Home Soera Soera 18 – Al-Kahf – De Grot – الكهف

Soera 18 – Al-Kahf – De Grot – الكهف

11414
2
NODIG ANDEREN OOK UIT OM DE KORAN TE LEZEN EN VERDIEN HASANAAT:
bismillah-ir-rahman-ir-rahim

الْحَمْدُ لِلَّهِ الَّذِي أَنزَلَ عَلَىٰ عَبْدِهِ الْكِتَابَ وَلَمْ يَجْعَل لَّهُ عِوَجًا ۜ1

Lof zij God die het boek tot Zijn dienaar heeft neergezonden en die heeft gemaakt dat het geen afwijking heeft,

قَيِّمًا لِّيُنذِرَ بَأْسًا شَدِيدًا مِّن لَّدُنْهُ وَيُبَشِّرَ الْمُؤْمِنِينَ الَّذِينَ يَعْمَلُونَ الصَّالِحَاتِ أَنَّ لَهُمْ أَجْرًا حَسَنًا2

[een boek] dat juist is, om de mensen te waarschuwen voor een hevig geweld dat van Hem komt en om aan de gelovigen die de deugdelijke daden doen het goede nieuws te verkondigen dat er voor hen een goed loon is —

مَّاكِثِينَ فِيهِ أَبَدًا3

daarin zullen zij voor altijd verblijven —

وَيُنذِرَ الَّذِينَ قَالُوا اتَّخَذَ اللَّهُ وَلَدًا4

en om hen te waarschuwen die zeggen: “God heeft zich een kind genomen.”

مَّا لَهُم بِهِ مِنْ عِلْمٍ وَلَا لِآبَائِهِمْ ۚ كَبُرَتْ كَلِمَةً تَخْرُجُ مِنْ أَفْوَاهِهِمْ ۚ إِن يَقُولُونَ إِلَّا كَذِبًا5

Zij hebben daar geen kennis over en hun vaderen ook niet. Het is een groot woord dat uit hun monden komt. Zij spreken slechts leugen.

فَلَعَلَّكَ بَاخِعٌ نَّفْسَكَ عَلَىٰ آثَارِهِمْ إِن لَّمْ يُؤْمِنُوا بِهَٰذَا الْحَدِيثِ أَسَفًا6

En misschien zul jij ten gevolge daarvan, als zij in dit bericht niet geloven, je zelf van smart nog ombrengen.

إِنَّا جَعَلْنَا مَا عَلَى الْأَرْضِ زِينَةً لَّهَا لِنَبْلُوَهُمْ أَيُّهُمْ أَحْسَنُ عَمَلًا7

Wij hebben wat er op de aarde is tot een versiering voor haar gemaakt om hen op de proef te stellen wie van hen het beste is in wat hij doet.

وَإِنَّا لَجَاعِلُونَ مَا عَلَيْهَا صَعِيدًا جُرُزًا8

En Wij zullen wat er op haar is tot dorre kale grond maken.

أَمْ حَسِبْتَ أَنَّ أَصْحَابَ الْكَهْفِ وَالرَّقِيمِ كَانُوا مِنْ آيَاتِنَا عَجَبًا9

Of denk jij dan dat de mensen van de grot en ar-Rakiem iets verbazingwekkends onder Onze tekenen waren?

إِذْ أَوَى الْفِتْيَةُ إِلَى الْكَهْفِ فَقَالُوا رَبَّنَا آتِنَا مِن لَّدُنكَ رَحْمَةً وَهَيِّئْ لَنَا مِنْ أَمْرِنَا رَشَدًا10

Toen de jonge mannen in de grot een onderkomen zochten en zeiden: “Onze Heer, geef ons van Uw kant barmhartigheid en bereid ons uit onze toestand een goede uitweg.”

فَضَرَبْنَا عَلَىٰ آذَانِهِمْ فِي الْكَهْفِ سِنِينَ عَدَدًا11

En Wij bedekten in de grot hun oren voor een aantal jaren.

ثُمَّ بَعَثْنَاهُمْ لِنَعْلَمَ أَيُّ الْحِزْبَيْنِ أَحْصَىٰ لِمَا لَبِثُوا أَمَدًا12

Toen lieten Wij hen opstaan, opdat Wij zouden weten wie van beide partijen het nauwkeurigst zou berekenen hoe lang zij er gebleven waren.

نَّحْنُ نَقُصُّ عَلَيْكَ نَبَأَهُم بِالْحَقِّ ۚ إِنَّهُمْ فِتْيَةٌ آمَنُوا بِرَبِّهِمْ وَزِدْنَاهُمْ هُدًى13

Wij vertellen jou het bericht over hen naar waarheid; zij waren jonge mannen die in hun Heer geloofden en die Wij nog beter op het goede pad brachten.

وَرَبَطْنَا عَلَىٰ قُلُوبِهِمْ إِذْ قَامُوا فَقَالُوا رَبُّنَا رَبُّ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ لَن نَّدْعُوَ مِن دُونِهِ إِلَٰهًا ۖ لَّقَدْ قُلْنَا إِذًا شَطَطًا14

En Wij versterkten hun harten toen zij opstonden en zeiden: “Onze Heer is de Heer van de hemelen en de aarde. Wij zullen in plaats van Hem geen god aanroepen; dan zouden wij iets afwijkends zeggen.

هَٰؤُلَاءِ قَوْمُنَا اتَّخَذُوا مِن دُونِهِ آلِهَةً ۖ لَّوْلَا يَأْتُونَ عَلَيْهِم بِسُلْطَانٍ بَيِّنٍ ۖ فَمَنْ أَظْلَمُ مِمَّنِ افْتَرَىٰ عَلَى اللَّهِ كَذِبًا15

Onze mensen hier hebben zich in plaats van Hem goden genomen. Hadden zij dan niet daarvoor met een duidelijke machtiging kunnen komen? En wie is er zondiger dan wie over God bedrog verzint?

وَإِذِ اعْتَزَلْتُمُوهُمْ وَمَا يَعْبُدُونَ إِلَّا اللَّهَ فَأْوُوا إِلَى الْكَهْفِ يَنشُرْ لَكُمْ رَبُّكُم مِّن رَّحْمَتِهِ وَيُهَيِّئْ لَكُم مِّنْ أَمْرِكُم مِّرْفَقًا16

Maar daar jullie je van hen afgescheiden hebben en alleen God dienen, zoekt dan jullie onderkomen in de grot. Dan zal jullie Heer iets van Zijn barmhartigheid voor jullie uitspreiden en maken dat er uit jullie toestand voor jullie iets zinvols voortkomt.”

