Soera 17 – Al-Isra – De Nachtreis – الإسرا

bismillah ir rahman ir rahim

سُبْحَانَ الَّذِي أَسْرَىٰ بِعَبْدِهِ لَيْلًا مِّنَ الْمَسْجِدِ الْحَرَامِ إِلَى الْمَسْجِدِ الْأَقْصَى الَّذِي بَارَكْنَا حَوْلَهُ لِنُرِيَهُ مِنْ آيَاتِنَا ۚ إِنَّهُ هُوَ السَّمِيعُ الْبَصِيرُ 1

Verheven is Degene (Allah) Die Zijn dienaar (Mohammed) ‘s nachts vanuit al-Masdjid ul-Haraam (de gewijde moskee in Mekka) naar al-Masdjid ul-Aqsa (de Aqsa moskee in Jeruzalem) deed reizen, waarvan Wij alles daaromheen hebben gezegend, opdat Wij hem (Mohammed) Onze Tekenen laten zien. Waarlijk, Hij is de Alhorende, de Alziende.

وَآتَيْنَا مُوسَى الْكِتَابَ وَجَعَلْنَاهُ هُدًى لِّبَنِي إِسْرَائِيلَ أَلَّا تَتَّخِذُوا مِن دُونِي وَكِيلًا 2

En Wij gaven Moesa het Boek en maakten dit als Leiding voor de kinderen van Israël (zeggende): “Neem geen zaakwaarnemer naast Mij.”

ذُرِّيَّةَ مَنْ حَمَلْنَا مَعَ نُوحٍ ۚ إِنَّهُ كَانَ عَبْدًا شَكُورًا 3

(En als Leiding voor) de nakomelingen van degenen die Wij met Noeh (in de Ark) hebben gedragen. Waarlijk, hij was een dankbare dienaar.

وَقَضَيْنَا إِلَىٰ بَنِي إِسْرَائِيلَ فِي الْكِتَابِ لَتُفْسِدُنَّ فِي الْأَرْضِ مَرَّتَيْنِ وَلَتَعْلُنَّ عُلُوًّا كَبِيرًا 4

En Wij hebben voor de kinderen van Israël in het Boek bepaald: “Jullie zullen zeker twee keer verderf op aarde zaaien en jullie zullen je zeker zeer hoogmoedig gedragen.”

فَإِذَا جَاءَ وَعْدُ أُولَاهُمَا بَعَثْنَا عَلَيْكُمْ عِبَادًا لَّنَا أُولِي بَأْسٍ شَدِيدٍ فَجَاسُوا خِلَالَ الدِّيَارِ ۚ وَكَانَ وَعْدًا مَّفْعُولًا 5

Maar toen de eerste (belofte) van de twee beloften kwam, zonden Wij naar jullie dienaren van Ons, bezitters van sterke kracht, die de huizen binnendrongen. En de Belofte (van Allah) komt altijd ten uitvoer.

ثُمَّ رَدَدْنَا لَكُمُ الْكَرَّةَ عَلَيْهِمْ وَأَمْدَدْنَاكُم بِأَمْوَالٍ وَبَنِينَ وَجَعَلْنَاكُمْ أَكْثَرَ نَفِيرًا 6

Vervolgens gaven Wij jullie de overwinning over hen. En versterkten Wij jullie met bezittingen en kinderen en maakten Wij jullie groter in aantal.

إِنْ أَحْسَنتُمْ أَحْسَنتُمْ لِأَنفُسِكُمْ ۖ وَإِنْ أَسَأْتُمْ فَلَهَا ۚ فَإِذَا جَاءَ وَعْدُ الْآخِرَةِ لِيَسُوءُوا وُجُوهَكُمْ وَلِيَدْخُلُوا الْمَسْجِدَ كَمَا دَخَلُوهُ أَوَّلَ مَرَّةٍ وَلِيُتَبِّرُوا مَا عَلَوْا تَتْبِيرًا 7

Als jullie het goede verrichten, dan verrichten jullie het goede voor julliezelf. En als jullie het slechte verrichten, dan is het voor julliezelf. En toen de laatste belofte kwam, (stonden Wij jullie vijanden toe) om jullie gezichten te schande te maken (d.w.z. om jullie te vernederen) en om de (Aqsa) moskee (in Jeruzalem) binnen te treden, zoals zij deze de eerste keer binnentraden, en om alles wat in hun handen viel volledig te vernietigen.

عَسَىٰ رَبُّكُمْ أَن يَرْحَمَكُمْ ۚ وَإِنْ عُدتُّمْ عُدْنَا ۘ وَجَعَلْنَا جَهَنَّمَ لِلْكَافِرِينَ حَصِيرًا 8

Wellicht zal jullie Heer jullie begenadigen. En als jullie terugkeren (naar de zonden), zullen Wij terugkeren (met Onze Bestraffing). En Wij maakten de Hel tot een (eeuwig) Onderkomen voor de ongelovigen.

إِنَّ هَٰذَا الْقُرْآنَ يَهْدِي لِلَّتِي هِيَ أَقْوَمُ وَيُبَشِّرُ الْمُؤْمِنِينَ الَّذِينَ يَعْمَلُونَ الصَّالِحَاتِ أَنَّ لَهُمْ أَجْرًا كَبِيرًا 9

Voorwaar, deze Koran leidt naar datgene wat juist is en verkondigt verheugende Tijdingen aan de gelovigen die goede daden verrichten, dat er voor hen een grote Beloning is.

وَأَنَّ الَّذِينَ لَا يُؤْمِنُونَ بِالْآخِرَةِ أَعْتَدْنَا لَهُمْ عَذَابًا أَلِيمًا 10

En waarlijk voor degenen die niet in het Hiernamaals geloven, hebben Wij een pijnlijke Bestraffing voorbereid.

وَيَدْعُ الْإِنسَانُ بِالشَّرِّ دُعَاءَهُ بِالْخَيْرِ ۖ وَكَانَ الْإِنسَانُ عَجُولًا 11

En de mens smeekt om het slechte, net zoals hij om het goede smeekt. En de mens is haastig.

وَجَعَلْنَا اللَّيْلَ وَالنَّهَارَ آيَتَيْنِ ۖ فَمَحَوْنَا آيَةَ اللَّيْلِ وَجَعَلْنَا آيَةَ النَّهَارِ مُبْصِرَةً لِّتَبْتَغُوا فَضْلًا مِّن رَّبِّكُمْ وَلِتَعْلَمُوا عَدَدَ السِّنِينَ وَالْحِسَابَ ۚ وَكُلَّ شَيْءٍ فَصَّلْنَاهُ تَفْصِيلًا 12

En Wij hebben de nacht en de dag tot twee tekenen gemaakt. Vervolgens hebben Wij het teken van de nacht donker gemaakt en het teken van de dag verlichtend gemaakt, opdat jullie de Gunst van jullie Heer zullen zoeken en opdat jullie de jaartelling en de berekening zullen kennen. En alle zaken hebben Wij duidelijk uiteengezet.

وَكُلَّ إِنسَانٍ أَلْزَمْنَاهُ طَائِرَهُ فِي عُنُقِهِ ۖ وَنُخْرِجُ لَهُ يَوْمَ الْقِيَامَةِ كِتَابًا يَلْقَاهُ مَنشُورًا 13

En Wij hebben voor ieder mens zijn (voorbestemde) daden om zijn nek vastgemaakt. En op de Dag der Opstanding zullen Wij voor hem een Boek tevoorschijn brengen, dat hij wijd open(geslagen) zal aantreffen.

