Soera 11 – Hud – (de profeet) Hud – هود

bismillah ir rahman ir rahim

الر ۚ كِتَابٌ أُحْكِمَتْ آيَاتُهُ ثُمَّ فُصِّلَتْ مِن لَّدُنْ حَكِيمٍ خَبِيرٍ 1

Alif-Laam-Raa. (Dit is) een Boek waarvan de Verzen volmaakt zijn, vervolgens is het uiteengezet vanuit de Kant van de Alwijze, de Alwetende.

أَلَّا تَعْبُدُوا إِلَّا اللَّهَ ۚ إِنَّنِي لَكُم مِّنْهُ نَذِيرٌ وَبَشِيرٌ 2

Opdat jullie niemand aanbidden, behalve Allah. Waarlijk, ik (Mohammed) ben voor jullie een waarschuwer van Hem en een verkondiger van verheugende Tijdingen.

وَأَنِ اسْتَغْفِرُوا رَبَّكُمْ ثُمَّ تُوبُوا إِلَيْهِ يُمَتِّعْكُم مَّتَاعًا حَسَنًا إِلَىٰ أَجَلٍ مُّسَمًّى وَيُؤْتِ كُلَّ ذِي فَضْلٍ فَضْلَهُ ۖ وَإِن تَوَلَّوْا فَإِنِّي أَخَافُ عَلَيْكُمْ عَذَابَ يَوْمٍ كَبِيرٍ 3

En vraag jullie Heer om vergeving en toon vervolgens berouw aan Hem, opdat Hij jullie een goede genieting zal schenken, tot een vastgesteld tijdstip. En Hij schenkt Zijn Gunst aan elke bezitter van goedheid. En als jullie je afwenden, voorwaar, dan vrees ik voor jullie de Bestraffing van een Grote Dag (d.w.z. van de Dag des Oordeels).

إِلَى اللَّهِ مَرْجِعُكُمْ ۖ وَهُوَ عَلَىٰ كُلِّ شَيْءٍ قَدِيرٌ 4

Tot Allah is jullie terugkeer en Hij is tot alles in staat.

أَلَا إِنَّهُمْ يَثْنُونَ صُدُورَهُمْ لِيَسْتَخْفُوا مِنْهُ ۚ أَلَا حِينَ يَسْتَغْشُونَ ثِيَابَهُمْ يَعْلَمُ مَا يُسِرُّونَ وَمَا يُعْلِنُونَ ۚ إِنَّهُ عَلِيمٌ بِذَاتِ الصُّدُورِ 5

Weet dat zij hun borsten waarlijk voorover buigen, om zich voor Hem te verbergen. Weet dat zelfs wanneer zij zichzelf met hun kledingstukken bedekken, Hij (toch) weet wat zij verbergen en wat zij tonen. Waarlijk, Hij is op de hoogte van wat er zich in de borsten (d.w.z. in henzelf) voordoet.

وَمَا مِن دَابَّةٍ فِي الْأَرْضِ إِلَّا عَلَى اللَّهِ رِزْقُهَا وَيَعْلَمُ مُسْتَقَرَّهَا وَمُسْتَوْدَعَهَا ۚ كُلٌّ فِي كِتَابٍ مُّبِينٍ 6

En er is geen schepsel (dat zich voortbeweegt) op aarde of aan Allah is het levensonderhoud ervan, en (er is geen schepsel op aarde) waarvan Hij de verblijfplaats en bewaarplaats niet kent. Alles staat in een duidelijk Boek (geschreven).

وَهُوَ الَّذِي خَلَقَ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضَ فِي سِتَّةِ أَيَّامٍ وَكَانَ عَرْشُهُ عَلَى الْمَاءِ لِيَبْلُوَكُمْ أَيُّكُمْ أَحْسَنُ عَمَلًا ۗ وَلَئِن قُلْتَ إِنَّكُم مَّبْعُوثُونَ مِن بَعْدِ الْمَوْتِ لَيَقُولَنَّ الَّذِينَ كَفَرُوا إِنْ هَٰذَا إِلَّا سِحْرٌ مُّبِينٌ 7

En Hij is Degene Die de hemelen en de aarde in zes dagen heeft geschapen, en Zijn Troon bevond zich op het water, om jullie te beproeven (en daarmee aan te tonen) wie van jullie de beste daden verricht. En als jij zou zeggen: “Voorwaar, jullie zullen na de dood worden opgewekt”, dan zouden degenen die niet geloven zeker zeggen: “Dit is niets anders dan duidelijke tovenarij.”

وَلَئِنْ أَخَّرْنَا عَنْهُمُ الْعَذَابَ إِلَىٰ أُمَّةٍ مَّعْدُودَةٍ لَّيَقُولُنَّ مَا يَحْبِسُهُ ۗ أَلَا يَوْمَ يَأْتِيهِمْ لَيْسَ مَصْرُوفًا عَنْهُمْ وَحَاقَ بِهِم مَّا كَانُوا بِهِ يَسْتَهْزِئُونَ 8

En als Wij de bestraffing voor hen uitstellen tot een vastgestelde termijn, dan zullen zij zeker zeggen: “Wat houdt het tegen?” Weet dat op de Dag waarop het (d.w.z. de bestraffing) tot hen komt, het niet van hen zal worden afgewend en zij zullen worden omsingeld door datgene waarmee zij spotten.

وَلَئِنْ أَذَقْنَا الْإِنسَانَ مِنَّا رَحْمَةً ثُمَّ نَزَعْنَاهَا مِنْهُ إِنَّهُ لَيَئُوسٌ كَفُورٌ 9

En als Wij de mens Genade van Ons laten proeven, (en) deze vervolgens van hem wegnemen, voorwaar, hij is dan een wanhopige, ondankbare (persoon).

وَلَئِنْ أَذَقْنَاهُ نَعْمَاءَ بَعْدَ ضَرَّاءَ مَسَّتْهُ لَيَقُولَنَّ ذَهَبَ السَّيِّئَاتُ عَنِّي ۚ إِنَّهُ لَفَرِحٌ فَخُورٌ 10

En als Wij hem een gunst laten proeven nadat tegenspoed hem trof, dan zegt hij zeker: “Het slechte heeft mij verlaten.” Waarlijk, hij is zeker verblijd, hooghartig.

إِلَّا الَّذِينَ صَبَرُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ أُولَٰئِكَ لَهُم مَّغْفِرَةٌ وَأَجْرٌ كَبِيرٌ 11

Behalve degenen die geduldig zijn en goede daden verrichten. Zij zijn degenen voor wie er Vergiffenis en een grote Beloning is.

فَلَعَلَّكَ تَارِكٌ بَعْضَ مَا يُوحَىٰ إِلَيْكَ وَضَائِقٌ بِهِ صَدْرُكَ أَن يَقُولُوا لَوْلَا أُنزِلَ عَلَيْهِ كَنزٌ أَوْ جَاءَ مَعَهُ مَلَكٌ ۚ إِنَّمَا أَنتَ نَذِيرٌ ۚ وَاللَّهُ عَلَىٰ كُلِّ شَيْءٍ وَكِيلٌ 12

Dus wellicht zul jij (o Mohammed) een deel van dat wat aan jou is geopenbaard willen verlaten en zal jouw borst daar vernauwd door zijn, omdat zij zeggen: “Waarom is er geen schat aan hem neergezonden of een Engel met hem (mee)gekomen?” Jij bent slechts een waarschuwer. En Allah is de Zaakwaarnemer over alle zaken.

أَمْ يَقُولُونَ افْتَرَاهُ ۖ قُلْ فَأْتُوا بِعَشْرِ سُوَرٍ مِّثْلِهِ مُفْتَرَيَاتٍ وَادْعُوا مَنِ اسْتَطَعْتُم مِّن دُونِ اللَّهِ إِن كُنتُمْ صَادِقِينَ 13

Of zij zeggen: “Hij (Mohammed) heeft het (d.w.z. de Koran) verzonnen.” Zeg: “Kom dan met tien (zelf) verzonnen hoofdstukken die daaraan gelijk zijn en roep naast Allah aan wie jullie kunnen, als jullie waarachtig zijn.”

فَإِلَّمْ يَسْتَجِيبُوا لَكُمْ فَاعْلَمُوا أَنَّمَا أُنزِلَ بِعِلْمِ اللَّهِ وَأَن لَّا إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ ۖ فَهَلْ أَنتُم مُّسْلِمُونَ 14

En als zij geen gehoor geven aan jullie (oproep), weet dan dat het (d.w.z. deze Koran) slechts is neergezonden met de Kennis van Allah en dat er geen god is dan Hij. Zullen jullie dan geen moslims zijn?