وَتَرَى الشَّمْسَ إِذَا طَلَعَت تَّزَاوَرُ عَن كَهْفِهِمْ ذَاتَ الْيَمِينِ وَإِذَا غَرَبَت تَّقْرِضُهُمْ ذَاتَ الشِّمَالِ وَهُمْ فِي فَجْوَةٍ مِّنْهُ ۚ ذَٰلِكَ مِنْ آيَاتِ اللَّهِ ۗ مَن يَهْدِ اللَّهُ فَهُوَ الْمُهْتَدِ ۖ وَمَن يُضْلِلْ فَلَن تَجِدَ لَهُ وَلِيًّا مُّرْشِدًا17

En jij zou zien dat de zon, wanneer zij opging, zich aan de rechterkant van hun grot wegboog en wanneer zij onderging, dat zij hen aan de linkerkant schampte, terwijl zij zich in een nis ervan bevonden. Dat behoort tot Gods tekenen. Wie door God op het goede pad gebracht is, die volgt het goede pad en wie Hij tot dwaling brengt, voor hem vind jij geen beschermer die de weg wijst.

وَتَحْسَبُهُمْ أَيْقَاظًا وَهُمْ رُقُودٌ ۚ وَنُقَلِّبُهُمْ ذَاتَ الْيَمِينِ وَذَاتَ الشِّمَالِ ۖ وَكَلْبُهُم بَاسِطٌ ذِرَاعَيْهِ بِالْوَصِيدِ ۚ لَوِ اطَّلَعْتَ عَلَيْهِمْ لَوَلَّيْتَ مِنْهُمْ فِرَارًا وَلَمُلِئْتَ مِنْهُمْ رُعْبًا18

En jij zou denken dat zij wakker waren, terwijl zij lagen te slapen. En Wij draaiden hen op hun rechterkant en op hun linkerkant terwijl hun hond zijn voorpoten op de drempel had uitgestrekt. Als jij hen te zien had gekregen, zou je bij hen weg zijn gevlucht en je zou voor hen van vrees vervuld zijn geweest.

وَكَذَٰلِكَ بَعَثْنَاهُمْ لِيَتَسَاءَلُوا بَيْنَهُمْ ۚ قَالَ قَائِلٌ مِّنْهُمْ كَمْ لَبِثْتُمْ ۖ قَالُوا لَبِثْنَا يَوْمًا أَوْ بَعْضَ يَوْمٍ ۚ قَالُوا رَبُّكُمْ أَعْلَمُ بِمَا لَبِثْتُمْ فَابْعَثُوا أَحَدَكُم بِوَرِقِكُمْ هَٰذِهِ إِلَى الْمَدِينَةِ فَلْيَنظُرْ أَيُّهَا أَزْكَىٰ طَعَامًا فَلْيَأْتِكُم بِرِزْقٍ مِّنْهُ وَلْيَتَلَطَّفْ وَلَا يُشْعِرَنَّ بِكُمْ أَحَدًا19

Zo hebben Wij hen laten opstaan, opdat zij elkaar zouden ondervragen. Een van hen zei: “Hoe lang heeft het voor jullie geduurd?” Zij zeiden: “Het heeft voor ons een dag of een paar dagen geduurd.” Zij zeiden: “Jullie Heer weet het best hoe lang het voor jullie geduurd heeft. Zendt dan een van jullie met dit zilverstuk van jullie naar de stad en dan moet hij maar kijken wat het beste voedsel is om jullie daarvan proviand te brengen. En hij moet zich vriendelijk gedragen en niemand van jullie iets laten merken.

إِنَّهُمْ إِن يَظْهَرُوا عَلَيْكُمْ يَرْجُمُوكُمْ أَوْ يُعِيدُوكُمْ فِي مِلَّتِهِمْ وَلَن تُفْلِحُوا إِذًا أَبَدًا20

Want als zij van jullie vernemen dan zullen zij jullie stenigen of jullie naar hun geloof terugbrengen en dan zal het jullie nooit welgaan.”

وَكَذَٰلِكَ أَعْثَرْنَا عَلَيْهِمْ لِيَعْلَمُوا أَنَّ وَعْدَ اللَّهِ حَقٌّ وَأَنَّ السَّاعَةَ لَا رَيْبَ فِيهَا إِذْ يَتَنَازَعُونَ بَيْنَهُمْ أَمْرَهُمْ ۖ فَقَالُوا ابْنُوا عَلَيْهِم بُنْيَانًا ۖ رَّبُّهُمْ أَعْلَمُ بِهِمْ ۚ قَالَ الَّذِينَ غَلَبُوا عَلَىٰ أَمْرِهِمْ لَنَتَّخِذَنَّ عَلَيْهِم مَّسْجِدًا21

Zo maakten Wij dat men hen ontdekte, opdat zij zouden weten dat Gods toezegging waar is en dat er aan het uur geen twijfel is. Toen zij met elkaar over hun geval twistten, zeiden zij: “Bouwt een gebouw over hen heen.” Maar hun Heer kent hen het best. Zij die in hun geval overwonnen zeiden: “Wij zullen over hen heen een plaats van aanbidding inrichten.”

سَيَقُولُونَ ثَلَاثَةٌ رَّابِعُهُمْ كَلْبُهُمْ وَيَقُولُونَ خَمْسَةٌ سَادِسُهُمْ كَلْبُهُمْ رَجْمًا بِالْغَيْبِ ۖ وَيَقُولُونَ سَبْعَةٌ وَثَامِنُهُمْ كَلْبُهُمْ ۚ قُل رَّبِّي أَعْلَمُ بِعِدَّتِهِم مَّا يَعْلَمُهُمْ إِلَّا قَلِيلٌ ۗ فَلَا تُمَارِ فِيهِمْ إِلَّا مِرَاءً ظَاهِرًا وَلَا تَسْتَفْتِ فِيهِم مِّنْهُمْ أَحَدًا22

Ze zullen zeggen: “Drie, en de vierde van hen is hun hond” en ze zeggen: “Vijf, en de zesde van hen is hun hond.” Het is een gissing naar het verborgene. En ze zeggen: “Zeven, en de achtste van hen is hun hond.” Zeg: “Mijn Heer kent hun aantal het best” En slechts weinigen kennen hen. Twist dus slechts op een oppervlakkige manier over hen en vraag van geen van hen uitsluitsel over hen.

وَلَا تَقُولَنَّ لِشَيْءٍ إِنِّي فَاعِلٌ ذَٰلِكَ غَدًا23

En zeg niet van iets: “Ik zal dat morgen doen”

إِلَّا أَن يَشَاءَ اللَّهُ ۚ وَاذْكُر رَّبَّكَ إِذَا نَسِيتَ وَقُلْ عَسَىٰ أَن يَهْدِيَنِ رَبِّي لِأَقْرَبَ مِنْ هَٰذَا رَشَدًا24

zonder: “als God wil.” En gedenk jouw Heer wanneer je het vergeten hebt en zeg: “Misschien dat mijn Heer mij op het goede pad zal brengen, dat dichter bij de rechtschapenheid is dan dit”

وَلَبِثُوا فِي كَهْفِهِمْ ثَلَاثَ مِائَةٍ سِنِينَ وَازْدَادُوا تِسْعًا25

Zij waren driehonderd jaar in de grot gebleven en nog negen jaar erbij.

