Soera 12 – Yusuf  – Jozef (zoon van Jakob) – يوسف

bismillah ir rahman ir rahim

الر ۚ تِلْكَ آيَاتُ الْكِتَابِ الْمُبِينِ 1

Alif-Laam-Raa. Dit zijn de Verzen van het duidelijke Boek.

إِنَّا أَنزَلْنَاهُ قُرْآنًا عَرَبِيًّا لَّعَلَّكُمْ تَعْقِلُونَ 2

Voorwaar, Wij hebben het (d.w.z. de Koran) neergezonden als een Arabische Koran, opdat jullie zullen nadenken.

نَحْنُ نَقُصُّ عَلَيْكَ أَحْسَنَ الْقَصَصِ بِمَا أَوْحَيْنَا إِلَيْكَ هَٰذَا الْقُرْآنَ وَإِن كُنتَ مِن قَبْلِهِ لَمِنَ الْغَافِلِينَ 3

Wij vertellen jou (o Mohammed) de beste verhalen door middel van datgene wat Wij aan jou openbaarden van deze Koran. En jij behoorde daarvóór (d.w.z. voordat de Openbaring tot jou kwam) zeker tot de argelozen.

إِذْ قَالَ يُوسُفُ لِأَبِيهِ يَا أَبَتِ إِنِّي رَأَيْتُ أَحَدَ عَشَرَ كَوْكَبًا وَالشَّمْسَ وَالْقَمَرَ رَأَيْتُهُمْ لِي سَاجِدِينَ 4

(Gedenk) toen Yoesoef tegen zijn vader (Yacqoeb) zei: “O mijn vader, waarlijk, ik zag (in een droom) elf planeten en de zon en de maan. Ik zag ze voor mij neerknielen.”

قَالَ يَا بُنَيَّ لَا تَقْصُصْ رُؤْيَاكَ عَلَىٰ إِخْوَتِكَ فَيَكِيدُوا لَكَ كَيْدًا ۖ إِنَّ الشَّيْطَانَ لِلْإِنسَانِ عَدُوٌّ مُّبِينٌ 5

Hij (Yacqoeb) zei: “O mijn zoon, vertel jouw visioen niet aan jouw broers, anders zullen zij een list tegen jou beramen. Waarlijk, de satan is voor de mens een duidelijke vijand.

وَكَذَٰلِكَ يَجْتَبِيكَ رَبُّكَ وَيُعَلِّمُكَ مِن تَأْوِيلِ الْأَحَادِيثِ وَيُتِمُّ نِعْمَتَهُ عَلَيْكَ وَعَلَىٰ آلِ يَعْقُوبَ كَمَا أَتَمَّهَا عَلَىٰ أَبَوَيْكَ مِن قَبْلُ إِبْرَاهِيمَ وَإِسْحَاقَ ۚ إِنَّ رَبَّكَ عَلِيمٌ حَكِيمٌ 6

En zo zal jouw Heer jou verkiezen en jou de uitleg van de dromen onderwijzen, en Zijn Gunst aan jou en aan de familie van Yacqoeb vervolmaken, zoals Hij deze voorheen aan jouw beide voorvaderen, Ibraahiem en Ishaaq, vervolmaakte. Waarlijk, jouw Heer is Alwetend, Alwijs.”

لَّقَدْ كَانَ فِي يُوسُفَ وَإِخْوَتِهِ آيَاتٌ لِّلسَّائِلِينَ 7

Voorzeker, in (het verhaal van) Yoesoef en zijn broers bevinden zich tekenen voor degenen die vragen.

إِذْ قَالُوا لَيُوسُفُ وَأَخُوهُ أَحَبُّ إِلَىٰ أَبِينَا مِنَّا وَنَحْنُ عُصْبَةٌ إِنَّ أَبَانَا لَفِي ضَلَالٍ مُّبِينٍ 8

Toen zij (d.w.z. de broers van Yoesoef) zeiden: “Yoesoef en zijn broer zijn zeker geliefder bij onze vader dan wij, terwijl wij een groep zijn. Waarlijk, onze vader verkeert zeker in duidelijke dwaling (door hen voor te trekken).

اقْتُلُوا يُوسُفَ أَوِ اطْرَحُوهُ أَرْضًا يَخْلُ لَكُمْ وَجْهُ أَبِيكُمْ وَتَكُونُوا مِن بَعْدِهِ قَوْمًا صَالِحِينَ 9

Dood Yoesoef, of verdrijf hem naar een (ander) land, zodat het gezicht (d.w.z. de aandacht) van jullie vader voor jullie alleen zal zijn en jullie daarna een rechtschapen volk zullen zijn.”

قَالَ قَائِلٌ مِّنْهُمْ لَا تَقْتُلُوا يُوسُفَ وَأَلْقُوهُ فِي غَيَابَتِ الْجُبِّ يَلْتَقِطْهُ بَعْضُ السَّيَّارَةِ إِن كُنتُمْ فَاعِلِينَ 10

Eén van hen zei: “Dood Yoesoef niet, maar werp hem op de bodem van de put, zodat hij dan opgehaald zal worden door een karavaan (van reizigers), als jullie (toch) iets willen doen.”

قَالُوا يَا أَبَانَا مَا لَكَ لَا تَأْمَنَّا عَلَىٰ يُوسُفَ وَإِنَّا لَهُ لَنَاصِحُونَ 11

Zij zeiden: “O onze vader, wat is er toch met u dat u Yoesoef niet aan ons toevertrouwt, terwijl wij waarlijk over hem zullen waken?

أَرْسِلْهُ مَعَنَا غَدًا يَرْتَعْ وَيَلْعَبْ وَإِنَّا لَهُ لَحَافِظُونَ 12

Stuur hem morgen met ons mee, zodat hij plezier kan hebben en zichzelf kan vermaken. En waarlijk, wij zullen zeker over hem waken.”

قَالَ إِنِّي لَيَحْزُنُنِي أَن تَذْهَبُوا بِهِ وَأَخَافُ أَن يَأْكُلَهُ الذِّئْبُ وَأَنتُمْ عَنْهُ غَافِلُونَ 13

Hij (Yacqoeb) zei: “Waarlijk, het doet mij verdriet dat jullie hem meenemen. En ik vrees dat de wolf hem zal verslinden, terwijl jullie niet op hem letten.”

قَالُوا لَئِنْ أَكَلَهُ الذِّئْبُ وَنَحْنُ عُصْبَةٌ إِنَّا إِذًا لَّخَاسِرُونَ 14

Zij zeiden: “Als de wolf hem verslindt, terwijl wij (met) een groep zijn (om hem te beschermen), voorwaar, dan zullen wij zeker tot de verliezers behoren.”

فَلَمَّا ذَهَبُوا بِهِ وَأَجْمَعُوا أَن يَجْعَلُوهُ فِي غَيَابَتِ الْجُبِّ ۚ وَأَوْحَيْنَا إِلَيْهِ لَتُنَبِّئَنَّهُم بِأَمْرِهِمْ هَٰذَا وَهُمْ لَا يَشْعُرُونَ 15

Toen zij hem meenamen en zij allen overeenkwamen om hem op de bodem van de put te werpen, en Wij aan hem (d.w.z. aan Yoesoef) openbaarden: “Jij zult hun zeker berichten over deze zaak van hen, terwijl zij (dit) niet beseffen.”

وَجَاءُوا أَبَاهُمْ عِشَاءً يَبْكُونَ 16

En zij kwamen in de avond huilend naar hun vader.

قَالُوا يَا أَبَانَا إِنَّا ذَهَبْنَا نَسْتَبِقُ وَتَرَكْنَا يُوسُفَ عِندَ مَتَاعِنَا فَأَكَلَهُ الذِّئْبُ ۖ وَمَا أَنتَ بِمُؤْمِنٍ لَّنَا وَلَوْ كُنَّا صَادِقِينَ 17

Zij zeiden: “O onze vader, voorwaar, wij gingen ervandoor om met elkaar een wedloop te houden en wij lieten Yoesoef achter bij onze spullen en de wolf heeft hem verslonden. Maar u zult ons niet geloven, zelfs niet als wij waarachtig zijn.’’