مَن كَانَ يُرِيدُ الْحَيَاةَ الدُّنْيَا وَزِينَتَهَا نُوَفِّ إِلَيْهِمْ أَعْمَالَهُمْ فِيهَا وَهُمْ فِيهَا لَا يُبْخَسُونَ 15

Wie het wereldse leven en haar bekoringen wil; voor hen zullen Wij hun daden daarin ten volle belonen. En voor hen zal daarin niets in mindering worden gebracht.

أُولَٰئِكَ الَّذِينَ لَيْسَ لَهُمْ فِي الْآخِرَةِ إِلَّا النَّارُ ۖ وَحَبِطَ مَا صَنَعُوا فِيهَا وَبَاطِلٌ مَّا كَانُوا يَعْمَلُونَ 16

Zij zijn degenen voor wie er in het Hiernamaals niets anders is dan het Vuur, en datgene wat zij daarin (d.w.z. in de wereld) deden zal verloren gaan. En dat wat zij deden, was (niets anders dan) valsheid.

أَفَمَن كَانَ عَلَىٰ بَيِّنَةٍ مِّن رَّبِّهِ وَيَتْلُوهُ شَاهِدٌ مِّنْهُ وَمِن قَبْلِهِ كِتَابُ مُوسَىٰ إِمَامًا وَرَحْمَةً ۚ أُولَٰئِكَ يُؤْمِنُونَ بِهِ ۚ وَمَن يَكْفُرْ بِهِ مِنَ الْأَحْزَابِ فَالنَّارُ مَوْعِدُهُ ۚ فَلَا تَكُ فِي مِرْيَةٍ مِّنْهُ ۚ إِنَّهُ الْحَقُّ مِن رَّبِّكَ وَلَٰكِنَّ أَكْثَرَ النَّاسِ لَا يُؤْمِنُونَ 17

Is degene die zich op een duidelijk Bewijs van zijn Heer bevindt en aan wie wordt voorgedragen door een getuige van Hem (d.w.z. Gabriël, gelijk aan de ongelovigen)? En hiervóór was er het Boek van Moesa, (als) Leiding en Genade. Zij zijn degenen die daarin geloven. En wie er niet in gelooft van de (andere) bondgenoten, het Vuur is zijn ontmoetingsplaats. Dus verkeer niet in twijfel hierover. Voorwaar, dat is de Waarheid van jouw Heer, maar de meeste mensen geloven niet.

وَمَنْ أَظْلَمُ مِمَّنِ افْتَرَىٰ عَلَى اللَّهِ كَذِبًا ۚ أُولَٰئِكَ يُعْرَضُونَ عَلَىٰ رَبِّهِمْ وَيَقُولُ الْأَشْهَادُ هَٰؤُلَاءِ الَّذِينَ كَذَبُوا عَلَىٰ رَبِّهِمْ ۚ أَلَا لَعْنَةُ اللَّهِ عَلَى الظَّالِمِينَ 18

En wie is er onrechtvaardiger dan degene die een leugen over Allah verzint? Zij zullen bij hun Heer worden gebracht en de getuigen zullen zeggen: “Zij zijn degenen die over hun Heer hebben gelogen.” Weet dat de Vloek van Allah op de onrechtplegers rust.

الَّذِينَ يَصُدُّونَ عَن سَبِيلِ اللَّهِ وَيَبْغُونَهَا عِوَجًا وَهُم بِالْآخِرَةِ هُمْ كَافِرُونَ 19

Degenen die (anderen) van de Weg van Allah afhouden en ernaar streven om het (d.w.z. de Islam) te vervormen. En zij geloven niet in het Hiernamaals.

أُولَٰئِكَ لَمْ يَكُونُوا مُعْجِزِينَ فِي الْأَرْضِ وَمَا كَانَ لَهُم مِّن دُونِ اللَّهِ مِنْ أَوْلِيَاءَ ۘ يُضَاعَفُ لَهُمُ الْعَذَابُ ۚ مَا كَانُوا يَسْتَطِيعُونَ السَّمْعَ وَمَا كَانُوا يُبْصِرُونَ 20

Zij zullen er op aarde niet aan kunnen ontsnappen (d.w.z. aan de Bestraffing van Allah), en voor hen zijn er naast Allah geen beschermers. De Bestraffing zal voor hen worden vermenigvuldigd. Zij waren niet in staat om te horen en zij konden niet zien.

أُولَٰئِكَ الَّذِينَ خَسِرُوا أَنفُسَهُمْ وَضَلَّ عَنْهُم مَّا كَانُوا يَفْتَرُونَ 21

Zij zijn degenen die zichzelf hebben verloren. En datgene wat zij hebben verzonnen, heeft hen verlaten.

لَا جَرَمَ أَنَّهُمْ فِي الْآخِرَةِ هُمُ الْأَخْسَرُونَ 22

Werkelijk, zij behoren waarlijk in het Hiernamaals tot de verliezers.

إِنَّ الَّذِينَ آمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ وَأَخْبَتُوا إِلَىٰ رَبِّهِمْ أُولَٰئِكَ أَصْحَابُ الْجَنَّةِ ۖ هُمْ فِيهَا خَالِدُونَ 23

Waarlijk, degenen die geloven en goede daden verrichten en zich nederig opstellen tegenover hun Heer, zij zijn de bewoners van het Paradijs. Zij vertoeven daarin voor eeuwig.

مَثَلُ الْفَرِيقَيْنِ كَالْأَعْمَىٰ وَالْأَصَمِّ وَالْبَصِيرِ وَالسَّمِيعِ ۚ هَلْ يَسْتَوِيَانِ مَثَلًا ۚ أَفَلَا تَذَكَّرُونَ 24

De gelijkenis van de twee partijen is als (de gelijkenis van) de blinde en de dove en degene die kan zien en degene die kan horen. Zijn zij dan gelijk (aan elkaar)? Trekken jullie er dan geen lering uit?

وَلَقَدْ أَرْسَلْنَا نُوحًا إِلَىٰ قَوْمِهِ إِنِّي لَكُمْ نَذِيرٌ مُّبِينٌ 25

En voorzeker, Wij hebben Noeh naar zijn volk gestuurd (en hij zei): “Voorwaar, ik ben voor jullie een duidelijke waarschuwer.

أَن لَّا تَعْبُدُوا إِلَّا اللَّهَ ۖ إِنِّي أَخَافُ عَلَيْكُمْ عَذَابَ يَوْمٍ أَلِيمٍ 26

Opdat jullie niemand aanbidden behalve Allah. Voorwaar, ik vrees voor jullie de Bestraffing van een pijnlijke Dag.”

فَقَالَ الْمَلَأُ الَّذِينَ كَفَرُوا مِن قَوْمِهِ مَا نَرَاكَ إِلَّا بَشَرًا مِّثْلَنَا وَمَا نَرَاكَ اتَّبَعَكَ إِلَّا الَّذِينَ هُمْ أَرَاذِلُنَا بَادِيَ الرَّأْيِ وَمَا نَرَىٰ لَكُمْ عَلَيْنَا مِن فَضْلٍ بَلْ نَظُنُّكُمْ كَاذِبِينَ 27

De vooraanstaanden van zijn volk die niet geloofden zeiden vervolgens: “Wij zien jou slechts als een mens net als ons en op het eerste gezicht zien wij dat slechts de mindere onder ons jou hebben gevolgd. En wij zien niet dat jullie meer begunstigd zijn dan wij. Welnee! Wij vermoeden dat jullie tot de leugenaars behoren.”

قَالَ يَا قَوْمِ أَرَأَيْتُمْ إِن كُنتُ عَلَىٰ بَيِّنَةٍ مِّن رَّبِّي وَآتَانِي رَحْمَةً مِّنْ عِندِهِ فَعُمِّيَتْ عَلَيْكُمْ أَنُلْزِمُكُمُوهَا وَأَنتُمْ لَهَا كَارِهُونَ 28

Hij zei: “O mijn volk, vertel mij, als ik mij op een duidelijk Bewijs van mijn Heer bevind en er Genade van Hem aan mij is gegeven, maar het (d.w.z. de Genade) aan jullie zicht is onttrokken, zouden wij het (monotheïsme) dan aan jullie opdringen, terwijl jullie er een afkeer van hebben?

وَيَا قَوْمِ لَا أَسْأَلُكُمْ عَلَيْهِ مَالًا ۖ إِنْ أَجْرِيَ إِلَّا عَلَى اللَّهِ ۚ وَمَا أَنَا بِطَارِدِ الَّذِينَ آمَنُوا ۚ إِنَّهُم مُّلَاقُو رَبِّهِمْ وَلَٰكِنِّي أَرَاكُمْ قَوْمًا تَجْهَلُونَ 29

En o mijn volk, ik vraag jullie hier geen bezit voor, mijn beloning ligt slechts bij Allah. En ik zal degenen die geloven niet wegjagen. Voorwaar, zij zullen hun Heer ontmoeten, maar ik zie dat jullie een volk zijn dat onwetend is.

