Soera 15 – Al-Hijr – Het Rotsachtige Pad – الحجر

bismillah ir rahman ir rahim

الر ۚ تِلْكَ آيَاتُ الْكِتَابِ وَقُرْآنٍ مُّبِينٍ 1

Alif-Laam-Raa. Dit zijn de Verzen van het Boek, en (van) een duidelijke Koran.

رُّبَمَا يَوَدُّ الَّذِينَ كَفَرُوا لَوْ كَانُوا مُسْلِمِينَ 2

Soms wensen degenen die niet geloven dat zij moslims zouden zijn.

ذَرْهُمْ يَأْكُلُوا وَيَتَمَتَّعُوا وَيُلْهِهِمُ الْأَمَلُ ۖ فَسَوْفَ يَعْلَمُونَ 3

Laat hen eten en genieten, en laat hen door valse hoop worden beziggehouden. Zij zullen het spoedig weten.

وَمَا أَهْلَكْنَا مِن قَرْيَةٍ إِلَّا وَلَهَا كِتَابٌ مَّعْلُومٌ 4

En Wij hebben geen stad vernietigd, of het was na (het aanbreken van) haar bekende tijdstip.

مَّا تَسْبِقُ مِنْ أُمَّةٍ أَجَلَهَا وَمَا يَسْتَأْخِرُونَ 5

Er is (namelijk) geen gemeenschap die haar (vastgestelde) tijdstip voorgaat, noch kan uitstellen.

وَقَالُوا يَا أَيُّهَا الَّذِي نُزِّلَ عَلَيْهِ الذِّكْرُ إِنَّكَ لَمَجْنُونٌ 6

En zij zeiden: “O jij (Mohammed), degene aan wie de Vermaning is neergezonden, waarlijk, jij bent zeker een bezetene.

لَّوْ مَا تَأْتِينَا بِالْمَلَائِكَةِ إِن كُنتَ مِنَ الصَّادِقِينَ 7

Waarom breng jij de Engelen niet voor ons (om te getuigen voor jou), als jij tot de waarachtigen behoort?”

مَا نُنَزِّلُ الْمَلَائِكَةَ إِلَّا بِالْحَقِّ وَمَا كَانُوا إِذًا مُّنظَرِينَ 8

Wij zenden de Engelen slechts met de waarheid neer. En hun (d.w.z. de ongelovigen) zal op dat moment geen uitstel worden verleend.

إِنَّا نَحْنُ نَزَّلْنَا الذِّكْرَ وَإِنَّا لَهُ لَحَافِظُونَ 9

Voorwaar, Wij hebben de Vermaning (d.w.z. de Koran) neergezonden. En waarlijk, Wij zullen er zeker over waken.

وَلَقَدْ أَرْسَلْنَا مِن قَبْلِكَ فِي شِيَعِ الْأَوَّلِينَ 10

En voorzeker, Wij stuurden vóór jou (Boodschappers) naar de eerdere gemeenschappen.

وَمَا يَأْتِيهِم مِّن رَّسُولٍ إِلَّا كَانُوا بِهِ يَسْتَهْزِئُونَ 11

En er is geen Boodschapper tot hen gekomen, of zij dreven de spot met hem.

كَذَٰلِكَ نَسْلُكُهُ فِي قُلُوبِ الْمُجْرِمِينَ 12

Zo laten Wij het (ongeloof) in de harten van de misdadigers doordringen.

لَا يُؤْمِنُونَ بِهِ ۖ وَقَدْ خَلَتْ سُنَّةُ الْأَوَّلِينَ 13

Zij zullen er niet in geloven. En zo is er zeker (voor hen) het voorbeeld (d.w.z. de bestraffing) van de eerdere gemeenschappen dat reeds is heengegaan.

وَلَوْ فَتَحْنَا عَلَيْهِم بَابًا مِّنَ السَّمَاءِ فَظَلُّوا فِيهِ يَعْرُجُونَ 14

En (zelfs) als Wij een poort van de hemel voor hen zouden openen en zij ernaar zouden blijven opstijgen.

لَقَالُوا إِنَّمَا سُكِّرَتْ أَبْصَارُنَا بَلْ نَحْنُ قَوْمٌ مَّسْحُورُونَ 15

Dan zouden zij zeker zeggen: “Onze zichten zijn slechts verblind. Welnee! Wij zijn een volk dat betoverd is.”