اقْرَأْ كِتَابَكَ كَفَىٰ بِنَفْسِكَ الْيَوْمَ عَلَيْكَ حَسِيبًا 14

(Er zal tegen hem gezegd worden:) “Lees jouw boek.” Jouw ziel volstaat op deze Dag als berekenaar tegen jou.

مَّنِ اهْتَدَىٰ فَإِنَّمَا يَهْتَدِي لِنَفْسِهِ ۖ وَمَن ضَلَّ فَإِنَّمَا يَضِلُّ عَلَيْهَا ۚ وَلَا تَزِرُ وَازِرَةٌ وِزْرَ أُخْرَىٰ ۗ وَمَا كُنَّا مُعَذِّبِينَ حَتَّىٰ نَبْعَثَ رَسُولًا 15

Wie geleid wordt, wordt slechts geleid ten bate van zichzelf. En degene die afdwaalt, dwaalt slechts ten nadele van zichzelf af. En geen enkele lastendrager zal de lasten van een ander dragen. En Wij zullen (jullie) niet bestraffen voordat Wij een Boodschapper hebben gezonden (om jullie te waarschuwen).

وَإِذَا أَرَدْنَا أَن نُّهْلِكَ قَرْيَةً أَمَرْنَا مُتْرَفِيهَا فَفَسَقُوا فِيهَا فَحَقَّ عَلَيْهَا الْقَوْلُ فَدَمَّرْنَاهَا تَدْمِيرًا 16

En wanneer Wij een stad willen vernietigen, dragen Wij degenen die zich daarin hoogmoedig gedragen op (om Allah te gehoorzamen). Vervolgens handelen zij daarin buitensporig, waarna het Woord (d.w.z. de Toorn van Allah) terecht over hen wordt uitgesproken. En Wij vernietigen deze (stad) volledig.

وَكَمْ أَهْلَكْنَا مِنَ الْقُرُونِ مِن بَعْدِ نُوحٍ ۗ وَكَفَىٰ بِرَبِّكَ بِذُنُوبِ عِبَادِهِ خَبِيرًا بَصِيرًا 17

En hoeveel generaties hebben Wij vernietigd na Noeh? En jouw Heer volstaat als Degene Die op de hoogte is (van het onwaarneembare) en Alziend is over de zonden van Zijn dienaren.

مَّن كَانَ يُرِيدُ الْعَاجِلَةَ عَجَّلْنَا لَهُ فِيهَا مَا نَشَاءُ لِمَن نُّرِيدُ ثُمَّ جَعَلْنَا لَهُ جَهَنَّمَ يَصْلَاهَا مَذْمُومًا مَّدْحُورًا 18

Wie het haastige (d.w.z. de genietingen van deze wereld) wil, voor hem bespoedigen Wij daarin (d.w.z. in deze wereld) wat Wij willen, voor wie Wij willen. Vervolgens maken Wij voor hem de Hel (tot een Verblijfplaats), die hij vernederd en verjaagd zal binnentreden.

وَمَنْ أَرَادَ الْآخِرَةَ وَسَعَىٰ لَهَا سَعْيَهَا وَهُوَ مُؤْمِنٌ فَأُولَٰئِكَ كَانَ سَعْيُهُم مَّشْكُورًا 19

En wie het Hiernamaals wil en ernaar streeft met de daarvoor benodigde daden, en (die) een gelovige is, zij zijn degenen van wie het streven wordt beloond.

كُلًّا نُّمِدُّ هَٰؤُلَاءِ وَهَٰؤُلَاءِ مِنْ عَطَاءِ رَبِّكَ ۚ وَمَا كَانَ عَطَاءُ رَبِّكَ مَحْظُورًا 20

Beide, zowel deze (groep) als de andere, geven Wij van de Geschenken van jouw Heer. En de Geschenken van jouw Heer kennen geen vermindering.

انظُرْ كَيْفَ فَضَّلْنَا بَعْضَهُمْ عَلَىٰ بَعْضٍ ۚ وَلَلْآخِرَةُ أَكْبَرُ دَرَجَاتٍ وَأَكْبَرُ تَفْضِيلًا 21

Zie hoe Wij sommigen van hen boven anderen hebben verkozen en het Hiernamaals is zeker hoger in rang en groter als Gunst.

لَّا تَجْعَلْ مَعَ اللَّهِ إِلَٰهًا آخَرَ فَتَقْعُدَ مَذْمُومًا مَّخْذُولًا 22

Neem geen andere god (ter aanbidding) aan naast Allah, anders blijf jij vernederd en verlaten achter.

وَقَضَىٰ رَبُّكَ أَلَّا تَعْبُدُوا إِلَّا إِيَّاهُ وَبِالْوَالِدَيْنِ إِحْسَانًا ۚ إِمَّا يَبْلُغَنَّ عِندَكَ الْكِبَرَ أَحَدُهُمَا أَوْ كِلَاهُمَا فَلَا تَقُل لَّهُمَا أُفٍّ وَلَا تَنْهَرْهُمَا وَقُل لَّهُمَا قَوْلًا كَرِيمًا 23

En jouw Heer heeft bepaald dat jullie niets, behalve Hem Alleen aanbidden, en goed voor de ouders zijn. Als één van hen of beiden in jouw bijzijn de ouderdom bereiken, zeg dan geen “oef” tegen hen en snauw hen niet af en spreek zachte woorden tot hen.

وَاخْفِضْ لَهُمَا جَنَاحَ الذُّلِّ مِنَ الرَّحْمَةِ وَقُل رَّبِّ ارْحَمْهُمَا كَمَا رَبَّيَانِي صَغِيرًا 24

En verlaag voor hen de vleugel van nederigheid (d.w.z. wees zachtaardig voor hen) als blijk van genade en zeg: “Mijn Heer, heb genade met hen, zoals zij mij hebben opgevoed toen ik klein was.”

رَّبُّكُمْ أَعْلَمُ بِمَا فِي نُفُوسِكُمْ ۚ إِن تَكُونُوا صَالِحِينَ فَإِنَّهُ كَانَ لِلْأَوَّابِينَ غَفُورًا 25

Jullie Heer weet wat er in julliezelf is. Als jullie rechtschapen zijn, waarlijk, dan is Hij Meest Vergevingsgezind voor degenen die berouwvol terugkeren (naar Hem).

وَآتِ ذَا الْقُرْبَىٰ حَقَّهُ وَالْمِسْكِينَ وَابْنَ السَّبِيلِ وَلَا تُبَذِّرْ تَبْذِيرًا 26

En geef de verwanten hun recht en (ook) de behoeftige en de reiziger, en verkwist niet overvloedig.

إِنَّ الْمُبَذِّرِينَ كَانُوا إِخْوَانَ الشَّيَاطِينِ ۖ وَكَانَ الشَّيْطَانُ لِرَبِّهِ كَفُورًا 27

Waarlijk, de verkwisters zijn de broeders van de satans, en de satan is ondankbaar jegens zijn Heer.

وَإِمَّا تُعْرِضَنَّ عَنْهُمُ ابْتِغَاءَ رَحْمَةٍ مِّن رَّبِّكَ تَرْجُوهَا فَقُل لَّهُمْ قَوْلًا مَّيْسُورًا 28

En als jij (o Mohammed) je van hen afwendt, strevend naar de Genade van jouw Heer die jij wenst, spreek dan zachte woorden tot hen.