قُلِ اللَّهُ أَعْلَمُ بِمَا لَبِثُوا ۖ لَهُ غَيْبُ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ ۖ أَبْصِرْ بِهِ وَأَسْمِعْ ۚ مَا لَهُم مِّن دُونِهِ مِن وَلِيٍّ وَلَا يُشْرِكُ فِي حُكْمِهِ أَحَدًا26

Zeg: “God weet het best hoe lang het voor hen duurde. Van Hem is het verborgene van de hemelen en de aarde. Wat is Hij scherpziend en wat is Hij scherphorend! Zij hebben buiten hem geen beschermer en Hij maakt niemand deelgenoot van Zijn oordeel.”

وَاتْلُ مَا أُوحِيَ إِلَيْكَ مِن كِتَابِ رَبِّكَ ۖ لَا مُبَدِّلَ لِكَلِمَاتِهِ وَلَن تَجِدَ مِن دُونِهِ مُلْتَحَدًا27

En lees voor wat Ik jou van het boek van jouw Heer heb geopenbaard. Er is niemand die Zijn woorden kan veranderen en buiten Hem zul jij geen schuilplaats vinden.

وَاصْبِرْ نَفْسَكَ مَعَ الَّذِينَ يَدْعُونَ رَبَّهُم بِالْغَدَاةِ وَالْعَشِيِّ يُرِيدُونَ وَجْهَهُ ۖ وَلَا تَعْدُ عَيْنَاكَ عَنْهُمْ تُرِيدُ زِينَةَ الْحَيَاةِ الدُّنْيَا ۖ وَلَا تُطِعْ مَنْ أَغْفَلْنَا قَلْبَهُ عَن ذِكْرِنَا وَاتَّبَعَ هَوَاهُ وَكَانَ أَمْرُهُ فُرُطًا28

En volhard geduldig met hen die hun Heer in de morgen en de avond aanroepen terwijl zij Zijn aangezicht zoeken en laat het niet zo zijn dat jij voor hen geen oog hebt omdat jij de pracht van het tegenwoordige leven wenst. En gehoorzaam hem niet van wie Wij het hart te onoplettend hebben gemaakt om Ons te gedenken en die zijn eigen bevlieging volgt en die onmatig is.

وَقُلِ الْحَقُّ مِن رَّبِّكُمْ ۖ فَمَن شَاءَ فَلْيُؤْمِن وَمَن شَاءَ فَلْيَكْفُرْ ۚ إِنَّا أَعْتَدْنَا لِلظَّالِمِينَ نَارًا أَحَاطَ بِهِمْ سُرَادِقُهَا ۚ وَإِن يَسْتَغِيثُوا يُغَاثُوا بِمَاءٍ كَالْمُهْلِ يَشْوِي الْوُجُوهَ ۚ بِئْسَ الشَّرَابُ وَسَاءَتْ مُرْتَفَقًا29

En zeg: “De waarheid komt van jouw Heer vandaan.” Wie het wil, die moet dan geloven en wie het wil, die moet maar ongelovig zijn. Wij hebben voor de onrechtplegers een vuur klaargemaakt dat hen van alle kanten omhult. En als zij om hulp vragen worden zij geholpen met water als gesmolten metaal dat de gezichten roostert. Dat is pas een slechte drank en het is een slechte rustplaats!

إِنَّ الَّذِينَ آمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ إِنَّا لَا نُضِيعُ أَجْرَ مَنْ أَحْسَنَ عَمَلًا30

Zij die geloven en de deugdelijke daden doen? Wij zullen het loon van hen die goed werk doen niet verloren laten gaan.

أُولَٰئِكَ لَهُمْ جَنَّاتُ عَدْنٍ تَجْرِي مِن تَحْتِهِمُ الْأَنْهَارُ يُحَلَّوْنَ فِيهَا مِنْ أَسَاوِرَ مِن ذَهَبٍ وَيَلْبَسُونَ ثِيَابًا خُضْرًا مِّن سُندُسٍ وَإِسْتَبْرَقٍ مُّتَّكِئِينَ فِيهَا عَلَى الْأَرَائِكِ ۚ نِعْمَ الثَّوَابُ وَحَسُنَتْ مُرْتَفَقًا31

Zij zijn het voor wie de tuinen van \’Adn zijn waarvan de rivieren onder hen door stromen. Zij tooien zich daarin met armbanden van goud en zij kleden zich met groene kleding van zijde en goudbrokaat, terwijl zij er op ligbanken achteroverleunen. Dat is pas een goede beloning en het is een goede rustplaats!

وَاضْرِبْ لَهُم مَّثَلًا رَّجُلَيْنِ جَعَلْنَا لِأَحَدِهِمَا جَنَّتَيْنِ مِنْ أَعْنَابٍ وَحَفَفْنَاهُمَا بِنَخْلٍ وَجَعَلْنَا بَيْنَهُمَا زَرْعًا32

En geef hun een voorbeeld: Twee mannen, voor een van beiden maakten Wij twee tuinen met wijnstokken en Wij omringden die met palmen en plaatsten tussen beide landbouwgewassen.

كِلْتَا الْجَنَّتَيْنِ آتَتْ أُكُلَهَا وَلَمْ تَظْلِم مِّنْهُ شَيْئًا ۚ وَفَجَّرْنَا خِلَالَهُمَا نَهَرًا33

Beide tuinen gaven hun vruchtopbrengst en schoten daarbij in niets tekort. En Wij lieten door beide een rivier stromen.

وَكَانَ لَهُ ثَمَرٌ فَقَالَ لِصَاحِبِهِ وَهُوَ يُحَاوِرُهُ أَنَا أَكْثَرُ مِنكَ مَالًا وَأَعَزُّ نَفَرًا34

Hij had inderdaad opbrengst! Hij zei dus tot zijn metgezel met wie hij in gesprek was: “Ik heb meer bezit dan jij en beschik over meer mensen.”

وَدَخَلَ جَنَّتَهُ وَهُوَ ظَالِمٌ لِّنَفْسِهِ قَالَ مَا أَظُنُّ أَن تَبِيدَ هَٰذِهِ أَبَدًا35

En hij ging zijn tuin in, terwijl hij zichzelf onrecht aandeed. Hij zei: “Ik denk niet dat dit hier ooit zal vergaan

وَمَا أَظُنُّ السَّاعَةَ قَائِمَةً وَلَئِن رُّدِدتُّ إِلَىٰ رَبِّي لَأَجِدَنَّ خَيْرًا مِّنْهَا مُنقَلَبًا36

en ik denk ook niet dat het uur aanstaande is. En als ik naar mijn Heer teruggebracht word zal ik nog iets beters dan dit hier als eindbestemming vinden.”

