Soera 14 – Ibrahim – Abraham – إبراهيم

bismillah ir rahman ir rahim

الر ۚ كِتَابٌ أَنزَلْنَاهُ إِلَيْكَ لِتُخْرِجَ النَّاسَ مِنَ الظُّلُمَاتِ إِلَى النُّورِ بِإِذْنِ رَبِّهِمْ إِلَىٰ صِرَاطِ الْعَزِيزِ الْحَمِيدِ 1

Alif-Laam-Raa. (Dit is) een Boek dat Wij aan jou (o Mohammed) hebben neergezonden, opdat jij de mensen van de duisternis naar het Licht zult voeren, met de Toestemming van hun Heer, naar het Pad van de Almachtige, de Meest Prijzenswaardige.

اللَّهِ الَّذِي لَهُ مَا فِي السَّمَاوَاتِ وَمَا فِي الْأَرْضِ ۗ وَوَيْلٌ لِّلْكَافِرِينَ مِنْ عَذَابٍ شَدِيدٍ 2

Allah is Degene aan Wie datgene wat zich in de hemelen en datgene wat zich op de aarde bevindt toebehoort. En wee de ongelovigen voor een harde Bestraffing.

الَّذِينَ يَسْتَحِبُّونَ الْحَيَاةَ الدُّنْيَا عَلَى الْآخِرَةِ وَيَصُدُّونَ عَن سَبِيلِ اللَّهِ وَيَبْغُونَهَا عِوَجًا ۚ أُولَٰئِكَ فِي ضَلَالٍ بَعِيدٍ 3

Degenen die het wereldse leven boven het Hiernamaals verkiezen en die (anderen) van de Weg van Allah afhouden en ernaar streven om het (d.w.z. de Islam) te vervormen. Zij verkeren in vergaande dwaling.

وَمَا أَرْسَلْنَا مِن رَّسُولٍ إِلَّا بِلِسَانِ قَوْمِهِ لِيُبَيِّنَ لَهُمْ ۖ فَيُضِلُّ اللَّهُ مَن يَشَاءُ وَيَهْدِي مَن يَشَاءُ ۚ وَهُوَ الْعَزِيزُ الْحَكِيمُ 4

En Wij hebben geen Boodschapper gestuurd, behalve met de tong (d.w.z. de taal) van zijn volk, opdat hij (de Boodschap) aan hen duidelijk maakt. Allah laat vervolgens afdwalen wie Hij wil en Hij leidt wie Hij wil. En Hij is de Almachtige, de Alwijze.

وَلَقَدْ أَرْسَلْنَا مُوسَىٰ بِآيَاتِنَا أَنْ أَخْرِجْ قَوْمَكَ مِنَ الظُّلُمَاتِ إِلَى النُّورِ وَذَكِّرْهُم بِأَيَّامِ اللَّهِ ۚ إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَاتٍ لِّكُلِّ صَبَّارٍ شَكُورٍ 5

En voorzeker, Wij hebben Moesa gestuurd met Onze Tekenen (zoals Wij jou hebben gestuurd). Opdat jij (o Mohammed) jouw volk van de duisternis naar het Licht voert, en herinner hen aan de Dagen van Allah. Voorwaar, daarin bevinden zich zeker tekenen voor elke geduldige, dankbare (persoon).

وَإِذْ قَالَ مُوسَىٰ لِقَوْمِهِ اذْكُرُوا نِعْمَةَ اللَّهِ عَلَيْكُمْ إِذْ أَنجَاكُم مِّنْ آلِ فِرْعَوْنَ يَسُومُونَكُمْ سُوءَ الْعَذَابِ وَيُذَبِّحُونَ أَبْنَاءَكُمْ وَيَسْتَحْيُونَ نِسَاءَكُمْ ۚ وَفِي ذَٰلِكُم بَلَاءٌ مِّن رَّبِّكُمْ عَظِيمٌ 6

En (gedenk) toen Moesa tegen zijn volk zei: “Gedenk de Gunst van Allah aan jullie toen Hij jullie bevrijdde van de volgelingen van de farao, die jullie teisterden met de verschrikkelijke bestraffing. En zij slachtten jullie zonen af en lieten jullie vrouwen in leven. En daarin was een geweldige beproeving van jullie Heer.”