وَلَا تَجْعَلْ يَدَكَ مَغْلُولَةً إِلَىٰ عُنُقِكَ وَلَا تَبْسُطْهَا كُلَّ الْبَسْطِ فَتَقْعُدَ مَلُومًا مَّحْسُورًا 29

En maak jouw hand niet vastgebonden aan jouw nek (d.w.z. wees niet gierig) en strek het niet volledig uit (als een verkwister), anders blijf jij vol verwijt en spijt achter.

إِنَّ رَبَّكَ يَبْسُطُ الرِّزْقَ لِمَن يَشَاءُ وَيَقْدِرُ ۚ إِنَّهُ كَانَ بِعِبَادِهِ خَبِيرًا بَصِيرًا 30

Voorwaar, jouw Heer vermeerdert het levensonderhoud voor wie Hij wil en Hij vermindert (voor wie Hij wil). Waarlijk, Hij is Alwetend (over het onwaarneembare) en Alziend over Zijn dienaren.

وَلَا تَقْتُلُوا أَوْلَادَكُمْ خَشْيَةَ إِمْلَاقٍ ۖ نَّحْنُ نَرْزُقُهُمْ وَإِيَّاكُمْ ۚ إِنَّ قَتْلَهُمْ كَانَ خِطْئًا كَبِيرًا 31

En dood jullie kinderen niet uit vrees voor armoede. Wij voorzien hen en jullie. Waarlijk, het doden van hen is een grote zonde.

وَلَا تَقْرَبُوا الزِّنَا ۖ إِنَّهُ كَانَ فَاحِشَةً وَسَاءَ سَبِيلًا 32

En nader de ontucht niet. Waarlijk, het is een verdorvenheid en een slechte weg.

وَلَا تَقْتُلُوا النَّفْسَ الَّتِي حَرَّمَ اللَّهُ إِلَّا بِالْحَقِّ ۗ وَمَن قُتِلَ مَظْلُومًا فَقَدْ جَعَلْنَا لِوَلِيِّهِ سُلْطَانًا فَلَا يُسْرِف فِّي الْقَتْلِ ۖ إِنَّهُ كَانَ مَنصُورًا 33

En dood niet de ziel die Allah verboden heeft (om te doden), behalve rechtmatig (d.w.z. in overeenstemming met het islamitische rechtssysteem). En wie onrechtvaardig gedood wordt, Wij hebben zeker zijn voogd bevoegdheid gegeven (om beroep te doen op de wet van vergelding). Laat hem dus niet buitensporig zijn in het doden. Waarlijk, hij wordt geholpen (aan een overwinning).

وَلَا تَقْرَبُوا مَالَ الْيَتِيمِ إِلَّا بِالَّتِي هِيَ أَحْسَنُ حَتَّىٰ يَبْلُغَ أَشُدَّهُ ۚ وَأَوْفُوا بِالْعَهْدِ ۖ إِنَّ الْعَهْدَ كَانَ مَسْئُولًا 34

En nader het bezit van de wees niet, behalve op een goede wijze, totdat hij (of zij) de volle kracht heeft bereikt (d.w.z. fysiek en mentaal rijp is). En kom de belofte na. Waarlijk, er zal (op de Dag des Oordeels) over de belofte gevraagd worden.

وَأَوْفُوا الْكَيْلَ إِذَا كِلْتُمْ وَزِنُوا بِالْقِسْطَاسِ الْمُسْتَقِيمِ ۚ ذَٰلِكَ خَيْرٌ وَأَحْسَنُ تَأْوِيلًا 35

En geef de volle maat wanneer jullie wegen en weeg met de betrouwbare weegschaal. Dat is beter en (leidt naar) het beste Einde.

وَلَا تَقْفُ مَا لَيْسَ لَكَ بِهِ عِلْمٌ ۚ إِنَّ السَّمْعَ وَالْبَصَرَ وَالْفُؤَادَ كُلُّ أُولَٰئِكَ كَانَ عَنْهُ مَسْئُولًا 36

En volg niet datgene waar jij geen kennis over hebt. Voorwaar, het gehoor en het gezichtsvermogen en het hart: deze zullen allemaal daarover ondervraagd worden.

وَلَا تَمْشِ فِي الْأَرْضِ مَرَحًا ۖ إِنَّكَ لَن تَخْرِقَ الْأَرْضَ وَلَن تَبْلُغَ الْجِبَالَ طُولًا 37

En loop niet hoogmoedig op aarde. Waarlijk, jij kunt de aarde niet doorboren, noch kun jij de hoogte van de bergen bereiken.

كُلُّ ذَٰلِكَ كَانَ سَيِّئُهُ عِندَ رَبِّكَ مَكْرُوهًا 38

Dit alles is slecht, (en) afkeurenswaardig bij jouw Heer.

ذَٰلِكَ مِمَّا أَوْحَىٰ إِلَيْكَ رَبُّكَ مِنَ الْحِكْمَةِ ۗ وَلَا تَجْعَلْ مَعَ اللَّهِ إِلَٰهًا آخَرَ فَتُلْقَىٰ فِي جَهَنَّمَ مَلُومًا مَّدْحُورًا 39

Dit is (een deel) van wat jouw Heer aan jou (o Mohammed) heeft geopenbaard van de Wijsheid. En neem geen andere god (ter aanbidding) aan naast Allah, anders zul jij in de Hel geworpen worden, vol verwijt, (en) verstoten (van de Genade van Allah).

أَفَأَصْفَاكُمْ رَبُّكُم بِالْبَنِينَ وَاتَّخَذَ مِنَ الْمَلَائِكَةِ إِنَاثًا ۚ إِنَّكُمْ لَتَقُولُونَ قَوْلًا عَظِيمًا 40

Heeft jullie Heer jullie verkozen middels (het schenken van) zonen (aan jullie) en nam Hij voor Zichzelf dochters van onder de Engelen? Waarlijk, jullie spreken zeker geweldige (afschuwelijke) woorden.

وَلَقَدْ صَرَّفْنَا فِي هَٰذَا الْقُرْآنِ لِيَذَّكَّرُوا وَمَا يَزِيدُهُمْ إِلَّا نُفُورًا 41

En voorzeker, Wij hebben in deze Koran (Onze Verzen) herhaald, opdat zij (d.w.z. de ongelovigen) er lering uit zullen trekken. Maar het vermeerdert bij hen niets anders dan afkeer.

قُل لَّوْ كَانَ مَعَهُ آلِهَةٌ كَمَا يَقُولُونَ إِذًا لَّابْتَغَوْا إِلَىٰ ذِي الْعَرْشِ سَبِيلًا 42

Zeg (o Mohammed tegen de veelgodenaanbidders en de ongelovigen): “Als er, zoals zij zeggen, (andere) goden met Hem waren geweest, dan zouden zij zeker een weg naar de Bezitter van de Troon (Allah) hebben gezocht, (strevend naar Zijn Welbehagen en om dicht bij Hem te zijn).”

سُبْحَانَهُ وَتَعَالَىٰ عَمَّا يَقُولُونَ عُلُوًّا كَبِيرًا 43

Verheerlijkt en Verheven is Hij ver boven datgene wat zij zeggen.