وَيَا قَوْمِ مَن يَنصُرُنِي مِنَ اللَّهِ إِن طَرَدتُّهُمْ ۚ أَفَلَا تَذَكَّرُونَ 30

En o mijn volk, wie zal mij helpen tegen Allah, als ik hen zou wegjagen? Trekken jullie er dan geen lering uit?

وَلَا أَقُولُ لَكُمْ عِندِي خَزَائِنُ اللَّهِ وَلَا أَعْلَمُ الْغَيْبَ وَلَا أَقُولُ إِنِّي مَلَكٌ وَلَا أَقُولُ لِلَّذِينَ تَزْدَرِي أَعْيُنُكُمْ لَن يُؤْتِيَهُمُ اللَّهُ خَيْرًا ۖ اللَّهُ أَعْلَمُ بِمَا فِي أَنفُسِهِمْ ۖ إِنِّي إِذًا لَّمِنَ الظَّالِمِينَ 31

En ik zeg jullie niet dat ik de Schatten van Allah bij mij heb, noch dat ik kennis van het onwaarneembare heb. Noch zeg ik dat ik waarlijk een Engel ben. Noch zeg ik tegen degenen waarop jullie ogen neerkijken dat Allah hun niets goeds zal geven. Allah is beter op de hoogte van wat er in henzelf is. Waarlijk, dan zou ik zeker tot de onrechtplegers behoren.”

قَالُوا يَا نُوحُ قَدْ جَادَلْتَنَا فَأَكْثَرْتَ جِدَالَنَا فَأْتِنَا بِمَا تَعِدُنَا إِن كُنتَ مِنَ الصَّادِقِينَ 32

Zij zeiden: “O Noeh, voorzeker, jij hebt met ons geredetwist, en jij hebt veel met ons geredetwist. Dus breng ons datgene (d.w.z. de bestraffing) waarmee jij ons dreigt, als jij tot de waarachtigen behoort.”

قَالَ إِنَّمَا يَأْتِيكُم بِهِ اللَّهُ إِن شَاءَ وَمَا أَنتُم بِمُعْجِزِينَ 33

Hij zei: “Allah zal er slechts naar jullie mee komen als Hij het wil. En jullie zullen er niet aan kunnen ontsnappen.

وَلَا يَنفَعُكُمْ نُصْحِي إِنْ أَرَدتُّ أَنْ أَنصَحَ لَكُمْ إِن كَانَ اللَّهُ يُرِيدُ أَن يُغْوِيَكُمْ ۚ هُوَ رَبُّكُمْ وَإِلَيْهِ تُرْجَعُونَ 34

En mijn advies zal jullie niet baten, als ik jullie (oprecht) advies zou willen geven. Als Allah jullie wil doen afdwalen, Hij is jullie Heer en tot Hem zullen jullie terugkeren.”

أَمْ يَقُولُونَ افْتَرَاهُ ۖ قُلْ إِنِ افْتَرَيْتُهُ فَعَلَيَّ إِجْرَامِي وَأَنَا بَرِيءٌ مِّمَّا تُجْرِمُونَ 35

Of zeggen zij: “Hij (Mohammed) heeft het (d.w.z. de Koran) verzonnen”? Zeg: “Als ik het had verzonnen, dan rust mijn misdaad op mij, en ik distantieer mij van de misdaden die jullie plegen.”

وَأُوحِيَ إِلَىٰ نُوحٍ أَنَّهُ لَن يُؤْمِنَ مِن قَوْمِكَ إِلَّا مَن قَدْ آمَنَ فَلَا تَبْتَئِسْ بِمَا كَانُوا يَفْعَلُونَ 36

En aan Noeh werd er geopenbaard: “Waarlijk, niemand van jouw volk zal geloven, behalve degenen die reeds daadwerkelijk hebben geloofd. Dus treur niet over dat wat zij deden.

وَاصْنَعِ الْفُلْكَ بِأَعْيُنِنَا وَوَحْيِنَا وَلَا تُخَاطِبْنِي فِي الَّذِينَ ظَلَمُوا ۚ إِنَّهُم مُّغْرَقُونَ 37

En bouw het schip onder (het Zicht van) Onze Ogen en (volgens) Onze Openbaring. En spreek Mij niet aan over degenen die onrecht pleegden. Voorwaar, zij worden verdronken.”

وَيَصْنَعُ الْفُلْكَ وَكُلَّمَا مَرَّ عَلَيْهِ مَلَأٌ مِّن قَوْمِهِ سَخِرُوا مِنْهُ ۚ قَالَ إِن تَسْخَرُوا مِنَّا فَإِنَّا نَسْخَرُ مِنكُمْ كَمَا تَسْخَرُونَ 38

En hij bouwde het schip. En telkens wanneer de vooraanstaanden van zijn volk langs hem kwamen, dreven zij de spot met hem. Hij zei: “Als jullie ons bespotten, voorwaar, dan zullen wij jullie ook bespotten, zoals jullie ons bespotten.

فَسَوْفَ تَعْلَمُونَ مَن يَأْتِيهِ عَذَابٌ يُخْزِيهِ وَيَحِلُّ عَلَيْهِ عَذَابٌ مُّقِيمٌ 39

(Als de Zaak van Allah komt,) dan zullen jullie spoedig weten tot wie er een bestraffing zal komen, die hem vernedert. En hem zal (op de Dag des Oordeels) een blijvende Bestraffing overkomen.”

حَتَّىٰ إِذَا جَاءَ أَمْرُنَا وَفَارَ التَّنُّورُ قُلْنَا احْمِلْ فِيهَا مِن كُلٍّ زَوْجَيْنِ اثْنَيْنِ وَأَهْلَكَ إِلَّا مَن سَبَقَ عَلَيْهِ الْقَوْلُ وَمَنْ آمَنَ ۚ وَمَا آمَنَ مَعَهُ إِلَّا قَلِيلٌ 40

Totdat Ons Bevel kwam en de oven overliep (met water). (Toen) zeiden Wij: “Draag daarin (d.w.z. aan boord van de Ark) van elk paar twee (d.w.z. een man en een vrouw) en jouw familie, behalve degene voor wie het Woord (d.w.z. de bestraffing) al eerder is bepaald. En (draag daarin ook) degene die gelooft.” En niemand geloofde met hem, op slechts enkelen na.

وَقَالَ ارْكَبُوا فِيهَا بِسْمِ اللَّهِ مَجْرَاهَا وَمُرْسَاهَا ۚ إِنَّ رَبِّي لَغَفُورٌ رَّحِيمٌ 41

En hij (Noeh) zei: “Ga daarin aan boord. In de Naam van Allah zal haar vaart en haar aanmeren zijn. Waarlijk, mijn Heer is zeker Meest Vergevingsgezind, Meest Barmhartig.”

وَهِيَ تَجْرِي بِهِمْ فِي مَوْجٍ كَالْجِبَالِ وَنَادَىٰ نُوحٌ ابْنَهُ وَكَانَ فِي مَعْزِلٍ يَا بُنَيَّ ارْكَب مَّعَنَا وَلَا تَكُن مَّعَ الْكَافِرِينَ 42

En zo voer het (d.w.z. de Ark) met hen over golven (zo hoog) als bergen, en Noeh riep naar zijn zoon die zich had afgezonderd: “O mijn zoon, kom met ons aan boord en behoor niet tot de ongelovigen.”

قَالَ سَآوِي إِلَىٰ جَبَلٍ يَعْصِمُنِي مِنَ الْمَاءِ ۚ قَالَ لَا عَاصِمَ الْيَوْمَ مِنْ أَمْرِ اللَّهِ إِلَّا مَن رَّحِمَ ۚ وَحَالَ بَيْنَهُمَا الْمَوْجُ فَكَانَ مِنَ الْمُغْرَقِينَ 43

Hij (de zoon) zei: “Ik zal mij naar een berg begeven, die mij tegen het water zal beschermen.” Hij (Noeh) zei: “Op deze dag is er geen bescherming tegen het Bevel van Allah, behalve voor degene die Hij heeft begenadigd.” En de golven kwamen tussen hen in en hij (de zoon) behoorde tot degenen die verdronken.

وَقِيلَ يَا أَرْضُ ابْلَعِي مَاءَكِ وَيَا سَمَاءُ أَقْلِعِي وَغِيضَ الْمَاءُ وَقُضِيَ الْأَمْرُ وَاسْتَوَتْ عَلَى الْجُودِيِّ ۖ وَقِيلَ بُعْدًا لِّلْقَوْمِ الظَّالِمِينَ 44

En er werd gezegd: “O aarde, slok je water op.” En: “O hemel, weerhoud (jouw regen).” En het water nam af. En de zaak was besloten. En het (d.w.z. de Ark) verhief zich op (de berg) al-Djoediy. En er werd gezegd: “Weg met het onrechtvaardige volk.”