وَلَقَدْ جَعَلْنَا فِي السَّمَاءِ بُرُوجًا وَزَيَّنَّاهَا لِلنَّاظِرِينَ 16

En voorzeker, Wij hebben in de hemel sterren gemaakt en deze voor de aanschouwers verfraaid.

وَحَفِظْنَاهَا مِن كُلِّ شَيْطَانٍ رَّجِيمٍ 17

En Wij hebben deze (hemel) beschermd tegen elke verdreven satan.

إِلَّا مَنِ اسْتَرَقَ السَّمْعَ فَأَتْبَعَهُ شِهَابٌ مُّبِينٌ 18

Behalve (tegen) degene (d.w.z. de satan) die luistervinkt. Maar dan wordt hij (na het luistervinken) gevolgd door een treffende vuurpijl.

وَالْأَرْضَ مَدَدْنَاهَا وَأَلْقَيْنَا فِيهَا رَوَاسِيَ وَأَنبَتْنَا فِيهَا مِن كُلِّ شَيْءٍ مَّوْزُونٍ 19

En de aarde hebben Wij uitgespreid en daarop hebben Wij stevige bergen geplaatst. En daaruit (d.w.z. uit de aarde) hebben Wij van alles, volgens een bepaalde maat, voortgebracht.

وَجَعَلْنَا لَكُمْ فِيهَا مَعَايِشَ وَمَن لَّسْتُمْ لَهُ بِرَازِقِينَ 20

En Wij hebben daarop levensvoorzieningen voor jullie gemaakt, en (ook) voor degene die jullie zelf niet (van levensonderhoud) kunnen voorzien.

وَإِن مِّن شَيْءٍ إِلَّا عِندَنَا خَزَائِنُهُ وَمَا نُنَزِّلُهُ إِلَّا بِقَدَرٍ مَّعْلُومٍ 21

En er is niets, of Wij bezitten de schatten daarvan. En Wij zenden het slechts neer volgens een bepaalde maat.

وَأَرْسَلْنَا الرِّيَاحَ لَوَاقِحَ فَأَنزَلْنَا مِنَ السَّمَاءِ مَاءً فَأَسْقَيْنَاكُمُوهُ وَمَا أَنتُمْ لَهُ بِخَازِنِينَ 22

En Wij hebben de winden ter bevruchting gestuurd (door het dragen van water). Vervolgens zonden Wij water uit de hemel neer en schonken Wij jullie hiervan. En jullie bezitten niet de schatten daarvan.

وَإِنَّا لَنَحْنُ نُحْيِي وَنُمِيتُ وَنَحْنُ الْوَارِثُونَ 23

En waarlijk, Wij zijn zeker Degenen Die doen leven en doen sterven. En Wij zijn de Erfgenamen.

وَلَقَدْ عَلِمْنَا الْمُسْتَقْدِمِينَ مِنكُمْ وَلَقَدْ عَلِمْنَا الْمُسْتَأْخِرِينَ 24

En voorzeker, Wij zijn op de hoogte van jullie vroegere (generaties). En voorzeker, Wij zijn op de hoogte van de latere (generaties).

وَإِنَّ رَبَّكَ هُوَ يَحْشُرُهُمْ ۚ إِنَّهُ حَكِيمٌ عَلِيمٌ 25

En waarlijk, jouw Heer, Hij zal hen verzamelen. Voorwaar, Hij is Alwijs, Alwetend.

وَلَقَدْ خَلَقْنَا الْإِنسَانَ مِن صَلْصَالٍ مِّنْ حَمَإٍ مَّسْنُونٍ 26

En voorzeker, Wij hebben de mens geschapen uit harde klei (die ontstaan is) van zachte aarde.

وَالْجَانَّ خَلَقْنَاهُ مِن قَبْلُ مِن نَّارِ السَّمُومِ 27

En de djinns hebben Wij eerder uit rookloos vuur geschapen.

وَإِذْ قَالَ رَبُّكَ لِلْمَلَائِكَةِ إِنِّي خَالِقٌ بَشَرًا مِّن صَلْصَالٍ مِّنْ حَمَإٍ مَّسْنُونٍ 28

En (gedenk) toen jouw Heer tegen de Engelen zei: “Waarlijk, Ik zal een mens scheppen uit harde klei (die ontstaan is) van zachte aarde.

فَإِذَا سَوَّيْتُهُ وَنَفَخْتُ فِيهِ مِن رُّوحِي فَقَعُوا لَهُ سَاجِدِينَ 29

Wanneer Ik hem dan vorm geef, en in hem blaas van Mijn Ziel, werp jullie dan knielend voor hem neer.”