وَجَاءُوا عَلَىٰ قَمِيصِهِ بِدَمٍ كَذِبٍ ۚ قَالَ بَلْ سَوَّلَتْ لَكُمْ أَنفُسُكُمْ أَمْرًا ۖ فَصَبْرٌ جَمِيلٌ ۖ وَاللَّهُ الْمُسْتَعَانُ عَلَىٰ مَا تَصِفُونَ 18

En zij kwamen met nep bloed op zijn hemd. Hij zei: “Welnee! Jullie hebben voor jezelf een zaak schoonschijnend gemaakt. Dus (rest mij niets anders dan) het mooie geduld. En Allah (Alleen) is Degene bij Wie hulp gezocht wordt tegen dat wat jullie beschrijven.”

وَجَاءَتْ سَيَّارَةٌ فَأَرْسَلُوا وَارِدَهُمْ فَأَدْلَىٰ دَلْوَهُ ۖ قَالَ يَا بُشْرَىٰ هَٰذَا غُلَامٌ ۚ وَأَسَرُّوهُ بِضَاعَةً ۚ وَاللَّهُ عَلِيمٌ بِمَا يَعْمَلُونَ 19

En er kwam een karavaan (van reizigers). En zij stuurden hun waterdrager en hij liet zijn emmer (in de put) zakken. Hij zei: “Wat een verheugende tijding. Dit is een jongen.” En zij verborgen hem als koopwaar. En Allah is op de hoogte van dat wat zij doen.

وَشَرَوْهُ بِثَمَنٍ بَخْسٍ دَرَاهِمَ مَعْدُودَةٍ وَكَانُوا فِيهِ مِنَ الزَّاهِدِينَ 20

En zij verkochten hem voor een lage prijs, een beperkt aantal dirhams. En zij behoorden tot degenen die hem onbelangrijk achtten.

وَقَالَ الَّذِي اشْتَرَاهُ مِن مِّصْرَ لِامْرَأَتِهِ أَكْرِمِي مَثْوَاهُ عَسَىٰ أَن يَنفَعَنَا أَوْ نَتَّخِذَهُ وَلَدًا ۚ وَكَذَٰلِكَ مَكَّنَّا لِيُوسُفَ فِي الْأَرْضِ وَلِنُعَلِّمَهُ مِن تَأْوِيلِ الْأَحَادِيثِ ۚ وَاللَّهُ غَالِبٌ عَلَىٰ أَمْرِهِ وَلَٰكِنَّ أَكْثَرَ النَّاسِ لَا يَعْلَمُونَ 21

En degene uit Egypte die hem kocht, zei tegen zijn vrouw: “Maak zijn verblijfplaats aangenaam. Wellicht dat hij ons zal baten of (dat) wij hem als zoon zullen nemen.” En zo vestigden Wij Yoesoef op aarde, opdat Wij hem de uitleg van de dromen zouden onderwijzen. En Allah zal Zijn Zaak doorvoeren, maar de meeste mensen weten (het) niet.

وَلَمَّا بَلَغَ أَشُدَّهُ آتَيْنَاهُ حُكْمًا وَعِلْمًا ۚ وَكَذَٰلِكَ نَجْزِي الْمُحْسِنِينَ 22

En toen hij (Yoesoef) zijn volle kracht bereikte (d.w.z. fysiek en mentaal rijp was), gaven Wij hem wijsheid en kennis. En zo belonen Wij de weldoeners.

وَرَاوَدَتْهُ الَّتِي هُوَ فِي بَيْتِهَا عَن نَّفْسِهِ وَغَلَّقَتِ الْأَبْوَابَ وَقَالَتْ هَيْتَ لَكَ ۚ قَالَ مَعَاذَ اللَّهِ ۖ إِنَّهُ رَبِّي أَحْسَنَ مَثْوَايَ ۖ إِنَّهُ لَا يُفْلِحُ الظَّالِمُونَ 23

En zij, in wier huis hij verbleef, probeerde hem te verleiden om zich (aan de slechte daad met haar) over te geven. En zij sloot de deuren en zei: “Kom dichterbij jij.” Hij zei: “Ik zoek mijn toevlucht bij Allah. Waarlijk, hij (d.w.z. jouw echtgenoot) is mijn meester. Hij heeft mijn verblijfplaats aangenaam gemaakt. Waarlijk, de onrechtplegers zullen nooit succesvol zijn.”

وَلَقَدْ هَمَّتْ بِهِ ۖ وَهَمَّ بِهَا لَوْلَا أَن رَّأَىٰ بُرْهَانَ رَبِّهِ ۚ كَذَٰلِكَ لِنَصْرِفَ عَنْهُ السُّوءَ وَالْفَحْشَاءَ ۚ إِنَّهُ مِنْ عِبَادِنَا الْمُخْلَصِينَ 24

En voorzeker, zij had een zwak voor hem en hij zou een zwak voor haar hebben gehad, als hij het Bewijs van zijn Heer niet had gezien. Zo hielden Wij hem af van het slechte en het verdorvene. Waarlijk, hij is één van Onze (zuiver) toegewijde dienaren.

وَاسْتَبَقَا الْبَابَ وَقَدَّتْ قَمِيصَهُ مِن دُبُرٍ وَأَلْفَيَا سَيِّدَهَا لَدَى الْبَابِ ۚ قَالَتْ مَا جَزَاءُ مَنْ أَرَادَ بِأَهْلِكَ سُوءًا إِلَّا أَن يُسْجَنَ أَوْ عَذَابٌ أَلِيمٌ 25

En zij snelden beiden naar de deur en zij scheurde zijn hemd aan de achterkant. En zij troffen haar meester (d.w.z. haar echtgenoot) bij de deur aan. Zij zei: “Wat is de vergelding voor degene die het slechte wil voor jouw gezin, behalve dat hij gevangen wordt (genomen) of een pijnlijke bestraffing (ondergaat)?”

قَالَ هِيَ رَاوَدَتْنِي عَن نَّفْسِي ۚ وَشَهِدَ شَاهِدٌ مِّنْ أَهْلِهَا إِن كَانَ قَمِيصُهُ قُدَّ مِن قُبُلٍ فَصَدَقَتْ وَهُوَ مِنَ الْكَاذِبِينَ 26

Hij (Yoesoef) zei: “Zij probeerde mij te verleiden om mij (aan de slechte daad met haar) over te geven.” En een getuige uit haar familie getuigde: “Als zijn hemd aan de voorkant gescheurd is, dan heeft zij de waarheid gesproken en behoort hij tot de leugenaars.

وَإِن كَانَ قَمِيصُهُ قُدَّ مِن دُبُرٍ فَكَذَبَتْ وَهُوَ مِنَ الصَّادِقِينَ 27

En als zijn hemd aan de achterkant gescheurd is, dan heeft zij gelogen en behoort hij tot de waarachtigen.”

فَلَمَّا رَأَىٰ قَمِيصَهُ قُدَّ مِن دُبُرٍ قَالَ إِنَّهُ مِن كَيْدِكُنَّ ۖ إِنَّ كَيْدَكُنَّ عَظِيمٌ 28

En toen hij (d.w.z. haar echtgenoot) zag dat zijn hemd (d.w.z. het hemd van Yoesoef) aan de achterkant gescheurd was, zei hij: “Waarlijk, het is een list van jullie (vrouwen). Voorwaar, jullie list is enorm.

يُوسُفُ أَعْرِضْ عَنْ هَٰذَا ۚ وَاسْتَغْفِرِي لِذَنبِكِ ۖ إِنَّكِ كُنتِ مِنَ الْخَاطِئِينَ 29

Yoesoef, wend je hiervan af (en houd dit verborgen). En (o vrouw) vraag om vergeving voor jouw zonde. Voorwaar, jij behoorde tot de zondaren.”

وَقَالَ نِسْوَةٌ فِي الْمَدِينَةِ امْرَأَتُ الْعَزِيزِ تُرَاوِدُ فَتَاهَا عَن نَّفْسِهِ ۖ قَدْ شَغَفَهَا حُبًّا ۖ إِنَّا لَنَرَاهَا فِي ضَلَالٍ مُّبِينٍ 30

En de vrouwen in de stad zeiden: “De vrouw van al-cAziez probeert haar jonge man (d.w.z. haar slaaf) te verleiden om zich (aan de slechte daad met haar) over te geven. Zij houdt zeker intens van hem. Waarlijk, wij zien haar zeker in duidelijke dwaling verkeren.”

