Home Soera Soera 14 – Ibrahim – Abraham – إبراهيم

Soera 14 – Ibrahim – Abraham – إبراهيم

2752
0
NODIG ANDEREN OOK UIT OM DE KORAN TE LEZEN EN VERDIEN HASANAAT:
bismillah-ir-rahman-ir-rahim

الر ۚ كِتَابٌ أَنزَلْنَاهُ إِلَيْكَ لِتُخْرِجَ النَّاسَ مِنَ الظُّلُمَاتِ إِلَى النُّورِ بِإِذْنِ رَبِّهِمْ إِلَىٰ صِرَاطِ الْعَزِيزِ الْحَمِيدِ1

A[lif] L[aam] R[aa\’]. Een boek dat naar jou is neergezonden opdat jij de mensen met de toestemming van hun Heer uit de duisternis naar het licht brengt, naar de weg van de machtige, de lofwaardige.

اللَّهِ الَّذِي لَهُ مَا فِي السَّمَاوَاتِ وَمَا فِي الْأَرْضِ ۗ وَوَيْلٌ لِّلْكَافِرِينَ مِنْ عَذَابٍ شَدِيدٍ2

God, van wie is wat er in de hemelen en wat er op de aarde is. En wee de ongelovigen wegens een strenge bestraffing.

الَّذِينَ يَسْتَحِبُّونَ الْحَيَاةَ الدُّنْيَا عَلَى الْآخِرَةِ وَيَصُدُّونَ عَن سَبِيلِ اللَّهِ وَيَبْغُونَهَا عِوَجًا ۚ أُولَٰئِكَ فِي ضَلَالٍ بَعِيدٍ3

Zij die het tegenwoordige leven meer liefhebben dan het hiernamaals en die de weg van God versperren en verlangen dat het een kronkelweg is, zij zijn het die in vergaande dwaling verkeren.

وَمَا أَرْسَلْنَا مِن رَّسُولٍ إِلَّا بِلِسَانِ قَوْمِهِ لِيُبَيِّنَ لَهُمْ ۖ فَيُضِلُّ اللَّهُ مَن يَشَاءُ وَيَهْدِي مَن يَشَاءُ ۚ وَهُوَ الْعَزِيزُ الْحَكِيمُ4

En Wij hebben geen gezant gezonden of het was in de taal van zijn volk om aan hen duidelijkheid te verschaffen. En God brengt tot dwaling wie Hij wil en Hij brengt op het goede pad wie Hij wil; Hij is de machtige, de wijze.

وَلَقَدْ أَرْسَلْنَا مُوسَىٰ بِآيَاتِنَا أَنْ أَخْرِجْ قَوْمَكَ مِنَ الظُّلُمَاتِ إِلَى النُّورِ وَذَكِّرْهُم بِأَيَّامِ اللَّهِ ۚ إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَاتٍ لِّكُلِّ صَبَّارٍ شَكُورٍ5

En Wij hadden Moesa met Onze tekenen gezonden: “Breng jouw volk uit de duisternis naar het licht en breng hun Gods dagen in herinnering; daarin zijn zeker tekenen voor ieder die geduldig volhardt en die dank betuigt.”

وَإِذْ قَالَ مُوسَىٰ لِقَوْمِهِ اذْكُرُوا نِعْمَةَ اللَّهِ عَلَيْكُمْ إِذْ أَنجَاكُم مِّنْ آلِ فِرْعَوْنَ يَسُومُونَكُمْ سُوءَ الْعَذَابِ وَيُذَبِّحُونَ أَبْنَاءَكُمْ وَيَسْتَحْيُونَ نِسَاءَكُمْ ۚ وَفِي ذَٰلِكُم بَلَاءٌ مِّن رَّبِّكُمْ عَظِيمٌ6

En toen Moesa tot zijn volk zei: “Denkt aan Gods genade aan jullie toen Hij jullie van Fir\’auns mensen redde die jullie een vreselijk leed berokkenden en die jullie zonen afslachtten en alleen jullie vrouwen in leven lieten. Daarin was een geweldige beproeving van jullie Heer.