فَسَجَدَ الْمَلَائِكَةُ كُلُّهُمْ أَجْمَعُونَ 30

Dus de Engelen knielden allen tezamen neer.

إِلَّا إِبْلِيسَ أَبَىٰ أَن يَكُونَ مَعَ السَّاجِدِينَ 31

Behalve Iblies (de satan), hij weigerde om tot de neerknielenden te behoren.

قَالَ يَا إِبْلِيسُ مَا لَكَ أَلَّا تَكُونَ مَعَ السَّاجِدِينَ 32

Hij (Allah) zei: “O Iblies (satan), waarom behoor jij niet tot de neerknielenden?”

قَالَ لَمْ أَكُن لِّأَسْجُدَ لِبَشَرٍ خَلَقْتَهُ مِن صَلْصَالٍ مِّنْ حَمَإٍ مَّسْنُونٍ 33

Hij (satan) zei: “Ik zal niet neerknielen voor een mens die U geschapen heeft uit harde klei (die ontstaan is) van zachte aarde.”

قَالَ فَاخْرُجْ مِنْهَا فَإِنَّكَ رَجِيمٌ 34

Hij (Allah) zei: “Vertrek daaruit (d.w.z. uit het Paradijs). Voorwaar, jij bent verdreven.

وَإِنَّ عَلَيْكَ اللَّعْنَةَ إِلَىٰ يَوْمِ الدِّينِ 35

En voorwaar, op jou rust de vloek tot aan de Dag van de Vergelding.”

قَالَ رَبِّ فَأَنظِرْنِي إِلَىٰ يَوْمِ يُبْعَثُونَ 36

Hij (satan) zei: “Mijn Heer, verleen mij dan uitstel tot aan de Dag waarop zij opgewekt zullen worden.”

قَالَ فَإِنَّكَ مِنَ الْمُنظَرِينَ 37

Hij (Allah) zei: “Waarlijk, jij behoort dan tot degenen aan wie uitstel is verleend.

إِلَىٰ يَوْمِ الْوَقْتِ الْمَعْلُومِ 38

Tot aan de Dag van het bekende tijdstip.”

قَالَ رَبِّ بِمَا أَغْوَيْتَنِي لَأُزَيِّنَنَّ لَهُمْ فِي الْأَرْضِ وَلَأُغْوِيَنَّهُمْ أَجْمَعِينَ 39

Hij (satan) zei: “Mijn Heer, omdat U mij heeft doen afdwalen, zal ik zeker (de zonden) voor hen op aarde schoonschijnend maken. En ik zal hen zeker allen laten afdwalen.

إِلَّا عِبَادَكَ مِنْهُمُ الْمُخْلَصِينَ 40

Behalve Uw (zuiver) toegewijde dienaren onder hen.”

قَالَ هَٰذَا صِرَاطٌ عَلَيَّ مُسْتَقِيمٌ 41

Hij (Allah) zei: “Dit is het rechte Pad (dat leidt) naar Mij.

إِنَّ عِبَادِي لَيْسَ لَكَ عَلَيْهِمْ سُلْطَانٌ إِلَّا مَنِ اتَّبَعَكَ مِنَ الْغَاوِينَ 42

Waarlijk, over Mijn dienaren heb jij geen macht, behalve degenen die jou volgen onder de dwalenden.

وَإِنَّ جَهَنَّمَ لَمَوْعِدُهُمْ أَجْمَعِينَ 43

En voorwaar, de Hel is zeker hun ontmoetingsplaats (voor hen) allemaal.

لَهَا سَبْعَةُ أَبْوَابٍ لِّكُلِّ بَابٍ مِّنْهُمْ جُزْءٌ مَّقْسُومٌ 44

Het (d.w.z. de Hel) heeft zeven poorten. Aan elke poort is een (specifiek) deel (van de volgelingen van de satan) toegewezen.

إِنَّ الْمُتَّقِينَ فِي جَنَّاتٍ وَعُيُونٍ 45

Waarlijk, de godsvruchtigen zullen zich in Tuinen en bij (water)bronnen bevinden.

ادْخُلُوهَا بِسَلَامٍ آمِنِينَ 46

(Er zal tegen hen gezegd worden:) “Treed het (d.w.z. het Paradijs) binnen in vrede en (in) veiligheid.”