فَلَمَّا سَمِعَتْ بِمَكْرِهِنَّ أَرْسَلَتْ إِلَيْهِنَّ وَأَعْتَدَتْ لَهُنَّ مُتَّكَأً وَآتَتْ كُلَّ وَاحِدَةٍ مِّنْهُنَّ سِكِّينًا وَقَالَتِ اخْرُجْ عَلَيْهِنَّ ۖ فَلَمَّا رَأَيْنَهُ أَكْبَرْنَهُ وَقَطَّعْنَ أَيْدِيَهُنَّ وَقُلْنَ حَاشَ لِلَّهِ مَا هَٰذَا بَشَرًا إِنْ هَٰذَا إِلَّا مَلَكٌ كَرِيمٌ 31

En toen zij hoorde van hun listen (d.w.z. van hun aantijgingen), stuurde zij (iemand) naar hen (om hen uit te nodigen) en bereidde zij een maaltijd voor hen voor. En zij gaf eenieder van hen een mes (om daarmee het eten aan te snijden) en zij zei (tegen Yoesoef): “Kom voor hen tevoorschijn.” En toen zij hem vervolgens zagen, prezen zij hem (om zijn schoonheid) en (in hun verwondering) sneden zij in hun handen. En zij zeiden: “Allah behoede. Dit is geen mens. Dit is niets anders dan een edele Engel.”

قَالَتْ فَذَٰلِكُنَّ الَّذِي لُمْتُنَّنِي فِيهِ ۖ وَلَقَدْ رَاوَدتُّهُ عَن نَّفْسِهِ فَاسْتَعْصَمَ ۖ وَلَئِن لَّمْ يَفْعَلْ مَا آمُرُهُ لَيُسْجَنَنَّ وَلَيَكُونًا مِّنَ الصَّاغِرِينَ 32

Zij zei: “Dit is degene (d.w.z. de jonge man) waarover jullie mij verweten. En voorzeker, ik heb hem proberen te verleiden om zich (aan de slechte daad met mij) over te geven, maar hij weigerde. En als hij niet doet wat ik hem opdraag, dan zal hij zeker gevangen worden genomen, en zal hij zeker behoren tot degenen die vernederd zijn.”

قَالَ رَبِّ السِّجْنُ أَحَبُّ إِلَيَّ مِمَّا يَدْعُونَنِي إِلَيْهِ ۖ وَإِلَّا تَصْرِفْ عَنِّي كَيْدَهُنَّ أَصْبُ إِلَيْهِنَّ وَأَكُن مِّنَ الْجَاهِلِينَ 33

Hij zei: “Mijn Heer, de gevangenis is mij geliefder dan datgene waarnaar zij mij uitnodigen. En als U hun listen niet van mij afhoudt, zal ik naar hen neigen en (zal ik) tot de onwetenden behoren.”

فَاسْتَجَابَ لَهُ رَبُّهُ فَصَرَفَ عَنْهُ كَيْدَهُنَّ ۚ إِنَّهُ هُوَ السَّمِيعُ الْعَلِيمُ 34

Dus gaf zijn Heer gehoor (aan zijn oproep) en hield (Hij) hun listen van hem af. Waarlijk, Hij is de Alhorende, de Alwetende.

ثُمَّ بَدَا لَهُم مِّن بَعْدِ مَا رَأَوُا الْآيَاتِ لَيَسْجُنُنَّهُ حَتَّىٰ حِينٍ 35

Vervolgens besloten zij, nadat zij de tekenen (van zijn onschuld) hadden gezien, dat zij hem (alsnog) tot een bepaalde tijd gevangen moesten zetten.

وَدَخَلَ مَعَهُ السِّجْنَ فَتَيَانِ ۖ قَالَ أَحَدُهُمَا إِنِّي أَرَانِي أَعْصِرُ خَمْرًا ۖ وَقَالَ الْآخَرُ إِنِّي أَرَانِي أَحْمِلُ فَوْقَ رَأْسِي خُبْزًا تَأْكُلُ الطَّيْرُ مِنْهُ ۖ نَبِّئْنَا بِتَأْوِيلِهِ ۖ إِنَّا نَرَاكَ مِنَ الْمُحْسِنِينَ 36

En er gingen twee jonge mannen met hem de gevangenis in. Eén van hen zei: “Waarlijk, ik zag mijzelf (in een droom) druiven persen (ten behoeve van het produceren van alcoholhoudende dranken).” En de ander zei: “Waarlijk, ik zag mijzelf (in een droom) brood op mijn hoofd dragen waar de vogels van aten.” (Zij zeiden:) “Bericht ons over de betekenis hiervan. Waarlijk, wij zien dat jij tot de weldoeners behoort.”

قَالَ لَا يَأْتِيكُمَا طَعَامٌ تُرْزَقَانِهِ إِلَّا نَبَّأْتُكُمَا بِتَأْوِيلِهِ قَبْلَ أَن يَأْتِيَكُمَا ۚ ذَٰلِكُمَا مِمَّا عَلَّمَنِي رَبِّي ۚ إِنِّي تَرَكْتُ مِلَّةَ قَوْمٍ لَّا يُؤْمِنُونَ بِاللَّهِ وَهُم بِالْآخِرَةِ هُمْ كَافِرُونَ 37

Hij zei: “Er zal geen voedsel tot jullie komen waarmee jullie voorzien worden, zonder dat ik jullie zal berichten over de betekenis hiervan, voordat het (voedsel) tot jullie komt. Dit is wat mijn Heer mij heeft onderwezen. Waarlijk, ik heb de religie van een volk dat niet in Allah gelooft verlaten, en zij geloven niet in het Hiernamaals.

وَاتَّبَعْتُ مِلَّةَ آبَائِي إِبْرَاهِيمَ وَإِسْحَاقَ وَيَعْقُوبَ ۚ مَا كَانَ لَنَا أَن نُّشْرِكَ بِاللَّهِ مِن شَيْءٍ ۚ ذَٰلِكَ مِن فَضْلِ اللَّهِ عَلَيْنَا وَعَلَى النَّاسِ وَلَٰكِنَّ أَكْثَرَ النَّاسِ لَا يَشْكُرُونَ 38

En ik heb de religie van mijn voorvaderen Ibraahiem en Ishaaq en Yacqoeb gevolgd. Het schikt ons niet om iets als deelgenoot aan Allah toe te kennen. Dit is vanwege de Gunst die Allah over ons en over de mensen spreidde, maar de meeste mensen zijn niet dankbaar.

يَا صَاحِبَيِ السِّجْنِ أَأَرْبَابٌ مُّتَفَرِّقُونَ خَيْرٌ أَمِ اللَّهُ الْوَاحِدُ الْقَهَّارُ 39

O mijn (twee) medegevangenen, zijn verschillende heren (d.w.z. goden) beter, of (is) Allah de Ene, de Overweldiger (beter)?

مَا تَعْبُدُونَ مِن دُونِهِ إِلَّا أَسْمَاءً سَمَّيْتُمُوهَا أَنتُمْ وَآبَاؤُكُم مَّا أَنزَلَ اللَّهُ بِهَا مِن سُلْطَانٍ ۚ إِنِ الْحُكْمُ إِلَّا لِلَّهِ ۚ أَمَرَ أَلَّا تَعْبُدُوا إِلَّا إِيَّاهُ ۚ ذَٰلِكَ الدِّينُ الْقَيِّمُ وَلَٰكِنَّ أَكْثَرَ النَّاسِ لَا يَعْلَمُونَ 40

Wat jullie naast Hem aanbidden, zijn slechts namen die jullie en jullie voorvaderen hebben verzonnen (en) waarvoor Allah geen enkel bewijs heeft neergezonden. Het Oordeel is alleen aan Allah. Hij heeft bevolen dat jullie alleen Hem aanbidden. Dat is de rechte godsdienst, maar de meeste mensen weten (het) niet.

