نَفْسَكَ مَعَ الَّذِينَ يَدْعُونَ رَبَّهُم بِالْغَدَاةِ وَالْعَشِيِّ يُرِيدُونَ وَجْهَهُ ۖ وَلَا تَعْدُ عَيْنَاكَ عَنْهُمْ تُرِيدُ زِينَةَ الْحَيَاةِ الدُّنْيَا ۖ وَلَا تُطِعْ مَنْ أَغْفَلْنَا قَلْبَهُ عَن ذِكْرِنَا وَاتَّبَعَ هَوَاهُ وَكَانَ أَمْرُهُ فُرُطًا 28

En stel jezelf geduldig op samen met degenen die hun Heer in de ochtend en avond gedenken, strevend naar Zijn Gezicht. En wend jouw ogen niet van hen af, strevend naar de bekoringen van het wereldse leven. En gehoorzaam niet degene van wie Wij het hart onachtzaam hebben gemaakt voor Onze Gedenking en (die) zijn begeerte volgt en waarvan de zaak verloren is.

وَقُلِ الْحَقُّ مِن رَّبِّكُمْ ۖ فَمَن شَاءَ فَلْيُؤْمِن وَمَن شَاءَ فَلْيَكْفُرْ ۚ إِنَّا أَعْتَدْنَا لِلظَّالِمِينَ نَارًا أَحَاطَ بِهِمْ سُرَادِقُهَا ۚ وَإِن يَسْتَغِيثُوا يُغَاثُوا بِمَاءٍ كَالْمُهْلِ يَشْوِي الْوُجُوهَ ۚ بِئْسَ الشَّرَابُ وَسَاءَتْ مُرْتَفَقًا 29

En zeg: “De Waarheid is (afkomstig) van jullie Heer.” Wie dus wil, kan geloven. En wie wil, kan (ervoor kiezen om) niet (te) geloven. Waarlijk, Wij hebben voor de onrechtplegers een Vuur gereedgemaakt, waarvan de muren (van vuur) hen zullen omgeven. En als zij om hulp vragen, (dan) worden zij te hulp geschoten met water, lijkend op kokende olie, dat de gezichten verschroeit. Verschrikkelijk is deze drank en afschuwelijk is deze Verzamelplaats.

إِنَّ الَّذِينَ آمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ إِنَّا لَا نُضِيعُ أَجْرَ مَنْ أَحْسَنَ عَمَلًا 30

Waarlijk, degenen die geloven en goede daden verrichten; voorwaar, Wij zullen de Beloning voor degene die de beste daden verricht niet verloren laten gaan.

أُولَٰئِكَ لَهُمْ جَنَّاتُ عَدْنٍ تَجْرِي مِن تَحْتِهِمُ الْأَنْهَارُ يُحَلَّوْنَ فِيهَا مِنْ أَسَاوِرَ مِن ذَهَبٍ وَيَلْبَسُونَ ثِيَابًا خُضْرًا مِّن سُندُسٍ وَإِسْتَبْرَقٍ مُّتَّكِئِينَ فِيهَا عَلَى الْأَرَائِكِ ۚ نِعْمَ الثَّوَابُ وَحَسُنَتْ مُرْتَفَقًا 31

Voor hen zijn er Tuinen van cAdn (d.w.z. van het Paradijs), waaronder rivieren stromen. Daarin zullen zij opgesierd worden met gouden armbanden en zullen zij gekleed worden in groene gewaden van dunne en dikke zijde. Zij bevinden zich daarin achteroverleunend op (rust)banken. Geweldig is deze Beloning en goed is deze Verzamelplaats.

وَاضْرِبْ لَهُم مَّثَلًا رَّجُلَيْنِ جَعَلْنَا لِأَحَدِهِمَا جَنَّتَيْنِ مِنْ أَعْنَابٍ وَحَفَفْنَاهُمَا بِنَخْلٍ وَجَعَلْنَا بَيْنَهُمَا زَرْعًا 32

En stel hun het voorbeeld van twee mannen: Wij gaven één van hen twee tuinen met druiven en Wij omgaven die (d.w.z. de beide tuinen) met dadelpalmen en plaatsten daartussen gewassen.

كِلْتَا الْجَنَّتَيْنِ آتَتْ أُكُلَهَا وَلَمْ تَظْلِم مِّنْهُ شَيْئًا ۚ وَفَجَّرْنَا خِلَالَهُمَا نَهَرًا 33

Beide tuinen brachten hun oogst voort, zonder iets daarvan te verminderen. En Wij deden een rivier tussen beide ontspringen.

وَكَانَ لَهُ ثَمَرٌ فَقَالَ لِصَاحِبِهِ وَهُوَ يُحَاوِرُهُ أَنَا أَكْثَرُ مِنكَ مَالًا وَأَعَزُّ نَفَرًا 34

En hij (d.w.z. één van de twee mannen) was in het bezit van vruchten en zei vervolgens tegen zijn metgezel, terwijl hij met hem in gesprek raakte: “Ik heb meer bezit en meer achtbare naasten dan jij.”

وَدَخَلَ جَنَّتَهُ وَهُوَ ظَالِمٌ لِّنَفْسِهِ قَالَ مَا أَظُنُّ أَن تَبِيدَ هَٰذِهِ أَبَدًا 35

En hij betrad zijn tuin, terwijl hij zichzelf onrecht had aangedaan. Hij zei (namelijk): “Ik denk niet dat dit ooit zal vergaan.