وَنَزَعْنَا مَا فِي صُدُورِهِم مِّنْ غِلٍّ إِخْوَانًا عَلَىٰ سُرُرٍ مُّتَقَابِلِينَ 47

En Wij nemen datgene wat zich in hun borsten (d.w.z. in hun harten) aan wrok bevindt weg. (Zij zullen als) broeders tegenover elkaar (zitten) op ligstoelen.

لَا يَمَسُّهُمْ فِيهَا نَصَبٌ وَمَا هُم مِّنْهَا بِمُخْرَجِينَ 48

Zij zullen daarin niet getroffen worden door vermoeidheid, noch zullen zij daaruit verdreven worden.”

نَبِّئْ عِبَادِي أَنِّي أَنَا الْغَفُورُ الرَّحِيمُ 49

Bericht Mijn dienaren (o Mohammed) dat Ik waarlijk de Meest Vergevingsgezinde, de Meest Genadevolle ben.

وَأَنَّ عَذَابِي هُوَ الْعَذَابُ الْأَلِيمُ 50

En dat Mijn Bestraffing waarlijk de pijnlijkste Bestraffing is.

وَنَبِّئْهُمْ عَن ضَيْفِ إِبْرَاهِيمَ 51

En bericht hun over de gasten van Ibraahiem.

إِذْ دَخَلُوا عَلَيْهِ فَقَالُوا سَلَامًا قَالَ إِنَّا مِنكُمْ وَجِلُونَ 52

Toen zij bij hem (thuis) binnentraden en zeiden: “Salaam.” Hij (Ibraahiem) antwoordde: “Waarlijk, wij zijn bang voor jullie.”

قَالُوا لَا تَوْجَلْ إِنَّا نُبَشِّرُكَ بِغُلَامٍ عَلِيمٍ 53

Zij zeiden: “Wees niet bang. Waarlijk, wij verkondigen jou de verheugende tijding van (de geboorte van) een zoon met kennis.”

قَالَ أَبَشَّرْتُمُونِي عَلَىٰ أَن مَّسَّنِيَ الْكِبَرُ فَبِمَ تُبَشِّرُونَ 54

Hij (Ibraahiem) zei: “Verkondigen jullie mij de verheugende tijding (van de geboorte van een zoon), terwijl ik door ouderdom ben getroffen? Waarmee verheugen jullie mij dan?”

قَالُوا بَشَّرْنَاكَ بِالْحَقِّ فَلَا تَكُن مِّنَ الْقَانِطِينَ 55

Zij (de gasten) zeiden: “Wij verkondigen jou de verheugende tijding naar waarheid, dus behoor niet tot de wanhopigen.”

قَالَ وَمَن يَقْنَطُ مِن رَّحْمَةِ رَبِّهِ إِلَّا الضَّالُّونَ 56

Hij (Ibraahiem) zei: “En wie wanhoopt er aan de Genade van zijn Heer, behalve de dwalenden?”

قَالَ فَمَا خَطْبُكُمْ أَيُّهَا الْمُرْسَلُونَ 57

Hij (Ibraahiem) zei: “Wat is dan jullie verhaal, o Gezanten?”

قَالُوا إِنَّا أُرْسِلْنَا إِلَىٰ قَوْمٍ مُّجْرِمِينَ 58

Zij (de Engelen) zeiden: “Voorwaar, wij zijn naar een misdadig volk gestuurd.

إِلَّا آلَ لُوطٍ إِنَّا لَمُنَجُّوهُمْ أَجْمَعِينَ 59

Met uitzondering van de familie van Loet. Waarlijk, wij zullen hen allen zeker redden.

إِلَّا امْرَأَتَهُ قَدَّرْنَا ۙ إِنَّهَا لَمِنَ الْغَابِرِينَ 60

Behalve zijn vrouw. Wij hebben bepaald dat zij waarlijk tot de achterblijvers behoort.”

فَلَمَّا جَاءَ آلَ لُوطٍ الْمُرْسَلُونَ 61

Toen de Gezanten (d.w.z. de Engelen) tot de familie van Loet kwamen.

قَالَ إِنَّكُمْ قَوْمٌ مُّنكَرُونَ 62

Zei hij (Loet): “Voorwaar, jullie zijn (voor mij) een onbekend volk.”

قَالُوا بَلْ جِئْنَاكَ بِمَا كَانُوا فِيهِ يَمْتَرُونَ 63

Zij zeiden: “Welnee! Wij zijn naar jou gekomen met datgene waarover zij twijfelden.