يَا صَاحِبَيِ السِّجْنِ أَمَّا أَحَدُكُمَا فَيَسْقِي رَبَّهُ خَمْرًا ۖ وَأَمَّا الْآخَرُ فَيُصْلَبُ فَتَأْكُلُ الطَّيْرُ مِن رَّأْسِهِ ۚ قُضِيَ الْأَمْرُ الَّذِي فِيهِ تَسْتَفْتِيَانِ 41

O mijn (twee) medegevangenen, wat betreft één van jullie; hij zal (als knecht) voor zijn meester alcoholhoudende dranken schenken. En wat betreft de ander; hij zal gekruisigd worden en de vogels zullen van zijn hoofd eten. De zaak waar jullie beiden een oordeel over vroegen, is (reeds) besloten.”

وَقَالَ لِلَّذِي ظَنَّ أَنَّهُ نَاجٍ مِّنْهُمَا اذْكُرْنِي عِندَ رَبِّكَ فَأَنسَاهُ الشَّيْطَانُ ذِكْرَ رَبِّهِ فَلَبِثَ فِي السِّجْنِ بِضْعَ سِنِينَ 42

En hij zei tegen degene onder hen van wie hij dacht dat hij gered zou worden: “Noem mij bij jouw meester (zodat hij mij uit de gevangenis bevrijdt).” (En) zodoende deed de satan hem (d.w.z. Yoesoef) het gedenken van zijn Heer (Allah) vergeten. Dus verbleef hij nog voor een aantal jaren in de gevangenis.

وَقَالَ الْمَلِكُ إِنِّي أَرَىٰ سَبْعَ بَقَرَاتٍ سِمَانٍ يَأْكُلُهُنَّ سَبْعٌ عِجَافٌ وَسَبْعَ سُنبُلَاتٍ خُضْرٍ وَأُخَرَ يَابِسَاتٍ ۖ يَا أَيُّهَا الْمَلَأُ أَفْتُونِي فِي رُؤْيَايَ إِن كُنتُمْ لِلرُّؤْيَا تَعْبُرُونَ 43

En de koning (van Egypte) zei: “Waarlijk, ik zag (in een droom) zeven vette koeien die door zeven magere (koeien) werden opgegeten, en (ook zag ik) zeven groene aren en (zeven) andere droge (aren). O vooraanstaanden, leg mij mijn droom uit, indien jullie (werkelijk) dromen kunnen uitleggen.”

قَالُوا أَضْغَاثُ أَحْلَامٍ ۖ وَمَا نَحْنُ بِتَأْوِيلِ الْأَحْلَامِ بِعَالِمِينَ 44

Zij zeiden: “(Dit is) een mengeling van (valse) dromen. En wij zijn niet bekwaam in het uitleggen van dromen.”

وَقَالَ الَّذِي نَجَا مِنْهُمَا وَادَّكَرَ بَعْدَ أُمَّةٍ أَنَا أُنَبِّئُكُم بِتَأْوِيلِهِ فَأَرْسِلُونِ 45

En degene van hen die gered was en (het) zich na een tijd herinnerde, zei: “Ik zal jullie over de betekenis hiervan berichten, dus stuur mij (naar Yoesoef) toe.”

يُوسُفُ أَيُّهَا الصِّدِّيقُ أَفْتِنَا فِي سَبْعِ بَقَرَاتٍ سِمَانٍ يَأْكُلُهُنَّ سَبْعٌ عِجَافٌ وَسَبْعِ سُنبُلَاتٍ خُضْرٍ وَأُخَرَ يَابِسَاتٍ لَّعَلِّي أَرْجِعُ إِلَى النَّاسِ لَعَلَّهُمْ يَعْلَمُونَ 46

(Hij zei:) “O Yoesoef, de waarachtige, leg ons uit (wat een droom betekent als daarin) zeven vette koeien (worden gezien) die door zeven magere (koeien) worden opgegeten, en zeven groene aren en (zeven) andere droge (aren). Zodat ik naar de mensen kan terugkeren, (en) opdat zij (het) zullen weten.”

قَالَ تَزْرَعُونَ سَبْعَ سِنِينَ دَأَبًا فَمَا حَصَدتُّمْ فَذَرُوهُ فِي سُنبُلِهِ إِلَّا قَلِيلًا مِّمَّا تَأْكُلُونَ 47

Hij (Yoesoef) zei: “Jullie zullen zeven opeenvolgende jaren (hetzelfde) als gewoonlijk zaaien en jullie zullen dat wat jullie oogsten in hun aren (moeten) laten, behalve een klein deel van datgene wat jullie (mogen) eten.

ثُمَّ يَأْتِي مِن بَعْدِ ذَٰلِكَ سَبْعٌ شِدَادٌ يَأْكُلْنَ مَا قَدَّمْتُمْ لَهُنَّ إِلَّا قَلِيلًا مِّمَّا تُحْصِنُونَ 48

Vervolgens komen daarna zeven zware (jaren) die datgene wat jullie ervóór vooruit hebben gezonden, zullen verteren, behalve een klein deel van datgene wat jullie hebben opgeslagen.

ثُمَّ يَأْتِي مِن بَعْدِ ذَٰلِكَ عَامٌ فِيهِ يُغَاثُ النَّاسُ وَفِيهِ يَعْصِرُونَ 49

Vervolgens komt er daarna een jaar waarin mensen een overvloed aan regen krijgen, en waarin zij (o.a. druiven) zullen persen.”

وَقَالَ الْمَلِكُ ائْتُونِي بِهِ ۖ فَلَمَّا جَاءَهُ الرَّسُولُ قَالَ ارْجِعْ إِلَىٰ رَبِّكَ فَاسْأَلْهُ مَا بَالُ النِّسْوَةِ اللَّاتِي قَطَّعْنَ أَيْدِيَهُنَّ ۚ إِنَّ رَبِّي بِكَيْدِهِنَّ عَلِيمٌ 50

En de koning zei: “Breng hem bij mij.’’ Maar toen de boodschapper tot hem kwam, zei hij (Yoesoef): “Keer terug naar jouw heer (d.w.z. de koning) en vraag hem wat er is gebeurd met de vrouwen die in hun handen hadden gesneden. Voorwaar, mijn Heer is op de hoogte van hun listen.”

قَالَ مَا خَطْبُكُنَّ إِذْ رَاوَدتُّنَّ يُوسُفَ عَن نَّفْسِهِ ۚ قُلْنَ حَاشَ لِلَّهِ مَا عَلِمْنَا عَلَيْهِ مِن سُوءٍ ۚ قَالَتِ امْرَأَتُ الْعَزِيزِ الْآنَ حَصْحَصَ الْحَقُّ أَنَا رَاوَدتُّهُ عَن نَّفْسِهِ وَإِنَّهُ لَمِنَ الصَّادِقِينَ 51

Hij (de koning) zei (tegen de vrouwen): “Hoe zit het met jullie zaak (d.w.z. het voorval) waarbij jullie Yoesoef probeerden te verleiden om zich (aan de slechte daad met jullie) over te geven?” Zij zeiden: “Allah behoede. Wij weten niets slechts over hem (te zeggen).” De vrouw van al-cAziez zei: “De waarheid is nu duidelijk geworden. Ik wilde hem verleiden om zich (aan de slechte daad met mij) over te geven en waarlijk, hij behoort zeker tot de waarachtigen.”

ذَٰلِكَ لِيَعْلَمَ أَنِّي لَمْ أَخُنْهُ بِالْغَيْبِ وَأَنَّ اللَّهَ لَا يَهْدِي كَيْدَ الْخَائِنِينَ 52

(Yoesoef zei:) “Dit is zodat hij (al-cAziez) weet dat ik hem niet in zijn afwezigheid heb bedrogen. En voorwaar, Allah leidt de list van de bedriegers niet.

وَمَا أُبَرِّئُ نَفْسِي ۚ إِنَّ النَّفْسَ لَأَمَّارَةٌ بِالسُّوءِ إِلَّا مَا رَحِمَ رَبِّي ۚ إِنَّ رَبِّي غَفُورٌ رَّحِيمٌ 53

En ik vrijwaar mijzelf niet (van schuld). Waarlijk, de ziel draagt op tot het slechte, behalve (de ziel) die mijn Heer heeft begenadigd. Waarlijk, mijn Heer is Meest Vergevingsgezind, Meest Genadevol.”