وَإِذْ تَأَذَّنَ رَبُّكُمْ لَئِن شَكَرْتُمْ لَأَزِيدَنَّكُمْ ۖ وَلَئِن كَفَرْتُمْ إِنَّ عَذَابِي لَشَدِيدٌ7

En toen jullie Heer aankondigde: \’Als jullie dankbaar zijn zal Ik jullie nog meer geven, maar als jullie in ondankbaarheid ongelovig zijn, dan is Mijn bestraffing streng.”

وَقَالَ مُوسَىٰ إِن تَكْفُرُوا أَنتُمْ وَمَن فِي الْأَرْضِ جَمِيعًا فَإِنَّ اللَّهَ لَغَنِيٌّ حَمِيدٌ8

En Moesa zei: “Al zijn jullie in ondankbaarheid ongelovig, jullie en wie er op de aarde zijn tezamen, dan nog is God behoefteloos en lofwaardig.”

أَلَمْ يَأْتِكُمْ نَبَأُ الَّذِينَ مِن قَبْلِكُمْ قَوْمِ نُوحٍ وَعَادٍ وَثَمُودَ ۛ وَالَّذِينَ مِن بَعْدِهِمْ ۛ لَا يَعْلَمُهُمْ إِلَّا اللَّهُ ۚ جَاءَتْهُمْ رُسُلُهُم بِالْبَيِّنَاتِ فَرَدُّوا أَيْدِيَهُمْ فِي أَفْوَاهِهِمْ وَقَالُوا إِنَّا كَفَرْنَا بِمَا أُرْسِلْتُم بِهِ وَإِنَّا لَفِي شَكٍّ مِّمَّا تَدْعُونَنَا إِلَيْهِ مُرِيبٍ9

Is tot jullie niet de mededeling gekomen over hen die er voor jullie tijd waren, het volk van Noeh en de \’Aad en de Thamoed en hen die er na hen waren die alleen God kent. Tot hen kwamen hun gezanten met de duidelijke bewijzen, maar zij stopten hun handen in hun monden en zeiden: “Waarmee jullie gezonden zijn daaraan hechten wij geen geloof. Wij verkeren namelijk in hevige twijfel over dat waartoe jij ons oproept.”

قَالَتْ رُسُلُهُمْ أَفِي اللَّهِ شَكٌّ فَاطِرِ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ ۖ يَدْعُوكُمْ لِيَغْفِرَ لَكُم مِّن ذُنُوبِكُمْ وَيُؤَخِّرَكُمْ إِلَىٰ أَجَلٍ مُّسَمًّى ۚ قَالُوا إِنْ أَنتُمْ إِلَّا بَشَرٌ مِّثْلُنَا تُرِيدُونَ أَن تَصُدُّونَا عَمَّا كَانَ يَعْبُدُ آبَاؤُنَا فَأْتُونَا بِسُلْطَانٍ مُّبِينٍ10

Hun gezanten zeiden: “Valt er dan aan God te twijfelen, de grondlegger van de hemelen en de aarde? Hij roept jullie op, om jullie vergeving te schenken voor zonden van jullie en om jullie uitstel te verlenen tot een vastgestelde termijn.” Zij zeiden: “Jullie zijn slechts mensen zoals wij. Jullie willen ons afbrengen van wat onze vaderen gewoon waren te dienen. Brengt ons dan een duidelijke machtiging.”

قَالَتْ لَهُمْ رُسُلُهُمْ إِن نَّحْنُ إِلَّا بَشَرٌ مِّثْلُكُمْ وَلَٰكِنَّ اللَّهَ يَمُنُّ عَلَىٰ مَن يَشَاءُ مِنْ عِبَادِهِ ۖ وَمَا كَانَ لَنَا أَن نَّأْتِيَكُم بِسُلْطَانٍ إِلَّا بِإِذْنِ اللَّهِ ۚ وَعَلَى اللَّهِ فَلْيَتَوَكَّلِ الْمُؤْمِنُونَ11

Hun gezanten zeiden tot hen: “Wij zijn slechts mensen zoals jullie, maar God bewijst gunsten aan wie van Zijn dienaren Hij wil. En het komt ons niet toe jullie zonder Gods toestemming een machtiging te brengen. Op God moeten de gelovigen hun vertrouwen stellen.