وَمَا أَظُنُّ السَّاعَةَ قَائِمَةً وَلَئِن رُّدِدتُّ إِلَىٰ رَبِّي لَأَجِدَنَّ خَيْرًا مِّنْهَا مُنقَلَبًا 36

En ik denk niet dat het Uur zal komen. En als ik teruggebracht word naar mijn Heer, dan zal ik zeker een betere (plaats van) terugkeer vinden dan deze (tuin van mij).”

قَالَ لَهُ صَاحِبُهُ وَهُوَ يُحَاوِرُهُ أَكَفَرْتَ بِالَّذِي خَلَقَكَ مِن تُرَابٍ ثُمَّ مِن نُّطْفَةٍ ثُمَّ سَوَّاكَ رَجُلًا 37

Zijn metgezel zei tegen hem, terwijl hij met hem in gesprek raakte: “Geloof jij niet in Degene Die jou uit aarde schiep, vervolgens uit een (water)druppel en (Die) jou vervolgens tot een man maakte?

لَّٰكِنَّا هُوَ اللَّهُ رَبِّي وَلَا أُشْرِكُ بِرَبِّي أَحَدًا 38

Maar ikzelf (geloof dat) Hij Allah is, mijn (Enige) Heer. En ik ken niemand als deelgenoot aan mijn Heer toe.

وَلَوْلَا إِذْ دَخَلْتَ جَنَّتَكَ قُلْتَ مَا شَاءَ اللَّهُ لَا قُوَّةَ إِلَّا بِاللَّهِ ۚ إِن تَرَنِ أَنَا أَقَلَّ مِنكَ مَالًا وَوَلَدًا 39

En had jij bij het binnentreden van jouw tuin maar gezegd: “Wat Allah wil (zal geschieden). Er is (namelijk) geen macht, behalve met (de Hulp van) Allah.” En al zie jij dat ik minder bezit en kinderen heb dan jij.

فَعَسَىٰ رَبِّي أَن يُؤْتِيَنِ خَيْرًا مِّن جَنَّتِكَ وَيُرْسِلَ عَلَيْهَا حُسْبَانًا مِّنَ السَّمَاءِ فَتُصْبِحَ صَعِيدًا زَلَقًا 40

Wellicht dat mijn Heer mij iets beters schenkt dan jouw tuin, en (wellicht dat) Hij er een bestraffing vanuit de hemel op afstuurt, waarna het dorre aarde wordt.

أَوْ يُصْبِحَ مَاؤُهَا غَوْرًا فَلَن تَسْتَطِيعَ لَهُ طَلَبًا 41

Of dat het water ervan (d.w.z. van de tuin) verdwijnt (in de grond), en jij dan niet in staat zult zijn dit terug te vinden.”

وَأُحِيطَ بِثَمَرِهِ فَأَصْبَحَ يُقَلِّبُ كَفَّيْهِ عَلَىٰ مَا أَنفَقَ فِيهَا وَهِيَ خَاوِيَةٌ عَلَىٰ عُرُوشِهَا وَيَقُولُ يَا لَيْتَنِي لَمْ أُشْرِكْ بِرَبِّي أَحَدًا 42

En de vruchten ervan werden (door de vernietiging) omgeven, waarna hij (uit spijt) in zijn handen begon te slaan vanwege (het verlies van) datgene wat hij daaraan (d.w.z. aan de tuin) had uitgegeven (aan bezit). En het (d.w.z. de tuin) was een puinhoop, en hij (d.w.z. de man) zei: “Had ik maar niemand als deelgenoot aan mijn Heer toegekend.”

وَلَمْ تَكُن لَّهُ فِئَةٌ يَنصُرُونَهُ مِن دُونِ اللَّهِ وَمَا كَانَ مُنتَصِرًا 43

En naast Allah kon hij geen groep vinden die hem kon helpen, noch kon hij zichzelf helpen (tegen de Bestraffing van Allah).

هُنَالِكَ الْوَلَايَةُ لِلَّهِ الْحَقِّ ۚ هُوَ خَيْرٌ ثَوَابًا وَخَيْرٌ عُقْبًا 44

Op dat moment (d.w.z. op de Dag der Opstanding) is de Heerschappij aan Allah, de ware (God). Hij is de Beste Beloner en (bij Hem is) de beste Eindbestemming.

وَاضْرِبْ لَهُم مَّثَلَ الْحَيَاةِ الدُّنْيَا كَمَاءٍ أَنزَلْنَاهُ مِنَ السَّمَاءِ فَاخْتَلَطَ بِهِ نَبَاتُ الْأَرْضِ فَأَصْبَحَ هَشِيمًا تَذْرُوهُ الرِّيَاحُ ۗ وَكَانَ اللَّهُ عَلَىٰ كُلِّ شَيْءٍ مُّقْتَدِرًا 45

En stel hun het voorbeeld van het wereldse leven dat net als water is, dat Wij uit de hemel neerzenden en waarmee de gewassen van de aarde (zich) mengen. En deze (d.w.z. de gewassen) worden vervolgens droog en worden door de winden uiteengeblazen. En Allah is tot alles in staat.

الْمَالُ وَالْبَنُونَ زِينَةُ الْحَيَاةِ الدُّنْيَا ۖ وَالْبَاقِيَاتُ الصَّالِحَاتُ خَيْرٌ عِندَ رَبِّكَ ثَوَابًا وَخَيْرٌ أَمَلًا 46

Het bezit en de kinderen zijn de bekoringen van het wereldse leven (en zijn dus vergankelijk). En de blijvende goede daden leiden bij jouw Heer tot een betere Beloning en een beter (gekoesterd) verlangen.