وَقَالَ الْمَلِكُ ائْتُونِي بِهِ أَسْتَخْلِصْهُ لِنَفْسِي ۖ فَلَمَّا كَلَّمَهُ قَالَ إِنَّكَ الْيَوْمَ لَدَيْنَا مَكِينٌ أَمِينٌ 54

En de koning zei: “Breng hem bij mij, zodat ik hem tot (één van) mijn (meest) naaste mensen kan maken.” Toen hij tegen hem sprak, zei hij: “Waarlijk, vandaag sta jij bij ons in jouw recht en (jij bent) betrouwbaar.”

قَالَ اجْعَلْنِي عَلَىٰ خَزَائِنِ الْأَرْضِ ۖ إِنِّي حَفِيظٌ عَلِيمٌ 55

Hij (Yoesoef) zei: “Stel mij aan (als toezichthouder) over de opslagplaatsen van het land. Waarlijk, ik ben een bedreven toezichthouder.”

وَكَذَٰلِكَ مَكَّنَّا لِيُوسُفَ فِي الْأَرْضِ يَتَبَوَّأُ مِنْهَا حَيْثُ يَشَاءُ ۚ نُصِيبُ بِرَحْمَتِنَا مَن نَّشَاءُ ۖ وَلَا نُضِيعُ أَجْرَ الْمُحْسِنِينَ 56

En zo vestigden Wij Yoesoef op aarde, en kon hij zich daar overal (vrij) op begeven, zoals hij wilde (na jaren van gevangenschap). Wij schenken Onze Genade aan wie Wij willen. En Wij zullen de Beloning voor de weldoeners niet verloren laten gaan.

وَلَأَجْرُ الْآخِرَةِ خَيْرٌ لِّلَّذِينَ آمَنُوا وَكَانُوا يَتَّقُونَ 57

En de Beloning van het Hiernamaals is zeker beter voor degenen die geloofden en (Allah) vreesden.

وَجَاءَ إِخْوَةُ يُوسُفَ فَدَخَلُوا عَلَيْهِ فَعَرَفَهُمْ وَهُمْ لَهُ مُنكِرُونَ 58

En de broers van Yoesoef kwamen en traden bij hem naar binnen (om voedsel te vragen), en hij herkende hen, maar zij herkenden hem niet.

وَلَمَّا جَهَّزَهُم بِجَهَازِهِمْ قَالَ ائْتُونِي بِأَخٍ لَّكُم مِّنْ أَبِيكُمْ ۚ أَلَا تَرَوْنَ أَنِّي أُوفِي الْكَيْلَ وَأَنَا خَيْرُ الْمُنزِلِينَ 59

En toen hij hen had voorzien van hun levensmiddelen, zei hij: “Breng mij een broer van jullie vaderskant. Zien jullie (dan) niet dat ik de volle maat geef, en dat ik de beste onder de gastheren ben?

فَإِن لَّمْ تَأْتُونِي بِهِ فَلَا كَيْلَ لَكُمْ عِندِي وَلَا تَقْرَبُونِ 60

Maar als jullie hem niet bij mij brengen, dan valt er voor jullie geen maat (meer) te halen bij mij, en jullie zullen niet (meer) in mijn buurt komen.”

قَالُوا سَنُرَاوِدُ عَنْهُ أَبَاهُ وَإِنَّا لَفَاعِلُونَ 61

Zij zeiden: “Wij zullen zijn vader proberen over te halen (om hem mee te sturen). En waarlijk, wij zullen dit zeker doen.”

وَقَالَ لِفِتْيَانِهِ اجْعَلُوا بِضَاعَتَهُمْ فِي رِحَالِهِمْ لَعَلَّهُمْ يَعْرِفُونَهَا إِذَا انقَلَبُوا إِلَىٰ أَهْلِهِمْ لَعَلَّهُمْ يَرْجِعُونَ 62

En hij (Yoesoef) zei tegen zijn bedienden: “Plaats hun spullen in hun reistassen, opdat zij het zullen herkennen wanneer zij terugkeren naar hun familie, (en) opdat zij (weer bij ons) zullen terugkomen.’’

فَلَمَّا رَجَعُوا إِلَىٰ أَبِيهِمْ قَالُوا يَا أَبَانَا مُنِعَ مِنَّا الْكَيْلُ فَأَرْسِلْ مَعَنَا أَخَانَا نَكْتَلْ وَإِنَّا لَهُ لَحَافِظُونَ 63

Toen zij terugkeerden naar hun vader, zeiden zij: “O onze vader, de volle maat is ons geweigerd. Stuur daarom onze broer met ons mee, zodat wij (alsnog) de volle maat zullen krijgen. En waarlijk, wij zullen zeker over hem waken.”

قَالَ هَلْ آمَنُكُمْ عَلَيْهِ إِلَّا كَمَا أَمِنتُكُمْ عَلَىٰ أَخِيهِ مِن قَبْلُ ۖ فَاللَّهُ خَيْرٌ حَافِظًا ۖ وَهُوَ أَرْحَمُ الرَّاحِمِينَ 64

Hij (Yacqoeb) zei: “Moet ik hem aan jullie toevertrouwen, zoals ik eerder (ook) zijn broer aan jullie toevertrouwde? Allah is de Beste Waker en Hij is de Meest Barmhartige onder de barmhartigen.”

وَلَمَّا فَتَحُوا مَتَاعَهُمْ وَجَدُوا بِضَاعَتَهُمْ رُدَّتْ إِلَيْهِمْ ۖ قَالُوا يَا أَبَانَا مَا نَبْغِي ۖ هَٰذِهِ بِضَاعَتُنَا رُدَّتْ إِلَيْنَا ۖ وَنَمِيرُ أَهْلَنَا وَنَحْفَظُ أَخَانَا وَنَزْدَادُ كَيْلَ بَعِيرٍ ۖ ذَٰلِكَ كَيْلٌ يَسِيرٌ 65

En toen zij hun reistassen openmaakten, ontdekten zij dat hun spullen aan hen waren teruggegeven. Zij zeiden: “O onze vader, wat willen wij (nog meer)? (Zie hier) onze spullen zijn aan ons teruggegeven. Wij kunnen (als u hiermee akkoord gaat) voedsel voor onze familie gaan halen, en wij zullen onze broer beschermen, en onze maat (van voedsel) zal met een volle kameellading toenemen. Het is (dus) een gemakkelijke maat (om te verkrijgen).”

قَالَ لَنْ أُرْسِلَهُ مَعَكُمْ حَتَّىٰ تُؤْتُونِ مَوْثِقًا مِّنَ اللَّهِ لَتَأْتُنَّنِي بِهِ إِلَّا أَن يُحَاطَ بِكُمْ ۖ فَلَمَّا آتَوْهُ مَوْثِقَهُمْ قَالَ اللَّهُ عَلَىٰ مَا نَقُولُ وَكِيلٌ 66

Hij (Yacqoeb) zei: “Ik stuur hem niet met jullie mee, totdat jullie aan mij een plechtige eed bij Allah (d.w.z. in de Naam van Allah) afleggen (waarin jullie zweren) dat jullie zeker met hem naar mij zullen terugkomen, behalve als jullie (door iets) worden omsingeld (waardoor dit niet kan).” En toen zij hun plechtige eden voor hem aflegden, zei hij: “Allah is Getuige van wat wij zeggen.”

وَقَالَ يَا بَنِيَّ لَا تَدْخُلُوا مِن بَابٍ وَاحِدٍ وَادْخُلُوا مِنْ أَبْوَابٍ مُّتَفَرِّقَةٍ ۖ وَمَا أُغْنِي عَنكُم مِّنَ اللَّهِ مِن شَيْءٍ ۖ إِنِ الْحُكْمُ إِلَّا لِلَّهِ ۖ عَلَيْهِ تَوَكَّلْتُ ۖ وَعَلَيْهِ فَلْيَتَوَكَّلِ الْمُتَوَكِّلُونَ 67

En hij (Yacqoeb) zei: “O mijn zonen, treed niet via één poort naar binnen, maar treed via verschillende poorten naar binnen. En ik kan jullie niet beschermen tegen (de Beschikking van) Allah. Het Oordeel is alleen aan Allah. In Hem stel ik mijn vertrouwen. En op Hem dienen degenen die hun vertrouwen in Hem stellen te vertrouwen.”