وَنَادَىٰ نُوحٌ رَّبَّهُ فَقَالَ رَبِّ إِنَّ ابْنِي مِنْ أَهْلِي وَإِنَّ وَعْدَكَ الْحَقُّ وَأَنتَ أَحْكَمُ الْحَاكِمِينَ 45

En Noeh riep zijn Heer aan, en zei: “O mijn Heer, waarlijk, mijn zoon behoort tot mijn familie. En voorwaar, Uw Belofte is de Waarheid en U bent de Beste Beoordelaar.”

قَالَ يَا نُوحُ إِنَّهُ لَيْسَ مِنْ أَهْلِكَ ۖ إِنَّهُ عَمَلٌ غَيْرُ صَالِحٍ ۖ فَلَا تَسْأَلْنِ مَا لَيْسَ لَكَ بِهِ عِلْمٌ ۖ إِنِّي أَعِظُكَ أَن تَكُونَ مِنَ الْجَاهِلِينَ 46

Hij (Allah) zei: “O Noeh, voorwaar, hij behoort niet tot jouw familie. Waarlijk, het is geen goede daad. Vraag Mij dus niet over datgene waar jij geen kennis over hebt. Voorwaar, ik vermaan jou, opdat jij niet tot de onwetenden zult behoren.”

قَالَ رَبِّ إِنِّي أَعُوذُ بِكَ أَنْ أَسْأَلَكَ مَا لَيْسَ لِي بِهِ عِلْمٌ ۖ وَإِلَّا تَغْفِرْ لِي وَتَرْحَمْنِي أَكُن مِّنَ الْخَاسِرِينَ 47

Hij (Noeh) zei: “Mijn Heer, waarlijk, ik zoek toevlucht bij U dat ik U vraag over datgene waar ik geen kennis over heb. En als U mij niet vergeeft en mij niet begenadigt, dan behoor ik tot de verliezers.”

قِيلَ يَا نُوحُ اهْبِطْ بِسَلَامٍ مِّنَّا وَبَرَكَاتٍ عَلَيْكَ وَعَلَىٰ أُمَمٍ مِّمَّن مَّعَكَ ۚ وَأُمَمٌ سَنُمَتِّعُهُمْ ثُمَّ يَمَسُّهُم مِّنَّا عَذَابٌ أَلِيمٌ 48

Er werd (tegen hem) gezegd: “O Noeh, daal ervan af (d.w.z. van de Ark) met Vrede van Ons en Zegeningen voor jou en voor de gemeenschappen die met jou zijn. En (andere) gemeenschappen zullen Wij genietingen schenken (voor een bepaalde duur). Vervolgens zal hen een pijnlijke Bestraffing van Ons treffen.”

تِلْكَ مِنْ أَنبَاءِ الْغَيْبِ نُوحِيهَا إِلَيْكَ ۖ مَا كُنتَ تَعْلَمُهَا أَنتَ وَلَا قَوْمُكَ مِن قَبْلِ هَٰذَا ۖ فَاصْبِرْ ۖ إِنَّ الْعَاقِبَةَ لِلْمُتَّقِينَ 49

Dit behoort tot de berichten van het onwaarneembare die Wij aan jou hebben geopenbaard (o Mohammed). Jij, noch jouw volk was daar voorheen van op de hoogte. Wees dan geduldig. Waarlijk, het goede Einde is voor de godsvruchtigen.

وَإِلَىٰ عَادٍ أَخَاهُمْ هُودًا ۚ قَالَ يَا قَوْمِ اعْبُدُوا اللَّهَ مَا لَكُم مِّنْ إِلَٰهٍ غَيْرُهُ ۖ إِنْ أَنتُمْ إِلَّا مُفْتَرُونَ 50

En naar (het volk van) cAad (zonden Wij) hun broeder Hoed. Hij zei: “O mijn volk, aanbid Allah. Jullie hebben geen andere god dan Hem. Jullie zijn slechts verzinners (van leugens).

يَا قَوْمِ لَا أَسْأَلُكُمْ عَلَيْهِ أَجْرًا ۖ إِنْ أَجْرِيَ إِلَّا عَلَى الَّذِي فَطَرَنِي ۚ أَفَلَا تَعْقِلُونَ 51

O mijn volk, ik vraag jullie hier geen beloning voor (d.w.z. voor het verkondigen van de Boodschap). Mijn beloning bevindt zich slechts bij Degene Die mij heeft geschapen. Denken jullie dan niet na?

وَيَا قَوْمِ اسْتَغْفِرُوا رَبَّكُمْ ثُمَّ تُوبُوا إِلَيْهِ يُرْسِلِ السَّمَاءَ عَلَيْكُم مِّدْرَارًا وَيَزِدْكُمْ قُوَّةً إِلَىٰ قُوَّتِكُمْ وَلَا تَتَوَلَّوْا مُجْرِمِينَ 52

En o mijn volk, vraag jullie Heer om vergeving en toon vervolgens berouw aan Hem. Hij zendt vanuit de hemel regen in overvloed op jullie neer en Hij zal jullie kracht met (meer) kracht doen toenemen, dus wend jullie niet af als misdadigers.”

قَالُوا يَا هُودُ مَا جِئْتَنَا بِبَيِّنَةٍ وَمَا نَحْنُ بِتَارِكِي آلِهَتِنَا عَن قَوْلِكَ وَمَا نَحْنُ لَكَ بِمُؤْمِنِينَ 53

Zij zeiden: “O Hoed, jij bent niet met een duidelijk bewijs naar ons gekomen, en wij zullen onze goden niet verlaten voor jouw woord en wij zullen niet in jou geloven.

إِن نَّقُولُ إِلَّا اعْتَرَاكَ بَعْضُ آلِهَتِنَا بِسُوءٍ ۗ قَالَ إِنِّي أُشْهِدُ اللَّهَ وَاشْهَدُوا أَنِّي بَرِيءٌ مِّمَّا تُشْرِكُونَ 54

Wij zeggen slechts dat sommigen van onze goden jou hebben getroffen met het slechte.” Hij zei: “Voorwaar, ik roep Allah aan om te getuigen en laat (jullie ook) getuigen dat ik mij distantieer van dat wat jullie (Hem) aan deelgenoten toekennen.

مِن دُونِهِ ۖ فَكِيدُونِي جَمِيعًا ثُمَّ لَا تُنظِرُونِ 55

Naast Hem. En beraam gezamenlijk een list tegen mij en verleen mij vervolgens geen uitstel.

إِنِّي تَوَكَّلْتُ عَلَى اللَّهِ رَبِّي وَرَبِّكُم ۚ مَّا مِن دَابَّةٍ إِلَّا هُوَ آخِذٌ بِنَاصِيَتِهَا ۚ إِنَّ رَبِّي عَلَىٰ صِرَاطٍ مُّسْتَقِيمٍ 56

Waarlijk, ik stel mijn vertrouwen in Allah, mijn Heer en jullie Heer. Er is geen schepsel (dat zich op aarde voortbeweegt) of Hij grijpt het bij het voorhoofd (d.w.z. dat Hij het onder Zijn Macht heeft). Waarlijk, mijn Heer is op het rechte Pad.

فَإِن تَوَلَّوْا فَقَدْ أَبْلَغْتُكُم مَّا أُرْسِلْتُ بِهِ إِلَيْكُمْ ۚ وَيَسْتَخْلِفُ رَبِّي قَوْمًا غَيْرَكُمْ وَلَا تَضُرُّونَهُ شَيْئًا ۚ إِنَّ رَبِّي عَلَىٰ كُلِّ شَيْءٍ حَفِيظٌ 57

Als jullie je dan afwenden, voorzeker, ik heb aan jullie datgene verkondigd waarmee ik naar jullie ben gestuurd. En mijn Heer zal jullie doen opvolgen door een ander volk en jullie zullen Hem geen enkele schade berokkenen. Voorwaar, mijn Heer is de Toezichthouder over alle zaken.”

وَلَمَّا جَاءَ أَمْرُنَا نَجَّيْنَا هُودًا وَالَّذِينَ آمَنُوا مَعَهُ بِرَحْمَةٍ مِّنَّا وَنَجَّيْنَاهُم مِّنْ عَذَابٍ غَلِيظٍ 58

En toen Ons Bevel kwam, redden Wij Hoed en degenen die met hem geloofden door Onze Genade en Wij redden hen van een strenge bestraffing.

وَتِلْكَ عَادٌ ۖ جَحَدُوا بِآيَاتِ رَبِّهِمْ وَعَصَوْا رُسُلَهُ وَاتَّبَعُوا أَمْرَ كُلِّ جَبَّارٍ عَنِيدٍ 59

En dit was (het volk van) cAad. Zij ontkenden de Tekenen van hun Heer en zij waren ongehoorzaam jegens Zijn Boodschappers en zij volgden het bevel van elke hoogmoedige, hardnekkige (persoon).