قَالَ لَهُ صَاحِبُهُ وَهُوَ يُحَاوِرُهُ أَكَفَرْتَ بِالَّذِي خَلَقَكَ مِن تُرَابٍ ثُمَّ مِن نُّطْفَةٍ ثُمَّ سَوَّاكَ رَجُلًا37

Zijn metgezel met wie hij in gesprek was zei tot hem: “Hecht jij dan geen geloof aan Hem die jou uit aarde en dan uit een druppel schiep en je dan tot man gevormd heeft?

لَّٰكِنَّا هُوَ اللَّهُ رَبِّي وَلَا أُشْرِكُ بِرَبِّي أَحَدًا38

Maar voor mij is Hij God, mijn Heer, en ik voeg aan mijn Heer niemand als metgezel toe.

وَلَوْلَا إِذْ دَخَلْتَ جَنَّتَكَ قُلْتَ مَا شَاءَ اللَّهُ لَا قُوَّةَ إِلَّا بِاللَّهِ ۚ إِن تَرَنِ أَنَا أَقَلَّ مِنكَ مَالًا وَوَلَدًا39

Had je maar gezegd toen jij je tuin inging: \’Zoals God het wil. Alleen in God is kracht!? Als jij van mij ziet, dat ik minder bezit en kinderen heb,

فَعَسَىٰ رَبِّي أَن يُؤْتِيَنِ خَيْرًا مِّن جَنَّتِكَ وَيُرْسِلَ عَلَيْهَا حُسْبَانًا مِّنَ السَّمَاءِ فَتُصْبِحَ صَعِيدًا زَلَقًا40

misschien dat God mij dan iets beters zal geven dan jouw tuin en er een afrekening uit de hemel naartoe zal zenden zodat het kale, glibberige grond wordt,

أَوْ يُصْبِحَ مَاؤُهَا غَوْرًا فَلَن تَسْتَطِيعَ لَهُ طَلَبًا41

of dat het water er diep wegzakt zodat jij het niet meer kunt vinden.”

وَأُحِيطَ بِثَمَرِهِ فَأَصْبَحَ يُقَلِّبُ كَفَّيْهِ عَلَىٰ مَا أَنفَقَ فِيهَا وَهِيَ خَاوِيَةٌ عَلَىٰ عُرُوشِهَا وَيَقُولُ يَا لَيْتَنِي لَمْ أُشْرِكْ بِرَبِّي أَحَدًا42

En zijn vruchten werden volkomen verwoest. Toen begon hij zich de handen te wringen om wat hij ervoor had uitgegeven nu hij er zo geruïneerd bijlag. En hij zei: “Ach had ik aan mijn Heer maar niemand als metgezel toegevoegd.”

وَلَمْ تَكُن لَّهُ فِئَةٌ يَنصُرُونَهُ مِن دُونِ اللَّهِ وَمَا كَانَ مُنتَصِرًا43

En buiten God was er voor hem geen troepenmacht die hem kon helpen; hij kreeg dan ook geen hulp.

هُنَالِكَ الْوَلَايَةُ لِلَّهِ الْحَقِّ ۚ هُوَ خَيْرٌ ثَوَابًا وَخَيْرٌ عُقْبًا44

Als het zo ver is heeft alleen de ware God nog bescherming te bieden. Hij geeft de beste beloning en het beste uiteinde.

وَاضْرِبْ لَهُم مَّثَلَ الْحَيَاةِ الدُّنْيَا كَمَاءٍ أَنزَلْنَاهُ مِنَ السَّمَاءِ فَاخْتَلَطَ بِهِ نَبَاتُ الْأَرْضِ فَأَصْبَحَ هَشِيمًا تَذْرُوهُ الرِّيَاحُ ۗ وَكَانَ اللَّهُ عَلَىٰ كُلِّ شَيْءٍ مُّقْتَدِرًا45

En maak voor hen een vergelijking: Het tegenwoordige leven is als water dat Wij uit de hemel laten neerdalen. De planten van de aarde groeien daardoor in bonte mengeling. Dan worden zij droge stengels die de wind wegblaast. God is over alles machthebber.

الْمَالُ وَالْبَنُونَ زِينَةُ الْحَيَاةِ الدُّنْيَا ۖ وَالْبَاقِيَاتُ الصَّالِحَاتُ خَيْرٌ عِندَ رَبِّكَ ثَوَابًا وَخَيْرٌ أَمَلًا46

Bezit en zonen zijn de pracht van het tegenwoordige leven, maar de deugdelijke daden, die duurzaam zijn, hebben bij jouw Heer een betere beloning en een betere verwachting.

وَيَوْمَ نُسَيِّرُ الْجِبَالَ وَتَرَى الْأَرْضَ بَارِزَةً وَحَشَرْنَاهُمْ فَلَمْ نُغَادِرْ مِنْهُمْ أَحَدًا47

En op de dag dat Wij de bergen in beweging zetten en jij de aarde tevoorschijn ziet komen en Wij hen verzamelen, dan laten Wij niet één van hen achter.

وَعُرِضُوا عَلَىٰ رَبِّكَ صَفًّا لَّقَدْ جِئْتُمُونَا كَمَا خَلَقْنَاكُمْ أَوَّلَ مَرَّةٍ ۚ بَلْ زَعَمْتُمْ أَلَّن نَّجْعَلَ لَكُم مَّوْعِدًا48

En zij worden voor jouw Heer in een rij voorgeleid: “Jullie bent tot Ons gekomen zoals Wij jullie de eerste maal geschapen hebben. Toch beweerden jullie dat Wij voor jullie geen aangewezen tijdstip hadden vastgesteld.”

وَوُضِعَ الْكِتَابُ فَتَرَى الْمُجْرِمِينَ مُشْفِقِينَ مِمَّا فِيهِ وَيَقُولُونَ يَا وَيْلَتَنَا مَالِ هَٰذَا الْكِتَابِ لَا يُغَادِرُ صَغِيرَةً وَلَا كَبِيرَةً إِلَّا أَحْصَاهَا ۚ وَوَجَدُوا مَا عَمِلُوا حَاضِرًا ۗ وَلَا يَظْلِمُ رَبُّكَ أَحَدًا49

En het boek wordt voorgelegd en dan zul jij de boosdoeners terug zien deinzen voor wat erin staat en zij zullen zeggen: “Wee ons, wat is er met dit boek dat niets kleins en niets groots onopgesomd laat?” En zij vinden dat wat zij deden aanwezig is. En jouw Heer doet niemand onrecht aan.