وَإِذْ تَأَذَّنَ رَبُّكُمْ لَئِن شَكَرْتُمْ لَأَزِيدَنَّكُمْ ۖ وَلَئِن كَفَرْتُمْ إِنَّ عَذَابِي لَشَدِيدٌ 7

En (gedenk) toen jullie Heer verklaarde: “Als jullie je dankbaar opstellen (tegenover Mij), dan zal Ik (de gunsten) zeker voor jullie vermeerderen. En als jullie je ondankbaar opstellen, voorwaar, Mijn Bestraffing is zeker hard.”

وَقَالَ مُوسَىٰ إِن تَكْفُرُوا أَنتُمْ وَمَن فِي الْأَرْضِ جَمِيعًا فَإِنَّ اللَّهَ لَغَنِيٌّ حَمِيدٌ 8

En Moesa zei: “Als jullie je ondankbaar opstellen, jullie en degenen die allemaal op aarde zijn, waarlijk, Allah is dan zeker Rijk (d.w.z. Vrij van alle behoeften), Meest Prijzenswaardig.”

أَلَمْ يَأْتِكُمْ نَبَأُ الَّذِينَ مِن قَبْلِكُمْ قَوْمِ نُوحٍ وَعَادٍ وَثَمُودَ ۛ وَالَّذِينَ مِن بَعْدِهِمْ ۛ لَا يَعْلَمُهُمْ إِلَّا اللَّهُ ۚ جَاءَتْهُمْ رُسُلُهُم بِالْبَيِّنَاتِ فَرَدُّوا أَيْدِيَهُمْ فِي أَفْوَاهِهِمْ وَقَالُوا إِنَّا كَفَرْنَا بِمَا أُرْسِلْتُم بِهِ وَإِنَّا لَفِي شَكٍّ مِّمَّا تَدْعُونَنَا إِلَيْهِ مُرِيبٍ 9

Heeft het verhaal van degenen vóór jullie, jullie niet bereikt? (Het verhaal van) het volk van Noeh, cAad, Thamoed en degenen na hen. Niemand kent hen, behalve Allah. Hun Boodschappers kwamen met duidelijke Bewijzen tot hen. Toen beten zij (vervolgens uit woede) op hun handen. En zij zeiden: “Voorwaar, wij geloven niet in datgene waarmee jullie zijn gestuurd. En voorwaar, wij verkeren zeker in dubieuze twijfel over datgene waar jullie ons naar uitnodigen (d.w.z. het islamitische monotheïsme).”

قَالَتْ رُسُلُهُمْ أَفِي اللَّهِ شَكٌّ فَاطِرِ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ ۖ يَدْعُوكُمْ لِيَغْفِرَ لَكُم مِّن ذُنُوبِكُمْ وَيُؤَخِّرَكُمْ إِلَىٰ أَجَلٍ مُّسَمًّى ۚ قَالُوا إِنْ أَنتُمْ إِلَّا بَشَرٌ مِّثْلُنَا تُرِيدُونَ أَن تَصُدُّونَا عَمَّا كَانَ يَعْبُدُ آبَاؤُنَا فَأْتُونَا بِسُلْطَانٍ مُّبِينٍ 10

Hun Boodschappers zeiden: “Is er twijfel over Allah, de Stichter van de hemelen en de aarde? Hij nodigt jullie uit om (een deel) van jullie zonden te vergeven en Hij verleent jullie uitstel tot een vastgesteld tijdstip.” Zij zeiden: “Jullie zijn slechts mensen net als wij. Jullie willen ons afhouden van dat wat onze voorvaderen aanbaden. Breng ons dan een duidelijk bewijs.”