وَأُتْبِعُوا فِي هَٰذِهِ الدُّنْيَا لَعْنَةً وَيَوْمَ الْقِيَامَةِ ۗ أَلَا إِنَّ عَادًا كَفَرُوا رَبَّهُمْ ۗ أَلَا بُعْدًا لِّعَادٍ قَوْمِ هُودٍ 60

En zij worden in deze wereld en op de Dag der Opstanding gevolgd door een vloek. Weet dat (het volk van) cAad waarlijk ongelovig was jegens hun Heer. Dus weg met cAad, het volk van Hoed.

وَإِلَىٰ ثَمُودَ أَخَاهُمْ صَالِحًا ۚ قَالَ يَا قَوْمِ اعْبُدُوا اللَّهَ مَا لَكُم مِّنْ إِلَٰهٍ غَيْرُهُ ۖ هُوَ أَنشَأَكُم مِّنَ الْأَرْضِ وَاسْتَعْمَرَكُمْ فِيهَا فَاسْتَغْفِرُوهُ ثُمَّ تُوبُوا إِلَيْهِ ۚ إِنَّ رَبِّي قَرِيبٌ مُّجِيبٌ 61

En tot (het volk van) Thamoed (zonden Wij) hun broeder Saalih. Hij zei: “O mijn volk, aanbid Allah. Er is voor jullie geen god dan Hij. Hij heeft jullie uit de aarde geschapen en Hij heeft jullie daarop gevestigd, dus vraag Hem om vergeving en toon vervolgens berouw aan Hem. Voorwaar, mijn Heer is Nabij, Verhorend.”

قَالُوا يَا صَالِحُ قَدْ كُنتَ فِينَا مَرْجُوًّا قَبْلَ هَٰذَا ۖ أَتَنْهَانَا أَن نَّعْبُدَ مَا يَعْبُدُ آبَاؤُنَا وَإِنَّنَا لَفِي شَكٍّ مِّمَّا تَدْعُونَا إِلَيْهِ مُرِيبٍ 62

Zij zeiden: “O Saalih, hiervóór bevond jij je zeker onder ons als iemand waar wij onze hoop op hadden gevestigd. Verbied jij ons (nu) om datgene te aanbidden wat onze voorvaderen aanbaden? En voorwaar, wij verkeren over datgene waar jij ons naar uitnodigt (d.w.z. het monotheïsme) in dubieuze twijfel.”

قَالَ يَا قَوْمِ أَرَأَيْتُمْ إِن كُنتُ عَلَىٰ بَيِّنَةٍ مِّن رَّبِّي وَآتَانِي مِنْهُ رَحْمَةً فَمَن يَنصُرُنِي مِنَ اللَّهِ إِنْ عَصَيْتُهُ ۖ فَمَا تَزِيدُونَنِي غَيْرَ تَخْسِيرٍ 63

Hij zei: “O mijn volk, vertel mij, als ik mij op een duidelijk Bewijs van mijn Heer bevind en er is Genade van Hem tot mij gekomen, wie zal mij dan helpen tegen Allah als ik Hem ongehoorzaam ben? Jullie versterken voor mij niets anders dan (de overtuiging) dat jullie in verlies zijn.

وَيَا قَوْمِ هَٰذِهِ نَاقَةُ اللَّهِ لَكُمْ آيَةً فَذَرُوهَا تَأْكُلْ فِي أَرْضِ اللَّهِ وَلَا تَمَسُّوهَا بِسُوءٍ فَيَأْخُذَكُمْ عَذَابٌ قَرِيبٌ 64

En o mijn volk, deze Vrouwtjeskameel van Allah is een teken voor jullie. Laat haar grazen op de aarde van Allah, en doe haar geen kwaad. Anders zullen jullie door een nabije bestraffing worden getroffen.”

فَعَقَرُوهَا فَقَالَ تَمَتَّعُوا فِي دَارِكُمْ ثَلَاثَةَ أَيَّامٍ ۖ ذَٰلِكَ وَعْدٌ غَيْرُ مَكْذُوبٍ 65

Toen slachtten zij haar. En hij zei: “Geniet maar voor drie dagen in jullie huizen. Dit is geen leugenachtige belofte.”

فَلَمَّا جَاءَ أَمْرُنَا نَجَّيْنَا صَالِحًا وَالَّذِينَ آمَنُوا مَعَهُ بِرَحْمَةٍ مِّنَّا وَمِنْ خِزْيِ يَوْمِئِذٍ ۗ إِنَّ رَبَّكَ هُوَ الْقَوِيُّ الْعَزِيزُ 66

En toen Ons Bevel kwam, redden Wij Saalih en degenen die met hem geloofden door Onze Genade en (Wij redden hen) van de vernedering op die dag. Voorwaar, jouw Heer, Hij is de Sterke, de Almachtige.

وَأَخَذَ الَّذِينَ ظَلَمُوا الصَّيْحَةُ فَأَصْبَحُوا فِي دِيَارِهِمْ جَاثِمِينَ 67

En degenen die onrecht pleegden, werden getroffen door de (afschuwelijke) schreeuw, waarna zij uitgestrekt in hun huizen op de grond lagen.

كَأَن لَّمْ يَغْنَوْا فِيهَا ۗ أَلَا إِنَّ ثَمُودَ كَفَرُوا رَبَّهُمْ ۗ أَلَا بُعْدًا لِّثَمُودَ 68

Alsof zij daar nog nooit hadden gewoond. Weet dat (het volk van) Thamoed waarlijk ongelovig was jegens hun Heer. Dus weg met (het volk van) Thamoed.

وَلَقَدْ جَاءَتْ رُسُلُنَا إِبْرَاهِيمَ بِالْبُشْرَىٰ قَالُوا سَلَامًا ۖ قَالَ سَلَامٌ ۖ فَمَا لَبِثَ أَن جَاءَ بِعِجْلٍ حَنِيذٍ 69

En voorzeker, Onze Gezanten (d.w.z. de Engelen) kwamen tot Ibraahiem met de verheugende tijding. Zij zeiden: “Salaam.” Hij antwoordde: “Salaam.” En het duurde niet lang of hij kwam met een geroosterd kalf (naar hen toe).

فَلَمَّا رَأَىٰ أَيْدِيَهُمْ لَا تَصِلُ إِلَيْهِ نَكِرَهُمْ وَأَوْجَسَ مِنْهُمْ خِيفَةً ۚ قَالُوا لَا تَخَفْ إِنَّا أُرْسِلْنَا إِلَىٰ قَوْمِ لُوطٍ 70

Maar toen hij zag dat hun handen zich daar niet naar reikten (d.w.z. naar de maaltijd), wantrouwde hij hen en raakte (hij) vervuld met vrees voor hen. Zij zeiden: “Vrees niet, voorwaar, wij zijn naar het volk van Loet gestuurd.”

وَامْرَأَتُهُ قَائِمَةٌ فَضَحِكَتْ فَبَشَّرْنَاهَا بِإِسْحَاقَ وَمِن وَرَاءِ إِسْحَاقَ يَعْقُوبَ 71

En zijn vrouw stond (daar) en lachte. En Wij verheugden haar met (de geboorte van) Ishaaq en na Ishaaq (verheugden Wij haar met de geboorte van haar kleinzoon) Yacqoeb.

قَالَتْ يَا وَيْلَتَىٰ أَأَلِدُ وَأَنَا عَجُوزٌ وَهَٰذَا بَعْلِي شَيْخًا ۖ إِنَّ هَٰذَا لَشَيْءٌ عَجِيبٌ 72

Zij zei (verbaasd): “Wee mij, zal ik (een kind) baren, terwijl ik een oude vrouw ben en hij, mijn echtgenoot, een oude man is? Voorwaar, dit is zeker iets verbazingwekkends.”

قَالُوا أَتَعْجَبِينَ مِنْ أَمْرِ اللَّهِ ۖ رَحْمَتُ اللَّهِ وَبَرَكَاتُهُ عَلَيْكُمْ أَهْلَ الْبَيْتِ ۚ إِنَّهُ حَمِيدٌ مَّجِيدٌ 73

Zij (de Engelen) zeiden: “Verbaas jij je over het Bevel van Allah? De Genade van Allah en Zijn Zegeningen zijn voor jullie, o bewoners van het huis. Voorwaar, Hij (Allah) is Meest Prijzenswaardig, Meest Glorierijk.”