وَإِذْ قُلْنَا لِلْمَلَائِكَةِ اسْجُدُوا لِآدَمَ فَسَجَدُوا إِلَّا إِبْلِيسَ كَانَ مِنَ الْجِنِّ فَفَسَقَ عَنْ أَمْرِ رَبِّهِ ۗ أَفَتَتَّخِذُونَهُ وَذُرِّيَّتَهُ أَوْلِيَاءَ مِن دُونِي وَهُمْ لَكُمْ عَدُوٌّ ۚ بِئْسَ لِلظَّالِمِينَ بَدَلًا50

Toen Wij tot de engelen zeiden: “Buigt eerbiedig neer voor Adam”, bogen zij zich eerbiedig neer, behalve Iblies die tot de djinn behoorde; hij zondigde dus tegen het bevel van zijn Heer. Zullen jullie dan hem en zijn nageslacht in plaats van mij als beschermers nemen, terwijl zij jullie tot vijand zijn. Dat is pas een slechte ruil voor de onrechtplegers.

مَّا أَشْهَدتُّهُمْ خَلْقَ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ وَلَا خَلْقَ أَنفُسِهِمْ وَمَا كُنتُ مُتَّخِذَ الْمُضِلِّينَ عَضُدًا51

Ik liet hen niet getuige zijn van de schepping van de hemelen en de aarde en ook niet van de schepping van henzelf; Ik neem hen die tot dwaling brengen toch niet als steun.

وَيَوْمَ يَقُولُ نَادُوا شُرَكَائِيَ الَّذِينَ زَعَمْتُمْ فَدَعَوْهُمْ فَلَمْ يَسْتَجِيبُوا لَهُمْ وَجَعَلْنَا بَيْنَهُم مَّوْبِقًا52

En op de dag dat Hij zegt: “Roept Mijn [zogenaamd goddelijke] metgezellen van wie jullie het bestaan beweerden.” Dan roepen zij hen aan, maar zij geven hun geen gehoor. En Wij maken tussen hen een afgrond.

وَرَأَى الْمُجْرِمُونَ النَّارَ فَظَنُّوا أَنَّهُم مُّوَاقِعُوهَا وَلَمْ يَجِدُوا عَنْهَا مَصْرِفًا53

En de boosdoeners zien het vuur en vermoeden al dat zij erin zullen vallen en zij merken dat er geen ontkomen aan is.

وَلَقَدْ صَرَّفْنَا فِي هَٰذَا الْقُرْآنِ لِلنَّاسِ مِن كُلِّ مَثَلٍ ۚ وَكَانَ الْإِنسَانُ أَكْثَرَ شَيْءٍ جَدَلًا54

En Wij hebben in deze Koran voor de mensen toch allerlei voorbeelden uiteengezet, maar de mens is het meest van al twistziek.

وَمَا مَنَعَ النَّاسَ أَن يُؤْمِنُوا إِذْ جَاءَهُمُ الْهُدَىٰ وَيَسْتَغْفِرُوا رَبَّهُمْ إِلَّا أَن تَأْتِيَهُمْ سُنَّةُ الْأَوَّلِينَ أَوْ يَأْتِيَهُمُ الْعَذَابُ قُبُلًا55

En de mensen werden toen de leidraad tot hen kwam slechts gehinderd te geloven en hun Heer om vergeving te vragen, opdat de gebruikelijke behandeling van hen die er eertijds waren tot hen zou komen of de bestraffing in allerlei soorten tot hen zou komen.

وَمَا نُرْسِلُ الْمُرْسَلِينَ إِلَّا مُبَشِّرِينَ وَمُنذِرِينَ ۚ وَيُجَادِلُ الَّذِينَ كَفَرُوا بِالْبَاطِلِ لِيُدْحِضُوا بِهِ الْحَقَّ ۖ وَاتَّخَذُوا آيَاتِي وَمَا أُنذِرُوا هُزُوًا56

En Wij zenden de gezondenen slechts als verkondigers van goed nieuws en als waarschuwers. En zij die ongelovig zijn redetwisten met behulp van onzin om daarmee de waarheid te weerleggen. En zij hebben met Mijn tekenen en dat waarmee zij gewaarschuwd werden de spot gedreven.

وَمَنْ أَظْلَمُ مِمَّن ذُكِّرَ بِآيَاتِ رَبِّهِ فَأَعْرَضَ عَنْهَا وَنَسِيَ مَا قَدَّمَتْ يَدَاهُ ۚ إِنَّا جَعَلْنَا عَلَىٰ قُلُوبِهِمْ أَكِنَّةً أَن يَفْقَهُوهُ وَفِي آذَانِهِمْ وَقْرًا ۖ وَإِن تَدْعُهُمْ إِلَى الْهُدَىٰ فَلَن يَهْتَدُوا إِذًا أَبَدًا57

En wie is er zondiger dan hij die met de tekenen van zijn Heer vermaand is en er zich dan van afwendt en vergeet wat zijn handen tevoren deden? Wij hebben over hun harten hoezen gelegd zodat zij het niet begrijpen en in hun oren hardhorendheid. En als jij hen oproept tot de leidraad, dan zullen zij zich toch nooit in de goede richting laten leiden.

وَرَبُّكَ الْغَفُورُ ذُو الرَّحْمَةِ ۖ لَوْ يُؤَاخِذُهُم بِمَا كَسَبُوا لَعَجَّلَ لَهُمُ الْعَذَابَ ۚ بَل لَّهُم مَّوْعِدٌ لَّن يَجِدُوا مِن دُونِهِ مَوْئِلًا58

Maar jouw Heer is de vergevende die vol barmhartigheid is. Als Hij hun zou aanrekenen wat zij begaan hebben, dan zou Hij voor hen de bestraffing verhaasten. Toch ligt voor hen een aangewezen tijdstip vast waarvoor zij geen uitwijkplaats zullen vinden.

وَتِلْكَ الْقُرَىٰ أَهْلَكْنَاهُمْ لَمَّا ظَلَمُوا وَجَعَلْنَا لِمَهْلِكِهِم مَّوْعِدًا59

En dat zijn de steden die Wij vernietigd hebben toen zij onrecht pleegden. En Wij hebben voor hun vernietiging een aangewezen tijdstip vastgesteld.

وَإِذْ قَالَ مُوسَىٰ لِفَتَاهُ لَا أَبْرَحُ حَتَّىٰ أَبْلُغَ مَجْمَعَ الْبَحْرَيْنِ أَوْ أَمْضِيَ حُقُبًا60

En toen Moesa tot zijn knecht zei: “Ik zal niet ophouden tot ik de plaats bereik waar de beide zeeën samenkomen al zou ik tijden moeten doorgaan.”