وَأَتَيْنَاكَ بِالْحَقِّ وَإِنَّا لَصَادِقُونَ 64

En wij zijn met de Waarheid naar jou gekomen. En voorwaar, wij zijn zeker waarachtig.

فَأَسْرِ بِأَهْلِكَ بِقِطْعٍ مِّنَ اللَّيْلِ وَاتَّبِعْ أَدْبَارَهُمْ وَلَا يَلْتَفِتْ مِنكُمْ أَحَدٌ وَامْضُوا حَيْثُ تُؤْمَرُونَ 65

Dus reis in een deel van de nacht met jouw familie, en loop achter hen aan. En laat niemand van jullie achterom kijken, en ga daarheen waar jullie is bevolen.”

وَقَضَيْنَا إِلَيْهِ ذَٰلِكَ الْأَمْرَ أَنَّ دَابِرَ هَٰؤُلَاءِ مَقْطُوعٌ مُّصْبِحِينَ 66

En Wij hebben deze zaak (reeds) voor hem bepaald, (namelijk) dat zij (d.w.z. de zondaren) volledig vernietigd worden in de ochtend.

وَجَاءَ أَهْلُ الْمَدِينَةِ يَسْتَبْشِرُونَ 67

En de inwoners van de stad kwamen verheugd (op de gasten af).

قَالَ إِنَّ هَٰؤُلَاءِ ضَيْفِي فَلَا تَفْضَحُونِ 68

Hij (Loet) zei: “Waarlijk, dit zijn mijn gasten, dus zet mij niet te schande.

وَاتَّقُوا اللَّهَ وَلَا تُخْزُونِ 69

En vrees Allah en verneder mij niet.”

قَالُوا أَوَلَمْ نَنْهَكَ عَنِ الْعَالَمِينَ 70

Zij (de inwoners van de stad) zeiden: “Hebben wij jou niet verboden om (mensen van) de werelden (als gasten) te ontvangen?”

قَالَ هَٰؤُلَاءِ بَنَاتِي إِن كُنتُمْ فَاعِلِينَ 71

Hij (Loet) zei: “Hier (hebben jullie) mijn dochters (om mee te trouwen), als jullie (volgens mijn advies) zouden handelen.”

لَعَمْرُكَ إِنَّهُمْ لَفِي سَكْرَتِهِمْ يَعْمَهُونَ 72

Voorzeker, bij jouw leven (o Mohammed), zij verkeren werkelijk in hun (eigen) dwaling die hun verwarring (steeds) groter maakt.

فَأَخَذَتْهُمُ الصَّيْحَةُ مُشْرِقِينَ 73

Vervolgens werden zij (d.w.z. het volk van Loet) bij zonsopgang door de (afschuwelijke) schreeuw getroffen.

فَجَعَلْنَا عَالِيَهَا سَافِلَهَا وَأَمْطَرْنَا عَلَيْهِمْ حِجَارَةً مِّن سِجِّيلٍ 74

En deden Wij het (d.w.z. de stad) ondersteboven keren. En Wij deden een regen van stenen van gebakken klei op hen neerdalen.

إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَاتٍ لِّلْمُتَوَسِّمِينَ 75

Voorwaar, daarin bevinden zich zeker tekenen voor degenen die overpeinzen.

وَإِنَّهَا لَبِسَبِيلٍ مُّقِيمٍ 76

En waarlijk, het (d.w.z. de stad) ligt op een duidelijke weg.

إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَةً لِّلْمُؤْمِنِينَ 77

Voorwaar, daarin bevindt zich zeker een teken voor de gelovigen.

وَإِن كَانَ أَصْحَابُ الْأَيْكَةِ لَظَالِمِينَ 78

En de mensen van al-Aykah behoorden zeker tot de onrechtplegers.

فَانتَقَمْنَا مِنْهُمْ وَإِنَّهُمَا لَبِإِمَامٍ مُّبِينٍ 79

Dus namen Wij wraak op hen. En waarlijk, deze (d.w.z. de beide steden) liggen op een duidelijke weg.

وَلَقَدْ كَذَّبَ أَصْحَابُ الْحِجْرِ الْمُرْسَلِينَ 80

En voorzeker, de mensen van de vallei verloochenden de Boodschappers.

وَآتَيْنَاهُمْ آيَاتِنَا فَكَانُوا عَنْهَا مُعْرِضِينَ 81

En Wij gaven hun Onze Tekenen, maar zij wendden zich ervan af.