قَالَتْ لَهُمْ رُسُلُهُمْ إِن نَّحْنُ إِلَّا بَشَرٌ مِّثْلُكُمْ وَلَٰكِنَّ اللَّهَ يَمُنُّ عَلَىٰ مَن يَشَاءُ مِنْ عِبَادِهِ ۖ وَمَا كَانَ لَنَا أَن نَّأْتِيَكُم بِسُلْطَانٍ إِلَّا بِإِذْنِ اللَّهِ ۚ وَعَلَى اللَّهِ فَلْيَتَوَكَّلِ الْمُؤْمِنُونَ 11

Hun Boodschappers zeiden tegen hen: “Wij zijn slechts mensen net als jullie, maar Allah schenkt Zijn Gunsten aan wie Hij wil van Zijn dienaren. En het is ons niet gegeven om jullie een bewijs te brengen, behalve met de Toestemming van Allah. En laat de gelovigen hun vertrouwen in Allah stellen.

وَمَا لَنَا أَلَّا نَتَوَكَّلَ عَلَى اللَّهِ وَقَدْ هَدَانَا سُبُلَنَا ۚ وَلَنَصْبِرَنَّ عَلَىٰ مَا آذَيْتُمُونَا ۚ وَعَلَى اللَّهِ فَلْيَتَوَكَّلِ الْمُتَوَكِّلُونَ 12

En waarom zouden wij ons vertrouwen niet in Allah stellen, terwijl Hij ons zeker heeft geleid op onze wegen? En wij zullen de schade die jullie ons berokkenen zeker met geduld verdragen. En op Allah dienen degenen die hun vertrouwen in Hem stellen te vertrouwen.”

وَقَالَ الَّذِينَ كَفَرُوا لِرُسُلِهِمْ لَنُخْرِجَنَّكُم مِّنْ أَرْضِنَا أَوْ لَتَعُودُنَّ فِي مِلَّتِنَا ۖ فَأَوْحَىٰ إِلَيْهِمْ رَبُّهُمْ لَنُهْلِكَنَّ الظَّالِمِينَ 13

En degenen die niet geloven zeiden tegen hun Boodschappers: “Wij zullen jullie zeker uit ons land verdrijven, tenzij jullie naar onze religie terugkeren.” Toen openbaarde hun Heer aan hen: “Wij zullen de onrechtplegers zeker vernietigen.

وَلَنُسْكِنَنَّكُمُ الْأَرْضَ مِن بَعْدِهِمْ ۚ ذَٰلِكَ لِمَنْ خَافَ مَقَامِي وَخَافَ وَعِيدِ 14

En Wij zullen jullie zeker na hen in het land laten verblijven. Dit is voor degene die het tegenover Mij staan (voor de Rekenschap) vreest en Mijn Waarschuwing vreest.”

وَاسْتَفْتَحُوا وَخَابَ كُلُّ جَبَّارٍ عَنِيدٍ 15

En zij (d.w.z. de Boodschappers) deden een beroep (op Allah om hulp) en iedere hoogmoedige, hardnekkige (persoon) faalde.

مِّن وَرَائِهِ جَهَنَّمُ وَيُسْقَىٰ مِن مَّاءٍ صَدِيدٍ 16

Vóór hem is de Hel en hij krijgt water te drinken dat uit kokend etter bestaat.

يَتَجَرَّعُهُ وَلَا يَكَادُ يُسِيغُهُ وَيَأْتِيهِ الْمَوْتُ مِن كُلِّ مَكَانٍ وَمَا هُوَ بِمَيِّتٍ ۖ وَمِن وَرَائِهِ عَذَابٌ غَلِيظٌ 17

Hij drinkt het (ongewillig) met kleine teugjes en het lukt hem nauwelijks om het door te slikken. En de dood komt van alle kanten tot hem, maar hij zal (toch) niet sterven. En vóór hem is er een strenge Bestraffing.