تُسَبِّحُ لَهُ السَّمَاوَاتُ السَّبْعُ وَالْأَرْضُ وَمَن فِيهِنَّ ۚ وَإِن مِّن شَيْءٍ إِلَّا يُسَبِّحُ بِحَمْدِهِ وَلَٰكِن لَّا تَفْقَهُونَ تَسْبِيحَهُمْ ۗ إِنَّهُ كَانَ حَلِيمًا غَفُورًا 44

De zeven hemelen en de aarde en datgene wat zich daarin bevindt verheerlijken Hem. En er is niets of het verheerlijkt Hem met Zijn Lofuitingen. Maar jullie begrijpen hun verheerlijkingen niet. Voorwaar, Hij is Meest Verdraagzaam, Meest Vergevingsgezind.

وَإِذَا قَرَأْتَ الْقُرْآنَ جَعَلْنَا بَيْنَكَ وَبَيْنَ الَّذِينَ لَا يُؤْمِنُونَ بِالْآخِرَةِ حِجَابًا مَّسْتُورًا 45

En wanneer jij (o Mohammed) de Koran voordraagt, plaatsen Wij tussen jou en degenen die niet in het Hiernamaals geloven een bedekkende afscheiding.

وَجَعَلْنَا عَلَىٰ قُلُوبِهِمْ أَكِنَّةً أَن يَفْقَهُوهُ وَفِي آذَانِهِمْ وَقْرًا ۚ وَإِذَا ذَكَرْتَ رَبَّكَ فِي الْقُرْآنِ وَحْدَهُ وَلَّوْا عَلَىٰ أَدْبَارِهِمْ نُفُورًا 46

En Wij hebben over hun harten sluiers geplaatst, dus begrijpen zij het (d.w.z. de Koran) niet. En (Wij hebben) doofheid in hun oren (geplaatst). En wanneer jij jouw Heer in de Koran als Enige gedenkt, dan keren zij hun rug toe (d.w.z. dat zij weglopen), terwijl zij er een afkeer van hebben.

نَّحْنُ أَعْلَمُ بِمَا يَسْتَمِعُونَ بِهِ إِذْ يَسْتَمِعُونَ إِلَيْكَ وَإِذْ هُمْ نَجْوَىٰ إِذْ يَقُولُ الظَّالِمُونَ إِن تَتَّبِعُونَ إِلَّا رَجُلًا مَّسْحُورًا 47

Wij weten (het best) waarmee zij luisteren, als zij naar jou (o Mohammed) luisteren. En toen zij (vervolgens) heimelijke gesprekken voerden, zeiden de onrechtplegers: “Jullie volgen slechts een betoverde man.”

انظُرْ كَيْفَ ضَرَبُوا لَكَ الْأَمْثَالَ فَضَلُّوا فَلَا يَسْتَطِيعُونَ سَبِيلًا 48

Zie hoe zij vergelijkingen van jou maken. Zij zijn afgedwaald en zij zijn niet in staat om een weg (naar de Waarheid) te vinden.

وَقَالُوا أَإِذَا كُنَّا عِظَامًا وَرُفَاتًا أَإِنَّا لَمَبْعُوثُونَ خَلْقًا جَدِيدًا 49

En zij zeiden: “Zullen wij, wanneer wij beenderen en stof zijn geworden, daadwerkelijk (weer) als nieuwe schepsels worden opgewekt?”

قُلْ كُونُوا حِجَارَةً أَوْ حَدِيدًا 50

Zeg (o Mohammed): “Wees (van) steen, of ijzer (jullie zullen hoe dan ook worden opgewekt).

أَوْ خَلْقًا مِّمَّا يَكْبُرُ فِي صُدُورِكُمْ ۚ فَسَيَقُولُونَ مَن يُعِيدُنَا ۖ قُلِ الَّذِي فَطَرَكُمْ أَوَّلَ مَرَّةٍ ۚ فَسَيُنْغِضُونَ إِلَيْكَ رُءُوسَهُمْ وَيَقُولُونَ مَتَىٰ هُوَ ۖ قُلْ عَسَىٰ أَن يَكُونَ قَرِيبًا 51

Of (wees) een schepsel dat (nog) groter in jullie borsten (d.w.z. in julliezelf) lijkt.” Zij zullen dan zeggen: “Wie zal ons doen terugkeren?” Zeg: “Degene Die jullie de eerste keer heeft geschapen.” Dan zullen zij hun hoofden naar jou bewegen (d.w.z. hun hoofden spottend schudden), en zeggen: “Wanneer zal dat zijn?” Zeg: “Wellicht kan het nabij zijn.”

يَوْمَ يَدْعُوكُمْ فَتَسْتَجِيبُونَ بِحَمْدِهِ وَتَظُنُّونَ إِن لَّبِثْتُمْ إِلَّا قَلِيلًا 52

Op de Dag waarop Hij jullie zal roepen, (en) jullie dan gehoor zullen geven (aan Zijn Oproep) met Zijn Lofuiting. En jullie zullen denken dat jullie slechts een korte tijd (op deze wereld) verbleven.

وَقُل لِّعِبَادِي يَقُولُوا الَّتِي هِيَ أَحْسَنُ ۚ إِنَّ الشَّيْطَانَ يَنزَغُ بَيْنَهُمْ ۚ إِنَّ الشَّيْطَانَ كَانَ لِلْإِنسَانِ عَدُوًّا مُّبِينًا 53

En zeg tegen Mijn dienaren dat zij dat wat beter is moeten zeggen. Waarlijk, de satan zaait verderf tussen hen. Waarlijk, de satan is voor de mens een duidelijke vijand.

رَّبُّكُمْ أَعْلَمُ بِكُمْ ۖ إِن يَشَأْ يَرْحَمْكُمْ أَوْ إِن يَشَأْ يُعَذِّبْكُمْ ۚ وَمَا أَرْسَلْنَاكَ عَلَيْهِمْ وَكِيلًا 54

Jullie Heer kent jullie het best. Als Hij het wil, is Hij Genadevol voor jullie of als Hij het wil, zal Hij jullie straffen. En Wij hebben jou (o Mohammed) niet (als) zaakwaarnemer van hen gestuurd.

وَرَبُّكَ أَعْلَمُ بِمَن فِي السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ ۗ وَلَقَدْ فَضَّلْنَا بَعْضَ النَّبِيِّينَ عَلَىٰ بَعْضٍ ۖ وَآتَيْنَا دَاوُودَ زَبُورًا 55

En jouw Heer weet wie zich in de hemelen en op de aarde bevindt. En voorzeker, Wij hebben sommige Profeten boven anderen verkozen. En Wij gaven Daawoed de Zaboer (de Psalmen).

قُلِ ادْعُوا الَّذِينَ زَعَمْتُم مِّن دُونِهِ فَلَا يَمْلِكُونَ كَشْفَ الضُّرِّ عَنكُمْ وَلَا تَحْوِيلًا 56

Zeg (o Mohammed): “Roep degenen aan waarvan jullie beweerden (dat zij goden waren) naast Hem. Zij zijn niet in staat om de tegenspoed van jullie weg te nemen noch (het) te veranderen.”