وَيَوْمَ نُسَيِّرُ الْجِبَالَ وَتَرَى الْأَرْضَ بَارِزَةً وَحَشَرْنَاهُمْ فَلَمْ نُغَادِرْ مِنْهُمْ أَحَدًا 47

En op de Dag waarop Wij de bergen zullen weghalen, en jij de aarde duidelijk (als egale vlakte) zult aanschouwen, en Wij hen (d.w.z. de schepselen) zullen verzamelen en Wij niemand van hen achter zullen laten.

وَعُرِضُوا عَلَىٰ رَبِّكَ صَفًّا لَّقَدْ جِئْتُمُونَا كَمَا خَلَقْنَاكُمْ أَوَّلَ مَرَّةٍ ۚ بَلْ زَعَمْتُمْ أَلَّن نَّجْعَلَ لَكُم مَّوْعِدًا 48

En zij zullen voor jouw Heer in rijen opgesteld worden (en Allah zal zeggen): “Voorzeker, jullie zijn tot Ons gekomen zoals Wij jullie de eerste keer hebben geschapen. Nee! Jullie beweerden dat Wij voor jullie geen Ontmoeting zouden laten plaatsvinden.”

وَوُضِعَ الْكِتَابُ فَتَرَى الْمُجْرِمِينَ مُشْفِقِينَ مِمَّا فِيهِ وَيَقُولُونَ يَا وَيْلَتَنَا مَالِ هَٰذَا الْكِتَابِ لَا يُغَادِرُ صَغِيرَةً وَلَا كَبِيرَةً إِلَّا أَحْصَاهَا ۚ وَوَجَدُوا مَا عَمِلُوا حَاضِرًا ۗ وَلَا يَظْلِمُ رَبُّكَ أَحَدًا 49

En het Boek (van daden) zal overhandigd worden, en jij zult de misdadigers in angst zien verkeren vanwege datgene wat daarin staat. En zij zullen zeggen: “Wee ons. Wat is er toch met dit Boek, dat niet voorbijgaat aan een kleine of grote (zaak) zonder deze mee te tellen?” En zij zullen (daarin) aantreffen wat zij hebben verricht. En jouw Heer doet niemand onrecht aan.

وَإِذْ قُلْنَا لِلْمَلَائِكَةِ اسْجُدُوا لِآدَمَ فَسَجَدُوا إِلَّا إِبْلِيسَ كَانَ مِنَ الْجِنِّ فَفَسَقَ عَنْ أَمْرِ رَبِّهِ ۗ أَفَتَتَّخِذُونَهُ وَذُرِّيَّتَهُ أَوْلِيَاءَ مِن دُونِي وَهُمْ لَكُمْ عَدُوٌّ ۚ بِئْسَ لِلظَّالِمِينَ بَدَلًا 50

En (gedenk) toen Wij tegen de Engelen zeiden: “Kniel neer voor Adam.” En zij knielden neer, behalve Iblies (de satan). Hij behoorde tot de djinn en hij week af van het Bevel van zijn Heer (d.w.z. dat hij hier ongehoorzaam aan was). Nemen jullie hem (de satan) en zijn nakomelingen toch als helpers naast Mij, terwijl zij (in werkelijkheid) vijanden voor jullie zijn? Slecht is de ruil die de onrechtplegers hebben gedaan.

مَّا أَشْهَدتُّهُمْ خَلْقَ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ وَلَا خَلْقَ أَنفُسِهِمْ وَمَا كُنتُ مُتَّخِذَ الْمُضِلِّينَ عَضُدًا 51

Ik (Allah) heb hen niet laten getuigen van de schepping van de hemelen en de aarde, noch van de schepping van henzelf. En Ik zal de misleiders niet als helpers nemen.

وَيَوْمَ يَقُولُ نَادُوا شُرَكَائِيَ الَّذِينَ زَعَمْتُمْ فَدَعَوْهُمْ فَلَمْ يَسْتَجِيبُوا لَهُمْ وَجَعَلْنَا بَيْنَهُم مَّوْبِقًا 52

En op de Dag waarop Hij zal zeggen: “Roep Mijn (zogenaamde) deelgenoten aan, waarvan jullie beweerden (dat zij goden waren naast Mij).” Zij zullen hen dan aanroepen, maar zij (d.w.z. de zogenaamde deelgenoten) zullen geen gehoor aan hen geven. En Wij zullen tussen hen een diepe vallei plaatsen.

وَرَأَى الْمُجْرِمُونَ النَّارَ فَظَنُّوا أَنَّهُم مُّوَاقِعُوهَا وَلَمْ يَجِدُوا عَنْهَا مَصْرِفًا 53

En de misdadigers zullen het Vuur zien en beseffen dat zij dit zullen binnentreden. En voor hen zal er hieraan (d.w.z. aan het Vuur) geen ontsnappen zijn.

وَلَقَدْ صَرَّفْنَا فِي هَٰذَا الْقُرْآنِ لِلنَّاسِ مِن كُلِّ مَثَلٍ ۚ وَكَانَ الْإِنسَانُ أَكْثَرَ شَيْءٍ جَدَلًا 54

En voorzeker, Wij hebben voor de mensen in deze Koran alle voorbeelden herhaald. Maar de mens is bovenal twistziek.

وَمَا مَنَعَ النَّاسَ أَن يُؤْمِنُوا إِذْ جَاءَهُمُ الْهُدَىٰ وَيَسْتَغْفِرُوا رَبَّهُمْ إِلَّا أَن تَأْتِيَهُمْ سُنَّةُ الْأَوَّلِينَ أَوْ يَأْتِيَهُمُ الْعَذَابُ قُبُلًا 55

En niets hield de mensen tegen om te geloven toen de Leiding tot hen kwam, en om vergeving te vragen bij hun Heer, behalve (het feit) dat het voorbeeld (d.w.z. de bestraffing) van de mensen van vroeger hun overkwam, of (dat) de bestraffing onverwachts tot hen kwam.