فَلَمَّا بَلَغَا مَجْمَعَ بَيْنِهِمَا نَسِيَا حُوتَهُمَا فَاتَّخَذَ سَبِيلَهُ فِي الْبَحْرِ سَرَبًا61

En toen zij de plaats waar beide samenkomen bereikt hadden, vergaten zij hun vis en die baande zich toen een weg de zee in waarbij hij verdween.

فَلَمَّا جَاوَزَا قَالَ لِفَتَاهُ آتِنَا غَدَاءَنَا لَقَدْ لَقِينَا مِن سَفَرِنَا هَٰذَا نَصَبًا62

En toen zij verder gegaan waren zei hij tot zijn knecht: “Breng ons ons middagmaal, want door deze reis van ons hebben wij vermoeienis te verduren gehad.”

قَالَ أَرَأَيْتَ إِذْ أَوَيْنَا إِلَى الصَّخْرَةِ فَإِنِّي نَسِيتُ الْحُوتَ وَمَا أَنسَانِيهُ إِلَّا الشَّيْطَانُ أَنْ أَذْكُرَهُ ۚ وَاتَّخَذَ سَبِيلَهُ فِي الْبَحْرِ عَجَبًا63

Hij zei: “Heb je gezien? Toen wij ons naar de rots begaven vergat ik de vis. En niemand anders dan de satan heeft mij hem laten vergeten, zodat ik niet aan hem dacht en hij baande zich een weg de zee in op een verbazingwekkende manier.”

قَالَ ذَٰلِكَ مَا كُنَّا نَبْغِ ۚ فَارْتَدَّا عَلَىٰ آثَارِهِمَا قَصَصًا64

Hij zei: “Dat was het wat wij zochten!” Toen draaiden zij om en keerden op hun schreden terug.

فَوَجَدَا عَبْدًا مِّنْ عِبَادِنَا آتَيْنَاهُ رَحْمَةً مِّنْ عِندِنَا وَعَلَّمْنَاهُ مِن لَّدُنَّا عِلْمًا65

Zij vonden toen een van Onze dienaren die Wij barmhartigheid van Onze kant gegeven hadden en die Wij kennis die bij Ons vandaan kwam onderwezen hadden.

قَالَ لَهُ مُوسَىٰ هَلْ أَتَّبِعُكَ عَلَىٰ أَن تُعَلِّمَنِ مِمَّا عُلِّمْتَ رُشْدًا66

Moesa zei tot hem: “Mag ik jou volgen zodat jij mij onderwijst in wat jou aan redelijk inzicht onderwezen is?”

قَالَ إِنَّكَ لَن تَسْتَطِيعَ مَعِيَ صَبْرًا67

Hij zei: “Jij zult het met mij niet kunnen uithouden.

وَكَيْفَ تَصْبِرُ عَلَىٰ مَا لَمْ تُحِطْ بِهِ خُبْرًا68

Hoe zul jij het kunnen uithouden bij iets wat jij met je kennis niet kunt omvatten?”

قَالَ سَتَجِدُنِي إِن شَاءَ اللَّهُ صَابِرًا وَلَا أَعْصِي لَكَ أَمْرًا69

Hij zei: “Je zult vinden dat ik, zo God wil, volharden zal en ik zal jou in geen bevel ongehoorzaam zijn.”

قَالَ فَإِنِ اتَّبَعْتَنِي فَلَا تَسْأَلْنِي عَن شَيْءٍ حَتَّىٰ أُحْدِثَ لَكَ مِنْهُ ذِكْرًا70

Hij zei: “Als jij mij dan volgt, vraag mij dan niets, zolang ik er zelf niet tot jou over spreek.”

فَانطَلَقَا حَتَّىٰ إِذَا رَكِبَا فِي السَّفِينَةِ خَرَقَهَا ۖ قَالَ أَخَرَقْتَهَا لِتُغْرِقَ أَهْلَهَا لَقَدْ جِئْتَ شَيْئًا إِمْرًا71

Zo gingen zij dan verder totdat hij, toen zij aan boord van het schip waren gegaan, er een gat in maakte. Hij zei: “Maak jij er een gat in om haar opvarenden te laten verdrinken? Daar heb je echt iets vreselijks begaan.”

قَالَ أَلَمْ أَقُلْ إِنَّكَ لَن تَسْتَطِيعَ مَعِيَ صَبْرًا72

Hij zei: “Heb ik niet gezegd dat je het met mij niet zou kunnen uithouden?”

قَالَ لَا تُؤَاخِذْنِي بِمَا نَسِيتُ وَلَا تُرْهِقْنِي مِنْ أَمْرِي عُسْرًا73

Hij zei: “Neem mij niet kwalijk dat ik het vergat en reken het mij niet te zwaar aan.”

فَانطَلَقَا حَتَّىٰ إِذَا لَقِيَا غُلَامًا فَقَتَلَهُ قَالَ أَقَتَلْتَ نَفْسًا زَكِيَّةً بِغَيْرِ نَفْسٍ لَّقَدْ جِئْتَ شَيْئًا نُّكْرًا74

Zo gingen zij verder totdat zij een jonge man tegenkwamen. Die doodde hij toen. Hij zei: “Hoe kon jij een onschuldig mens doden en niet eens uit vergelding voor het leven van iemand anders? Daar heb je echt iets verwerpelijks begaan.”

قَالَ أَلَمْ أَقُل لَّكَ إِنَّكَ لَن تَسْتَطِيعَ مَعِيَ صَبْرًا75

Hij zei: “Heb ik niet gezegd dat je het met mij niet zou kunnen uithouden?”

قَالَ إِن سَأَلْتُكَ عَن شَيْءٍ بَعْدَهَا فَلَا تُصَاحِبْنِي ۖ قَدْ بَلَغْتَ مِن لَّدُنِّي عُذْرًا76

Hij zei: “Als ik je hierna nog eens naar iets vraag, dan moetje mij niet verder met je mee laten gaan. Van mijn kant heb je al een verontschuldiging gekregen.”

فَانطَلَقَا حَتَّىٰ إِذَا أَتَيَا أَهْلَ قَرْيَةٍ اسْتَطْعَمَا أَهْلَهَا فَأَبَوْا أَن يُضَيِّفُوهُمَا فَوَجَدَا فِيهَا جِدَارًا يُرِيدُ أَن يَنقَضَّ فَأَقَامَهُ ۖ قَالَ لَوْ شِئْتَ لَاتَّخَذْتَ عَلَيْهِ أَجْرًا77

Zo gingen zij dan verder totdat zij, toen zij bij de mensen van de stad gekomen waren, hun om voedsel vroegen. Maar zij weigerden hun gastvrijheid te verlenen. Toen vonden zij daar een muur die dreigde in te storten, maar hij zette hem overeind. Hij zei: “Als je wilde, had je daarvoor loon kunnen krijgen.”