أُولَٰئِكَ الَّذِينَ يَدْعُونَ يَبْتَغُونَ إِلَىٰ رَبِّهِمُ الْوَسِيلَةَ أَيُّهُمْ أَقْرَبُ وَيَرْجُونَ رَحْمَتَهُ وَيَخَافُونَ عَذَابَهُ ۚ إِنَّ عَذَابَ رَبِّكَ كَانَ مَحْذُورًا 57

Degenen die zij aanroepen, zoeken (zelf) naar het middel dat hen nader tot hun Heer brengt. En zij wensen Zijn Genade en zij vrezen Zijn Bestraffing. Waarlijk, de Bestraffing van jouw Heer is iets om waakzaam voor te zijn.

وَإِن مِّن قَرْيَةٍ إِلَّا نَحْنُ مُهْلِكُوهَا قَبْلَ يَوْمِ الْقِيَامَةِ أَوْ مُعَذِّبُوهَا عَذَابًا شَدِيدًا ۚ كَانَ ذَٰلِكَ فِي الْكِتَابِ مَسْطُورًا 58

En er is geen stad, of Wij zullen het vernietigen vóór de Dag der Opstanding, of het bestraffen met een harde bestraffing. Dat staat in het Boek geschreven.

وَمَا مَنَعَنَا أَن نُّرْسِلَ بِالْآيَاتِ إِلَّا أَن كَذَّبَ بِهَا الْأَوَّلُونَ ۚ وَآتَيْنَا ثَمُودَ النَّاقَةَ مُبْصِرَةً فَظَلَمُوا بِهَا ۚ وَمَا نُرْسِلُ بِالْآيَاتِ إِلَّا تَخْوِيفًا 59

En niets hield Ons tegen om de tekenen te sturen (waar zij om vroegen), behalve (het feit) dat de eersten deze verloochenden (en vervolgens vernietigd werden). En Wij gaven (het volk van) Thamoed de vrouwtjeskameel als een duidelijk teken, maar zij begingen onrecht door haar (te verloochenen). En Wij stuurden geen tekenen, behalve om (hen) te doen vrezen (voor de vernietiging).

وَإِذْ قُلْنَا لَكَ إِنَّ رَبَّكَ أَحَاطَ بِالنَّاسِ ۚ وَمَا جَعَلْنَا الرُّؤْيَا الَّتِي أَرَيْنَاكَ إِلَّا فِتْنَةً لِّلنَّاسِ وَالشَّجَرَةَ الْمَلْعُونَةَ فِي الْقُرْآنِ ۚ وَنُخَوِّفُهُمْ فَمَا يَزِيدُهُمْ إِلَّا طُغْيَانًا كَبِيرًا 60

En (gedenk) toen Wij tegen jou zeiden: “Waarlijk, jouw Heer omvat de mensen (d.w.z. dat Allah de mensen in Zijn Macht heeft).” En Wij hebben de droom die Wij aan jou lieten zien slechts als een beproeving voor de mensen gemaakt, en (eveneens) de vervloekte boom (Zaqqoem, die genoemd is) in de Koran. En Wij boezemen hun angst in, maar het vermeerdert bij hen slechts grote opstandigheid.

وَإِذْ قُلْنَا لِلْمَلَائِكَةِ اسْجُدُوا لِآدَمَ فَسَجَدُوا إِلَّا إِبْلِيسَ قَالَ أَأَسْجُدُ لِمَنْ خَلَقْتَ طِينًا 61

En (gedenk) toen Wij tegen de Engelen zeiden: “Kniel neer voor Adam.” En zij knielden neer, behalve Iblies (de satan). Hij zei: “Moet ik neerknielen voor degene die U uit klei heeft geschapen?”

قَالَ أَرَأَيْتَكَ هَٰذَا الَّذِي كَرَّمْتَ عَلَيَّ لَئِنْ أَخَّرْتَنِ إِلَىٰ يَوْمِ الْقِيَامَةِ لَأَحْتَنِكَنَّ ذُرِّيَّتَهُ إِلَّا قَلِيلًا 62

Hij (satan) zei: “Ziet U degene die U boven mij heeft geëerd? Als U mij uitstel verleent tot aan de Dag der Opstanding, dan zal ik zijn nageslacht zeker doen misleiden, op slechts enkelen na.”

قَالَ اذْهَبْ فَمَن تَبِعَكَ مِنْهُمْ فَإِنَّ جَهَنَّمَ جَزَاؤُكُمْ جَزَاءً مَّوْفُورًا 63

Hij (Allah) zei: “Ga. (En wat betreft) degene onder hen die jou volgt, waarlijk, de Hel zal jullie vergelding zijn, (en dit is zeker) een omvangrijke Vergelding.

وَاسْتَفْزِزْ مَنِ اسْتَطَعْتَ مِنْهُم بِصَوْتِكَ وَأَجْلِبْ عَلَيْهِم بِخَيْلِكَ وَرَجِلِكَ وَشَارِكْهُمْ فِي الْأَمْوَالِ وَالْأَوْلَادِ وَعِدْهُمْ ۚ وَمَا يَعِدُهُمُ الشَّيْطَانُ إِلَّا غُرُورًا 64

En misleid onder hen degenen waartoe jij in staat bent met jouw stem. En roep hen op (om jou te volgen) middels jouw (ruiters te) paard en jouw voetvolk, en deel bezittingen en kinderen met hen en doe hen beloften.” En de beloften van de satan zijn niets anders dan bedrog.

إِنَّ عِبَادِي لَيْسَ لَكَ عَلَيْهِمْ سُلْطَانٌ ۚ وَكَفَىٰ بِرَبِّكَ وَكِيلًا 65

Waarlijk, over Mijn dienaren heb jij geen macht. En jouw Heer volstaat als Zaakwaarnemer.

رَّبُّكُمُ الَّذِي يُزْجِي لَكُمُ الْفُلْكَ فِي الْبَحْرِ لِتَبْتَغُوا مِن فَضْلِهِ ۚ إِنَّهُ كَانَ بِكُمْ رَحِيمًا 66

Jullie Heer is Degene Die voor jullie de schepen over de zee laat varen, opdat jullie Zijn Gunst zullen zoeken. Voorwaar, Hij is Meest Genadevol voor jullie.

وَإِذَا مَسَّكُمُ الضُّرُّ فِي الْبَحْرِ ضَلَّ مَن تَدْعُونَ إِلَّا إِيَّاهُ ۖ فَلَمَّا نَجَّاكُمْ إِلَى الْبَرِّ أَعْرَضْتُمْ ۚ وَكَانَ الْإِنسَانُ كَفُورًا 67

En wanneer jullie op de zee door tegenspoed worden getroffen, verdwijnen degenen die jullie aanroepen, behalve Hij (Allah). En toen Hij jullie veilig aan land bracht, wendden jullie je (van Hem) af. En de mens is (zeker) ondankbaar.

أَفَأَمِنتُمْ أَن يَخْسِفَ بِكُمْ جَانِبَ الْبَرِّ أَوْ يُرْسِلَ عَلَيْكُمْ حَاصِبًا ثُمَّ لَا تَجِدُوا لَكُمْ وَكِيلًا 68

Dachten jullie dan veilig te zijn (voor het feit) dat Hij jullie aan de kant van het land laat wegzinken, of dat Hij stenen (uit de hemel) op jullie afstuurt? Vervolgens zullen jullie geen zaakwaarnemer voor jullie(zelf) vinden.