وَمَا نُرْسِلُ الْمُرْسَلِينَ إِلَّا مُبَشِّرِينَ وَمُنذِرِينَ ۚ وَيُجَادِلُ الَّذِينَ كَفَرُوا بِالْبَاطِلِ لِيُدْحِضُوا بِهِ الْحَقَّ ۖ وَاتَّخَذُوا آيَاتِي وَمَا أُنذِرُوا هُزُوًا 56

En Wij hebben de Boodschappers slechts gestuurd als verkondigers van verheugende Tijdingen en als waarschuwers. En degenen die niet geloven, redetwisten op basis van valse argumenten om daarmee (een poging te doen om) de Waarheid te weerleggen. En zij nemen Mijn Tekenen en datgene waarmee zij gewaarschuwd werden als mikpunt van spotternij.

وَمَنْ أَظْلَمُ مِمَّن ذُكِّرَ بِآيَاتِ رَبِّهِ فَأَعْرَضَ عَنْهَا وَنَسِيَ مَا قَدَّمَتْ يَدَاهُ ۚ إِنَّا جَعَلْنَا عَلَىٰ قُلُوبِهِمْ أَكِنَّةً أَن يَفْقَهُوهُ وَفِي آذَانِهِمْ وَقْرًا ۖ وَإِن تَدْعُهُمْ إِلَى الْهُدَىٰ فَلَن يَهْتَدُوا إِذًا أَبَدًا 57

En wie is er onrechtvaardiger dan degene die herinnerd wordt aan de Tekenen van zijn Heer, en zich hier dan van afwendt en vergeet wat zijn handen hebben voortgebracht? Voorwaar, Wij hebben over hun harten sluiers geplaatst, dus begrijpen zij niet. En (Wij hebben) doofheid in hun oren (geplaatst). En als jij (o Mohammed) hen naar de Leiding uitnodigt, (zelfs) dan zullen zij nooit geleid worden.

وَرَبُّكَ الْغَفُورُ ذُو الرَّحْمَةِ ۖ لَوْ يُؤَاخِذُهُم بِمَا كَسَبُوا لَعَجَّلَ لَهُمُ الْعَذَابَ ۚ بَل لَّهُم مَّوْعِدٌ لَّن يَجِدُوا مِن دُونِهِ مَوْئِلًا 58

En jouw Heer is de Meest Vergevingsgezinde, de Bezitter van Genade. Als Hij hen zou (willen) grijpen vanwege dat wat zij hebben verworven, dan zou Hij zeker de bestraffing voor hen hebben bespoedigd. Welnee! Voor hen is er een Ontmoeting, waaraan zij niet kunnen ontsnappen.

وَتِلْكَ الْقُرَىٰ أَهْلَكْنَاهُمْ لَمَّا ظَلَمُوا وَجَعَلْنَا لِمَهْلِكِهِم مَّوْعِدًا 59

En dat waren de steden die Wij hebben vernietigd toen zij onrecht pleegden. En Wij hebben voor hun vernietiging een tijdstip vastgesteld.

وَإِذْ قَالَ مُوسَىٰ لِفَتَاهُ لَا أَبْرَحُ حَتَّىٰ أَبْلُغَ مَجْمَعَ الْبَحْرَيْنِ أَوْ أَمْضِيَ حُقُبًا 60

En (gedenk) toen Moesa tegen zijn dienstjongen zei: “Ik zal mijn tocht voortzetten, totdat ik daar aankom waar de beide zeeën samenkomen, of totdat ik een lange tijd heb gereisd.”

فَلَمَّا بَلَغَا مَجْمَعَ بَيْنِهِمَا نَسِيَا حُوتَهُمَا فَاتَّخَذَ سَبِيلَهُ فِي الْبَحْرِ سَرَبًا 61

En toen zij daar aankwamen waar de beide (zeeën) samenkomen, vergaten zij hun vis. Waarna deze (vis) zich een weg in de zee baande.

فَلَمَّا جَاوَزَا قَالَ لِفَتَاهُ آتِنَا غَدَاءَنَا لَقَدْ لَقِينَا مِن سَفَرِنَا هَٰذَا نَصَبًا 62

En toen zij verder trokken, zei hij (Moesa) tegen zijn dienstjongen: “Breng ons ons middageten. Voorzeker, wij hebben deze reis van ons met veel moeite moeten doorstaan.”

قَالَ أَرَأَيْتَ إِذْ أَوَيْنَا إِلَى الصَّخْرَةِ فَإِنِّي نَسِيتُ الْحُوتَ وَمَا أَنسَانِيهُ إِلَّا الشَّيْطَانُ أَنْ أَذْكُرَهُ ۚ وَاتَّخَذَ سَبِيلَهُ فِي الْبَحْرِ عَجَبًا 63

Hij (de dienstjongen) zei: “Weet jij nog toen wij ons naar de rots begaven? Waarlijk, ik vergat (daar) de vis. En niemand deed mij vergeten om hem (d.w.z. de vis) te herinneren, behalve de satan. En hij (d.w.z. de vis) baande zich een weg in de zee op een verbazingwekkende manier.”

قَالَ ذَٰلِكَ مَا كُنَّا نَبْغِ ۚ فَارْتَدَّا عَلَىٰ آثَارِهِمَا قَصَصًا 64

Hij (Moesa) zei: “Dat is waar wij naar op zoek waren.” Dus keerden zij (via dezelfde weg) terug door (steeds) hun voetsporen te volgen.