قَالَ هَٰذَا فِرَاقُ بَيْنِي وَبَيْنِكَ ۚ سَأُنَبِّئُكَ بِتَأْوِيلِ مَا لَمْ تَسْتَطِع عَّلَيْهِ صَبْرًا78

Hij zei: “Dit is dan de scheiding tussen jou en mij. Ik zal je de uitleg meedelen van wat jij niet kon uithouden.

أَمَّا السَّفِينَةُ فَكَانَتْ لِمَسَاكِينَ يَعْمَلُونَ فِي الْبَحْرِ فَأَرَدتُّ أَنْ أَعِيبَهَا وَكَانَ وَرَاءَهُم مَّلِكٌ يَأْخُذُ كُلَّ سَفِينَةٍ غَصْبًا79

Wat het schip betreft, dat was van arme mensen die op zee werken en ik wenste het te beschadigen. Hun stond namelijk een koning te wachten die elk schip met geweld nam.

وَأَمَّا الْغُلَامُ فَكَانَ أَبَوَاهُ مُؤْمِنَيْنِ فَخَشِينَا أَن يُرْهِقَهُمَا طُغْيَانًا وَكُفْرًا80

Wat de jonge man betreft, zijn ouders waren gelovige mensen en wij vreesden dat hij hen door onbeschaamdheid en ongeloof te zeer zou kwellen.

فَأَرَدْنَا أَن يُبْدِلَهُمَا رَبُّهُمَا خَيْرًا مِّنْهُ زَكَاةً وَأَقْرَبَ رُحْمًا81

Wij wensten dus dat hun Heer hun iemand voor hem in de plaats zou geven die zuiverder en vriendelijker zou zijn dan hij.

وَأَمَّا الْجِدَارُ فَكَانَ لِغُلَامَيْنِ يَتِيمَيْنِ فِي الْمَدِينَةِ وَكَانَ تَحْتَهُ كَنزٌ لَّهُمَا وَكَانَ أَبُوهُمَا صَالِحًا فَأَرَادَ رَبُّكَ أَن يَبْلُغَا أَشُدَّهُمَا وَيَسْتَخْرِجَا كَنزَهُمَا رَحْمَةً مِّن رَّبِّكَ ۚ وَمَا فَعَلْتُهُ عَنْ أَمْرِي ۚ ذَٰلِكَ تَأْوِيلُ مَا لَمْ تَسْطِع عَّلَيْهِ صَبْرًا82

En wat de muur betreft, die was van twee weesjongens in de stad en er was een schat onder die hun beiden toebehoorde en hun vader was een rechtschapen man geweest. Jouw Heer wenste dat zij volgroeid zouden zijn en hun schat tevoorschijn halen; het was barmhartigheid van jouw Heer. Ik deed het niet uit eigen beweging. Dat is de uitleg van wat jij niet kon uithouden.”

وَيَسْأَلُونَكَ عَن ذِي الْقَرْنَيْنِ ۖ قُلْ سَأَتْلُو عَلَيْكُم مِّنْهُ ذِكْرًا83

En zij vragen jou naar de man met de twee horens. Zeg: “Ik zal jullie over hem een verslag voorlezen.”

إِنَّا مَكَّنَّا لَهُ فِي الْأَرْضِ وَآتَيْنَاهُ مِن كُلِّ شَيْءٍ سَبَبًا84

Wij hadden hem op de aarde macht gegeven en een toegangsweg tot alle dingen.

فَأَتْبَعَ سَبَبًا85

Toen volgde hij een toegangsweg

حَتَّىٰ إِذَا بَلَغَ مَغْرِبَ الشَّمْسِ وَجَدَهَا تَغْرُبُ فِي عَيْنٍ حَمِئَةٍ وَوَجَدَ عِندَهَا قَوْمًا ۗ قُلْنَا يَا ذَا الْقَرْنَيْنِ إِمَّا أَن تُعَذِّبَ وَإِمَّا أَن تَتَّخِذَ فِيهِمْ حُسْنًا86

totdat hij, toen hij de plaats van de zonsondergang bereikte, vond dat zij onderging in een bron van modder en daarbij trof hij mensen aan. Wij zeiden: “Jij met de twee horens, of jij bestraft, of jij behandelt hen goed.”

قَالَ أَمَّا مَن ظَلَمَ فَسَوْفَ نُعَذِّبُهُ ثُمَّ يُرَدُّ إِلَىٰ رَبِّهِ فَيُعَذِّبُهُ عَذَابًا نُّكْرًا87

Hij zei: “Wat hem betreft die onrecht pleegt die zullen wij bestraffen, dan wordt hij tot zijn Heer teruggebracht en Hij zal hem met een kwalijke bestraffing straffen.

وَأَمَّا مَنْ آمَنَ وَعَمِلَ صَالِحًا فَلَهُ جَزَاءً الْحُسْنَىٰ ۖ وَسَنَقُولُ لَهُ مِنْ أَمْرِنَا يُسْرًا88

En wat hem betreft die gelooft en deugdelijk handelt, die zal als beloning het beste krijgen. En Wij zullen van Onze beschikking iets gemakkelijks tot hem zeggen.”

ثُمَّ أَتْبَعَ سَبَبًا89

Daarna volgde hij een toegangsweg,

حَتَّىٰ إِذَا بَلَغَ مَطْلِعَ الشَّمْسِ وَجَدَهَا تَطْلُعُ عَلَىٰ قَوْمٍ لَّمْ نَجْعَل لَّهُم مِّن دُونِهَا سِتْرًا90

totdat hij, toen hij de plaats van de zonsopgang bereikte, vond dat zij opging over mensen voor wie Wij geen bescherming ertegen gemaakt hadden.

كَذَٰلِكَ وَقَدْ أَحَطْنَا بِمَا لَدَيْهِ خُبْرًا91

Zo was het. En Wij omvatten met Onze kennis wat er bij hem was.

ثُمَّ أَتْبَعَ سَبَبًا92

Daarna volgde hij een toegangsweg,

حَتَّىٰ إِذَا بَلَغَ بَيْنَ السَّدَّيْنِ وَجَدَ مِن دُونِهِمَا قَوْمًا لَّا يَكَادُونَ يَفْقَهُونَ قَوْلًا93

totdat hij, toen hij tussen de beide barrières aankwam, ernaast mensen aantrof die nauwelijks een woord begrepen.

قَالُوا يَا ذَا الْقَرْنَيْنِ إِنَّ يَأْجُوجَ وَمَأْجُوجَ مُفْسِدُونَ فِي الْأَرْضِ فَهَلْ نَجْعَلُ لَكَ خَرْجًا عَلَىٰ أَن تَجْعَلَ بَيْنَنَا وَبَيْنَهُمْ سَدًّا94

Zij zeiden: “Jij met de twee horens, Jadjoedj en Madjoedj brengen verderf op de aarde. Zullen wij jou er dan een vergoeding voor toekennen dat jij tussen ons en hen een barrière maakt?”