أَمْ أَمِنتُمْ أَن يُعِيدَكُمْ فِيهِ تَارَةً أُخْرَىٰ فَيُرْسِلَ عَلَيْكُمْ قَاصِفًا مِّنَ الرِّيحِ فَيُغْرِقَكُم بِمَا كَفَرْتُمْ ۙ ثُمَّ لَا تَجِدُوا لَكُمْ عَلَيْنَا بِهِ تَبِيعًا 69

Of dachten jullie dan veilig te zijn (voor het feit) dat Hij jullie niet nog een keer zal doen terugkeren (naar de zee), en Hij dan een orkaanwind naar jullie stuurt die jullie dan laat verdrinken vanwege jullie ongeloof? Vervolgens zullen jullie daarin geen (enkele) wreker voor jullie(zelf) tegen Ons vinden.

وَلَقَدْ كَرَّمْنَا بَنِي آدَمَ وَحَمَلْنَاهُمْ فِي الْبَرِّ وَالْبَحْرِ وَرَزَقْنَاهُم مِّنَ الطَّيِّبَاتِ وَفَضَّلْنَاهُمْ عَلَىٰ كَثِيرٍ مِّمَّنْ خَلَقْنَا تَفْضِيلًا 70

En voorzeker, Wij hebben de kinderen van Adam geëerd en Wij hebben hen op het land en de zee gedragen. En Wij voorzagen hen van de goede zaken. En Wij hebben hen ver boven velen (anderen) onder degenen die Wij hebben geschapen verkozen.

يَوْمَ نَدْعُو كُلَّ أُنَاسٍ بِإِمَامِهِمْ ۖ فَمَنْ أُوتِيَ كِتَابَهُ بِيَمِينِهِ فَأُولَٰئِكَ يَقْرَءُونَ كِتَابَهُمْ وَلَا يُظْلَمُونَ فَتِيلًا 71

(En gedenk) de Dag waarop Wij alle mensen (bij elkaar) zullen roepen (samen) met hun leider. Wie dan zijn boek in zijn rechterhand wordt gegeven, zij zullen hun boek lezen en hun zal niet eens ter grootte van een Fatiela aan onrecht worden aangedaan.

وَمَن كَانَ فِي هَٰذِهِ أَعْمَىٰ فَهُوَ فِي الْآخِرَةِ أَعْمَىٰ وَأَضَلُّ سَبِيلًا 72

En wie blind is in deze (wereld), zal in het Hiernamaals (ook) blind zijn en (daadwerkelijk) afgedwaald zijn van de (rechte) Weg.

وَإِن كَادُوا لَيَفْتِنُونَكَ عَنِ الَّذِي أَوْحَيْنَا إِلَيْكَ لِتَفْتَرِيَ عَلَيْنَا غَيْرَهُ ۖ وَإِذًا لَّاتَّخَذُوكَ خَلِيلًا 73

En zij hadden jou zeker bijna beproefd met datgene wat Wij aan jou openbaarden, opdat jij iets anders over Ons zou verzinnen. En dan hadden zij jou zeker als boezemvriend genomen.

وَلَوْلَا أَن ثَبَّتْنَاكَ لَقَدْ كِدتَّ تَرْكَنُ إِلَيْهِمْ شَيْئًا قَلِيلًا 74

En als Wij jou niet standvastig hadden gemaakt, voorzeker, dan zou jij bijna een klein beetje naar hen neigen.

إِذًا لَّأَذَقْنَاكَ ضِعْفَ الْحَيَاةِ وَضِعْفَ الْمَمَاتِ ثُمَّ لَا تَجِدُ لَكَ عَلَيْنَا نَصِيرًا 75

Dan zouden Wij jou een dubbel deel laten proeven van (de bestraffing van) dit leven en een dubbel deel van (de bestraffing van) de dood. Vervolgens zul jij voor jezelf geen helper tegen Ons kunnen vinden.

وَإِن كَادُوا لَيَسْتَفِزُّونَكَ مِنَ الْأَرْضِ لِيُخْرِجُوكَ مِنْهَا ۖ وَإِذًا لَّا يَلْبَثُونَ خِلَافَكَ إِلَّا قَلِيلًا 76

En zij hadden jou bijna uit het land verjaagd, om jou daaruit te verdrijven. En dan zouden zij daar na jou niet verblijven, behalve voor een korte tijd.

سُنَّةَ مَن قَدْ أَرْسَلْنَا قَبْلَكَ مِن رُّسُلِنَا ۖ وَلَا تَجِدُ لِسُنَّتِنَا تَحْوِيلًا 77

(Dit is) het voorbeeld van Onze Boodschappers die Wij zeker vóór jou (o Mohammed) hebben gestuurd. En jij zult geen verandering kunnen vinden in Ons Voorbeeld.

أَقِمِ الصَّلَاةَ لِدُلُوكِ الشَّمْسِ إِلَىٰ غَسَقِ اللَّيْلِ وَقُرْآنَ الْفَجْرِ ۖ إِنَّ قُرْآنَ الْفَجْرِ كَانَ مَشْهُودًا 78

Onderhoud het gebed zodra de zon afwijkt (van haar hoogste stand) tot aan de donkerte van de nacht en (reciteer) de Koran bij de dageraad (d.w.z. verricht het ochtendgebed). Voorwaar, van (het reciteren van) de Koran bij de dageraad wordt (door de Engelen) getuigd.

وَمِنَ اللَّيْلِ فَتَهَجَّدْ بِهِ نَافِلَةً لَّكَ عَسَىٰ أَن يَبْعَثَكَ رَبُّكَ مَقَامًا مَّحْمُودًا 79

En verricht het gebed in (een gedeelte van) de nacht, als aanbevolen (gebed) voor jou (o Mohammed). Wellicht zal jouw Heer jou een geprezen positie doen toekomen (d.w.z. de hoogste rang in het Paradijs).

وَقُل رَّبِّ أَدْخِلْنِي مُدْخَلَ صِدْقٍ وَأَخْرِجْنِي مُخْرَجَ صِدْقٍ وَاجْعَل لِّي مِن لَّدُنكَ سُلْطَانًا نَّصِيرًا 80

En zeg (o Mohammed): “Mijn Heer, laat mij een eerzame plaats binnentreden en laat mij een eerzame plaats verlaten. En stel voor mij van Uw Zijde een helpende Macht aan.”

وَقُلْ جَاءَ الْحَقُّ وَزَهَقَ الْبَاطِلُ ۚ إِنَّ الْبَاطِلَ كَانَ زَهُوقًا 81

En zeg: “De Waarheid is gekomen en de valsheid is verdwenen. Waarlijk, de valsheid zal (zeker) verdwijnen.”

وَنُنَزِّلُ مِنَ الْقُرْآنِ مَا هُوَ شِفَاءٌ وَرَحْمَةٌ لِّلْمُؤْمِنِينَ ۙ وَلَا يَزِيدُ الظَّالِمِينَ إِلَّا خَسَارًا 82

En Wij zenden (datgene) van de Koran neer wat een Genezing en Genade voor de gelovigen is. En het vermeerdert bij de onrechtplegers niets anders dan verlies.

وَإِذَا أَنْعَمْنَا عَلَى الْإِنسَانِ أَعْرَضَ وَنَأَىٰ بِجَانِبِهِ ۖ وَإِذَا مَسَّهُ الشَّرُّ كَانَ يَئُوسًا 83

En wanneer Wij de mens begunstigen, wendt hij zich af en zet hij zich (tegen Ons) af. En wanneer het slechte hem treft, wordt hij wanhopig.