مَّثَلُ الَّذِينَ كَفَرُوا بِرَبِّهِمْ ۖ أَعْمَالُهُمْ كَرَمَادٍ اشْتَدَّتْ بِهِ الرِّيحُ فِي يَوْمٍ عَاصِفٍ ۖ لَّا يَقْدِرُونَ مِمَّا كَسَبُوا عَلَىٰ شَيْءٍ ۚ ذَٰلِكَ هُوَ الضَّلَالُ الْبَعِيدُ 18

De gelijkenis van degenen die niet in hun Heer geloven (is als volgt): hun daden zijn net als as, waarop de wind hevig blaast op een stormachtige dag. Zij zijn niet in staat om iets te doen met dat wat zij hebben verworven. Dat is de vergaande afdwaling.

أَلَمْ تَرَ أَنَّ اللَّهَ خَلَقَ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضَ بِالْحَقِّ ۚ إِن يَشَأْ يُذْهِبْكُمْ وَيَأْتِ بِخَلْقٍ جَدِيدٍ 19

Heb jij niet gezien dat Allah de hemelen en de aarde naar waarheid heeft geschapen? Als Hij het wil, kan Hij jullie wegnemen en met een nieuwe schepping (voor jullie in de plaats) komen.

وَمَا ذَٰلِكَ عَلَى اللَّهِ بِعَزِيزٍ 20

En dat is niet onmogelijk voor Allah.

وَبَرَزُوا لِلَّهِ جَمِيعًا فَقَالَ الضُّعَفَاءُ لِلَّذِينَ اسْتَكْبَرُوا إِنَّا كُنَّا لَكُمْ تَبَعًا فَهَلْ أَنتُم مُّغْنُونَ عَنَّا مِنْ عَذَابِ اللَّهِ مِن شَيْءٍ ۚ قَالُوا لَوْ هَدَانَا اللَّهُ لَهَدَيْنَاكُمْ ۖ سَوَاءٌ عَلَيْنَا أَجَزِعْنَا أَمْ صَبَرْنَا مَا لَنَا مِن مَّحِيصٍ 21

En zij zullen allen voor Allah verschijnen (op de Dag der Opstanding). En de zwakken zullen dan tegen degenen die hoogmoedig waren, zeggen: “Waarlijk, wij waren jullie volgelingen. Zullen jullie dan van ons iets van de Bestraffing van Allah afhouden?” Zij zeggen: “Als Allah ons geleid had, zouden wij jullie zeker geleid hebben. Het is voor ons hetzelfde of wij nu ongeduldig zijn, of dat wij geduldig zijn. Er is voor ons geen enkele uitweg.”

وَقَالَ الشَّيْطَانُ لَمَّا قُضِيَ الْأَمْرُ إِنَّ اللَّهَ وَعَدَكُمْ وَعْدَ الْحَقِّ وَوَعَدتُّكُمْ فَأَخْلَفْتُكُمْ ۖ وَمَا كَانَ لِيَ عَلَيْكُم مِّن سُلْطَانٍ إِلَّا أَن دَعَوْتُكُمْ فَاسْتَجَبْتُمْ لِي ۖ فَلَا تَلُومُونِي وَلُومُوا أَنفُسَكُم ۖ مَّا أَنَا بِمُصْرِخِكُمْ وَمَا أَنتُم بِمُصْرِخِيَّ ۖ إِنِّي كَفَرْتُ بِمَا أَشْرَكْتُمُونِ مِن قَبْلُ ۗ إِنَّ الظَّالِمِينَ لَهُمْ عَذَابٌ أَلِيمٌ 22

En de satan zei, nadat de zaak besloten was: “Voorwaar, Allah heeft jullie een Belofte gedaan, een ware Belofte. En ik heb jullie een belofte gedaan, maar ik heb jullie bedrogen. En ik had geen macht over jullie, behalve dat ik jullie heb uitgenodigd (om mij te volgen) en jullie mij gehoor gaven. Dus verwijt mij niets, maar verwijt julliezelf. Ik kan jullie niet helpen, noch kunnen jullie mij helpen. Voorwaar, ik verwerp het dat jullie mij voorheen als deelgenoot (aan Allah) toekenden. Voorwaar, voor de onrechtplegers is er een pijnlijke Bestraffing.”