وَكَانُوا يَنْحِتُونَ مِنَ الْجِبَالِ بُيُوتًا آمِنِينَ 82

En zij hieuwen huizen uit de bergen, (en waanden zich) veilig.

فَأَخَذَتْهُمُ الصَّيْحَةُ مُصْبِحِينَ 83

Vervolgens werden zij in de ochtend door de (afschuwelijke) schreeuw getroffen.

فَمَا أَغْنَىٰ عَنْهُم مَّا كَانُوا يَكْسِبُونَ 84

En zij ondervonden geen profijt van dat wat zij verwierven.

وَمَا خَلَقْنَا السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضَ وَمَا بَيْنَهُمَا إِلَّا بِالْحَقِّ ۗ وَإِنَّ السَّاعَةَ لَآتِيَةٌ ۖ فَاصْفَحِ الصَّفْحَ الْجَمِيلَ 85

En Wij hebben de hemelen en de aarde en datgene wat zich daartussen bevindt slechts naar waarheid geschapen. En voorwaar, het Uur komt zeker. Dus sla geen acht (op hun fouten, o Mohammed) en doe dit op een mooie manier.

إِنَّ رَبَّكَ هُوَ الْخَلَّاقُ الْعَلِيمُ 86

Voorwaar, jouw Heer, Hij is de Schepper, de Alwetende.

وَلَقَدْ آتَيْنَاكَ سَبْعًا مِّنَ الْمَثَانِي وَالْقُرْآنَ الْعَظِيمَ 87

En voorzeker, Wij gaven jou zeven van al-Mathaanie en (Wij schonken jou) de grandioze Koran.

لَا تَمُدَّنَّ عَيْنَيْكَ إِلَىٰ مَا مَتَّعْنَا بِهِ أَزْوَاجًا مِّنْهُمْ وَلَا تَحْزَنْ عَلَيْهِمْ وَاخْفِضْ جَنَاحَكَ لِلْمُؤْمِنِينَ 88

Richt jouw ogen niet op datgene waarmee Wij sommigen van hen (op dezelfde wijze) hebben begunstigd en treur niet om hen. En verlaag jouw vleugels (d.w.z. wees zachtaardig) voor de gelovigen.

وَقُلْ إِنِّي أَنَا النَّذِيرُ الْمُبِينُ 89

En zeg: “Waarlijk, ik ben de duidelijke waarschuwer.”

كَمَا أَنزَلْنَا عَلَى الْمُقْتَسِمِينَ 90

Zoals Wij (een bestraffing) op de verdelers hebben neergezonden.

الَّذِينَ جَعَلُوا الْقُرْآنَ عِضِينَ 91

Degenen die de Koran in delen hebben verdeeld.

فَوَرَبِّكَ لَنَسْأَلَنَّهُمْ أَجْمَعِينَ 92

Maar, bij jouw Heer! Wij zullen hen allen zeker ondervragen.

عَمَّا كَانُوا يَعْمَلُونَ 93

Over wat zij deden.

فَاصْدَعْ بِمَا تُؤْمَرُ وَأَعْرِضْ عَنِ الْمُشْرِكِينَ 94

Verkondig daarom wat jou is bevolen en wend je af van de veelgodenaanbidders.

إِنَّا كَفَيْنَاكَ الْمُسْتَهْزِئِينَ 95

Voorwaar, Wij zijn Voldoende voor jou tegen (het kwaad van) de bespotters.

الَّذِينَ يَجْعَلُونَ مَعَ اللَّهِ إِلَٰهًا آخَرَ ۚ فَسَوْفَ يَعْلَمُونَ 96

Degenen die een andere god naast Allah (ter aanbidding) aannemen. Maar zij zullen het spoedig weten.

وَلَقَدْ نَعْلَمُ أَنَّكَ يَضِيقُ صَدْرُكَ بِمَا يَقُولُونَ 97

En voorzeker, Wij weten dat jouw borst vernauwd raakt vanwege datgene wat zij zeggen.

فَسَبِّحْ بِحَمْدِ رَبِّكَ وَكُن مِّنَ السَّاجِدِينَ 98

Dus verheerlijk jouw Heer met lofuitingen en behoor tot de neerknielenden.

وَاعْبُدْ رَبَّكَ حَتَّىٰ يَأْتِيَكَ الْيَقِينُ 99

En aanbid jouw Heer, totdat het zekere (d.w.z. de dood) tot jou komt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Close