فَلَمَّا ذَهَبَ عَنْ إِبْرَاهِيمَ الرَّوْعُ وَجَاءَتْهُ الْبُشْرَىٰ يُجَادِلُنَا فِي قَوْمِ لُوطٍ 74

Toen de angst van Ibraahiem was verdwenen en de verheugende tijding tot hem was gekomen, redetwistte hij met Ons over het volk van Loet.

إِنَّ إِبْرَاهِيمَ لَحَلِيمٌ أَوَّاهٌ مُّنِيبٌ 75

Waarlijk, Ibraahiem was zeker verdraagzaam, Awwaah (en) berouwvol.

يَا إِبْرَاهِيمُ أَعْرِضْ عَنْ هَٰذَا ۖ إِنَّهُ قَدْ جَاءَ أَمْرُ رَبِّكَ ۖ وَإِنَّهُمْ آتِيهِمْ عَذَابٌ غَيْرُ مَرْدُودٍ 76

“O Ibraahiem, wend je hiervan af. Waarlijk, de Zaak van jouw Heer is zeker gekomen. En waarlijk, tot hen zal een bestraffing komen die niet kan worden teruggedraaid.”

وَلَمَّا جَاءَتْ رُسُلُنَا لُوطًا سِيءَ بِهِمْ وَضَاقَ بِهِمْ ذَرْعًا وَقَالَ هَٰذَا يَوْمٌ عَصِيبٌ 77

En toen Onze Gezanten (d.w.z. de Engelen) naar Loet kwamen, was hij bedroefd om hun (komst) en werd de last te zwaar voor hem. En hij zei: “Dit is een zware dag.”

وَجَاءَهُ قَوْمُهُ يُهْرَعُونَ إِلَيْهِ وَمِن قَبْلُ كَانُوا يَعْمَلُونَ السَّيِّئَاتِ ۚ قَالَ يَا قَوْمِ هَٰؤُلَاءِ بَنَاتِي هُنَّ أَطْهَرُ لَكُمْ ۖ فَاتَّقُوا اللَّهَ وَلَا تُخْزُونِ فِي ضَيْفِي ۖ أَلَيْسَ مِنكُمْ رَجُلٌ رَّشِيدٌ 78

En zijn volk kwam haastig naar hem (toe), en hiervóór verrichtten zij slechte daden. Hij zei: “O mijn volk, dit zijn mijn dochters (d.w.z. de dochters van mijn gemeenschap). Zij zijn reiner voor jullie (om mee te trouwen). Vrees daarom Allah en verneder mij niet tegenover mijn gasten. Is er onder jullie geen verstandige man?”

قَالُوا لَقَدْ عَلِمْتَ مَا لَنَا فِي بَنَاتِكَ مِنْ حَقٍّ وَإِنَّكَ لَتَعْلَمُ مَا نُرِيدُ 79

Zij zeiden: “Voorzeker, jij weet dat wij niet naar jouw dochters verlangen en voorwaar, jij weet daadwerkelijk wat wij willen.”

قَالَ لَوْ أَنَّ لِي بِكُمْ قُوَّةً أَوْ آوِي إِلَىٰ رُكْنٍ شَدِيدٍ 80

Hij zei: “Had ik maar meer macht over jullie, of kon ik maar mijn toevlucht zoeken bij een machtig iemand (om weerstand tegen jullie te bieden).”

قَالُوا يَا لُوطُ إِنَّا رُسُلُ رَبِّكَ لَن يَصِلُوا إِلَيْكَ ۖ فَأَسْرِ بِأَهْلِكَ بِقِطْعٍ مِّنَ اللَّيْلِ وَلَا يَلْتَفِتْ مِنكُمْ أَحَدٌ إِلَّا امْرَأَتَكَ ۖ إِنَّهُ مُصِيبُهَا مَا أَصَابَهُمْ ۚ إِنَّ مَوْعِدَهُمُ الصُّبْحُ ۚ أَلَيْسَ الصُّبْحُ بِقَرِيبٍ 81

Zij (de Engelen) zeiden: “O Loet, waarlijk, wij zijn Gezanten van jouw Heer. Zij zullen jou niet bereiken. Reis dus met jouw familie in een deel van de nacht en laat niemand van jullie achterblijven, behalve jouw vrouw. Waarlijk, haar zal (ook) treffen wat hen zal treffen. Voorwaar, wat hun beloofd is zal in de ochtend plaatsvinden. Is de ochtend niet nabij?”

فَلَمَّا جَاءَ أَمْرُنَا جَعَلْنَا عَالِيَهَا سَافِلَهَا وَأَمْطَرْنَا عَلَيْهَا حِجَارَةً مِّن سِجِّيلٍ مَّنضُودٍ 82

En toen Ons Bevel kwam, keerden Wij het (d.w.z. de stad) ondersteboven, en deden Wij er een regen van stenen van gebakken klei op neerdalen, die elkaar opvolgden.

مُّسَوَّمَةً عِندَ رَبِّكَ ۖ وَمَا هِيَ مِنَ الظَّالِمِينَ بِبَعِيدٍ 83

Gekenmerkt bij jouw Heer en het (d.w.z. de bestraffing) is niet ver van de onrechtplegers.

وَإِلَىٰ مَدْيَنَ أَخَاهُمْ شُعَيْبًا ۚ قَالَ يَا قَوْمِ اعْبُدُوا اللَّهَ مَا لَكُم مِّنْ إِلَٰهٍ غَيْرُهُ ۖ وَلَا تَنقُصُوا الْمِكْيَالَ وَالْمِيزَانَ ۚ إِنِّي أَرَاكُم بِخَيْرٍ وَإِنِّي أَخَافُ عَلَيْكُمْ عَذَابَ يَوْمٍ مُّحِيطٍ 84

En tot (het volk van) Madyan (zonden Wij) hun broeder Shoecayb. Hij zei: “O mijn volk, aanbid Allah, er is voor jullie geen andere god dan Hij. En verminder niet de (volle) maat en het (volle) gewicht. Voorwaar, ik zie in jullie het goede en waarlijk, ik vrees voor jullie de Bestraffing op de Dag van de Omsingeling.

وَيَا قَوْمِ أَوْفُوا الْمِكْيَالَ وَالْمِيزَانَ بِالْقِسْطِ ۖ وَلَا تَبْخَسُوا النَّاسَ أَشْيَاءَهُمْ وَلَا تَعْثَوْا فِي الْأَرْضِ مُفْسِدِينَ 85

En o mijn volk, geef de volle maat en het volle gewicht met rechtvaardigheid. En benadeel de mensen niet in hun zaken en trek niet als verderfzaaiers rond op aarde.

بَقِيَّتُ اللَّهِ خَيْرٌ لَّكُمْ إِن كُنتُم مُّؤْمِنِينَ ۚ وَمَا أَنَا عَلَيْكُم بِحَفِيظٍ 86

Wat overblijft van Allah is beter voor jullie, als jullie gelovigen zijn. En ik (Shoecayb) ben geen toezichthouder over jullie.”

قَالُوا يَا شُعَيْبُ أَصَلَاتُكَ تَأْمُرُكَ أَن نَّتْرُكَ مَا يَعْبُدُ آبَاؤُنَا أَوْ أَن نَّفْعَلَ فِي أَمْوَالِنَا مَا نَشَاءُ ۖ إِنَّكَ لَأَنتَ الْحَلِيمُ الرَّشِيدُ 87

Zij zeiden (op een sarcastische wijze): “O Shoecayb, beveelt jouw gebed jou dat wij datgene moeten verlaten wat onze voorvaderen aanbaden, of dat wij ophouden om met onze bezittingen te doen wat wij willen? Waarlijk, jij bent zeker de verdraagzame, de verstandige.”

قَالَ يَا قَوْمِ أَرَأَيْتُمْ إِن كُنتُ عَلَىٰ بَيِّنَةٍ مِّن رَّبِّي وَرَزَقَنِي مِنْهُ رِزْقًا حَسَنًا ۚ وَمَا أُرِيدُ أَنْ أُخَالِفَكُمْ إِلَىٰ مَا أَنْهَاكُمْ عَنْهُ ۚ إِنْ أُرِيدُ إِلَّا الْإِصْلَاحَ مَا اسْتَطَعْتُ ۚ وَمَا تَوْفِيقِي إِلَّا بِاللَّهِ ۚ عَلَيْهِ تَوَكَّلْتُ وَإِلَيْهِ أُنِيبُ 88

Hij zei: “O mijn volk, vertel mij, als ik mij op een duidelijk Bewijs van mijn Heer bevind en Hij mij met een goed levensonderhoud van Hem voorziet (zou ik het dan besmetten door het te vermengen met onwettig bezit)? En ik wil niet datgene doen wat ik jullie verbied. Ik wil slechts verbetering volgens wat ik (aan)kan. En er is voor mij geen succes, behalve van Allah. In Hem stel ik mijn vertrouwen en tot Hem keer ik berouwvol terug.