وَأُدْخِلَ الَّذِينَ آمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ جَنَّاتٍ تَجْرِي مِن تَحْتِهَا الْأَنْهَارُ خَالِدِينَ فِيهَا بِإِذْنِ رَبِّهِمْ ۖ تَحِيَّتُهُمْ فِيهَا سَلَامٌ 23

En degenen die geloven en goede daden verrichten zullen in Tuinen worden toegelaten waaronder rivieren stromen, voor eeuwig (vertoeven zij) daarin, met de Toestemming van hun Heer. Hun groet daarin zal zijn: “Salaam.”

أَلَمْ تَرَ كَيْفَ ضَرَبَ اللَّهُ مَثَلًا كَلِمَةً طَيِّبَةً كَشَجَرَةٍ طَيِّبَةٍ أَصْلُهَا ثَابِتٌ وَفَرْعُهَا فِي السَّمَاءِ 24

Heb jij niet gezien hoe Allah een voorbeeld stelt van een goed woord (dat) als een goede boom (is), waarvan de wortels stevig zijn en de takken tot de hemel reiken?

تُؤْتِي أُكُلَهَا كُلَّ حِينٍ بِإِذْنِ رَبِّهَا ۗ وَيَضْرِبُ اللَّهُ الْأَمْثَالَ لِلنَّاسِ لَعَلَّهُمْ يَتَذَكَّرُونَ 25

Het geeft zijn vruchten op elk moment met de Toestemming van zijn Heer. En Allah stelt de voorbeelden voor de mensen, opdat zij er lering uit zullen trekken.

وَمَثَلُ كَلِمَةٍ خَبِيثَةٍ كَشَجَرَةٍ خَبِيثَةٍ اجْتُثَّتْ مِن فَوْقِ الْأَرْضِ مَا لَهَا مِن قَرَارٍ 26

En het voorbeeld van een slecht woord is net als (het voorbeeld van) een slechte boom die uit de aarde is ontworteld, en die geen stevigheid heeft.

يُثَبِّتُ اللَّهُ الَّذِينَ آمَنُوا بِالْقَوْلِ الثَّابِتِ فِي الْحَيَاةِ الدُّنْيَا وَفِي الْآخِرَةِ ۖ وَيُضِلُّ اللَّهُ الظَّالِمِينَ ۚ وَيَفْعَلُ اللَّهُ مَا يَشَاءُ 27

Allah maakt degenen die geloven standvastig door middel van het standvastige woord in het wereldse leven en in het Hiernamaals. En Allah doet de onrechtplegers afdwalen. En Allah doet wat Hij wil.

أَلَمْ تَرَ إِلَى الَّذِينَ بَدَّلُوا نِعْمَتَ اللَّهِ كُفْرًا وَأَحَلُّوا قَوْمَهُمْ دَارَ الْبَوَارِ 28

Heb jij degenen niet gezien die de Gunst van Allah hebben veranderd in ongeloof en die hun volk naar het Huis van de vernietiging hebben gebracht?

جَهَنَّمَ يَصْلَوْنَهَا ۖ وَبِئْسَ الْقَرَارُ 29

Zij treden de Hel binnen, en dat is de slechtste Verblijfplaats.

وَجَعَلُوا لِلَّهِ أَندَادًا لِّيُضِلُّوا عَن سَبِيلِهِ ۗ قُلْ تَمَتَّعُوا فَإِنَّ مَصِيرَكُمْ إِلَى النَّارِ 30

En zij kenden deelgenoten toe aan Allah om (de mensen) te doen afdwalen van Zijn Weg. Zeg: “Geniet (maar in deze wereld), waarlijk, jullie eindbestemming is het Vuur.”