وَمَا لَنَا أَلَّا نَتَوَكَّلَ عَلَى اللَّهِ وَقَدْ هَدَانَا سُبُلَنَا ۚ وَلَنَصْبِرَنَّ عَلَىٰ مَا آذَيْتُمُونَا ۚ وَعَلَى اللَّهِ فَلْيَتَوَكَّلِ الْمُتَوَكِّلُونَ12

Waarom zouden wij op God niet ons vertrouwen stellen? Hij heeft ons toch op onze wegen de goede richting gewezen. En wij zullen het leed dat jullie ons aandoen geduldig verdragen. Op God moeten de gelovigen hun vertrouwen stellen.”

وَقَالَ الَّذِينَ كَفَرُوا لِرُسُلِهِمْ لَنُخْرِجَنَّكُم مِّنْ أَرْضِنَا أَوْ لَتَعُودُنَّ فِي مِلَّتِنَا ۖ فَأَوْحَىٰ إِلَيْهِمْ رَبُّهُمْ لَنُهْلِكَنَّ الظَّالِمِينَ13

Zij die ongelovig waren zeiden tot hun gezanten: “Wij zullen jullie uit ons land verdrijven of jullie zullen tot ons geloof terugkeren.” Toen openbaarde hun Heer aan hen: “Wij zullen de onrechtplegers vernietigen.

وَلَنُسْكِنَنَّكُمُ الْأَرْضَ مِن بَعْدِهِمْ ۚ ذَٰلِكَ لِمَنْ خَافَ مَقَامِي وَخَافَ وَعِيدِ14

En Wij zullen jullie de aarde na hen laten bewonen. Dat is voor wie vreest om voor Mij te staan en voor wie Mijn dreigement vreest.”

وَاسْتَفْتَحُوا وَخَابَ كُلُّ جَبَّارٍ عَنِيدٍ15

En zij vroegen om een goede afloop en elke weerspannige geweldenaar werd teleurgesteld.

مِّن وَرَائِهِ جَهَنَّمُ وَيُسْقَىٰ مِن مَّاءٍ صَدِيدٍ16

Hem wacht de hel en hem wordt etterwater te drinken gegeven,

يَتَجَرَّعُهُ وَلَا يَكَادُ يُسِيغُهُ وَيَأْتِيهِ الْمَوْتُ مِن كُلِّ مَكَانٍ وَمَا هُوَ بِمَيِّتٍ ۖ وَمِن وَرَائِهِ عَذَابٌ غَلِيظٌ17

dat hij opslurpt maar bijna niet kan doorslikken. En de dood komt van alle kanten tot hem, maar hij sterft niet en hem wacht een harde bestraffing.

مَّثَلُ الَّذِينَ كَفَرُوا بِرَبِّهِمْ ۖ أَعْمَالُهُمْ كَرَمَادٍ اشْتَدَّتْ بِهِ الرِّيحُ فِي يَوْمٍ عَاصِفٍ ۖ لَّا يَقْدِرُونَ مِمَّا كَسَبُوا عَلَىٰ شَيْءٍ ۚ ذَٰلِكَ هُوَ الضَّلَالُ الْبَعِيدُ18

Met hen die aan hun Heer geen geloof hechten is het zo gesteld: hun daden zijn als as waarover op een stormdag de wind raast. Zij hebben geen macht over iets wat zij verworven hebben. Dat is de vergaande dwaling.

أَلَمْ تَرَ أَنَّ اللَّهَ خَلَقَ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضَ بِالْحَقِّ ۚ إِن يَشَأْ يُذْهِبْكُمْ وَيَأْتِ بِخَلْقٍ جَدِيدٍ19

Zie jij dan niet dat God de hemelen en de aarde in waarheid geschapen heeft? Als Hij wil vaagt Hij jullie weg en brengt Hij een nieuwe schepping.

وَمَا ذَٰلِكَ عَلَى اللَّهِ بِعَزِيزٍ20

Dat is voor God niet lastig.