فَوَجَدَا عَبْدًا مِّنْ عِبَادِنَا آتَيْنَاهُ رَحْمَةً مِّنْ عِندِنَا وَعَلَّمْنَاهُ مِن لَّدُنَّا عِلْمًا 65

En daar vonden zij één van Onze dienaren, die Wij Genade van Onze Zijde hadden geschonken en die Wij met Kennis van Onze Zijde hadden onderwezen.

قَالَ لَهُ مُوسَىٰ هَلْ أَتَّبِعُكَ عَلَىٰ أَن تُعَلِّمَنِ مِمَّا عُلِّمْتَ رُشْدًا 66

Moesa zei tegen hem (d.w.z. tegen de geleerde man): “Mag ik jou volgen zodat jij mij (iets) van datgene leert wat als leiding (naar de Waarheid) dient?”

قَالَ إِنَّكَ لَن تَسْتَطِيعَ مَعِيَ صَبْرًا 67

Hij (de geleerde man) zei: “Waarlijk, jij zult niet in staat zijn om geduldig met mij te zijn.

وَكَيْفَ تَصْبِرُ عَلَىٰ مَا لَمْ تُحِطْ بِهِ خُبْرًا 68

En hoe kun jij geduldig zijn met datgene waar jij geen kennis over hebt?”

قَالَ سَتَجِدُنِي إِن شَاءَ اللَّهُ صَابِرًا وَلَا أَعْصِي لَكَ أَمْرًا 69

Hij (Moesa) zei: “Jij zult mij, als Allah het wil, geduldig aantreffen. En ik zal jou in geen (enkele) zaak ongehoorzaam zijn.”

قَالَ فَإِنِ اتَّبَعْتَنِي فَلَا تَسْأَلْنِي عَن شَيْءٍ حَتَّىٰ أُحْدِثَ لَكَ مِنْهُ ذِكْرًا 70

Hij (de geleerde man) zei: “Als jij mij volgt, vraag mij dan nergens over, totdat ik jou over iets daarvan inlicht.”

فَانطَلَقَا حَتَّىٰ إِذَا رَكِبَا فِي السَّفِينَةِ خَرَقَهَا ۖ قَالَ أَخَرَقْتَهَا لِتُغْرِقَ أَهْلَهَا لَقَدْ جِئْتَ شَيْئًا إِمْرًا 71

Dus trokken zij er beiden op uit, totdat zij aan boord van het schip gingen dat hij (d.w.z. de geleerde man) vervolgens doorboorde. Hij (Moesa) zei: “Heb jij het doorboord om de mensen (aan boord) ervan te doen verdrinken? Voorzeker, jij bent met iets verwerpelijks gekomen.”

قَالَ أَلَمْ أَقُلْ إِنَّكَ لَن تَسْتَطِيعَ مَعِيَ صَبْرًا 72

Hij (de geleerde man) zei: “Heb ik jou niet gezegd dat jij waarlijk niet in staat zult zijn om geduldig met mij te zijn?”

قَالَ لَا تُؤَاخِذْنِي بِمَا نَسِيتُ وَلَا تُرْهِقْنِي مِنْ أَمْرِي عُسْرًا 73

Hij (Moesa) zei: “Neem mij niet kwalijk voor datgene wat ik vergeten ben, en maak mijn zaak (met jou) niet moeilijk voor mij.”

فَانطَلَقَا حَتَّىٰ إِذَا لَقِيَا غُلَامًا فَقَتَلَهُ قَالَ أَقَتَلْتَ نَفْسًا زَكِيَّةً بِغَيْرِ نَفْسٍ لَّقَدْ جِئْتَ شَيْئًا نُّكْرًا 74

Dus trokken zij er beiden verder op uit, totdat zij een jongen ontmoetten, waarop hij (d.w.z. de geleerde man) hem doodde. Hij (Moesa) zei: “Heb jij een onbevlekte ziel gedood (die) niet als vergelding voor (het doden van) een ziel (gedood moest worden)? Voorzeker, jij bent met iets afschuwelijks gekomen.”

قَالَ أَلَمْ أَقُل لَّكَ إِنَّكَ لَن تَسْتَطِيعَ مَعِيَ صَبْرًا 75

Hij (d.w.z. de geleerde man) zei: “Heb ik jou niet gezegd dat jij waarlijk niet in staat zult zijn om geduldig met mij te zijn?”

قَالَ إِن سَأَلْتُكَ عَن شَيْءٍ بَعْدَهَا فَلَا تُصَاحِبْنِي ۖ قَدْ بَلَغْتَ مِن لَّدُنِّي عُذْرًا 76

Hij (Moesa) zei: “Als ik jou hierna (nog) over iets vraag, vergezel mij dan niet. Voorzeker, jij hebt van mij (dan) een excuus gekregen (om mij te verlaten).”

فَانطَلَقَا حَتَّىٰ إِذَا أَتَيَا أَهْلَ قَرْيَةٍ اسْتَطْعَمَا أَهْلَهَا فَأَبَوْا أَن يُضَيِّفُوهُمَا فَوَجَدَا فِيهَا جِدَارًا يُرِيدُ أَن يَنقَضَّ فَأَقَامَهُ ۖ قَالَ لَوْ شِئْتَ لَاتَّخَذْتَ عَلَيْهِ أَجْرًا 77

Dus trokken zij beiden verder, totdat zij bij de inwoners van een stad kwamen. Zij vroegen de inwoners hiervan om voedsel. Maar deze (inwoners) weigerden hen als gasten te ontvangen. Vervolgens troffen zij (d.w.z. Moesa en de geleerde man) daar een muur aan die op instorten stond, waarop hij (d.w.z. de geleerde man) deze (weer) recht zette. Hij (Moesa) zei: “Als jij zou willen, dan had jij daar zeker een prijs voor kunnen vragen.”