قُل لِّعِبَادِيَ الَّذِينَ آمَنُوا يُقِيمُوا الصَّلَاةَ وَيُنفِقُوا مِمَّا رَزَقْنَاهُمْ سِرًّا وَعَلَانِيَةً مِّن قَبْلِ أَن يَأْتِيَ يَوْمٌ لَّا بَيْعٌ فِيهِ وَلَا خِلَالٌ 31

Zeg (o Mohammed) tegen Mijn dienaren, degenen die geloven, dat zij het gebed onderhouden en uitgeven van datgene waarmee Wij hen hebben voorzien, in het geheim en openlijk, voordat er een Dag komt waarop er geen handel en geen boezemvriendschappen zullen zijn.

اللَّهُ الَّذِي خَلَقَ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضَ وَأَنزَلَ مِنَ السَّمَاءِ مَاءً فَأَخْرَجَ بِهِ مِنَ الثَّمَرَاتِ رِزْقًا لَّكُمْ ۖ وَسَخَّرَ لَكُمُ الْفُلْكَ لِتَجْرِيَ فِي الْبَحْرِ بِأَمْرِهِ ۖ وَسَخَّرَ لَكُمُ الْأَنْهَارَ 32

Allah is Degene Die de hemelen en de aarde heeft geschapen en (Die) water uit de hemel neerzond en daarmee vruchten voortbracht als levensonderhoud voor jullie. En Hij heeft de schepen aan jullie dienstbaar gemaakt, opdat zij (d.w.z. de schepen) over de zee varen op Zijn Bevel. En Hij heeft de rivieren aan jullie dienstbaar gemaakt.

وَسَخَّرَ لَكُمُ الشَّمْسَ وَالْقَمَرَ دَائِبَيْنِ ۖ وَسَخَّرَ لَكُمُ اللَّيْلَ وَالنَّهَارَ 33

En Hij heeft aan jullie de zon en de maan dienstbaar gemaakt, die elkaar constant afwisselen. En Hij heeft de nacht en de dag aan jullie dienstbaar gemaakt.

وَآتَاكُم مِّن كُلِّ مَا سَأَلْتُمُوهُ ۚ وَإِن تَعُدُّوا نِعْمَتَ اللَّهِ لَا تُحْصُوهَا ۗ إِنَّ الْإِنسَانَ لَظَلُومٌ كَفَّارٌ 34

En Hij gaf jullie van al datgene waar jullie Hem om vroegen. En als jullie de Gunst(en) van Allah zouden tellen, dan zouden jullie deze niet (kunnen) opsommen. Voorwaar, de mens is zeker onrechtvaardig, ondankbaar.

وَإِذْ قَالَ إِبْرَاهِيمُ رَبِّ اجْعَلْ هَٰذَا الْبَلَدَ آمِنًا وَاجْنُبْنِي وَبَنِيَّ أَن نَّعْبُدَ الْأَصْنَامَ 35

En (gedenk) toen Ibraahiem zei: “Mijn Heer, maak dit land (d.w.z. Mekka) tot een veilige plaats en houd mij en mijn zonen af van het aanbidden van afgodsbeelden.

رَبِّ إِنَّهُنَّ أَضْلَلْنَ كَثِيرًا مِّنَ النَّاسِ ۖ فَمَن تَبِعَنِي فَإِنَّهُ مِنِّي ۖ وَمَنْ عَصَانِي فَإِنَّكَ غَفُورٌ رَّحِيمٌ 36

Mijn Heer, voorwaar, zij hebben vele mensen doen afdwalen. Maar wie mij volgt, voorwaar, hij behoort tot mij. En wie mij ongehoorzaam is, waarlijk, U bent Meest Vergevingsgezind, Meest Genadevol.