وَيَا قَوْمِ لَا يَجْرِمَنَّكُمْ شِقَاقِي أَن يُصِيبَكُم مِّثْلُ مَا أَصَابَ قَوْمَ نُوحٍ أَوْ قَوْمَ هُودٍ أَوْ قَوْمَ صَالِحٍ ۚ وَمَا قَوْمُ لُوطٍ مِّنكُم بِبَعِيدٍ 89

En o mijn volk, laat jullie vijandigheid tegenover mij jullie er niet toe leiden dat jullie met hetzelfde getroffen worden als dat waar het volk van Noeh of het volk van Hoed of het volk van Saalih ook mee getroffen zijn. En het volk van Loet is niet ver (weg) van jullie.

وَاسْتَغْفِرُوا رَبَّكُمْ ثُمَّ تُوبُوا إِلَيْهِ ۚ إِنَّ رَبِّي رَحِيمٌ وَدُودٌ 90

En vraag jullie Heer om vergeving en toon vervolgens berouw aan Hem. Waarlijk, mijn Heer is Meest Genadevol, Meest Liefdevol.”

قَالُوا يَا شُعَيْبُ مَا نَفْقَهُ كَثِيرًا مِّمَّا تَقُولُ وَإِنَّا لَنَرَاكَ فِينَا ضَعِيفًا ۖ وَلَوْلَا رَهْطُكَ لَرَجَمْنَاكَ ۖ وَمَا أَنتَ عَلَيْنَا بِعَزِيزٍ 91

Zij zeiden: “O Shoecayb, wij begrijpen niet veel van wat jij zegt en voorwaar, wij zien jou zeker als een zwakke (man) onder ons. En was het niet vanwege jouw naasten, dan zouden wij jou zeker hebben gestenigd. En jij bent voor ons niet zo belangrijk (dat wij hier moeite mee zouden hebben).”

قَالَ يَا قَوْمِ أَرَهْطِي أَعَزُّ عَلَيْكُم مِّنَ اللَّهِ وَاتَّخَذْتُمُوهُ وَرَاءَكُمْ ظِهْرِيًّا ۖ إِنَّ رَبِّي بِمَا تَعْمَلُونَ مُحِيطٌ 92

Hij zei: “O mijn volk, zijn mijn naasten belangrijker voor jullie dan Allah? En jullie lieten Hem achter jullie rug (d.w.z. jullie keerden Allah de rug toe). Waarlijk, mijn Heer omvat (met Zijn Kennis) wat jullie doen.

وَيَا قَوْمِ اعْمَلُوا عَلَىٰ مَكَانَتِكُمْ إِنِّي عَامِلٌ ۖ سَوْفَ تَعْلَمُونَ مَن يَأْتِيهِ عَذَابٌ يُخْزِيهِ وَمَنْ هُوَ كَاذِبٌ ۖ وَارْتَقِبُوا إِنِّي مَعَكُمْ رَقِيبٌ 93

En o mijn volk, werk op jullie manier. Waarlijk, ik werk ook (op mijn manier). Jullie zullen spoedig weten tot wie er een bestraffing zal komen die hem zal vernederen en (jullie zullen spoedig weten) wie de leugenaar is. En wacht af, waarlijk, ik wacht met jullie af.”

وَلَمَّا جَاءَ أَمْرُنَا نَجَّيْنَا شُعَيْبًا وَالَّذِينَ آمَنُوا مَعَهُ بِرَحْمَةٍ مِّنَّا وَأَخَذَتِ الَّذِينَ ظَلَمُوا الصَّيْحَةُ فَأَصْبَحُوا فِي دِيَارِهِمْ جَاثِمِينَ 94

En toen Ons Bevel kwam, redden Wij Shoecayb en degenen die met hem geloofden door Onze Genade. En degenen die onrecht pleegden werden getroffen door een (afschuwelijke) schreeuw, waarna zij uitgestrekt in hun huizen op de grond lagen.

كَأَن لَّمْ يَغْنَوْا فِيهَا ۗ أَلَا بُعْدًا لِّمَدْيَنَ كَمَا بَعِدَتْ ثَمُودُ 95

Alsof zij daar nog nooit hadden gewoond. Dus weg met (het volk van) Madyan zoals ook met (het volk van) Thamoed is gebeurd.

وَلَقَدْ أَرْسَلْنَا مُوسَىٰ بِآيَاتِنَا وَسُلْطَانٍ مُّبِينٍ 96

En voorzeker, Wij hebben Moesa gestuurd met Onze Tekenen en duidelijke bewijzen.

إِلَىٰ فِرْعَوْنَ وَمَلَئِهِ فَاتَّبَعُوا أَمْرَ فِرْعَوْنَ ۖ وَمَا أَمْرُ فِرْعَوْنَ بِرَشِيدٍ 97

Naar de farao en zijn vooraanstaanden, maar zij volgden het bevel van de farao. En het bevel van de farao was niet verstandig.

يَقْدُمُ قَوْمَهُ يَوْمَ الْقِيَامَةِ فَأَوْرَدَهُمُ النَّارَ ۖ وَبِئْسَ الْوِرْدُ الْمَوْرُودُ 98

Hij zal zijn volk voorgaan op de Dag der Opstanding en hij zal hen naar het Vuur leiden. En deze plaats is de slechtste Plaats.

وَأُتْبِعُوا فِي هَٰذِهِ لَعْنَةً وَيَوْمَ الْقِيَامَةِ ۚ بِئْسَ الرِّفْدُ الْمَرْفُودُ 99

En zij worden hier (d.w.z. in dit wereldse leven) en op de Dag der Opstanding gevolgd door een vloek. Hoe slecht is de vloek (in deze wereld) die (in het Hiernamaals) opgevolgd wordt door een andere Vloek?

ذَٰلِكَ مِنْ أَنبَاءِ الْقُرَىٰ نَقُصُّهُ عَلَيْكَ ۖ مِنْهَا قَائِمٌ وَحَصِيدٌ 100

Dit behoort tot de berichten over de steden, waarover Wij jou (het verhaal) vertellen. Een aantal hiervan bestaat nog (in vervallen toestand), en sommigen zijn (reeds) met de grond gelijk gemaakt.

وَمَا ظَلَمْنَاهُمْ وَلَٰكِن ظَلَمُوا أَنفُسَهُمْ ۖ فَمَا أَغْنَتْ عَنْهُمْ آلِهَتُهُمُ الَّتِي يَدْعُونَ مِن دُونِ اللَّهِ مِن شَيْءٍ لَّمَّا جَاءَ أَمْرُ رَبِّكَ ۖ وَمَا زَادُوهُمْ غَيْرَ تَتْبِيبٍ 101

En Wij deden hun geen onrecht aan, maar zij deden zichzelf onrecht aan. En hun (valse) goden die zij naast Allah aanriepen, konden hun in geen enkel opzicht baten toen het Bevel van jouw Heer kwam. En zij vermeerderden voor hen niets anders dan vernietiging.

وَكَذَٰلِكَ أَخْذُ رَبِّكَ إِذَا أَخَذَ الْقُرَىٰ وَهِيَ ظَالِمَةٌ ۚ إِنَّ أَخْذَهُ أَلِيمٌ شَدِيدٌ 102

En zo is de Greep van jouw Heer wanneer Hij (de bevolking van) de steden grijpt, terwijl zij onrecht plegen. Waarlijk, Zijn Greep is pijnlijk, hard.

إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَةً لِّمَنْ خَافَ عَذَابَ الْآخِرَةِ ۚ ذَٰلِكَ يَوْمٌ مَّجْمُوعٌ لَّهُ النَّاسُ وَذَٰلِكَ يَوْمٌ مَّشْهُودٌ 103

Voorwaar, daarin bevindt zich zeker een teken voor degene die de bestraffing van het Hiernamaals vreest. Dat is een Dag waarop de mensen verzameld zullen worden. En dat is een Dag waarvan getuigd zal worden.

وَمَا نُؤَخِّرُهُ إِلَّا لِأَجَلٍ مَّعْدُودٍ 104

En Wij stellen het niet uit, behalve tot een vastgesteld tijdstip.

يَوْمَ يَأْتِ لَا تَكَلَّمُ نَفْسٌ إِلَّا بِإِذْنِهِ ۚ فَمِنْهُمْ شَقِيٌّ وَسَعِيدٌ 105

Op de Dag waarop deze (d.w.z. de Dag der Opstanding) aanbreekt, zal geen ziel spreken, behalve met Zijn Toestemming. Onder hen zullen (sommigen) ongelukkig zijn en (anderen) gelukkig.

فَأَمَّا الَّذِينَ شَقُوا فَفِي النَّارِ لَهُمْ فِيهَا زَفِيرٌ وَشَهِيقٌ 106

En wat betreft degenen die ongelukkig zijn, zij bevinden zich in het Vuur. Voor hen zal daarin gezucht en gekreun zijn.