وَلَمَّا دَخَلُوا مِنْ حَيْثُ أَمَرَهُمْ أَبُوهُم مَّا كَانَ يُغْنِي عَنْهُم مِّنَ اللَّهِ مِن شَيْءٍ إِلَّا حَاجَةً فِي نَفْسِ يَعْقُوبَ قَضَاهَا ۚ وَإِنَّهُ لَذُو عِلْمٍ لِّمَا عَلَّمْنَاهُ وَلَٰكِنَّ أَكْثَرَ النَّاسِ لَا يَعْلَمُونَ 68

En toen zij naar binnentraden van (daar) waar hun vader (het) hun opdroeg, kon dit hen op geen enkele manier beschermen tegen (de Beschikking van) Allah. (Maar) het was slechts een tegemoetkoming aan de wens van Yacqoeb zelf. En waarlijk, hij (Yacqoeb) was zeker een bezitter van kennis dankzij datgene wat Wij hem onderwezen. Maar de meeste mensen weten (het) niet.

وَلَمَّا دَخَلُوا عَلَىٰ يُوسُفَ آوَىٰ إِلَيْهِ أَخَاهُ ۖ قَالَ إِنِّي أَنَا أَخُوكَ فَلَا تَبْتَئِسْ بِمَا كَانُوا يَعْمَلُونَ 69

En toen zij bij Yoesoef binnentraden (om meer voedsel te krijgen), nam hij zijn broer bij zich. Hij zei: “Waarlijk, ik ben jouw broer, dus treur niet vanwege dat wat zij deden.”

فَلَمَّا جَهَّزَهُم بِجَهَازِهِمْ جَعَلَ السِّقَايَةَ فِي رَحْلِ أَخِيهِ ثُمَّ أَذَّنَ مُؤَذِّنٌ أَيَّتُهَا الْعِيرُ إِنَّكُمْ لَسَارِقُونَ 70

En toen hij hen had voorzien van hun levensmiddelen, plaatste hij het drinkgerei in de reistas van zijn broer. Vervolgens riep een oproeper: “O jullie (in) de karavaan, voorwaar, jullie zijn zeker dieven.”

قَالُوا وَأَقْبَلُوا عَلَيْهِم مَّاذَا تَفْقِدُونَ 71

Zij kwamen op hen af, en zeiden: “Wat zijn jullie kwijtgeraakt?”

قَالُوا نَفْقِدُ صُوَاعَ الْمَلِكِ وَلِمَن جَاءَ بِهِ حِمْلُ بَعِيرٍ وَأَنَا بِهِ زَعِيمٌ 72

Zij zeiden: “Wij zijn het drinkgerei van de koning kwijtgeraakt. En voor degene die dit (terug)brengt, is er (een beloning ter grootte van) een kameellading. En ik sta daar zelf garant voor.”

قَالُوا تَاللَّهِ لَقَدْ عَلِمْتُم مَّا جِئْنَا لِنُفْسِدَ فِي الْأَرْضِ وَمَا كُنَّا سَارِقِينَ 73

Zij zeiden: “Bij Allah! Voorzeker, jullie weten dat wij niet zijn gekomen om verderf op aarde te zaaien, en wij zijn geen dieven.”

قَالُوا فَمَا جَزَاؤُهُ إِن كُنتُمْ كَاذِبِينَ 74

Zij zeiden: “Wat zal zijn vergelding (d.w.z. van de dief) zijn als jullie leugenaars (blijken te) zijn?”

قَالُوا جَزَاؤُهُ مَن وُجِدَ فِي رَحْلِهِ فَهُوَ جَزَاؤُهُ ۚ كَذَٰلِكَ نَجْزِي الظَّالِمِينَ 75

Zij zeiden: “Zijn vergelding is dat degene in wiens reistas het (drinkgerei) gevonden wordt, hij zelf als vergelding zal dienen. Op deze wijze vergelden wij de onrechtplegers.”

فَبَدَأَ بِأَوْعِيَتِهِمْ قَبْلَ وِعَاءِ أَخِيهِ ثُمَّ اسْتَخْرَجَهَا مِن وِعَاءِ أَخِيهِ ۚ كَذَٰلِكَ كِدْنَا لِيُوسُفَ ۖ مَا كَانَ لِيَأْخُذَ أَخَاهُ فِي دِينِ الْمَلِكِ إِلَّا أَن يَشَاءَ اللَّهُ ۚ نَرْفَعُ دَرَجَاتٍ مَّن نَّشَاءُ ۗ وَفَوْقَ كُلِّ ذِي عِلْمٍ عَلِيمٌ 76

Dus begon hij (Yoesoef) met (het doorzoeken van) hun spullen vóór (het doorzoeken van) de spullen van zijn broer. Vervolgens haalde hij het (drinkgerei) uit de reistas van zijn broer. Zo maakten Wij voor Yoesoef een plan. Het was hem (Yoesoef) volgens de godsdienst van de koning niet gegeven om zijn broer aan zich toe te eigenen, behalve als Allah het wil. Wij verheffen wie Wij willen in rang, en boven elke bezitter van kennis staat iemand met meer kennis.

قَالُوا إِن يَسْرِقْ فَقَدْ سَرَقَ أَخٌ لَّهُ مِن قَبْلُ ۚ فَأَسَرَّهَا يُوسُفُ فِي نَفْسِهِ وَلَمْ يُبْدِهَا لَهُمْ ۚ قَالَ أَنتُمْ شَرٌّ مَّكَانًا ۖ وَاللَّهُ أَعْلَمُ بِمَا تَصِفُونَ 77

Zij (de broers van Yoesoef) zeiden: “Als hij heeft gestolen, voorzeker, een broer van hem heeft eerder (ook) gestolen.” Maar Yoesoef hield dit voor zichzelf en onthulde het niet aan hen. Hij zei (namelijk in zichzelf): “Jullie hebben de slechtste plaats en Allah is beter op de hoogte van wat jullie beschrijven.”

قَالُوا يَا أَيُّهَا الْعَزِيزُ إِنَّ لَهُ أَبًا شَيْخًا كَبِيرًا فَخُذْ أَحَدَنَا مَكَانَهُ ۖ إِنَّا نَرَاكَ مِنَ الْمُحْسِنِينَ 78

Zij zeiden: “O al-cAziez, waarlijk, hij heeft een oude vader (die om hem zal treuren). Neem daarom één van ons in zijn plaats. Waarlijk, wij zien dat jij tot de weldoeners behoort.”

قَالَ مَعَاذَ اللَّهِ أَن نَّأْخُذَ إِلَّا مَن وَجَدْنَا مَتَاعَنَا عِندَهُ إِنَّا إِذًا لَّظَالِمُونَ 79

Hij zei: “Ik zoek mijn toevlucht bij Allah dat ik iemand anders zou nemen dan degene bij wie wij onze spullen hebben gevonden. Waarlijk, wij zullen (in dat geval) dan zeker onrechtplegers zijn.”

فَلَمَّا اسْتَيْأَسُوا مِنْهُ خَلَصُوا نَجِيًّا ۖ قَالَ كَبِيرُهُمْ أَلَمْ تَعْلَمُوا أَنَّ أَبَاكُمْ قَدْ أَخَذَ عَلَيْكُم مَّوْثِقًا مِّنَ اللَّهِ وَمِن قَبْلُ مَا فَرَّطتُمْ فِي يُوسُفَ ۖ فَلَنْ أَبْرَحَ الْأَرْضَ حَتَّىٰ يَأْذَنَ لِي أَبِي أَوْ يَحْكُمَ اللَّهُ لِي ۖ وَهُوَ خَيْرُ الْحَاكِمِينَ 80

En toen zij (de hoop) opgaven, trokken zij zich in het geheim terug. De oudste onder hen zei: “Weten jullie niet dat jullie vader zeker een plechtige eed van jullie heeft afgenomen bij Allah (d.w.z. in de Naam van Allah) en jullie (al) eerder nalatig zijn geweest met betrekking tot Yoesoef? Ik zal dit land niet verlaten, totdat mijn vader mij toestemming (hiervoor) geeft, of (totdat) Allah over mij oordeelt. En Hij is de Beste Beoordelaar.

ارْجِعُوا إِلَىٰ أَبِيكُمْ فَقُولُوا يَا أَبَانَا إِنَّ ابْنَكَ سَرَقَ وَمَا شَهِدْنَا إِلَّا بِمَا عَلِمْنَا وَمَا كُنَّا لِلْغَيْبِ حَافِظِينَ 81

Keer terug naar jullie vader en zeg: “O onze vader, waarlijk, uw zoon heeft gestolen. En wij getuigen slechts van datgene wat wij weten. En wij waren niet op de hoogte van het onwaarneembare.