قَالَ هَٰذَا فِرَاقُ بَيْنِي وَبَيْنِكَ ۚ سَأُنَبِّئُكَ بِتَأْوِيلِ مَا لَمْ تَسْتَطِع عَّلَيْهِ صَبْرًا 78

Hij (d.w.z. de geleerde man) zei: “Dit is de scheiding tussen mij en jou. Ik zal jou (nu) berichten over de uitleg van datgene waarmee jij geen geduld kon hebben.

أَمَّا السَّفِينَةُ فَكَانَتْ لِمَسَاكِينَ يَعْمَلُونَ فِي الْبَحْرِ فَأَرَدتُّ أَنْ أَعِيبَهَا وَكَانَ وَرَاءَهُم مَّلِكٌ يَأْخُذُ كُلَّ سَفِينَةٍ غَصْبًا 79

Wat betreft het schip; dit behoorde toe aan de behoeftige mensen die op zee werkten. En ik wilde het beschadigen, omdat er achter hen een koning was die zich elk schip onrechtmatig toe-eigent.

وَأَمَّا الْغُلَامُ فَكَانَ أَبَوَاهُ مُؤْمِنَيْنِ فَخَشِينَا أَن يُرْهِقَهُمَا طُغْيَانًا وَكُفْرًا 80

En wat betreft de jongen; zijn ouders waren gelovigen. En wij vreesden dat hij hen tot opstandigheid en ongeloof zou aanzetten.

فَأَرَدْنَا أَن يُبْدِلَهُمَا رَبُّهُمَا خَيْرًا مِّنْهُ زَكَاةً وَأَقْرَبَ رُحْمًا 81

Daarom wilden wij dat hun Heer hun een betere (zoon) voor hem in de plaats zou geven wat betreft reinheid (d.w.z. geloof), en (één die) dichterbij (zijn ouders) staat wat betreft genade.

وَأَمَّا الْجِدَارُ فَكَانَ لِغُلَامَيْنِ يَتِيمَيْنِ فِي الْمَدِينَةِ وَكَانَ تَحْتَهُ كَنزٌ لَّهُمَا وَكَانَ أَبُوهُمَا صَالِحًا فَأَرَادَ رَبُّكَ أَن يَبْلُغَا أَشُدَّهُمَا وَيَسْتَخْرِجَا كَنزَهُمَا رَحْمَةً مِّن رَّبِّكَ ۚ وَمَا فَعَلْتُهُ عَنْ أَمْرِي ۚ ذَٰلِكَ تَأْوِيلُ مَا لَمْ تَسْطِع عَّلَيْهِ صَبْرًا 82

En wat betreft de muur; deze behoorde toe aan twee weesjongens in de stad. En daaronder bevond zich een schat van hen (d.w.z. van de twee weesjongens). En hun vader was rechtschapen. Daarom wilde jouw Heer dat zij hun volle kracht zouden bereiken (d.w.z. fysiek en mentaal rijp zouden zijn) en zij hun schat eruit zouden halen als Genade van jouw Heer. En ik deed dit (alles) niet op mijn eigen bevel. Dat is de uitleg van datgene waarmee jij geen geduld kon hebben.”

وَيَسْأَلُونَكَ عَن ذِي الْقَرْنَيْنِ ۖ قُلْ سَأَتْلُو عَلَيْكُم مِّنْهُ ذِكْرًا 83

En zij vragen jou over Dhoel-Qarnayn. Zeg: “Ik zal jullie iets over hem vertellen.”

إِنَّا مَكَّنَّا لَهُ فِي الْأَرْضِ وَآتَيْنَاهُ مِن كُلِّ شَيْءٍ سَبَبًا 84

Voorwaar, Wij vestigden hem op aarde en Wij gaven hem het middel van alle zaken (d.w.z. kennis).

فَأَتْبَعَ سَبَبًا 85

Dus volgde hij een weg.

حَتَّىٰ إِذَا بَلَغَ مَغْرِبَ الشَّمْسِ وَجَدَهَا تَغْرُبُ فِي عَيْنٍ حَمِئَةٍ وَوَجَدَ عِندَهَا قَوْمًا ۗ قُلْنَا يَا ذَا الْقَرْنَيْنِ إِمَّا أَن تُعَذِّبَ وَإِمَّا أَن تَتَّخِذَ فِيهِمْ حُسْنًا 86

Totdat hij de (plaats van de) zonsondergang bereikte, (en) hij haar (d.w.z. de zon) aantrof terwijl zij in een bron van zwart modderwater onderging. En hij trof daarbij een volk aan. Wij zeiden: “O Dhoel- Qarnayn, of jij bestraft (hen voor hun ongeloof), of jij verdient middels hen het goede (door hen in het geloof te onderwijzen).”

قَالَ أَمَّا مَن ظَلَمَ فَسَوْفَ نُعَذِّبُهُ ثُمَّ يُرَدُّ إِلَىٰ رَبِّهِ فَيُعَذِّبُهُ عَذَابًا نُّكْرًا 87

Hij (Dhoel-Qarnayn) zei: “Wat betreft degene die onrecht pleegde; wij zullen hem bestraffen. Vervolgens zal hij worden teruggevoerd tot zijn Heer, waarna Hij hem zal bestraffen met een verschrikkelijke Bestraffing.