قَالَ مَا مَكَّنِّي فِيهِ رَبِّي خَيْرٌ فَأَعِينُونِي بِقُوَّةٍ أَجْعَلْ بَيْنَكُمْ وَبَيْنَهُمْ رَدْمًا95

Hij zei: “De macht die mijn Heer mij gegeven heeft is beter. Helpt mij maar krachtig, dan zal ik tussen jullie en hen een wal opwerpen.

آتُونِي زُبَرَ الْحَدِيدِ ۖ حَتَّىٰ إِذَا سَاوَىٰ بَيْنَ الصَّدَفَيْنِ قَالَ انفُخُوا ۖ حَتَّىٰ إِذَا جَعَلَهُ نَارًا قَالَ آتُونِي أُفْرِغْ عَلَيْهِ قِطْرًا96

Brengt mij brokken ijzer.” En toen hij het dan tussen beide hellingen even hoog had opgestapeld zei hij: “Blaast!” En toen hij er dan een vuur van gemaakt had zei hij: “Brengt mij gesmolten koper om eroverheen te gieten.”

فَمَا اسْطَاعُوا أَن يَظْهَرُوهُ وَمَا اسْتَطَاعُوا لَهُ نَقْبًا97

En zij konden er niet overheen komen noch een bres erin slaan.

قَالَ هَٰذَا رَحْمَةٌ مِّن رَّبِّي ۖ فَإِذَا جَاءَ وَعْدُ رَبِّي جَعَلَهُ دَكَّاءَ ۖ وَكَانَ وَعْدُ رَبِّي حَقًّا98

Hij zei: “Dit is een barmhartigheid van mijn Heer. Wanneer de toezegging van mijn Heer komt, dan maakt Hij hem met de grond gelijk. En de toezegging van mijn Heer is waar.”

وَتَرَكْنَا بَعْضَهُمْ يَوْمَئِذٍ يَمُوجُ فِي بَعْضٍ ۖ وَنُفِخَ فِي الصُّورِ فَجَمَعْنَاهُمْ جَمْعًا99

En Wij laten hen op die dag door elkaar heen krioelen. Dan wordt op de bazuin geblazen en verzamelen Wij hen bijeen.

وَعَرَضْنَا جَهَنَّمَ يَوْمَئِذٍ لِّلْكَافِرِينَ عَرْضًا100

En Wij confronteren op die dag de ongelovigen met de hel.

الَّذِينَ كَانَتْ أَعْيُنُهُمْ فِي غِطَاءٍ عَن ذِكْرِي وَكَانُوا لَا يَسْتَطِيعُونَ سَمْعًا101

Van hen waren de ogen voor Mijn vermaning afgedekt en zij konden niet horen.

أَفَحَسِبَ الَّذِينَ كَفَرُوا أَن يَتَّخِذُوا عِبَادِي مِن دُونِي أَوْلِيَاءَ ۚ إِنَّا أَعْتَدْنَا جَهَنَّمَ لِلْكَافِرِينَ نُزُلًا102

Of rekenen zij die ongelovig zijn erop dat zij Mijn dienaren in plaats van Mij als beschermers kunnen nemen? Wij hebben de hel voor de ongelovigen als gastverblijf klaargemaakt.

قُلْ هَلْ نُنَبِّئُكُم بِالْأَخْسَرِينَ أَعْمَالًا103

Zeg: “Zullen wij jullie meedelen wie door hun daden de grootste verliezers zijn,

الَّذِينَ ضَلَّ سَعْيُهُمْ فِي الْحَيَاةِ الدُّنْيَا وَهُمْ يَحْسَبُونَ أَنَّهُمْ يُحْسِنُونَ صُنْعًا104

van wie het streven in het tegenwoordige leven teloorgaat terwijl zij erop rekenen goed werk te doen?”

أُولَٰئِكَ الَّذِينَ كَفَرُوا بِآيَاتِ رَبِّهِمْ وَلِقَائِهِ فَحَبِطَتْ أَعْمَالُهُمْ فَلَا نُقِيمُ لَهُمْ يَوْمَ الْقِيَامَةِ وَزْنًا105

Dat zijn zij die geen geloof hechten aan de tekenen van hun Heer en aan de ontmoeting met Hem. Hun daden zullen dus vruchteloos zijn. Wij zullen hun op de opstandingsdag dan ook geen gewicht toekennen.

ذَٰلِكَ جَزَاؤُهُمْ جَهَنَّمُ بِمَا كَفَرُوا وَاتَّخَذُوا آيَاتِي وَرُسُلِي هُزُوًا106

Dat is hun vergelding, de hel, omdat zij ongelovig waren en de spot dreven met Mijn tekenen en Mijn gezanten.

إِنَّ الَّذِينَ آمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ كَانَتْ لَهُمْ جَنَّاتُ الْفِرْدَوْسِ نُزُلًا107

Maar zij die geloven en de deugdelijke daden doen, voor hen zijn er de tuinen van het paradijs als gastverblijf.

خَالِدِينَ فِيهَا لَا يَبْغُونَ عَنْهَا حِوَلًا108

Zij zullen daarin altijd blijven zonder er ooit uit weg te willen gaan.

قُل لَّوْ كَانَ الْبَحْرُ مِدَادًا لِّكَلِمَاتِ رَبِّي لَنَفِدَ الْبَحْرُ قَبْلَ أَن تَنفَدَ كَلِمَاتُ رَبِّي وَلَوْ جِئْنَا بِمِثْلِهِ مَدَدًا109

Zeg: “Als de zee inkt was voor de woorden van mijn Heer, dan zou de zee uitgeput raken voordat de woorden van mijn Heer uitgeput raakten, ook al brachten wij nog een keer zoveel.”

قُلْ إِنَّمَا أَنَا بَشَرٌ مِّثْلُكُمْ يُوحَىٰ إِلَيَّ أَنَّمَا إِلَٰهُكُمْ إِلَٰهٌ وَاحِدٌ ۖ فَمَن كَانَ يَرْجُو لِقَاءَ رَبِّهِ فَلْيَعْمَلْ عَمَلًا صَالِحًا وَلَا يُشْرِكْ بِعِبَادَةِ رَبِّهِ أَحَدًا110

Zeg: “Ik ben slechts een mens als jullie; aan mij wordt geopenbaard dat jullie god één god is. Wie dan hoopt op de ontmoeting met zijn Heer, die moet deugdelijk handelen en in de eredienst van zijn Heer niet een als metgezel [aan Hem] toevoegen.”

2 REACTIES

  1. Salam beste broeders of zusters,

    Dit is wel een hele mooie website
    Ik wens jullie nog heel veel gezondheid en sterkte toe,en moge Allah swt jullie nog meer baraka geven om nog veel mensen te bereiken. Het gaat jullie goed
    Fikri,

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here