رَّبَّنَا إِنِّي أَسْكَنتُ مِن ذُرِّيَّتِي بِوَادٍ غَيْرِ ذِي زَرْعٍ عِندَ بَيْتِكَ الْمُحَرَّمِ رَبَّنَا لِيُقِيمُوا الصَّلَاةَ فَاجْعَلْ أَفْئِدَةً مِّنَ النَّاسِ تَهْوِي إِلَيْهِمْ وَارْزُقْهُم مِّنَ الثَّمَرَاتِ لَعَلَّهُمْ يَشْكُرُونَ 37

Onze Heer, voorwaar, ik heb (sommigen) van mijn nakomelingen laten verblijven in een vallei zonder gewas bij Uw gewijde Huis. Onze Heer, (dit) opdat zij het gebed zullen onderhouden. Laat daarom de harten van enkele mensen tot hen neigen, en voorzie hen van vruchten, opdat zij dankbaar zullen zijn.

رَبَّنَا إِنَّكَ تَعْلَمُ مَا نُخْفِي وَمَا نُعْلِنُ ۗ وَمَا يَخْفَىٰ عَلَى اللَّهِ مِن شَيْءٍ فِي الْأَرْضِ وَلَا فِي السَّمَاءِ 38

Onze Heer, voorwaar, U weet wat wij verbergen en wat wij tonen. En voor Allah is er niets verborgen op de aarde of in de hemel.

الْحَمْدُ لِلَّهِ الَّذِي وَهَبَ لِي عَلَى الْكِبَرِ إِسْمَاعِيلَ وَإِسْحَاقَ ۚ إِنَّ رَبِّي لَسَمِيعُ الدُّعَاءِ 39

(Alle) lof zij Allah, Degene Die mij op oudere leeftijd Ismaaciel en Ishaaq heeft geschonken. Waarlijk, mijn Heer is zeker Degene Die de smeekbede verhoort.

رَبِّ اجْعَلْنِي مُقِيمَ الصَّلَاةِ وَمِن ذُرِّيَّتِي ۚ رَبَّنَا وَتَقَبَّلْ دُعَاءِ 40

Mijn Heer, laat mij en mijn nakomelingen behoren tot degenen die het gebed onderhouden. Onze Heer, aanvaard mijn smeekbede.

رَبَّنَا اغْفِرْ لِي وَلِوَالِدَيَّ وَلِلْمُؤْمِنِينَ يَوْمَ يَقُومُ الْحِسَابُ 41

Onze Heer, vergeef mij, mijn ouders en de gelovigen op de Dag waarop de Afrekening plaatsvindt.”

وَلَا تَحْسَبَنَّ اللَّهَ غَافِلًا عَمَّا يَعْمَلُ الظَّالِمُونَ ۚ إِنَّمَا يُؤَخِّرُهُمْ لِيَوْمٍ تَشْخَصُ فِيهِ الْأَبْصَارُ 42

En denk niet dat Allah Zich onbewust is van dat wat de onrechtplegers doen. Hij verleent hun slechts uitstel tot de Dag waarop de ogen wijd open zullen staan (van angst).

مُهْطِعِينَ مُقْنِعِي رُءُوسِهِمْ لَا يَرْتَدُّ إِلَيْهِمْ طَرْفُهُمْ ۖ وَأَفْئِدَتُهُمْ هَوَاءٌ 43

Zij haasten zich (vooruit), (met) hun hoofden omhoog, hun blik keert niet naar hen terug en hun harten zijn leeg.