قُلْ كُلٌّ يَعْمَلُ عَلَىٰ شَاكِلَتِهِ فَرَبُّكُمْ أَعْلَمُ بِمَنْ هُوَ أَهْدَىٰ سَبِيلًا 84

Zeg (o Mohammed): “Eenieder handelt op zijn eigen manier. En jullie Heer is Alwetend over degene die naar de (rechte) Weg is geleid.”

وَيَسْأَلُونَكَ عَنِ الرُّوحِ ۖ قُلِ الرُّوحُ مِنْ أَمْرِ رَبِّي وَمَا أُوتِيتُم مِّنَ الْعِلْمِ إِلَّا قَلِيلًا 85

En zij vragen jou (o Mohammed) over de ziel. Zeg: “De ziel behoort tot de Zaak van mijn Heer. En jullie is slechts een geringe mate van kennis (hierover) gegeven.”

وَلَئِن شِئْنَا لَنَذْهَبَنَّ بِالَّذِي أَوْحَيْنَا إِلَيْكَ ثُمَّ لَا تَجِدُ لَكَ بِهِ عَلَيْنَا وَكِيلًا 86

En als Wij het hadden gewild, dan zouden Wij datgene wat Wij aan jou openbaarden (d.w.z. de Koran) zeker hebben weggenomen. Vervolgens zul jij daarvoor (d.w.z. voor het terugkrijgen van de Openbaring) geen zaakwaarnemer tegen Ons vinden.

إِلَّا رَحْمَةً مِّن رَّبِّكَ ۚ إِنَّ فَضْلَهُ كَانَ عَلَيْكَ كَبِيرًا 87

Behalve als Genade van jouw Heer. Voorwaar, Zijn Gunst voor jou (o Mohammed) is groot.

قُل لَّئِنِ اجْتَمَعَتِ الْإِنسُ وَالْجِنُّ عَلَىٰ أَن يَأْتُوا بِمِثْلِ هَٰذَا الْقُرْآنِ لَا يَأْتُونَ بِمِثْلِهِ وَلَوْ كَانَ بَعْضُهُمْ لِبَعْضٍ ظَهِيرًا 88

Zeg: “Als de mensen en de djinns zich zouden verzamelen om met het gelijke aan deze Koran te komen, dan zouden zij niet met het gelijke hieraan kunnen komen, ook al zouden zij elkaar (hierbij) helpen.”

وَلَقَدْ صَرَّفْنَا لِلنَّاسِ فِي هَٰذَا الْقُرْآنِ مِن كُلِّ مَثَلٍ فَأَبَىٰ أَكْثَرُ النَّاسِ إِلَّا كُفُورًا 89

En voorzeker, Wij hebben voor de mensen in deze Koran alle voorbeelden herhaald, maar de meeste mensen weigeren (in de Waarheid te geloven) en zijn slechts ondankbaar.

وَقَالُوا لَن نُّؤْمِنَ لَكَ حَتَّىٰ تَفْجُرَ لَنَا مِنَ الْأَرْضِ يَنبُوعًا 90

En zij zeiden: “Wij zullen jou niet geloven, totdat jij een waterbron uit de aarde voor ons doet ontspringen.

أَوْ تَكُونَ لَكَ جَنَّةٌ مِّن نَّخِيلٍ وَعِنَبٍ فَتُفَجِّرَ الْأَنْهَارَ خِلَالَهَا تَفْجِيرًا 91

Of (totdat) er voor jou een tuin met dadelpalmen en druiven zal zijn en jij daartussen dan overvloedige rivieren doet ontspringen.

أَوْ تُسْقِطَ السَّمَاءَ كَمَا زَعَمْتَ عَلَيْنَا كِسَفًا أَوْ تَأْتِيَ بِاللَّهِ وَالْمَلَائِكَةِ قَبِيلًا 92

Of (totdat) jij de hemel in stukken op ons doet neervallen, zoals jij beweerde. Of (totdat) jij met Allah en de Engelen komt, zodat wij hen kunnen aanschouwen.

أَوْ يَكُونَ لَكَ بَيْتٌ مِّن زُخْرُفٍ أَوْ تَرْقَىٰ فِي السَّمَاءِ وَلَن نُّؤْمِنَ لِرُقِيِّكَ حَتَّىٰ تُنَزِّلَ عَلَيْنَا كِتَابًا نَّقْرَؤُهُ ۗ قُلْ سُبْحَانَ رَبِّي هَلْ كُنتُ إِلَّا بَشَرًا رَّسُولًا 93

Of (totdat) er voor jou een huis van goud zal zijn, of (totdat) jij opstijgt naar de hemel. En wij zullen (zelfs dan) niet in jouw opstijging geloven, totdat jij aan ons een boek neerzendt dat wij zullen lezen.” Zeg (o Mohammed): “Verheven is mijn Heer. Ben ik niet slechts een mens, (gezonden als) een Boodschapper?”

وَمَا مَنَعَ النَّاسَ أَن يُؤْمِنُوا إِذْ جَاءَهُمُ الْهُدَىٰ إِلَّا أَن قَالُوا أَبَعَثَ اللَّهُ بَشَرًا رَّسُولًا 94

En niets hield de mensen tegen om te geloven toen de Leiding tot hen kwam, behalve (het feit) dat zij zeiden: “Heeft Allah een mens, als Boodschapper gezonden?”

قُل لَّوْ كَانَ فِي الْأَرْضِ مَلَائِكَةٌ يَمْشُونَ مُطْمَئِنِّينَ لَنَزَّلْنَا عَلَيْهِم مِّنَ السَّمَاءِ مَلَكًا رَّسُولًا 95

Zeg: “Als er op de aarde Engelen waren die in rust (rond zouden) lopen, dan zouden Wij zeker een Engel als een Boodschapper vanuit de hemel tot hen hebben neergezonden.”

قُلْ كَفَىٰ بِاللَّهِ شَهِيدًا بَيْنِي وَبَيْنَكُمْ ۚ إِنَّهُ كَانَ بِعِبَادِهِ خَبِيرًا بَصِيرًا 96

Zeg: “Allah volstaat als Getuige tussen mij en jullie. Waarlijk, Hij is Alwetend (over het onwaarneembare) en Alziend over Zijn dienaren.”

وَمَن يَهْدِ اللَّهُ فَهُوَ الْمُهْتَدِ ۖ وَمَن يُضْلِلْ فَلَن تَجِدَ لَهُمْ أَوْلِيَاءَ مِن دُونِهِ ۖ وَنَحْشُرُهُمْ يَوْمَ الْقِيَامَةِ عَلَىٰ وُجُوهِهِمْ عُمْيًا وَبُكْمًا وَصُمًّا ۖ مَّأْوَاهُمْ جَهَنَّمُ ۖ كُلَّمَا خَبَتْ زِدْنَاهُمْ سَعِيرًا 97

En degene die Allah leidt, hij is recht geleid. En degene die Hij doet afdwalen, voor hen zul jij nooit beschermers vinden naast Hem. En Wij zullen hen op de Dag der Opstanding op hun gezichten verzamelen, (zij zullen) blind, stom en doof (zijn). Hun verblijfplaats is de Hel. Telkens wanneer het (Vuur) verzwakt, doen Wij het laaiende Vuur (weer) toenemen voor hen.