وَبَرَزُوا لِلَّهِ جَمِيعًا فَقَالَ الضُّعَفَاءُ لِلَّذِينَ اسْتَكْبَرُوا إِنَّا كُنَّا لَكُمْ تَبَعًا فَهَلْ أَنتُم مُّغْنُونَ عَنَّا مِنْ عَذَابِ اللَّهِ مِن شَيْءٍ ۚ قَالُوا لَوْ هَدَانَا اللَّهُ لَهَدَيْنَاكُمْ ۖ سَوَاءٌ عَلَيْنَا أَجَزِعْنَا أَمْ صَبَرْنَا مَا لَنَا مِن مَّحِيصٍ21

En zij zullen tezamen bij God vóórkomen. Dan zullen de zwakken tegen hen die hoogmoedig waren zeggen: “Wij waren toch volgelingen van jullie, baten jullie ons dan iets tegen Gods bestraffing?” Zij zeggen: “Als God ons de goede richting gewezen had, dan hadden wij jullie ook de goede richting gewezen. Voor ons maakt het niet uit of wij bezorgd weifelen of geduldig volharden, voor ons is er geen ontsnapping.”

وَقَالَ الشَّيْطَانُ لَمَّا قُضِيَ الْأَمْرُ إِنَّ اللَّهَ وَعَدَكُمْ وَعْدَ الْحَقِّ وَوَعَدتُّكُمْ فَأَخْلَفْتُكُمْ ۖ وَمَا كَانَ لِيَ عَلَيْكُم مِّن سُلْطَانٍ إِلَّا أَن دَعَوْتُكُمْ فَاسْتَجَبْتُمْ لِي ۖ فَلَا تَلُومُونِي وَلُومُوا أَنفُسَكُم ۖ مَّا أَنَا بِمُصْرِخِكُمْ وَمَا أَنتُم بِمُصْرِخِيَّ ۖ إِنِّي كَفَرْتُ بِمَا أَشْرَكْتُمُونِ مِن قَبْلُ ۗ إِنَّ الظَّالِمِينَ لَهُمْ عَذَابٌ أَلِيمٌ22

En de satan zegt, wanneer de beslissing is gevallen: “God heeft een waarachtige toezegging gedaan. Ik heb jullie toezeggingen gedaan, maar ik ben ze niet nagekomen. Ik had geen macht over jullie; ik riep jullie slechts op en jullie gaven aan mij gehoor. Verwijt mij dus niets maar verwijt het jullie zelf. Ik kan jullie geen hulp bieden en jullie kunnen mij geen hulp bieden. Ik hechtte er geen geloof aan toen jullie mij vroeger als metgezel van God vereerden.” Voor de onrechtplegers is er een pijnlijke bestraffing.

وَأُدْخِلَ الَّذِينَ آمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ جَنَّاتٍ تَجْرِي مِن تَحْتِهَا الْأَنْهَارُ خَالِدِينَ فِيهَا بِإِذْنِ رَبِّهِمْ ۖ تَحِيَّتُهُمْ فِيهَا سَلَامٌ23

Zij die geloven en de deugdelijke daden doen zullen in tuinen binnengebracht worden, waar de rivieren onderdoor stromen. Zij zullen met de toestemming van hun Heer daarin altijd blijven; hun begroeting daarin zal zijn: “Vrede.”

أَلَمْ تَرَ كَيْفَ ضَرَبَ اللَّهُ مَثَلًا كَلِمَةً طَيِّبَةً كَشَجَرَةٍ طَيِّبَةٍ أَصْلُهَا ثَابِتٌ وَفَرْعُهَا فِي السَّمَاءِ24

Heb jij niet gezien hoe God een goed woord vergelijkt met een goede boom waarvan de wortel stevig staat en de takken in de hemel reiken?

تُؤْتِي أُكُلَهَا كُلَّ حِينٍ بِإِذْنِ رَبِّهَا ۗ وَيَضْرِبُ اللَّهُ الْأَمْثَالَ لِلنَّاسِ لَعَلَّهُمْ يَتَذَكَّرُونَ25

Hij geeft te allen tijde met de toestemming van zijn Heer vruchtopbrengst. En God maakt deze vergelijkingen voor de mensen; misschien zullen zij zich laten vermanen!