وَاسْأَلِ الْقَرْيَةَ الَّتِي كُنَّا فِيهَا وَالْعِيرَ الَّتِي أَقْبَلْنَا فِيهَا ۖ وَإِنَّا لَصَادِقُونَ 82

En vraag (de mensen van) de stad waar wij waren en (de mensen van) de karavaan met wie wij zijn teruggekomen. En voorwaar, wij zijn zeker waarachtig.”

قَالَ بَلْ سَوَّلَتْ لَكُمْ أَنفُسُكُمْ أَمْرًا ۖ فَصَبْرٌ جَمِيلٌ ۖ عَسَى اللَّهُ أَن يَأْتِيَنِي بِهِمْ جَمِيعًا ۚ إِنَّهُ هُوَ الْعَلِيمُ الْحَكِيمُ 83

Hij (Yacqoeb) zei: “Welnee! Jullie hebben voor jezelf een zaak schoonschijnend gemaakt. Dus (rest mij niets anders dan) het mooie geduld. Hopelijk zal Allah hen allemaal naar mij laten (terug)komen. Waarlijk, Hij is de Alwetende, de Alwijze.”

وَتَوَلَّىٰ عَنْهُمْ وَقَالَ يَا أَسَفَىٰ عَلَىٰ يُوسُفَ وَابْيَضَّتْ عَيْنَاهُ مِنَ الْحُزْنِ فَهُوَ كَظِيمٌ 84

En hij wendde zich van hen af en zei: “O wat ben ik toch bedroefd om Yoesoef.” En zijn ogen werden wit van verdriet, en hij werd overmand (door verdriet).

قَالُوا تَاللَّهِ تَفْتَأُ تَذْكُرُ يُوسُفَ حَتَّىٰ تَكُونَ حَرَضًا أَوْ تَكُونَ مِنَ الْهَالِكِينَ 85

Zij zeiden: “Bij Allah! U zult nooit ophouden met het gedenken van Yoesoef, totdat u uitgeput raakt of (totdat) u behoort tot degenen die vernietigd zijn.”

قَالَ إِنَّمَا أَشْكُو بَثِّي وَحُزْنِي إِلَى اللَّهِ وَأَعْلَمُ مِنَ اللَّهِ مَا لَا تَعْلَمُونَ 86

Hij zei: “Ik doe mijn beklag over mijn zorgen en verdriet slechts bij Allah. En ik weet over Allah wat jullie niet weten.

يَا بَنِيَّ اذْهَبُوا فَتَحَسَّسُوا مِن يُوسُفَ وَأَخِيهِ وَلَا تَيْأَسُوا مِن رَّوْحِ اللَّهِ ۖ إِنَّهُ لَا يَيْأَسُ مِن رَّوْحِ اللَّهِ إِلَّا الْقَوْمُ الْكَافِرُونَ 87

O mijn zonen, ga en zoek naar Yoesoef en zijn broer, en wanhoop niet aan de Verlossing van Allah. Waarlijk, niemand wanhoopt aan de Verlossing van Allah, behalve het ongelovige volk.”

فَلَمَّا دَخَلُوا عَلَيْهِ قَالُوا يَا أَيُّهَا الْعَزِيزُ مَسَّنَا وَأَهْلَنَا الضُّرُّ وَجِئْنَا بِبِضَاعَةٍ مُّزْجَاةٍ فَأَوْفِ لَنَا الْكَيْلَ وَتَصَدَّقْ عَلَيْنَا ۖ إِنَّ اللَّهَ يَجْزِي الْمُتَصَدِّقِينَ 88

En toen zij bij hem (d.w.z. bij Yoesoef) binnentraden (om voedsel te vragen), zeiden zij: “O al-cAziez, wij en onze familie zijn door tegenspoed getroffen en wij zijn met weinig spullen gekomen, maar geef ons (toch) de volle maat en schenk ons liefdadigheid. Waarlijk, Allah beloont degenen die liefdadigheid schenken.”

قَالَ هَلْ عَلِمْتُم مَّا فَعَلْتُم بِيُوسُفَ وَأَخِيهِ إِذْ أَنتُمْ جَاهِلُونَ 89

Hij zei: “Weten jullie wat jullie met Yoesoef en zijn broer hebben gedaan toen jullie onwetend waren?”

قَالُوا أَإِنَّكَ لَأَنتَ يُوسُفُ ۖ قَالَ أَنَا يُوسُفُ وَهَٰذَا أَخِي ۖ قَدْ مَنَّ اللَّهُ عَلَيْنَا ۖ إِنَّهُ مَن يَتَّقِ وَيَصْبِرْ فَإِنَّ اللَّهَ لَا يُضِيعُ أَجْرَ الْمُحْسِنِينَ 90

Zij zeiden: “Voorwaar, ben jij werkelijk Yoesoef?” Hij zei: “Ik ben Yoesoef en dit is mijn broer. Voorzeker, Allah heeft ons begunstigd. Waarlijk, degene die (Allah) vreest en geduldig is; voorwaar, Allah doet de Beloning voor de weldoeners niet verloren gaan.”

قَالُوا تَاللَّهِ لَقَدْ آثَرَكَ اللَّهُ عَلَيْنَا وَإِن كُنَّا لَخَاطِئِينَ 91

Zij zeiden: “Bij Allah! Voorzeker, Allah heeft jou boven ons verkozen. En waarlijk, wij waren (in het verleden) zeker zondaren.”

قَالَ لَا تَثْرِيبَ عَلَيْكُمُ الْيَوْمَ ۖ يَغْفِرُ اللَّهُ لَكُمْ ۖ وَهُوَ أَرْحَمُ الرَّاحِمِينَ 92

Hij zei: “Er treft jullie vandaag geen blaam. Moge Allah jullie vergeven. En Hij is de Meest Barmhartige onder de barmhartigen.

اذْهَبُوا بِقَمِيصِي هَٰذَا فَأَلْقُوهُ عَلَىٰ وَجْهِ أَبِي يَأْتِ بَصِيرًا وَأْتُونِي بِأَهْلِكُمْ أَجْمَعِينَ 93

Ga met dit hemd van mij en werp het in het gezicht van mijn vader. Hij zal (daarna) weer kunnen zien. En kom (vervolgens) naar mij toe met jullie hele familie.”

وَلَمَّا فَصَلَتِ الْعِيرُ قَالَ أَبُوهُمْ إِنِّي لَأَجِدُ رِيحَ يُوسُفَ ۖ لَوْلَا أَن تُفَنِّدُونِ 94

En toen de karavaan wegtrok, zei hun vader (Yacqoeb): “Waarlijk, ik ruik zeker de geur van Yoesoef, als jullie mij maar niet voor dwaas uitmaken.”

قَالُوا تَاللَّهِ إِنَّكَ لَفِي ضَلَالِكَ الْقَدِيمِ 95

Zij zeiden: “Bij Allah! Waarlijk, u verkeert (weer) in uw eerdere dwaling.”

فَلَمَّا أَن جَاءَ الْبَشِيرُ أَلْقَاهُ عَلَىٰ وَجْهِهِ فَارْتَدَّ بَصِيرًا ۖ قَالَ أَلَمْ أَقُل لَّكُمْ إِنِّي أَعْلَمُ مِنَ اللَّهِ مَا لَا تَعْلَمُونَ 96

Maar toen de verkondiger van verheugende tijdingen kwam, en hij het (hemd) in zijn gezicht wierp, kreeg hij (Yacqoeb) zijn gezichtsvermogen weer terug. Hij zei (vervolgens): “Waarlijk, heb ik jullie niet gezegd dat ik over Allah weet wat jullie niet weten?”

قَالُوا يَا أَبَانَا اسْتَغْفِرْ لَنَا ذُنُوبَنَا إِنَّا كُنَّا خَاطِئِينَ 97

Zij zeiden: “O onze vader, vraag (Allah) om ons te vergeven voor onze zonden. Waarlijk, wij waren (in het verleden) zondaren.”