وَأَمَّا مَنْ آمَنَ وَعَمِلَ صَالِحًا فَلَهُ جَزَاءً الْحُسْنَىٰ ۖ وَسَنَقُولُ لَهُ مِنْ أَمْرِنَا يُسْرًا 88

Maar wat betreft degene die gelooft en goede daden verricht, voor hem is er de beste Beloning (d.w.z. het Paradijs). En wij zullen hem het gemakkelijke van onze zaak voordragen.”

ثُمَّ أَتْبَعَ سَبَبًا 89

Vervolgens volgde hij een weg.

حَتَّىٰ إِذَا بَلَغَ مَطْلِعَ الشَّمْسِ وَجَدَهَا تَطْلُعُ عَلَىٰ قَوْمٍ لَّمْ نَجْعَل لَّهُم مِّن دُونِهَا سِتْرًا 90

Totdat hij de (plaats van de) zonsopgang bereikte, (en) hij haar (d.w.z. de zon) aantrof, terwijl zij opging bij een volk voor wie Wij geen beschutting hiertegen (d.w.z. tegen de zon) hebben gemaakt.

كَذَٰلِكَ وَقَدْ أَحَطْنَا بِمَا لَدَيْهِ خُبْرًا 91

Zo (zette hij zijn tocht voort). En Wij omvatten (met Onze Kennis) zeker alle berichten over hem.

ثُمَّ أَتْبَعَ سَبَبًا 92

Vervolgens volgde hij een weg.

حَتَّىٰ إِذَا بَلَغَ بَيْنَ السَّدَّيْنِ وَجَدَ مِن دُونِهِمَا قَوْمًا لَّا يَكَادُونَ يَفْقَهُونَ قَوْلًا 93

Totdat hij (bij de plaats) tussen de twee bergen aankwam, (en) daar een volk aantrof dat nauwelijks een woord begreep.

قَالُوا يَا ذَا الْقَرْنَيْنِ إِنَّ يَأْجُوجَ وَمَأْجُوجَ مُفْسِدُونَ فِي الْأَرْضِ فَهَلْ نَجْعَلُ لَكَ خَرْجًا عَلَىٰ أَن تَجْعَلَ بَيْنَنَا وَبَيْنَهُمْ سَدًّا 94

Zij zeiden: “O Dhoel-Qarnayn, voorwaar, Ya’djoedj (Gog) en Ma’djoedj (Magog) zijn verderfzaaiers op aarde. Zullen wij jou een beloning bieden, opdat jij (dan) tussen ons en hen een beschutting plaatst?”

قَالَ مَا مَكَّنِّي فِيهِ رَبِّي خَيْرٌ فَأَعِينُونِي بِقُوَّةٍ أَجْعَلْ بَيْنَكُمْ وَبَيْنَهُمْ رَدْمًا 95

Hij zei: “Datgene waartoe mijn Heer mij in staat stelt, is beter (dan jullie beloning). Help mij dan met (het bieden van) versterking (in de vorm van sterke mannen), dan zal ik tussen jullie en hen een afscherming plaatsen.

آتُونِي زُبَرَ الْحَدِيدِ ۖ حَتَّىٰ إِذَا سَاوَىٰ بَيْنَ الصَّدَفَيْنِ قَالَ انفُخُوا ۖ حَتَّىٰ إِذَا جَعَلَهُ نَارًا قَالَ آتُونِي أُفْرِغْ عَلَيْهِ قِطْرًا 96

Geef mij brokken van ijzer.” Totdat hij (het dal) tussen de twee bergkliffen vulde, (toen) zei hij: “Blaas.” Totdat hij deze tot (gloeiend) vuur had gemaakt, (toen) zei hij: “Geef mij (gesmolten) koper om eroverheen te gieten.”

فَمَا اسْطَاعُوا أَن يَظْهَرُوهُ وَمَا اسْتَطَاعُوا لَهُ نَقْبًا 97

Toen waren zij (d.w.z. Gog en Magog) niet in staat om deze (beschutting) te beklimmen, noch waren zij in staat om erdoorheen te graven.

قَالَ هَٰذَا رَحْمَةٌ مِّن رَّبِّي ۖ فَإِذَا جَاءَ وَعْدُ رَبِّي جَعَلَهُ دَكَّاءَ ۖ وَكَانَ وَعْدُ رَبِّي حَقًّا 98

Hij (Dhoel-Qarnyan) zei: “Dit is een Genade van mijn Heer. Maar wanneer de Belofte van mijn Heer komt, zal Hij deze (beschutting) verpulveren. En de Belofte van mijn Heer is Waarheid.”

وَتَرَكْنَا بَعْضَهُمْ يَوْمَئِذٍ يَمُوجُ فِي بَعْضٍ ۖ وَنُفِخَ فِي الصُّورِ فَجَمَعْنَاهُمْ جَمْعًا 99

En Wij zullen hen op die Dag (in een toestand) achterlaten, terwijl zij (verward) door elkaar heen lopen. En er zal op de Bazuin worden geblazen, waarna Wij hen allen zullen verzamelen.

وَعَرَضْنَا جَهَنَّمَ يَوْمَئِذٍ لِّلْكَافِرِينَ عَرْضًا 100

En Wij zullen de Hel op die Dag duidelijk aan de ongelovigen tonen.

الَّذِينَ كَانَتْ أَعْيُنُهُمْ فِي غِطَاءٍ عَن ذِكْرِي وَكَانُوا لَا يَسْتَطِيعُونَ سَمْعًا 101

Degenen van wie de ogen bedekt waren voor Mijn Gedenking, en (die) niet in staat waren om (deze) te horen.