وَمَثَلُ كَلِمَةٍ خَبِيثَةٍ كَشَجَرَةٍ خَبِيثَةٍ اجْتُثَّتْ مِن فَوْقِ الْأَرْضِ مَا لَهَا مِن قَرَارٍ26

En een slecht woord lijkt op een slechte boom die ontworteld is [zodat hij] boven op de aarde [staat] en die geen standplaats heeft.

يُثَبِّتُ اللَّهُ الَّذِينَ آمَنُوا بِالْقَوْلِ الثَّابِتِ فِي الْحَيَاةِ الدُّنْيَا وَفِي الْآخِرَةِ ۖ وَيُضِلُّ اللَّهُ الظَّالِمِينَ ۚ وَيَفْعَلُ اللَّهُ مَا يَشَاءُ27

God sterkt hen die geloven met de vaststaande uitspraak in het tegenwoordige leven en in het hiernamaals en God brengt de onrechtplegers tot dwaling; God doet wat Hij wil.

أَلَمْ تَرَ إِلَى الَّذِينَ بَدَّلُوا نِعْمَتَ اللَّهِ كُفْرًا وَأَحَلُّوا قَوْمَهُمْ دَارَ الْبَوَارِ28

Heb jij hen niet gezien die Gods genade voor ongeloof verwisseld hebben en hun volk in de woning van de ondergang terecht hebben laten komen,

جَهَنَّمَ يَصْلَوْنَهَا ۖ وَبِئْسَ الْقَرَارُ29

in de hel waarin zij braden? Dat is pas een slechte standplaats!

وَجَعَلُوا لِلَّهِ أَندَادًا لِّيُضِلُّوا عَن سَبِيلِهِ ۗ قُلْ تَمَتَّعُوا فَإِنَّ مَصِيرَكُمْ إِلَى النَّارِ30

En zij schrijven aan God gelijken toe om van Zijn weg te laten afdwalen. Zeg: “Geniet maar, jullie bestemming is in het vuur.”

قُل لِّعِبَادِيَ الَّذِينَ آمَنُوا يُقِيمُوا الصَّلَاةَ وَيُنفِقُوا مِمَّا رَزَقْنَاهُمْ سِرًّا وَعَلَانِيَةً مِّن قَبْلِ أَن يَأْتِيَ يَوْمٌ لَّا بَيْعٌ فِيهِ وَلَا خِلَالٌ31

Zeg tot Mijn dienaren die geloven, dat zij de salaat verrichten en dat zij in het geheim en openbaar bijdragen geven van wat Wij hun voor hun levensonderhoud gegeven hebben voordat er een dag komt waarop er geen handel en geen vriendschap is.

اللَّهُ الَّذِي خَلَقَ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضَ وَأَنزَلَ مِنَ السَّمَاءِ مَاءً فَأَخْرَجَ بِهِ مِنَ الثَّمَرَاتِ رِزْقًا لَّكُمْ ۖ وَسَخَّرَ لَكُمُ الْفُلْكَ لِتَجْرِيَ فِي الْبَحْرِ بِأَمْرِهِ ۖ وَسَخَّرَ لَكُمُ الْأَنْهَارَ32

God is het die de hemelen en de aarde geschapen heeft en die uit de hemel water heeft laten neerdalen en die daarmee vruchten heeft voortgebracht voor jullie levensonderhoud. En Hij maakte voor jullie de schepen dienstbaar om op Zijn bevel op zee te varen en Hij maakte voor jullie de rivieren dienstbaar.

وَسَخَّرَ لَكُمُ الشَّمْسَ وَالْقَمَرَ دَائِبَيْنِ ۖ وَسَخَّرَ لَكُمُ اللَّيْلَ وَالنَّهَارَ33

Hij maakte voor jullie de zon en de maan dienstbaar in hun vaste loop en Hij maakte voor jullie de dag en de nacht dienstbaar.

وَآتَاكُم مِّن كُلِّ مَا سَأَلْتُمُوهُ ۚ وَإِن تَعُدُّوا نِعْمَتَ اللَّهِ لَا تُحْصُوهَا ۗ إِنَّ الْإِنسَانَ لَظَلُومٌ كَفَّارٌ34

Hij heeft jullie van alles wat jullie Hem gevraagd hebben gegeven en als jullie Gods genade willen tellen dan kunnen jullie het niet opsommen. De mens is werkelijk een zeer ondankbare zondaar.