خَالِدِينَ فِيهَا مَا دَامَتِ السَّمَاوَاتُ وَالْأَرْضُ إِلَّا مَا شَاءَ رَبُّكَ ۚ إِنَّ رَبَّكَ فَعَّالٌ لِّمَا يُرِيدُ 107

Voor eeuwig (verblijven zij) daarin, zolang de hemelen en de aarde zullen voortbestaan, behalve als jouw Heer het (anders) wil. Waarlijk, jouw Heer doet wat Hij wil.

وَأَمَّا الَّذِينَ سُعِدُوا فَفِي الْجَنَّةِ خَالِدِينَ فِيهَا مَا دَامَتِ السَّمَاوَاتُ وَالْأَرْضُ إِلَّا مَا شَاءَ رَبُّكَ ۖ عَطَاءً غَيْرَ مَجْذُوذٍ 108

En wat betreft degenen die gelukkig zijn, zij zullen zich in het Paradijs bevinden. Voor eeuwig (vertoeven zij) daarin, zolang de hemelen en de aarde zullen voortbestaan, behalve als jouw Heer het (anders) wil. Een onafgebroken Geschenk.

فَلَا تَكُ فِي مِرْيَةٍ مِّمَّا يَعْبُدُ هَٰؤُلَاءِ ۚ مَا يَعْبُدُونَ إِلَّا كَمَا يَعْبُدُ آبَاؤُهُم مِّن قَبْلُ ۚ وَإِنَّا لَمُوَفُّوهُمْ نَصِيبَهُمْ غَيْرَ مَنقُوصٍ 109

Dus verkeer niet in twijfel over datgene wat zij aanbidden. Zij aanbidden slechts (op de manier) zoals hun voorvaderen voorheen aanbaden. En voorwaar, Wij zullen (voor) hen hun deel zeker volledig vergelden, zonder vermindering.

وَلَقَدْ آتَيْنَا مُوسَى الْكِتَابَ فَاخْتُلِفَ فِيهِ ۚ وَلَوْلَا كَلِمَةٌ سَبَقَتْ مِن رَّبِّكَ لَقُضِيَ بَيْنَهُمْ ۚ وَإِنَّهُمْ لَفِي شَكٍّ مِّنْهُ مُرِيبٍ 110

En voorzeker, Wij gaven Moesa het Boek, waarna zij (d.w.z. het volk van Moesa) hierover (met elkaar van mening) verschilden. En was het niet vanwege een Woord dat eerder door jouw Heer was bepaald, dan was er zeker tussen hen (d.w.z. tussen de gelovigen en de ongelovigen) geoordeeld. En voorwaar, zij verkeren daarover in dubieuze twijfel.

وَإِنَّ كُلًّا لَّمَّا لَيُوَفِّيَنَّهُمْ رَبُّكَ أَعْمَالَهُمْ ۚ إِنَّهُ بِمَا يَعْمَلُونَ خَبِيرٌ 111

En voorwaar, jouw Heer zal de daden van eenieder zeker volledig vergelden. Waarlijk, Hij is op de hoogte van dat wat zij (in het verborgene) doen.

فَاسْتَقِمْ كَمَا أُمِرْتَ وَمَن تَابَ مَعَكَ وَلَا تَطْغَوْا ۚ إِنَّهُ بِمَا تَعْمَلُونَ بَصِيرٌ 112

Wees dus standvastig, zoals jou en degenen die met jou berouw toonden is bevolen, en overtreed niet. Voorwaar, Hij is Alziend over wat jullie doen.

وَلَا تَرْكَنُوا إِلَى الَّذِينَ ظَلَمُوا فَتَمَسَّكُمُ النَّارُ وَمَا لَكُم مِّن دُونِ اللَّهِ مِنْ أَوْلِيَاءَ ثُمَّ لَا تُنصَرُونَ 113

En neig niet naar degenen die onrecht plegen, opdat het Vuur jullie niet zal aanraken. En jullie hebben naast Allah geen beschermers, noch zullen jullie vervolgens geholpen worden.

وَأَقِمِ الصَّلَاةَ طَرَفَيِ النَّهَارِ وَزُلَفًا مِّنَ اللَّيْلِ ۚ إِنَّ الْحَسَنَاتِ يُذْهِبْنَ السَّيِّئَاتِ ۚ ذَٰلِكَ ذِكْرَىٰ لِلذَّاكِرِينَ 114

En onderhoud het gebed aan het begin en einde van de dag en (in) delen van de nacht. Voorwaar, het goede neemt het slechte weg. Dit is een Vermaning voor degenen die gedenken.

وَاصْبِرْ فَإِنَّ اللَّهَ لَا يُضِيعُ أَجْرَ الْمُحْسِنِينَ 115

En wees geduldig, waarlijk Allah doet de Beloning voor de weldoeners niet verloren gaan.

فَلَوْلَا كَانَ مِنَ الْقُرُونِ مِن قَبْلِكُمْ أُولُو بَقِيَّةٍ يَنْهَوْنَ عَنِ الْفَسَادِ فِي الْأَرْضِ إِلَّا قَلِيلًا مِّمَّنْ أَنجَيْنَا مِنْهُمْ ۗ وَاتَّبَعَ الَّذِينَ ظَلَمُوا مَا أُتْرِفُوا فِيهِ وَكَانُوا مُجْرِمِينَ 116

Waren er maar onder de generaties vóór jullie bezitters van enig verstand, die (anderen) verboden om verderf op aarde te zaaien, (maar er waren er geen) behalve enkelen van hen die Wij hebben gered. En degenen die onrecht pleegden, volgden de (wereldse) gunsten waarin zij leefden, en zij waren misdadigers.

وَمَا كَانَ رَبُّكَ لِيُهْلِكَ الْقُرَىٰ بِظُلْمٍ وَأَهْلُهَا مُصْلِحُونَ 117

En jouw Heer zou de steden nooit ten onrechte vernietigen, terwijl hun mensen weldoeners zijn.

وَلَوْ شَاءَ رَبُّكَ لَجَعَلَ النَّاسَ أُمَّةً وَاحِدَةً ۖ وَلَا يَزَالُونَ مُخْتَلِفِينَ 118

En als jouw Heer het had gewild, dan had Hij de mensen zeker tot één gemeenschap gemaakt. En zij zullen niet ophouden met het (van mening) verschillen (met elkaar).

إِلَّا مَن رَّحِمَ رَبُّكَ ۚ وَلِذَٰلِكَ خَلَقَهُمْ ۗ وَتَمَّتْ كَلِمَةُ رَبِّكَ لَأَمْلَأَنَّ جَهَنَّمَ مِنَ الْجِنَّةِ وَالنَّاسِ أَجْمَعِينَ 119

Behalve degene die jouw Heer heeft begenadigd. En daarom heeft Hij hen geschapen. En het Woord van jouw Heer is tot voltooiing gebracht (door te zeggen): “Ik zal de Hel zeker vullen met de djinns en de mensen tezamen.”

وَكُلًّا نَّقُصُّ عَلَيْكَ مِنْ أَنبَاءِ الرُّسُلِ مَا نُثَبِّتُ بِهِ فُؤَادَكَ ۚ وَجَاءَكَ فِي هَٰذِهِ الْحَقُّ وَمَوْعِظَةٌ وَذِكْرَىٰ لِلْمُؤْمِنِينَ 120

En alles wat Wij jou vertellen over de berichten van de (eerdere) Boodschappers, is om jouw hart daarmee standvastig te maken. En hierin (d.w.z. in dit hoofdstuk van de Koran) is de Waarheid tot jou gekomen en een Vermaning en een Herinnering voor de gelovigen.

وَقُل لِّلَّذِينَ لَا يُؤْمِنُونَ اعْمَلُوا عَلَىٰ مَكَانَتِكُمْ إِنَّا عَامِلُونَ 121

En zeg tegen degenen die niet geloven: “Werk op jullie manier. Waarlijk, wij werken ook (op onze manier).

وَانتَظِرُوا إِنَّا مُنتَظِرُونَ 122

En wacht dan af. Voorwaar, wij wachten (ook) af.”

وَلِلَّهِ غَيْبُ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ وَإِلَيْهِ يُرْجَعُ الْأَمْرُ كُلُّهُ فَاعْبُدْهُ وَتَوَكَّلْ عَلَيْهِ ۚ وَمَا رَبُّكَ بِغَافِلٍ عَمَّا تَعْمَلُونَ 123

En aan Allah behoort (de Kennis over) het onwaarneembare van de hemelen en de aarde toe en tot Hem keren alle zaken terug. Aanbid Hem daarom en stel jouw vertrouwen in Hem. En jouw Heer is Zich niet onbewust van wat jullie doen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Close