قَالَ سَوْفَ أَسْتَغْفِرُ لَكُمْ رَبِّي ۖ إِنَّهُ هُوَ الْغَفُورُ الرَّحِيمُ 98

Hij zei: “Ik zal mijn Heer vragen (om) jullie te vergeven. Waarlijk, Hij is de Meest Vergevingsgezinde, de Meest Genadevolle.”

فَلَمَّا دَخَلُوا عَلَىٰ يُوسُفَ آوَىٰ إِلَيْهِ أَبَوَيْهِ وَقَالَ ادْخُلُوا مِصْرَ إِن شَاءَ اللَّهُ آمِنِينَ 99

En toen zij bij Yoesoef binnentraden, omhelsde hij zijn ouders en zei: “Treed, als Allah het wil, Egypte veilig binnen.”

وَرَفَعَ أَبَوَيْهِ عَلَى الْعَرْشِ وَخَرُّوا لَهُ سُجَّدًا ۖ وَقَالَ يَا أَبَتِ هَٰذَا تَأْوِيلُ رُؤْيَايَ مِن قَبْلُ قَدْ جَعَلَهَا رَبِّي حَقًّا ۖ وَقَدْ أَحْسَنَ بِي إِذْ أَخْرَجَنِي مِنَ السِّجْنِ وَجَاءَ بِكُم مِّنَ الْبَدْوِ مِن بَعْدِ أَن نَّزَغَ الشَّيْطَانُ بَيْنِي وَبَيْنَ إِخْوَتِي ۚ إِنَّ رَبِّي لَطِيفٌ لِّمَا يَشَاءُ ۚ إِنَّهُ هُوَ الْعَلِيمُ الْحَكِيمُ 100

En hij liet zijn ouders plaatsnemen op de troon, en zij wierpen zich knielend voor hem neer. En hij zei: “O mijn vader, dit is de uitleg van mijn eerdere droom. Mijn Heer heeft deze zeker tot waarheid gemaakt (d.w.z. uit laten komen). En Hij is zeker goed voor mij geweest toen Hij mij uit de gevangenis haalde, en jullie vanuit het platteland liet komen, nadat de satan vijandigheid tussen mij en mijn broers had veroorzaakt. Voorwaar, mijn Heer is Zachtaardig voor wie Hij wil. Waarlijk, Hij is de Alwetende, de Alwijze.

رَبِّ قَدْ آتَيْتَنِي مِنَ الْمُلْكِ وَعَلَّمْتَنِي مِن تَأْوِيلِ الْأَحَادِيثِ ۚ فَاطِرَ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ أَنتَ وَلِيِّي فِي الدُّنْيَا وَالْآخِرَةِ ۖ تَوَفَّنِي مُسْلِمًا وَأَلْحِقْنِي بِالصَّالِحِينَ 101

Mijn Heer, voorzeker, U heeft mij (een deel) van het koningschap (over Egypte) gegeven en U heeft mij de uitleg van de dromen onderwezen. (U bent de) Stichter van de hemelen en de aarde. U bent mijn Beschermer in deze wereld en in het Hiernamaals. Laat mij (dan ook) als moslim sterven en verenig mij met de rechtschapenen.”

ذَٰلِكَ مِنْ أَنبَاءِ الْغَيْبِ نُوحِيهِ إِلَيْكَ ۖ وَمَا كُنتَ لَدَيْهِمْ إِذْ أَجْمَعُوا أَمْرَهُمْ وَهُمْ يَمْكُرُونَ 102

Dit behoort tot de berichten van het onwaarneembare die Wij aan jou (o Mohammed) openbaren. En jij was niet met hen toen zij al hun krachten verzamelden en (toen) zij listen beraamden.

وَمَا أَكْثَرُ النَّاسِ وَلَوْ حَرَصْتَ بِمُؤْمِنِينَ 103

En de meeste mensen zullen niet geloven, ook al zou jij dit (vurig) wensen.

وَمَا تَسْأَلُهُمْ عَلَيْهِ مِنْ أَجْرٍ ۚ إِنْ هُوَ إِلَّا ذِكْرٌ لِّلْعَالَمِينَ 104

En jij vraagt hun daarvoor geen beloning. Het is slechts een Vermaning voor de werelden.

وَكَأَيِّن مِّنْ آيَةٍ فِي السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ يَمُرُّونَ عَلَيْهَا وَهُمْ عَنْهَا مُعْرِضُونَ 105

En hoeveel tekenen zijn er in de hemelen en op de aarde, waaraan zij voorbijgaan, en (waar zij) zich (toch) van afwenden?

وَمَا يُؤْمِنُ أَكْثَرُهُم بِاللَّهِ إِلَّا وَهُم مُّشْرِكُونَ 106

En de meesten van hen geloven niet in Allah, zonder dat zij deelgenoten (aan Hem) toekennen.

أَفَأَمِنُوا أَن تَأْتِيَهُمْ غَاشِيَةٌ مِّنْ عَذَابِ اللَّهِ أَوْ تَأْتِيَهُمُ السَّاعَةُ بَغْتَةً وَهُمْ لَا يَشْعُرُونَ 107

Dachten zij dan veilig te zijn voor een bedekking van een Bestraffing van Allah die tot hen komt, of voor het Uur dat onverwachts tot hen komt, terwijl zij (dit) niet beseffen?

قُلْ هَٰذِهِ سَبِيلِي أَدْعُو إِلَى اللَّهِ ۚ عَلَىٰ بَصِيرَةٍ أَنَا وَمَنِ اتَّبَعَنِي ۖ وَسُبْحَانَ اللَّهِ وَمَا أَنَا مِنَ الْمُشْرِكِينَ 108

Zeg: “Dit is mijn weg. Ik nodig uit naar Allah met zekere kennis; ik en degenen die mij volgen. En Verheven is Allah. En ik behoor niet tot de veelgodenaanbidders.”

وَمَا أَرْسَلْنَا مِن قَبْلِكَ إِلَّا رِجَالًا نُّوحِي إِلَيْهِم مِّنْ أَهْلِ الْقُرَىٰ ۗ أَفَلَمْ يَسِيرُوا فِي الْأَرْضِ فَيَنظُرُوا كَيْفَ كَانَ عَاقِبَةُ الَّذِينَ مِن قَبْلِهِمْ ۗ وَلَدَارُ الْآخِرَةِ خَيْرٌ لِّلَّذِينَ اتَّقَوْا ۗ أَفَلَا تَعْقِلُونَ 109

En Wij hebben vóór jou (o Mohammed) slechts mannen (als Boodschappers) gestuurd, aan wie Wij openbaarden. Zij (d.w.z. deze Boodschappers) behoorden tot de inwoners van de steden. Hebben zij dan niet op de aarde rondgetrokken om te zien hoe het einde was van degenen vóór hen? En het Huis in het Hiernamaals is zeker beter voor degenen die (Allah) vrezen. Denken jullie dan niet na?

حَتَّىٰ إِذَا اسْتَيْأَسَ الرُّسُلُ وَظَنُّوا أَنَّهُمْ قَدْ كُذِبُوا جَاءَهُمْ نَصْرُنَا فَنُجِّيَ مَن نَّشَاءُ ۖ وَلَا يُرَدُّ بَأْسُنَا عَنِ الْقَوْمِ الْمُجْرِمِينَ 110

Totdat de Boodschappers (de hoop) opgaven en dachten dat zij zeker verloochend werden, (toen) kwam Onze Hulp tot hen en redden Wij wie Wij wilden. En Onze Bestraffing zal nooit worden afgehouden van het misdadige volk.

لَقَدْ كَانَ فِي قَصَصِهِمْ عِبْرَةٌ لِّأُولِي الْأَلْبَابِ ۗ مَا كَانَ حَدِيثًا يُفْتَرَىٰ وَلَٰكِن تَصْدِيقَ الَّذِي بَيْنَ يَدَيْهِ وَتَفْصِيلَ كُلِّ شَيْءٍ وَهُدًى وَرَحْمَةً لِّقَوْمٍ يُؤْمِنُونَ 111

Voorzeker, in hun verhalen bevindt zich een lering voor de bezitters van verstand. Het (d.w.z. de Koran) is geen verzonnen Woord, maar een bevestiging van dat wat daarvóór (aan Boeken) is (geopenbaard) en een Uiteenzetting voor alle zaken en een Leiding en Genade voor een volk dat gelooft.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Close