وَإِذْ قَالَ إِبْرَاهِيمُ رَبِّ اجْعَلْ هَٰذَا الْبَلَدَ آمِنًا وَاجْنُبْنِي وَبَنِيَّ أَن نَّعْبُدَ الْأَصْنَامَ35

Toen Ibrahiem zei: “Mijn Heer, maak deze plaats veilig en houd mij en mijn zoons ervan af de afgoden te dienen.

رَبِّ إِنَّهُنَّ أَضْلَلْنَ كَثِيرًا مِّنَ النَّاسِ ۖ فَمَن تَبِعَنِي فَإِنَّهُ مِنِّي ۖ وَمَنْ عَصَانِي فَإِنَّكَ غَفُورٌ رَّحِيمٌ36

Mijn Heer, zij hebben veel van de mensen tot dwaling gebracht. Wie mij volgt, die behoort bij mij en als iemand aan mij ongehoorzaam is, dan bent U vergevend en barmhartig.

رَّبَّنَا إِنِّي أَسْكَنتُ مِن ذُرِّيَّتِي بِوَادٍ غَيْرِ ذِي زَرْعٍ عِندَ بَيْتِكَ الْمُحَرَّمِ رَبَّنَا لِيُقِيمُوا الصَّلَاةَ فَاجْعَلْ أَفْئِدَةً مِّنَ النَّاسِ تَهْوِي إِلَيْهِمْ وَارْزُقْهُم مِّنَ الثَّمَرَاتِ لَعَلَّهُمْ يَشْكُرُونَ37

Onze Heer, ik heb enkelen van mijn nakomelingen in een vallei zonder gewas bij Uw heilige huis laten wonen, onze Heer, om de salaat te verrichten. Maak dan dat de harten van sommige mensen toeneiging tot hen krijgen en voorzie met vruchten in hun levensbehoeften; misschien zullen zij dank betuigen.

رَبَّنَا إِنَّكَ تَعْلَمُ مَا نُخْفِي وَمَا نُعْلِنُ ۗ وَمَا يَخْفَىٰ عَلَى اللَّهِ مِن شَيْءٍ فِي الْأَرْضِ وَلَا فِي السَّمَاءِ38

Onze Heer, U weet wat wij in het verborgene en wat wij openlijk doen; niets is op de aarde en in de hemel voor God verborgen.

الْحَمْدُ لِلَّهِ الَّذِي وَهَبَ لِي عَلَى الْكِبَرِ إِسْمَاعِيلَ وَإِسْحَاقَ ۚ إِنَّ رَبِّي لَسَمِيعُ الدُّعَاءِ39

Lof zij God die mij ondanks mijn ouderdom Isma\’iel en Ishaak geschonken heeft. Mijn Heer is werkelijk de hoorder van het gebed.

رَبِّ اجْعَلْنِي مُقِيمَ الصَّلَاةِ وَمِن ذُرِّيَّتِي ۚ رَبَّنَا وَتَقَبَّلْ دُعَاءِ40

Mijn Heer, maak dat ik de salaat verricht en dat zij die tot mijn nageslacht behoren [het ook doen], onze Heer, en aanvaard mijn gebed.

رَبَّنَا اغْفِرْ لِي وَلِوَالِدَيَّ وَلِلْمُؤْمِنِينَ يَوْمَ يَقُومُ الْحِسَابُ41

Onze Heer, schenk aan mij, aan mijn ouders en aan de gelovigen vergeving op de dag dat de afrekening plaatsvindt.”

وَلَا تَحْسَبَنَّ اللَّهَ غَافِلًا عَمَّا يَعْمَلُ الظَّالِمُونَ ۚ إِنَّمَا يُؤَخِّرُهُمْ لِيَوْمٍ تَشْخَصُ فِيهِ الْأَبْصَارُ42

En denk niet dat God niet goed let op wat de onrechtplegers doen. Hij geeft hun slechts uitstel tot een dag waarop de blikken verstarren,

مُهْطِعِينَ مُقْنِعِي رُءُوسِهِمْ لَا يَرْتَدُّ إِلَيْهِمْ طَرْفُهُمْ ۖ وَأَفْئِدَتُهُمْ هَوَاءٌ43

terwijl zij zich voortspoeden met hun hoofden uitgestoken, hun oogleden die zich niet sluiten en hun harten leeg [van schrik].