وَأَنذِرِ النَّاسَ يَوْمَ يَأْتِيهِمُ الْعَذَابُ فَيَقُولُ الَّذِينَ ظَلَمُوا رَبَّنَا أَخِّرْنَا إِلَىٰ أَجَلٍ قَرِيبٍ نُّجِبْ دَعْوَتَكَ وَنَتَّبِعِ الرُّسُلَ ۗ أَوَلَمْ تَكُونُوا أَقْسَمْتُم مِّن قَبْلُ مَا لَكُم مِّن زَوَالٍ 44

En waarschuw (o Mohammed) de mensen voor de Dag waarop de Bestraffing tot hen komt. Degenen die onrecht pleegden zullen dan zeggen: “Onze Heer, verleen ons uitstel tot een nabij tijdstip. Wij zullen (dan) gehoor geven aan Uw Oproep en wij zullen de Boodschappers volgen.” (Dan zal er worden gezegd:) “Hebben jullie niet eerder gezworen dat er voor jullie geen verwijdering zal zijn (uit deze wereld)?

وَسَكَنتُمْ فِي مَسَاكِنِ الَّذِينَ ظَلَمُوا أَنفُسَهُمْ وَتَبَيَّنَ لَكُمْ كَيْفَ فَعَلْنَا بِهِمْ وَضَرَبْنَا لَكُمُ الْأَمْثَالَ 45

En jullie verbleven in de woonplaatsen van degenen die onrecht pleegden tegenover zichzelf en voor jullie werd duidelijk wat Wij met hen hebben gedaan. En Wij stellen voor jullie de voorbeelden.”

وَقَدْ مَكَرُوا مَكْرَهُمْ وَعِندَ اللَّهِ مَكْرُهُمْ وَإِن كَانَ مَكْرُهُمْ لِتَزُولَ مِنْهُ الْجِبَالُ 46

En voorzeker, zij beraamden hun list. En hun list is (bekend) bij Allah, en al zou hun list de bergen doen vergaan (dan nog zullen zij niet in staat zijn om de Zaak van Allah tegen te houden).

فَلَا تَحْسَبَنَّ اللَّهَ مُخْلِفَ وَعْدِهِ رُسُلَهُ ۗ إِنَّ اللَّهَ عَزِيزٌ ذُو انتِقَامٍ 47

Denk dus niet dat Allah Zijn Belofte aan Zijn Boodschappers zal verbreken. Voorwaar, Allah is Almachtig, de Bezitter van Vergelding.

يَوْمَ تُبَدَّلُ الْأَرْضُ غَيْرَ الْأَرْضِ وَالسَّمَاوَاتُ ۖ وَبَرَزُوا لِلَّهِ الْوَاحِدِ الْقَهَّارِ 48

Op de Dag waarop de aarde zal veranderen in een andere aarde, en (zo ook) de hemelen. En zij (d.w.z. alle schepselen) voor Allah zullen verschijnen, de Enige, de Overweldiger.

وَتَرَى الْمُجْرِمِينَ يَوْمَئِذٍ مُّقَرَّنِينَ فِي الْأَصْفَادِ 49

En jij zult op die Dag zien dat de misdadigers vastgebonden zijn aan ketenen.

سَرَابِيلُهُم مِّن قَطِرَانٍ وَتَغْشَىٰ وُجُوهَهُمُ النَّارُ 50

Hun kleding zal van teer zijn en het Vuur zal hun gezichten bedekken.

لِيَجْزِيَ اللَّهُ كُلَّ نَفْسٍ مَّا كَسَبَتْ ۚ إِنَّ اللَّهَ سَرِيعُ الْحِسَابِ 51

Zodat Allah iedere ziel zal vergelden vanwege dat wat zij verworven heeft. Waarlijk, Allah is Snel in de Afrekening.

هَٰذَا بَلَاغٌ لِّلنَّاسِ وَلِيُنذَرُوا بِهِ وَلِيَعْلَمُوا أَنَّمَا هُوَ إِلَٰهٌ وَاحِدٌ وَلِيَذَّكَّرَ أُولُو الْأَلْبَابِ 52

Dit (d.w.z. de Koran) is een Verkondiging voor de mensen, opdat zij hierdoor gewaarschuwd zullen worden en opdat zij zullen weten dat Hij slechts één God is, en opdat de bezitters van verstand er lering uit zullen trekken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Close