ذَٰلِكَ جَزَاؤُهُم بِأَنَّهُمْ كَفَرُوا بِآيَاتِنَا وَقَالُوا أَإِذَا كُنَّا عِظَامًا وَرُفَاتًا أَإِنَّا لَمَبْعُوثُونَ خَلْقًا جَدِيدًا 98

Dit is hun vergelding, omdat zij Onze Verzen verloochenden. En zij zeiden: “Zullen wij, wanneer wij beenderen en overblijfselen zijn geworden, daadwerkelijk (weer) als nieuwe schepsels worden opgewekt?”

أَوَلَمْ يَرَوْا أَنَّ اللَّهَ الَّذِي خَلَقَ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضَ قَادِرٌ عَلَىٰ أَن يَخْلُقَ مِثْلَهُمْ وَجَعَلَ لَهُمْ أَجَلًا لَّا رَيْبَ فِيهِ فَأَبَى الظَّالِمُونَ إِلَّا كُفُورًا 99

Hebben zij dan niet gezien dat Allah, Degene Die de hemelen en de aarde heeft geschapen, in staat is om het gelijke daaraan te scheppen? En Hij bepaalde voor hen een (vastgesteld) tijdstip, waarover geen twijfel bestaat. Maar de onrechtplegers weigeren (in de Waarheid te geloven) en zijn slechts ondankbaar.

قُل لَّوْ أَنتُمْ تَمْلِكُونَ خَزَائِنَ رَحْمَةِ رَبِّي إِذًا لَّأَمْسَكْتُمْ خَشْيَةَ الْإِنفَاقِ ۚ وَكَانَ الْإِنسَانُ قَتُورًا 100

Zeg: “Als jullie de schatten van de Genade van mijn Heer zouden bezitten, dan zouden jullie het zeker vasthouden, uit vrees om het uit te geven. En de mens is (zeer) gierig.”

وَلَقَدْ آتَيْنَا مُوسَىٰ تِسْعَ آيَاتٍ بَيِّنَاتٍ ۖ فَاسْأَلْ بَنِي إِسْرَائِيلَ إِذْ جَاءَهُمْ فَقَالَ لَهُ فِرْعَوْنُ إِنِّي لَأَظُنُّكَ يَا مُوسَىٰ مَسْحُورًا 101

En voorzeker, Wij gaven Moesa negen duidelijke tekenen. Vraag het maar aan de kinderen van Israël. Toen hij tot hen kwam, zei de farao tegen hem: “O Moesa, voorwaar, ik denk dat jij zeker betoverd bent.”

قَالَ لَقَدْ عَلِمْتَ مَا أَنزَلَ هَٰؤُلَاءِ إِلَّا رَبُّ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ بَصَائِرَ وَإِنِّي لَأَظُنُّكَ يَا فِرْعَوْنُ مَثْبُورًا 102

Hij (Moesa) zei: “Voorzeker, jij weet dat deze (negen tekenen) door niemand anders dan de Heer van de hemelen en de aarde zijn neergezonden, als (een duidelijk) Bewijs. En o farao, voorwaar, ik ben er zeker van overtuigd dat jij gedoemd bent tot (de) vernietiging.”

فَأَرَادَ أَن يَسْتَفِزَّهُم مِّنَ الْأَرْضِ فَأَغْرَقْنَاهُ وَمَن مَّعَهُ جَمِيعًا 103

Waarna hij (d.w.z. de farao) hen uit het land wilde verjagen, dus lieten Wij hem en degenen die met hem waren allemaal verdrinken.

وَقُلْنَا مِن بَعْدِهِ لِبَنِي إِسْرَائِيلَ اسْكُنُوا الْأَرْضَ فَإِذَا جَاءَ وَعْدُ الْآخِرَةِ جِئْنَا بِكُمْ لَفِيفًا 104

En Wij zeiden na hem tegen de kinderen van Israël: “Bewoon de aarde. En wanneer de laatste Belofte komt, zullen Wij jullie allen laten komen.”

وَبِالْحَقِّ أَنزَلْنَاهُ وَبِالْحَقِّ نَزَلَ ۗ وَمَا أَرْسَلْنَاكَ إِلَّا مُبَشِّرًا وَنَذِيرًا 105

En met de Waarheid hebben Wij het (d.w.z. de Koran) neergezonden. En met de Waarheid is het neergezonden. En Wij hebben jou slechts gestuurd als verkondiger van verheugende Tijdingen en als waarschuwer.

وَقُرْآنًا فَرَقْنَاهُ لِتَقْرَأَهُ عَلَى النَّاسِ عَلَىٰ مُكْثٍ وَنَزَّلْنَاهُ تَنزِيلًا 106

En (het is) een Koran die Wij (in delen) hebben verdeeld, opdat jij het bedaard aan de mensen zult voordragen. En Wij hebben het (d.w.z. de Koran) in delen neergezonden.

قُلْ آمِنُوا بِهِ أَوْ لَا تُؤْمِنُوا ۚ إِنَّ الَّذِينَ أُوتُوا الْعِلْمَ مِن قَبْلِهِ إِذَا يُتْلَىٰ عَلَيْهِمْ يَخِرُّونَ لِلْأَذْقَانِ سُجَّدًا 107

Zeg (o Mohammed tegen hen): “Geloof erin of geloof (er) niet (in). Voorwaar, degenen aan wie de kennis daarvóór is gegeven (d.w.z. de joden en de christenen), vallen knielend op hun baarden (d.w.z. op hun gezichten) neer, wanneer (het) aan hen wordt voorgedragen.”

وَيَقُولُونَ سُبْحَانَ رَبِّنَا إِن كَانَ وَعْدُ رَبِّنَا لَمَفْعُولًا 108

En zij zeggen: “Verheven is onze Heer, de Belofte van onze Heer komt zeker altijd ten uitvoer.”

وَيَخِرُّونَ لِلْأَذْقَانِ يَبْكُونَ وَيَزِيدُهُمْ خُشُوعًا ۩ 109

En zij vallen huilend op hun baarden (d.w.z. op hun gezichten) neer en het vermeerdert hun vrees.

قُلِ ادْعُوا اللَّهَ أَوِ ادْعُوا الرَّحْمَٰنَ ۖ أَيًّا مَّا تَدْعُوا فَلَهُ الْأَسْمَاءُ الْحُسْنَىٰ ۚ وَلَا تَجْهَرْ بِصَلَاتِكَ وَلَا تُخَافِتْ بِهَا وَابْتَغِ بَيْنَ ذَٰلِكَ سَبِيلًا 110

Zeg: “Roep Allah aan of roep de Meest Barmhartige (d.w.z. Allah) aan. Waarmee (d.w.z. met welke Naam) jullie (Hem) ook aanroepen, aan Hem behoren de Schone Namen toe. En verricht jouw gebed niet hardop en niet zacht, maar zoek daarin een middenweg.”

وَقُلِ الْحَمْدُ لِلَّهِ الَّذِي لَمْ يَتَّخِذْ وَلَدًا وَلَمْ يَكُن لَّهُ شَرِيكٌ فِي الْمُلْكِ وَلَمْ يَكُن لَّهُ وَلِيٌّ مِّنَ الذُّلِّ ۖ وَكَبِّرْهُ تَكْبِيرًا 111

En zeg: “(Alle) lof zij Allah, Die Zich geen kind heeft genomen en Die geen deelgenoten heeft in het Koningschap. En Die geen helper (nodig) heeft die Hem van de vernedering bevrijdt. En verheerlijk Hem met alle verhevenheid.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Close