أَفَحَسِبَ الَّذِينَ كَفَرُوا أَن يَتَّخِذُوا عِبَادِي مِن دُونِي أَوْلِيَاءَ ۚ إِنَّا أَعْتَدْنَا جَهَنَّمَ لِلْكَافِرِينَ نُزُلًا 102

Dachten degenen die niet geloven dat zij (werkelijk) Mijn dienaren als helpers naast Mij konden nemen? Voorwaar, Wij hebben voor de ongelovigen de Hel tot een Verblijfplaats gemaakt.

قُلْ هَلْ نُنَبِّئُكُم بِالْأَخْسَرِينَ أَعْمَالًا 103

Zeg (o Mohammed): “Zullen wij jullie berichten over de grootste verliezers wat betreft (hun) daden?”

الَّذِينَ ضَلَّ سَعْيُهُمْ فِي الْحَيَاةِ الدُّنْيَا وَهُمْ يَحْسَبُونَ أَنَّهُمْ يُحْسِنُونَ صُنْعًا 104

(Dat zijn) degenen van wie hun streven in het wereldse leven verloren is gegaan, terwijl zij dachten goede daden te verrichten.

أُولَٰئِكَ الَّذِينَ كَفَرُوا بِآيَاتِ رَبِّهِمْ وَلِقَائِهِ فَحَبِطَتْ أَعْمَالُهُمْ فَلَا نُقِيمُ لَهُمْ يَوْمَ الْقِيَامَةِ وَزْنًا 105

Zij zijn degenen die niet geloven in de Tekenen van hun Heer en de Ontmoeting met Hem. Daarom zullen hun daden verloren gaan, en Wij zullen deze (d.w.z. hun daden) op de Dag der Opstanding niet zwaar laten wegen (op de Weegschaal).

ذَٰلِكَ جَزَاؤُهُمْ جَهَنَّمُ بِمَا كَفَرُوا وَاتَّخَذُوا آيَاتِي وَرُسُلِي هُزُوًا 106

De Hel, dat is hun vergelding, omdat zij niet geloofden en Mijn Tekenen en Mijn Boodschappers als mikpunt van spotternij namen.

إِنَّ الَّذِينَ آمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ كَانَتْ لَهُمْ جَنَّاتُ الْفِرْدَوْسِ نُزُلًا 107

Waarlijk, degenen die geloven en goede daden verrichten, voor hen zijn er de Tuinen van al-Firdaws (d.w.z. van het Paradijs) als Verblijfplaats.

خَالِدِينَ فِيهَا لَا يَبْغُونَ عَنْهَا حِوَلًا 108

Voor eeuwig (vertoeven zij) daarin. Zij wensen daar niet uit gehaald te worden (d.w.z. uit het Paradijs).

قُل لَّوْ كَانَ الْبَحْرُ مِدَادًا لِّكَلِمَاتِ رَبِّي لَنَفِدَ الْبَحْرُ قَبْلَ أَن تَنفَدَ كَلِمَاتُ رَبِّي وَلَوْ جِئْنَا بِمِثْلِهِ مَدَدًا 109

Zeg (o Mohammed): “Als de zee als inkt diende voor (het opschrijven van) de Woorden van mijn Heer, dan zou de zee zeker opraken voordat de Woorden van mijn Heer zouden opraken. En (zelfs) als wij daarbovenop het gelijke daaraan (aan inkt) zouden brengen.”

قُلْ إِنَّمَا أَنَا بَشَرٌ مِّثْلُكُمْ يُوحَىٰ إِلَيَّ أَنَّمَا إِلَٰهُكُمْ إِلَٰهٌ وَاحِدٌ ۖ فَمَن كَانَ يَرْجُو لِقَاءَ رَبِّهِ فَلْيَعْمَلْ عَمَلًا صَالِحًا وَلَا يُشْرِكْ بِعِبَادَةِ رَبِّهِ أَحَدًا 110

Zeg (o Mohammed): “Ik ben slechts een mens net als jullie. Aan mij is geopenbaard dat jullie God één God is. Dus wie op de Ontmoeting met zijn Heer hoopt, laat hem goede daden verrichten en geen enkele deelgenoot toekennen in de aanbidding van zijn Heer.”

3 thoughts on “Soera 18 – Al-Kahf – De Grot – الكهف”

  1. Salam beste broeders of zusters,

    Dit is wel een hele mooie website
    Ik wens jullie nog heel veel gezondheid en sterkte toe,en moge Allah swt jullie nog meer baraka geven om nog veel mensen te bereiken. Het gaat jullie goed
    Fikri,

  2. Salam 3likoum,
    Ik gebruik deze website al een tijdje voor lezen, luisteren als ik op werk of thuis aan het koken meestal. niet lachen het is leuk moment om goed te luisteren want ik denk niet aan wat ik doe.
    Ik heb toen al een bericht verstuurd over dat ik het een geweldig website vind. laast zie ik een aantal veranderringen en verbetringen. bedankt voor de veel moeite die jullie nemen en ik ben gezond jaloers, jazakoum allah khyar. ik weet dat een website hosten of uitbreiden is niet gratis. Ik ben bereid om met de kosten te helpen. klopt ik heb met mijn ICT kennis niks voor iemand anders gedaan zoals jullie hebben gedaan(daarom ben ik jaloers). maar dat is een manier om mee te doen als jullie me dat gunnen en kan natuurlijk.
    Salamo3laikoum,
    Mariem

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Close