وَأَنذِرِ النَّاسَ يَوْمَ يَأْتِيهِمُ الْعَذَابُ فَيَقُولُ الَّذِينَ ظَلَمُوا رَبَّنَا أَخِّرْنَا إِلَىٰ أَجَلٍ قَرِيبٍ نُّجِبْ دَعْوَتَكَ وَنَتَّبِعِ الرُّسُلَ ۗ أَوَلَمْ تَكُونُوا أَقْسَمْتُم مِّن قَبْلُ مَا لَكُم مِّن زَوَالٍ44

En waarschuw de mensen voor een dag waarop de bestraffing tot hen komt. Dan zullen zij die onrecht pleegden zeggen: “Onze Heer, verleen ons nog een kort uitstel, dan zullen wij aan Uw oproep gehoor geven en de gezanten volgen.” Hadden jullie vroeger niet ook al gezworen dat er voor jullie geen ondergang was?

وَسَكَنتُمْ فِي مَسَاكِنِ الَّذِينَ ظَلَمُوا أَنفُسَهُمْ وَتَبَيَّنَ لَكُمْ كَيْفَ فَعَلْنَا بِهِمْ وَضَرَبْنَا لَكُمُ الْأَمْثَالَ45

En jullie bewoonden de woonhuizen van hen die zichzelf onrecht aandeden en het is jullie duidelijk geworden hoe Wij met hen gehandeld hebben. Wij hebben jullie toch voorbeelden ter vergelijking gegeven.

وَقَدْ مَكَرُوا مَكْرَهُمْ وَعِندَ اللَّهِ مَكْرُهُمْ وَإِن كَانَ مَكْرُهُمْ لِتَزُولَ مِنْهُ الْجِبَالُ46

Zij hebben hun list beraamd, maar hun list is bij God bekend, ook al was hun list dat de bergen ermee zouden vergaan.

فَلَا تَحْسَبَنَّ اللَّهَ مُخْلِفَ وَعْدِهِ رُسُلَهُ ۗ إِنَّ اللَّهَ عَزِيزٌ ذُو انتِقَامٍ47

En denk niet dat God Zijn toezegging aan de gezanten niet nakomt. God is machtig en wraakgierig.

يَوْمَ تُبَدَّلُ الْأَرْضُ غَيْرَ الْأَرْضِ وَالسَّمَاوَاتُ ۖ وَبَرَزُوا لِلَّهِ الْوَاحِدِ الْقَهَّارِ48

Op de dag dat de aarde vervangen zal worden door een andere aarde en de hemelen ook en waarop zij vóórkomen bij God, de ene, de albeheerser.

وَتَرَى الْمُجْرِمِينَ يَوْمَئِذٍ مُّقَرَّنِينَ فِي الْأَصْفَادِ49

Jij ziet op die dag de boosdoeners in boeien aaneengeketend,

سَرَابِيلُهُم مِّن قَطِرَانٍ وَتَغْشَىٰ وُجُوهَهُمُ النَّارُ50

met hun kleren van pek en hun gezichten bedekt met het vuur,

لِيَجْزِيَ اللَّهُ كُلَّ نَفْسٍ مَّا كَسَبَتْ ۚ إِنَّ اللَّهَ سَرِيعُ الْحِسَابِ51

opdat God aan elke ziel vergeldt wat zij begaan heeft. En God is snel met de afrekening.

هَٰذَا بَلَاغٌ لِّلنَّاسِ وَلِيُنذَرُوا بِهِ وَلِيَعْلَمُوا أَنَّمَا هُوَ إِلَٰهٌ وَاحِدٌ وَلِيَذَّكَّرَ أُولُو الْأَلْبَابِ52

Dit is een verkondiging voor de mensen, opdat zij erdoor gewaarschuwd worden, opdat zij weten dat Hij één god is en opdat de verstandigen zich laten vermanen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here